DébüS

Twintig gedwongen sollicitaties en vijf maanden ww later is het zover. Een uitnodiging voor een gesprek. Dit keer voor een baan die me niet eens zo afschuwelijk lijkt. Best leuk eigenlijk zelfs. Een baan in de stad. Ik verzamel het meest presentabele setje kleren dat ik heb hangen in de kleine kast van mijn bescheiden studio in een oud bejaardenhuis waar het altijd ruikt naar huidplooidampen en iemands laatste adem en ga erop uit.

Het is ongeveer een half uur naar de halte, dan twintig minuten met de bus en dan nog vijf minuten lopen om bij het kantoor van Willem Klokhuis te komen. Ik heb niets gezegd over zijn achternaam in mijn sollicitatiebrief, ook al had ik dat wel gewild. Ik was bang dat hij zou denken dat ik overvriendelijk was en daarmee een slijmbal.

Het digitale reclamebord in het hokje hapert tussen twee advertenties en flikkert en flitst steeds in mijn ooghoek. Het uithangbord met de aankomsttijden leest acht minuten tot mijn bus er is. Ik doe mijn koptelefoon op en zink in de muziek.

Twee tracks later en het valt me op dat het bord aan de overkant van de straat is uitgevallen, of misschien had hij het de hele dag niet gedaan. Er zijn geen bustijden te zien, maar de klok daarboven leest kwart voor twaalf. Uit interesse kijk ik naar mijn eigen bord om te zien hoe lang het nog gaat duren voor mijn bus er is.

Acht minuten.

De tijden worden tegenwoordig digitaal en via satelliet gps wifi-tooth doorgegeven dus het is waarschijnlijk dat er een driftkikker was bij de vorige halte of een rolstoelgebruiker die de uitschuifhelling nodig had en dat het verkeer wellicht iets chaotischer was geweest vandaag dan het normaal gesproken was. Zo lang hadden de nummers ook niet geduurd en volgens mij was de echte tijd op de borden wel vooruitgegaan. Niet dat ik nog zeker wist hoe laat ik hier kwam staan, maar dat het nu kwart voor twaalf was leek redelijk te passen bij mijn inschatting. Ik besluit nog een nummer op te zetten en expres niet naar de tijd te kijken totdat het lied is afgelopen.

Na het tweede refrein komt er iemand aanlopen die aan de overkant gaat staan, bij de andere bushalte. Door de opbouw van de bridge heen hoor ik zodra ze in het hokje plaatsneemt een geronk opkomen van rechts. Ik kijk op en zie een bus aankomen. De dame kijkt naar links, glimlacht bij de toevalligheid van haar timing en stapt de bus in wanneer die nog geen tien seconden na haar aankomst arriveert. Alsof hij tot bestaan was gecommandeerd door haar aanwezigheid.

Het is nu minstens een kwartier sinds ik hier aankwam. Ik heb geen appjes, maar ik kijk alsnog een paar keer en veeg wat door de lijst, ik klad wat zinnen in een memo, lees het screenshot dat ik heb gemaakt met het adres van mijn contactpersoon, kijk naar een foto die me ooit blij maakte en nu hoogstens bitterzoet en vervolgens kijk ik weer naar het aankomsttijdenbord.

Acht minuten.

Maar dit is onmogelijk. Dit kán niet. En ik kan nu ook niet meer weg. Wat als alleen de tijden verkeerd zijn, maar de bus wel echt onderweg is? Het is tien minuten lopen tot de volgende halte en als ik halverwege ben en hij dan langskomt sla ik mijzelf voor mijn kop. Dat kan ik niet riskeren. Als ik iets anders had willen doen dan had ik dat tien minuten geleden moeten doen, toen ik nog niet wist hoe groot het probleem was. Nu is het te laat. Te laat, te laat, te laat. De woorden echoën nog door mijn hoofd terwijl ik de spanning en schaamte begin te voelen van te laat komen bij een belangrijke afspraak.

Ik zou ze kunnen bellen, maar wat zeg ik? Ik sta al een kwartier op twee minuten te wachten? De bus komt niet? Ik heb blijkbaar ook geen idee wanneer hij wel zou moeten komen, dus ik kan ze helemaal niets vertellen behalve dat ik misschien te laat ga komen voor onbepaalde tijd. Ik wil niet als besluiteloos of onwetend overkomen op mijn nieuwe geldschieter. Beter te wachten tot ik meer zekerheid heb voordat ik bel.

Zes minuten.

Oké, hij kómt dus wel! denk ik met een gevoel van opluchting. Dat moet wel, anders was het getal niet omgeslagen. Mijn telefoon geeft aan dat het zojuist twaalf uur is geworden. Het gesprek begint over een half uur. Als het bord nu klopt ben ik één minuut te laat, wat het niet waard is om voor te bellen, dat laat een grotere indruk achter dan die enkele minuut te laat binnenwandelen. Als ik doorloop zijn het waarschijnlijk zelfs maar een paar seconden. Dat zou ze niet eens opvallen. In plaats van te laat zou ik juist perfect op tijd zijn. Punctueel. Niet te vroeg, zoals nerveuze mensen, niet te laat zoals lakse mensen, maar gecalculeerd precies op tijd. Zoals de beste mensen.

Er komt weer iemand aangelopen die plaatsneemt op het bankje tegenover mij en zodra hij dit doet hoor ik hetzelfde geronk opdoemen van rechts, wat leidt tot dezelfde aangenaam verraste blik op het gezicht van de man als die ik eerder had gezien op het gezicht van de dame.

Voor de bus kan stoppen ren ik naar de overkant en ga klaarstaan waar de man staat. De deur schuift open en een oude man achter het stuur knikt de man goedendag.

‘Meneer,’ vraag ik met voelbare stress in mijn stem.
‘Wat kan ik voor u doen?’ Komt er terug.
‘Weet u iets over de andere bus? Wanneer komt de bus aan de overkant? Ik sta al een half uur te wachten.’
‘Ah, de andere bus? Nee, geen idee. Dat is een terugwegbus. Ik ben een heenwegbuschauffeur.’
‘Ehh, dus u weet er niets van?’
‘Nope, dat is niet mijn afdeling, sorry. De andere kant van de weg is een heel ander departement.’
‘Maar ik moet ergens heen… Hoe moet ik dan…’
‘Oh, je moet ergens heen?’
‘Ja.’
‘Maar weet je wel zeker dat je die bus moet hebben en niet deze? Dit is de heenwegbus.’
‘Gaat de terugwegbus niet ook ergens heen dan?’
‘Jazeker, maar het is wel de terugweg, dat je het weet.’
‘Oké, maar ik moet echt die kant op, dus…’
‘Wat jij wilt,’ glimlacht hij me toe, waarna hij me met zijn ogen verzoekt een stap naar achter te doen zodat hij de deuren weer kan sluiten en weg kan rijden.

Vijfentwintig minuten later resteren er schijnbaar nog drie minuten voordat de bus er is en gaat mijn telefoon.

‘Goedemiddag, meneer Remora?’
‘Ja, daar spreek je mee. Meneer Klokhuis?’
‘Ja. Meneer Remora, wij hadden u eigenlijk vijf minuten geleden hier verwacht.’
‘Ik begrijp het, en mijn excuses. Ik wacht nu al een uur op de bus en hij komt maar niet en ik snap het niet, er staat nu al zo lang acht minuten, zes minuten, nu is het eindelijk drie minuten, maar ik weet niet wat dat betekent, het kan zomaar nog een halfuur zijn en ik wist niet precies wat er aan de hand was dus ik-‘
‘Meneer, was er geen andere manier waarop u had kunnen reizen?’
‘Ik bedoel, nu ik dit weet had ik liever een taxi genomen, maar het geld groeit me niet op de rug.’
‘Maar je hebt niet het initiatief genomen om naar een andere oplossing te zoeken, of om ons even te bellen?’
‘Ik… Ik ben naar de halte gegaan, dat is initiatief… Ik heb gesolliciteerd…’
‘Ja en dan vervolgens kom je niet opdagen.’
‘Maar ik kan er niets-‘ Ik stop mijzelf halverwege de gedachte, want dit was een werkgever, er was altijd iets dat ik eraan had kunnen doen. ‘Kunnen we anders het gesprek nu telefonisch doen?’
‘Ik weet niet of dat nog nodig zal zijn. We zijn niet op zoek naar iemand die afwacht, we zoeken naar een hands-on proactieve touwtjespakker. Ik zal het je zo zeggen, meneer Remora: Als de andere kandidaten het allemaal laten afweten dan hoor je nog van ons.’
‘Goed,’ zei ik met meer verheuging op die minieme kans dan ik had gewild op dat moment.

Meneer Klokhuis hangt op met de tegenwoordig spreekwoordelijke klik van de hoorn en zodra het gesprek plaatsmaakt voor stilte hoor ik van links een geronk opkomen.

De druïde

Het bospad is gehuld in een vroege ochtendnevel die een spookachtig laken spreidt over het zand dat tussen de wazige stokken loopt. Hier en daar kleeft het spook van de dageraad aan een stuk blad en valt het na enkele seconden druppelvorming naar beneden als frisse dauw. Een tjiftjaf fladdert vluggetjes door de takken en tsjirpt haar naam. Ze dartelt van plek naar plek in een rap tempo op zoek naar kleine beestjes en hun baby’s die op de bladeren chillen. In de verre verte is het geroezemoes van een dorp met een marktplein en een ijzersmid te horen, maar op de afgelegen geluiden en de vroege vogel na is het ijzig stil.

Te stil.

Een druppel zweet sijpelt langzaam door de donkere sprietjes van haar wenkbrauwen richting haar ogen. Haar ogen die opengesperd zijn en spanning verraden. De struiken waar ze zich in heeft verstopt ritselen af en toe iets mee met de wind en zwijgen dan weer. Kleine takjes schrapen zachtjes langs haar benen en gezicht, maar ze ervaart het meer als ge-aai dan getreiter. Ze kijkt de verte in en wacht geduldig op haar doelwit. Hij kan ieder moment aankomen.

Er is een hert met kalf op een kilometer afstand aan het grazen, een mol kruipt onder de grond, een familie van eekhoorns kraken enkele bomen verderop wat nootjes en de planten lijken allemaal héél zachtjes te zingen. Haar ademhaling is ritmisch en beheerst ondanks de cortisol die door haar aderen stroomt.

Een klein guichelheiltje bloeit in de neep van de bocht, zijn zacht roze bloemetjes voorzichtig uitgevouwen met gele stampers die lijken op voelsprieten in het midden. Het blijft droog voorlopig, weet ze nu, want de geniepige plantjes kunnen voelen wanneer de buien aan het vormen zijn en slaan dan hun kleurenkrans dicht.

Ze pulkt wat aan de handgreep met haar vingers, een gewoonte van de zenuwen. Ze spitst haar oren, krabt haar schoenzool met haar teennagels, maar blijft ten aller tijden voor zich uit kijken naar de plek waar hij de hoek om zal komen.

Wat een prachtig fenomeen eigenlijk, denkt ze. Hoe lang duurt het voor een plantensoort leert hoe de regen ruikt? Hoeveel tijd is er al voorbijgegaan op deze wereld om alles in zo’n schijnbaar onfeilbare staat van symbiose te brengen? Generatie op generatie van dieren kijkt af bij hun ouders en modderen dan aan tot ze zelf kleintjes krijgen en zo gaat het stap voor stap stukje bij beetje al honderden miljoenen jaren. Maar planten kunnen niet eens afkijken, die evolueren met de kleinst mogelijke zintuiglijke aandrijving. Die kunnen niet ruiken. Of misschien ook wel, want wat is reuk behalve een hypergespecialiseerde manier om stofjes te laten reageren op andere stofjes voor het vergaren van informatie en een lichamelijke reactie? Stofjes laten reageren op stofjes kunnen planten ook, dus misschien is het kunnen ruiken van regen wel helemaal niet zo indrukwekkend voor een plant als dat het voor een mens zou zijn. Net zoals “blindheid” voor een mol of slang helemaal niet hinderlijk is zolang het dier een accuraat beeld van de omgeving kan maken gebaseerd op trillingen of geur. “Blindheid” heeft niets te maken met hoeveel je ziet, het heeft te maken met de mate waarin je de ruimte om je heen kunt bevatten en gebruiken. Dát is zicht, besluit ze, onderhand diep in gedachten verzonken.

Wat een dagpasjeshouders zijn wij vergeleken met de onmetelijke reikwijdte van het gecreëerde, of het bestaande, of het passerende, hoe je het ook noemen wilt. De hartslag van de natuur, het onzijdige gegons dat door alle micro en macrokosmossen pulseert en de dingen tot beweging dwingt, tot groei, tot procreatie, tot voltooiing van iets ongrijpbaars. Ze voelde het als haar eigen hart, wat op zichzelf het centrum was van het weerzinwekkende universum dat haar lichaam moest voorstellen.

De natuur is prachtig, realiseert ze zich innig. Het bestaat om te bestaan en alles is altijd in balans, niemand heeft schuld want alles gebeurt uit een haast geautomatiseerde noodzaak. De Aarde produceert lukraak voedingsstoffen en het wezenlijke schikt zich ernaar in de zin dat het optimaal kan oogsten met zo min mogelijk gevaar voor eigen leven. Een onzichtbare stuwkracht maakt op die wijze in honderdduizenden jaren van een klein diertje een langnek als het nodig is en iedere soort en ieder individu bezit hetgeen dat dit proces mogelijk maakt, dat ongrijpbare elementje dat van een doelloze zak genen een handelend schepsel maakt, een handhaver van een ongeschreven wet die het wezen zelf constant constitueert; want de natuur kent wetten, maar die waren er niet altijd, evenals de natuur zelf, en ze hoeven ook niet eeuwig te zijn. Ze zijn tijdsgebonden en vloeibaar, maar de meeste wezens leven niet lang genoeg om een grip te krijgen op dit principe. Ze kennen de cycli die plaatsvinden in hun gemiddelde levensduur en meer denken ze niet aan, want dat hebben ze ook niet nodig.

Maar als je de eerste paar millennia van je leven een boom bent geweest is dit meer voor de hand liggend, denkt ze. Dat het roofdier moet snoepen van de grazers is doorberekend in de bevolkingsgrootte van de prooi, en hoe gruwelijk het verliezen van een kuddegenoot ook is, je weet dat het roofdier enkel pakt wat hij verorberen kan en niet meer. Op die manier is de leeuw een soort beschermheilige van het savannegras dat anderzijds wellicht uitgeroeid zou worden door onbegrensde antilopen en andere hongerige herbivoren. Alles is op die manier in een constante strijd voor de eigen bevordering en door de gewaagdheid van alle deelnemers aan elkaar ontstaat een zichzelf-optimaliserend-equilibrium dat enkel verstoord kan worden door acute veranderingen in het klimaat, en anders rustig voort blijft dobberen op de melodie van Gods cadens.

Kl-klak K-klok K-klak Kl-klok
kgh . kgh . kgh . kgh .

Een brandend gevoel, als een vurige zweepslag, snijdt door haar torso en beëindigt haar dagdroom. Er is een geknars te horen op het pad.

Daar is ‘ie.

Ze hurkt, leunt achterover in het struikgewas dat haar lijkt te dragen alsof ze even licht is als de wind, heft haar armen en begint haar rechter elleboog naar achter te bewegen terwijl ze met haar hand aandachtig de bevedering van haar pijl vingert. De andere arm hangt strakgespannen voor haar borst. Haar lichaam voelt wat onwennig, ze heeft nog niet bijster veel ervaring opgedaan als mens. En met goede reden. Ze schuwde de mensen een beetje. Mensen waren balansbrekers, egoïsten, een soort die niet leek aan te sluiten bij de harmonieuze commune van het dierenrijk. Van alle vormen die ze aan kon nemen vond ze die van het menselijk ras het meest oncomfortabel en ze merkte ook op dat de andere dieren terugdeinsden in haar aanwezigheid wanneer ze deze vorm aannam.

Het struikgewas waar ze zich in verstopt krioelt en begint zich om haar ledematen te wikkelen, het strekt zichzelf uit langs haar spieren en begeleid haar bewegingen. Haar blik volgt de punt van de pijl die geruisloos klaarligt in de gespannen omhelzing van haar ebbenhouten compositieboog. Het gekletter van hoeven op kiezelsteentjes wordt luider, duidelijker en komt stap voor stap steeds iets dichterbij. Het paard is te ruiken, evenals het mens dat erop zit. Dat mens dat het noodzakelijk had gevonden om een van haar zussen van het leven te beroven en te verkopen aan een man die haar vacht afsneed, haar ontdeed van haar huid en haar vervolgens aan een metalen haak had gehangen voor het hele dorp om naar te kijken.

Ze komen de hoek om.

Hij draagt een hoed, een bruine hoed, donkerbruin, met vlekken. En een lange donkergroene jas die tot zijn knieën komt en deftig over de flanken van het paard hangt. Om zijn schouder gevouwen zit een leren riem en naast zijn ongeschoren bruinbebaarde hoofd ziet ze twee glanzende tubes die aan zijn rug vast lijken te zitten. Zijn ogen zijn licht en onbezorgd en ze schijnen met een zekere speelsheid waar ze wel iets van zou willen lenen. De man kijkt rond en wijst haast instructief naar iets op de grond. Dan kijkt hij voor zich uit, recht in de richting van haar struik.

Ze schrikt wanneer zijn blik precies in die van haar valt. Hij is niet hetzelfde als de vorige keer dat ze hem zag. Hij heeft iets aandoenlijks haast, maar dat durft ze niet helemaal toe te geven aan zichzelf. Voor een héél klein momentje twijfelt ze.

Haar twijfelende gedachten gaan echter gepaard met het razen van de pijl richting het hart van de man en zodra hij die bereikt heeft stort hij met een luidkeelse kreun van het paard richting de grond. Hij probeert zich nog overeind te houden door zijn hielen in de zij van het paard te drukken, maar het lukt hem niet en wanneer hij eenmaal op de grond geworpen is door de kracht van de pijl en de pijn van de wond ziet ze tot haar grote schrik dat de man niet alleen is, en dat hij niet voor niets naar dingen op de grond aan het wijzen was geweest.

De cortisol wordt weggespoeld door een deluge van adrenaline en zakt naar haar onderbuik. Alle spieren die ze bezit spannen zich aan om te vechten tegen haar vluchtinstinct en zelfs de struik die haar omarmt lijkt haar te willen duwen in de richting van het kindje dat vol verbijstering en horror naar de grond aan het staren is. Het paard is wat radeloos in het rond aan het draaien en ze stopt voorzichtig de boog weg voor ze het pad oploopt en op het mensje afstapt.

‘Hoe heet je?’ Vraagt ze star aan het huilende jochie dat troosteloos kijkt naar het lichaam van de jager op de grond.
‘Wat is er met papa!?’ roept hij in paniek naar haar, als het enige andere mens in de omgeving en dus de bezitster van de antwoorden op al zijn vragen.
Ze heeft geen idee wat ze moet zeggen.
‘Ik weet het niet,’ liegt ze.
‘Papa!  Papa sta op! We moeten een hertje vangen, papa!’
‘Papa is aan het slapen, ben ik bang, jongen,’ probeert ze hem te troosten.
‘Wakker worden, papa!’ krijst hij met een beginnend besef van wat er aan de hand is.
Ze staat verstijfd en leeg van binnen te kijken naar de knul. Zijn onderlip trilt terwijl hij kijkt naar het ding dat ooit zijn vader was geweest. Plots begint het jongetje al snikkend door zijn tranen te zingen:
‘Waarom lig je in de dons
de dag is oh zo mooi
spring in de vijver
met een plons
kom op, kom uit de hooi…’ Verder komt hij niet voor de tranen weer meester van hem worden.
‘Het- Het spijt me…’
‘Laat me eraf! LAAT ME ERAF!’ Schreeuwt de jongen nu vol woede en verwijt, en hij steekt zijn armen vooruit zodat een volwassen iemand hem bij zijn oksels van het paard kan tillen.
Ze gehoorzaamt eerbiedig en probeert grip te krijgen op haar rondtollende maag. De jongen begint zijn vader heen en weer te schudden en luidkeels te huilen.
‘Wat is je naam, jongen?’ Vraagt ze voorzichtig terwijl ze tegen haar eigen oogvocht vecht.
‘F-Felix,’ snottert hij door zijn radeloze kreten heen.
‘Waar is je moeder, Felix?’ Hij heeft niet gezien waar de pijlen vandaan kwamen, bedenkt ze.
‘D-die… Ik, ik heb geen moeder, ik ben met mijn papa. We zijn alleen.’
‘…’

Een paar jaar later loopt ze met Felix over de markt. Een slagersvrouw is bezig het lokale wild op te hangen voor de verkoop. Ze kijkt naar de dieren aan de haken en vervolgens in de glinsterende ogen van de knul die haar doen denken aan zijn vader. Voor haar ogen flitst een beeld van de herinnering aan die dag. Wat er allemaal wel niet verandert is sinds die dag… Haar manier van lopen, haar gedachten, haar gevoel voor mode, ze zijn allemaal steeds menselijker geworden. Ze vangt haar reflectie op in plassen op straat en herkent zichzelf vaak pas na een seconde of twee.

Om voor de jongen te zorgen is ze meubelmaakster geworden, aangezien hout zich lijkt te buigen en vormen naar haar aanraking. Ze verlangt terug naar het leven hiervoor, het ongebonden bestaan in het wild waar ze haar geest met ieder wezen kon versmelten, maar ze is met de tijd ook van Felix gaan houden.

Af en toe neemt ze hem nog wel eens mee de wildernis in, waar ze met de jongen op haar rug door het bosbaldakijn klautert of tussen de bomen slalomt in de vorm van een panter of gorilla. Felix vouwt zijn armen stevig om haar nek en klampt zich met man en macht vast terwijl ze hem de behendigheid van de bosbewoners toont. Hij kan het goed vinden met de andere dieren, die hem niet als een bedreiging zien zonder zijn vader, en hij vertelt niemand in het dorp over de speciale krachten van zijn mama, want die titel heeft ze inmiddels verdient.

Een paar keer had hij aan haar gevraagd of ze hem wilde leren boogschieten, maar dat was iets dat ze niet over haar hart kon verkrijgen. Ze leerde hem voornamelijk omgaan met dieren van alle soorten en maten in de hoop dat Felix zou zien wat zij zag en met de tijd een wijs man zou worden die de wereld mooier achter zou laten dan hij hem aangetroffen had, want dat was de verantwoordelijkheid van de mens vond ze.

De jongen zit doorgaans vol energie en enthousiasme en praat alleen bij uitzonderlijke vlagen nog over zijn vader, hoewel hij minstens een avond in de paar maanden uitbreekt in de meest bittere tranen. Maar op die momenten voelt ze zich vreemd genoeg het meest met hem verbonden en huilt ze in een liefdevolle omhelzing met hem mee om de levens die ze verloren hebben. En bij elkaar vinden ze net genoeg moed en rust om de volgende dag met een lach tegemoet te zien.

Riet dù passaazj

In sommige culturen is achttien een belangrijke leeftijd. Het heeft een of andere symbolische betekenis als overgang van de jeugd naar de volwassenheid en gaat vaak gepaard met een indrukwekkend ritueel waar je vuurmieren om je ballen heengewikkeld krijgt of een liter regenwoudLSD moet consumeren om zo door een overweldigende ervaring in de tweede fase van het leven te belanden. De volwassenheid. Vrouwen hebben al iets van zichzelf om ze te vertellen dat ze vrouwen zijn, maar mannen niet echt tenzij het hele dorp om een masturberend jochie gaat staan om te zien of er aan het eind al spul uitkomt, maar dat is niet echt praktisch, dus er moest iets stoms voor verzonnen worden blijkbaar.

In onze cultuur is het ook wel een ding. Je mag vanaf je achttiende autorijden, je mag de nationale drugs nuttigen, het leger in, alle films kijken, stemmen op je volksvertegenwoordiger, seks hebben met alle andere mensen boven de achttien, dat soort dingen.

Toen ik zelf achttien was ontving ik ook mijn lading aan volwassenheidstraining. Het was zelfs netjes verwikkeld in één gebeurtenis. Iets dat me niet zozeer direct het besef gaf van mijn ontluikende mannelijkheid, maar me wel overtuigde dat deze wereld écht was, en dat mijn voorstellingen en zorgen en angsten echt waren. Dat ik niet in een jarenlange koortsdroom verkeerde waar geen einde aan kwam, maar dat het leven zelf de nachtmerrie was. En dat het allemaal nog véél erger kon dan ik voor mogelijk hield. Ik dacht tot dan dat de show bekend was, de acteurs gevestigd en het script bepaald, maar ik had geen rekening gehouden met de wispelturige regie die schaamteloos dood en verderf zaait en ellende regent op dagen waar het eerst enkel licht bewolkt was geweest.

Ik vind het moeilijk om hierover te schrijven. Zelfs nu probeer ik krampachtig metaforen te verzinnen om de banale bedroefdheid van mijn gemoedstoestand te verdoezelen in een hooghartige woordenschat. En ergens moet dat ook wel, want de zinnen: Ik ben zo ontzettend verdrietig en de leegte die ik aan mijn zij voel kan enkel gevuld worden door iemand die niet meer bestaat, ik voel me schuldig en zoek obsessief naar geruststelling, maar ik kan dit amper accepteren van mensen die niet jou zijn, of: Ik durf niet meer te dansen in dezelfde wereld die jou van mij afnam, klinken allemaal zo belachelijk simpel en niet-sympathiek-zielig wanneer ze op zichzelf staan. Alle oprechte jammerklachten klinken eigenlijk als aanstellerij van een zeurpiet vind ik, mijn eigen incluis. Voor de meest zielige waarheden heb je soms zelfs een heel boek nodig om geen gay ass faggot ass pussy ass whiny ass lame ass cliché ass supine ass protoplasmic ass invertebrate ass jelly ass candy ass dough boy te zijn, of je moet net genoeg roem hebben om het tot een memequote te halen.

Ik ben een paradijsvogel die tientallen jaren zijn veren heeft gepoetst om vervolgens te moeten optreden voor een afgebrand regenwoud.

Goed, mijn ontgroeningsritueel, mijn riet dù passaazj, was een paradox. Want hetgeen dat mij leven gegeven had besloot het leven niet meer waard te vinden. En dat is best wel een lastige. De persoon die me uit bed moest praten, die mijn tranen moest stoppen, die mijn problemen moest aanhoren, die mijn tienertemperament moest temmen, die persoon die het leven gaf en voorzag van liefde en soms ook verwaarlozing, die persoon dacht op een gegeven moment dat de dood beter was dan nog een dag in haar lichaam ontwaken. Die dacht dat de dood beter was dan al het andere. Al die kutargumenten en schuldgevoelens en citaten en grapjes en onzekerheden en angsten en nervositeit ging ze tegenin toen ze besloot: Nee. De dood is beter. Ik hoef niet meer te hopen op betere dagen. Ik wil niet meer zien wat er nog te vinden is. Ik erken dat ik van jullie houd, maar dit is wat ik wil. Ik stel me niet aan, ik hoef geen aandacht, ik reageer niets af, ik weet dat de Aarde ook mooi kan zijn, ik weet wat voor schatten er begraven liggen in de dieptes van menselijke ondernemingen, ik ben geboren en ik heb gebaard, ik ben geslagen en gezoend, ik heb gelachen en gehuild. Ik ken het leven, ik heb er meer dan veertig jaar aan meegedaan, maar nu is het klaar.

Best verwarrend. Geen brief ook. Niets. Ze ging van een afstandelijke aanwezigheid (want mijn ouders waren gescheiden) naar een mysterieuze absentie. En daar was ik dan. Zonder moeder, ruzie met mijn vader, broer in het slaaphuis, geen diploma, dikkig en depressief. Ik werd nooit geslagen vroeger, of misbruikt, dus ik dacht altijd dat mijn gezin prima was, dat er misschien wel iets hier en daar niet helemaal klopte, maar dat het over het algemeen net als de andere huizen was bij mij thuis. Maar nu besefte ik me dat er iets anders was. Dat ik misschien wel een van die zielige kinderen van tv was.

Weet je wat kut voelt? Vroeger als kind te horen krijgen dat je talent hebt voor taal en komedie en acteren en muziek en schrijven en expressie en alles dat je persoon met de wereld deelt door middel van creaties en dan naar de tv kijken en zien dat alle andere “artiesten” altijd pijn hebben en over pijn schrijven en beroemd worden met dat ene nummer of dat ene gedicht dat ze speciaal voor een overledene geschreven hebben en dan heel graag een beroemd artiest willen worden en bij jezelf stiekem wensen dat je pijn krijgt om over te schrijven en dan een van je ouders verliezen aan zelfmoord en tot de realisatie komen dat dát hetgeen is waar je zo onwetend op zat te hopen en je vervolgens schuldig voelen bij alles dat je creëert omdat ieder werk een traptrede moet zijn naar dat grandioze tribuut aan haar, je schuldig voelen omdat een tekst meerwaarde zou moeten dragen doordat ik getraumatiseerd ben ook al weet de lezer daar niets van, je achterbaks voelen omdat je de meest misselijkmakende ervaringen moet gaan uitbuiten voor andermans plezier, je hopeloos voelen omdat geen woord of collectie aan woorden ooit kan overbrengen hoe ik me voel wanneer mijn wezen huilt bij de herinnering aan haar en tot slot je compleet verpulverd wanen wanneer je beseft dat je kunt maken wat je wilt, maar je moeder het toch niet zal zien. Dat degene voor wie je het maakt “niet meer bestaat” wat dat dan ook mag betekenen.

Mijn voedingsbodem werd een moeras.

Ik weet niet wat ik ervan geleerd moet hebben. Ze zeggen alles heeft wijsheid en tijd heelt alle wonden blablabla, leuk allemaal. Ik kan prima nadenken, de voor de hand liggende lessen zijn dat het leven soms écht te veel kan worden, dat ik niet heilig ben, noch speciaal, noch “normaal”, dat ik maar gewoon een kind ben van een stel mensen, dat die mensen niet onaanraakbaar zijn, dat ze een hele hoop verkeerde keuzes hebben gemaakt in hun leven, dat ze allebei van elkaar afhankelijk leken te zijn omdat ze te zwak waren om op eigen benen verder te gaan, dat ik niet de goede kant op zal groeien als ik ambieer zoals mijn ouders te worden, dat er een aantal kernelementen van mijn persoonlijkheid zijn die ik zal moeten veranderen om de erfelijkheidszonde van me af te schudden, dat het écht fout kan gaan, dat niet iedere vorm van liefde goed is voor degene waar je van houdt, dat ik het probleem kan zijn, dat ik misschien vervloekt ben met een hersenspinsel waar ik pas over twintig jaar grip op krijg, nadat alles ineengestort is.

Ik heb nu bijna tien jaar gehad om erover na te denken en lessen te trekken, maar iedere les die ik eruit haal is als een schimmel op mijn ziel. Er is niets dat ik heb geleerd van haar dood dat me inspireert, dat me vreugde geeft, dat me geruststelt. Het is een probleem dat nooit zal worden opgelost. De enige manier om het gestaag te verwerken is door te gaan met leven in een wereld die ik überhaupt niet altijd even leuk vond, maar dan zonder de enige persoon die onvoorwaardelijk van me hield. Het is erop vertrouwen dat opstaan, tanden poetsen, eten naar binnen douwen, werken, werken, pauze, werken, werken, werken, chillen, slapen en weer opstaan “leuk” gaat worden uiteindelijk. Dat ik na vijftien jaar werken erachter kom dat werken zo slecht nog niet is. Dat ik over de jaren zoveel spullen zal kopen dat ik genoegen neem met het apathisch in stand houden van mijn overbodige bezit. Het is blindelings aannemen dat de vreugde van het bestaan in de buitenwereld ligt in plaats van in mijn hoofd, waar vaak geen vreugde meer mag bestaan.

Wanneer ik aan je denk voel ik motten in mijn buik. Ik word in een psychische put getrokken door antiliefde en mijn vechtlust verandert in een gespannen ongerustheid. Je bent tegenwoordig een nucleus van leed dat in mijn midden pulseert zonder remedie. Je bent het gevoel van kramp in mijn hart, de erosie van mijn wil.

Het overstijgen van je pijn en het doorzetten ongeacht de mentale uitputting is wat je persoonlijke waarde bepaalt, maar het is ook iets dat je nooit precies kunt delen met iemand anders. Je kunt nooit aan iemand overbrengen hoe moeilijk iets precies was voor jou, je bent overgeleverd aan hun persoonlijke begrip van pijn en worsteling, wat zij op hun beurt ook niet helder aan jou kunnen laten zien of voelen. Pijn is daarom vaak heel eenzaam denk ik, omdat we mensen zoeken die onze pijn “waard zijn” voordat we haar delen. Je tranen worden niet gevoeld door een stalen gezicht en je gevoelens kunnen niet worden begrepen door onzekere hulpverleners, te druk bezig met vragen om te kunnen verstaan wat je zegt. We bewaken onze maladieën en laten ze broeien in de donkere nisjes van onze geest tot die ene persoon langskomt waarvan we allemaal weten dat hij/zij bestaat maar waarvan niemand precies weet wie hij/zij is. Dán geven we ons bloot en worden we óf even gekwetst, óf even gelukkig.

Om te weten dat iemand die minder eloquent is dan jij en minder intelligent dezelfde gevoelens heeft maar dat niet kan beschrijven op een manier waar jij trots op kunt zijn frustreert veel mensen denk ik en het zorgt ervoor dat ze elkaars gevoelens ondermijnen, en daarmee hun eigen. Maar taal is maar een krakkemikkig middel om gedachten over te brengen. Het is niet gemaakt voor iets als gevoelens, en dat maakt schrijven best wel een klotehobby als je hart zo vol zit als de mijne.

Nog één poging op iets zieligs dat door mijn hoofd spookt en waar ik me zorgen over maak dan: Ik denk al heel lang aan zelfmoord en de plusjes en de minnetjes en de waarom welles en nietes, en ik zet de gedachte altijd wel weer van me af doordat ik iets zie dat me blij maakt, iets als een boom of een persoon. Ik kijk ernaar, betrap mijzelf op het hebben van een niet-suïcidaal gevoel en dat is de reden waarom ik niet zo moet zeiken. Dat is het bewijs dat ik me aanstel. Ik voel me een aansteller en denk dat als ik ooit zou praten hierover dat mensen me dan een schooier zouden vinden, omdat ik toch niet echt zelfmoord zou plegen, omdat ik dat niet zou durven. Omdat ik lui ben en onder mijn verantwoordelijkheden uit wil komen door te doen alsof ik zielig ben.

Maar daarnaast is er ook altijd een ander argument dat ik gebruik tegen zelfdestructieve gedachten: Er gaat een moment komen dat het allemaal beter is. “Het gaat goedkomen.” Er komt een tijd waarin ik terugdenk aan deze dagen en kan lachen om de strijd, om de stress. Er komt een moment dat zal voelen als een volledig ander leven, een andere soort geest in een ander lichaam, met dezelfde identiteit. Maar ik bedacht me vroeg vanochtend iets dat me angst aanjoeg: De wereld waarin “het goedgekomen” is bestaat niet. Dat is een ijdele hoop. Een sprookje. Een ideaalbeeld. Al sinds ik klein ben maak ik dit soort plaatjes in mijn hoofd en telkens kom ik er jaren later weer achter dat ze niet echt waren, dat het net zo goed scènes uit een niet-bestaande-televisieserie hadden kunnen zijn.

Ik voel me al jaren alsof mijn leven verspeeld is en de wereld ellendig en mijn toekomst zonder vreugde, alsof ik niet zo bijster veel zou verliezen indien ik mijn eigen leven zou nemen. Wanneer ik ergens naar kijk en een geheugenflits van vroeger voel waan ik me direct miezerig en ik snap niet waarom. In luttele seconden besef ik me dat ik me “net zo voel als vroeger” en direct wil ik weg, treur ik om het feit dat ik een verleden heb, komt er een realisatie van verslagenheid over me heen en ga ik met mijzelf in debat over de “waarheid” van dit gevoel. Zoals vanochtend, toen ik het ijsrandje om een herfstblad zag. Ik besefte me ineens met die overweldigende overtuigingskracht van de herinnering dat ik in dezelfde wereld leefde als dat ene moment een aantal herfsten geleden en direct zonk mijn hoofd naar mijn borst, vertroebelde mijn gedachten tot een misèremelange en werd ik bang om verder te gaan met mijn dag. Daarna werd ik nerveus over het feit dat dit gebeurde en toen begon het debat weer.

Wat kan ik in vredesnaam zeggen om jou te laten voelen wat ik voel? Volgens mij ben ik verre van een man zolang ik dat niet weet.

De Eerste

‘Hoe kunnen jullie meters verwijderd zijn van een monster en niets doen!?’ Roept de vrouw met pijn in haar hart en een overslaande stem.
‘Houd je bek, bitch,’ lacht een metgezel van het monster naar haar. Hij oogde minder succesvol en moest daardoor waarschijnlijk beter zijn best doen om erbij te horen. Ik zeg hier moest, maar dat moest natuurlijk helemaal niet en eerlijk gezegd zat niemand er echt op te wachten.

De man aan het tafeltje, ook wel bekend als het monster, is omringd door twee siliconentillende cocktalejurkjes met pikante botoxbakkesen daarboven. Hij weet een lachje tevoorschijn te toveren eer hij zijn visitekaartje naar de hysterische vrouw werpt en in de ogen van zijn palmsnoepjes afleest dat dat de alfa-zet was.

‘Dit is een speciale uitvoering, hij werkt ook als sleutel voor mijn penthouse suite in the four seasons downtown,’ knipoogt hij.

De vrouw begint te beven van angst en woede en ontploft bijna uit haar schoenen nu ze de ongegeneerdheid van deze man ziet. Ze heeft geen woorden, enkel blikken en richt die overal om zich heen, niet wetend waar ze het zoeken moet. Ze probeert te achterhalen of er iets in haar handtas zit dat scherp genoeg is, maar niets schiet te binnen.

‘Hij heeft onze zusters verkracht!’ schreeuwt ze paniekerig en met alle ernst in de ogen van de vrouwen naast de man. Ze reageren niet.

‘Ik ben blij dat we in een land leven waar jij jouw mening zo vocaal mag uiten, meissie,’ zegt hij vaderlijk tegen de dame, terwijl hij eens goed in zich opneemt wat er onder haar kleding schuilgaat.

‘Hoe… Hoe durf je?…’ Stammert ze radeloos. Ze kende de man alleen van de logo’s en het nieuws, ze kende alleen de misdadiger, het monster, de volksvijand, ze had zich niet beseft dat al die verhalen geen fysieke duivel betroffen, maar een mens, net als zij. Net als alle anderen.

‘Wat dóén jullie nog met dit walgelijke wezen!? HIJ IS EEN MONSTER!’

‘Haha, right? Dat hoorde ik ook inderdaad een keertje, hihi,’ doet de linker.
‘Mensen praten zo veel shit wanneer ze jaloers zijn, ugh,’ rolt de rechter met haar ogen
‘Right?’ doet ze weer.
‘Ja, hij is ten minste iemand, wie ben jij?’ vraagt de rechter met gefronste wenkbrauwen.
‘Ja, wat stel jij eigenlijk voor? Horen wij jou te kennen?’ gaat de linker verder.
‘Ik denk dat als je respect hebt voor jezelf dat er dan niets ergs kan gebeuren,’ besluit de rechter met een goedkeurende blik van haar leverancier.
‘Ja, en er zijn echt wel van die sletjes die het allemaal doen om geld. Ze moeten niet zoveel aandacht naar zichzelf trekken dat is wat ik denk, maar goed dat is gewoon mijn mening en zo begrijp je?’
‘HOE KUNNEN JULLIE IN GODSNAAM ZO ACHTERLIJK ZIJN DAT JU-‘
‘Sorry hoor, maar kan iemand deze vrouw verwijderen? Ze schreeuwt zo. Dat is niet netjes,’ roept de man vervolgens.

De vrouw ziet drie kasten van mannen aan komen wandelen die haar eerst vriendelijk verzoeken te gaan, tot ze haar onder de oksels pakken en meesleuren de tent uit. De man in het midden heeft een blik in zijn ogen waar ze meer in leest dan hij mogelijkerwijs gevoeld kon hebben op dat moment. Alsof ze een boodschap van hem af kon lezen die in zijn gezicht geschreven stond. Het emotionele manifest van zijn gelaat:

Ik zal toch nooit verantwoordelijk worden gehouden en ik ben te belangrijk om niet te krijgen wat ik wil. De wet is niet van toepassing op mij. Honderdduizend vrouwenstemmen zijn minder waard dan mijn fortuin. Ik ga straks deze trut naast me verscheuren voor dit grofgebekte kutwijf die mijn avond zomaar komt verstoren. Ze weten hoe het gaat, ze doen er zelf aan mee, ze komen niet voor niets bij me, misschien is dit haar fantasie wel, misschien betaal ik dezelfde kleerkasten om je even een rondje om te laten maken met ons. Je bent vuil. Weet je dat? Je bent absoluut onomstotelijk onmiskenbaar onlosmakelijk vuil voor mij, want ik heb meer dan jij en je hele loederfamilie in vijf generaties kunnen verdienen. Dat betekent dat ik zelfs met je dochtertje zou mogen spelen zonder dat je daar iets aan kon doen. Misschien doe ik dat wel. Misschien laat ik je wel bezwangeren en zie ik daarna of ik je dochtertje mooi genoeg vindt wanneer ze die heerlijke leeftijd bereikt. Zó veel macht heb ik, lieve jonge sappige schat. Zó veel macht. Dus kóm dan. Wat wil je doen?

Eenmaal op straat hoort ze het geloei van sirenes en het zingen van kogels; een ongemakkelijke ladder van quasi-dissonante klanken, gevolgd door pijnkreten die enkel uit een uitgemergelde ziel kunnen komen. De jammerklacht van generaties die bezweken onder hetzelfde lood dat deze organen perforeert. Ze surveilleert de scène en ziet agenten overmand door gejuich en gefluister onderling. Een andere agent wijst ineens in de verte en roept
‘Daar is er nog een!’
Het korps besluit snel wie er achter moet blijven om aan de officier moet gaan uitleggen hoe de vorige doodging en rukt dan direct weer uit.
‘Het is net als GTA!’ Zegt een van de biggen enthousiast tegen zijn vriend terwijl hij de passagiersdeur van de auto opent.

Uit het veld geslagen door de kakofonie van leed dat zich overal om haar heen steeds sterker laat klinken besluit de vrouw zich naar huis te haasten, weg van de nachtelijke taferelen. Ze strompelt wat misselijk over de stenen paden en struikelt haast over de daklozen die om de twintig meter zitten te verleppen en hun ruggen tegen de eindeloze muren leunen. Ze vroegen eerst nog om wisselgeld aan de treurige voorbijgangers, maar niemand heeft wisselgeld.

Het weer is miserabel, het voelt als een halfgare versie van het seizoen dat het hoort te zijn, alsof zelfs de atmosfeer niet echt meer zijn best doet. De kou heeft geen beet en de warmte wakkert geen passie meer aan. Het temperamente toneelstuk dat zich ooit onder de zon afspeelde was een soort ijdel najagen van kunstmatige ideaalbeelden, bewerkte plaatjes en filmfragmenten geworden. De wereld van het spektakel, de wereld van het veredelde bekekene en het meedogenloze exhibitionisme. Het huis van de geprogrammeerde mens.

Er ligt een fijngestampt restant van een colablikje dat nu meer wegheeft van een hockey puck voor haar voeten en ze trapt ertegenaan. Het blik schraapt en ratelt en komt een meter of acht verder weer tot stilstand. En hoewel ze normaal gesproken altijd voor de tweede trap ging, en de derde, was de straat nu rustig genoeg om het blikje helemaal naar huis te trappen, maar had ze er geen zin in. Ze trapte tegen het ding aan en voelde niet wat ze normaal voelde.

Voorheen wanneer ze tegen een blikje trapte op straat sprong er een vonk van enthousiasme door haar hoofd. Met de eerste trap was het spelletje begonnen en kon ze stoeien met alle gedachten die horen bij het naar voren trappen van dingen op straat; hoe vaak kan ik hem raken, zitten er mensen in de weg, heb ik zin in cola, waar gaat het landen, hoe hard moet ik trappen, hoe hard kán ik trappen?
Maar dit keer trapte ze tegen het blikje aan en dat was het.
Ze had net tegen een oud blikje aangetrapt.
En nu lag het in plaats van hier daar.
En het had wel een geluid gemaakt, maar dat was toch ook wel te verwachten dacht ze. Wat dom eigenlijk. Waarom vond ze dit leuk? Ze zette een paar stappen en het blikje kwam dichterbij. Haar instinct wilde alweer de hak naar achter gooien en de punt tegen het aluminium rossen, maar er was geen ondersteunend gevoel dat de voet in beweging zette. Ze keek naar het blikje, was zich volledig bewust van de normale gang van zaken, maar kon niet de moeite opbrengen om daaraan mee te doen. Wat bereik je daar ook mee? Dacht ze tegen zichzelf. Ik ben geen kind meer…

Vanuit het zwart van de hemel begint het te regenen. Ze denkt aan een grap die iemand eerder had verteld in de comedy club, de verteller was even boos als bombastisch geweest:wat is het verschil tussen een Irakese moslim en een Chinese moslim? Chinese moslims bestaan niet. Wat is het verschil tussen Irakese moslims en Amerikaanse moslims? Irakese moslims krijgen wél geld van de Amerikaanse regering om hun leven structureel te veranderen. Wat is het verschil tussen een Sunni en een Shi’a moslim?

Ja precies, boeie… Who cares? 
En tot slot, na wat venijnige blikken het publiek in, had deze boze komediant geroepen: ‘Jullie denken allemaal dat je zo heilig bent. Maar als de chinezen organen oogsten van hun concentratiekampslachtoffers, wat doen ze dan met de doden in de ICE kampen denk je? Een persoon is 2 miljoen waard wanneer je zijn organen verkoopt, je denkt dat die kapitalistische jakhalzen geen nieren en levers verhandelen van kansarme migranten? Jullie worden allemaal voorgelogen! Wij zijn China! Wij zijn de monsters! Hitler leeft! Mao leeft! Mussolini leeft! Stalin leeft! FUCK JULLIE! FUCK AMERIKA! WIJ ZIJN DE KANKER!”
De mensen in de zaal hadden kostelijk gelachen.

Ze had als klein meisje altijd gedacht dat het leven magisch was en de mensen speciaal. Dat we allemaal een geweldige unie vormden van wezens die zich even bezeten voelden door dat prachtige sprookjesverhaal; een wereld in harmonie. Ze had gedacht dat haar leven te spelen zou zijn als de computerspelletjes. Dat ze een soort kriebels in haar borst zou voelen bij het beseffen dat ze leefde, vergelijkbaar met het verslaan van een eindbaas. Dat het behalen van haar doelen en het verwezenlijken van haar dromen iets zou uitrichten. Dat de wereld wijzer werd met haar. Dat ze er toe dééd. Dat ze iets wáárd was. Maar eigenlijk, nu ze in de verte weer een automatisch magazijn geleegd hoort worden en terugdenkt aan de man van eerder, maakt ze helemaal niet uit en kan ze helemaal niets. Ook al weet de hele wereld van de duivel, en sta je er letterlijk naast, met beide vingers te wijzen terwijl hij op rituele wijze een zooi maagden offert, het maakt niet uit. Het maakte allemaal gewoon niet uit. Alles ging door zoals het was en gerechtigheid kwam niet. De meest verwerpelijke mensen waren toevallig het meest machtig en jij was niet gelijk wanneer het hen niet uitkwam. Zo simpel was het.

Ze heeft honger, maar het enige voedsel dat de stad aanbied op dit tijdstip is verzadigd met reuzel en plastic en verspilling en het stillen van haar honger doet waarschijnlijk meer kwaad dan zij goed kan doen met de geabsorbeerde kilojoules, dus waarom zou ze eigenlijk? Het was haast arrogant om eten te halen. Je deed anderen pijn met het voeden van jezelf. Moest je het dan wel doen? Was je dat waard? Had jij dat verdiend? En hoe kon ze ooit een fatsoenlijke woning vinden voor die zonnige toekomst als ze dingen als snacks kocht? Ze moet sparen, want ze heeft een kind nodig en ze werkt voor een bedrag dat na honderden jaren protesteren en terreur en sluipmoord en samenzwering en massamoord en onderdrukking tot stand is gekomen en nu gehanteerd moet worden als het absolute menselijke minimum waar een werkgever mee weg kan komen. En meer gaan ze dan godverdomme ook niet geven ook, want rechtszaken zijn duur en mensen zwijgen niet voor niets. Haar maag knort door, maar ze besluit voor honger te kiezen.

Serieus?
Nee, nee, wacht even.
Ik heb honger.
Waarom zou ik niet eten?
Hoeveel erger kan ik zijn dan hij?
What the fuck doe ik eigenlijk fout?
Als ik eerder had gegeten had ik nergens last van gehad, maar dat kon niet want ik had geen brood of fruit meer thuis, maar ik was het gister vergeten te halen, maar ik was ook te druk bezig met het voorbereiden van mijn set, maar je hebt altijd problemen met werk en privé gescheiden houden en je zorgt niet goed voor jezelf, je kunt voor geen flikker plannen, maar de rest gaat eindelijk iets beter, maar als je het ene vertikt te doen heb je weer tijd voor de rest, dat is makkelijk praten, maar god, oh god wat ben ik moe. Hoe kom ik hierop? Waarom zit ik altijd mijzelf af te straffen? Ik denk zoveel klotedingen dat ik amper meer vooruitkom, maar los je problemen op dan, dan heb je er geen last meer van, maar ik los al jaren problemen op, het houdt niet op, het blijft stapelen en stapelen en het gaat nergens heen tot de dood me neemt, maar hoe lang nog? Hoe lang nog? Maar wacht hoe kom ik hier op? Oja ik heb honger. Ik heb écht zin in wat eten, gewoon iets lekkers. Net als vroeger… Ik ren morgen harder en weiger de komende vijf snoepjes van mensen, ik heb iets nodig. 

Ze neemt plaats in een pizzakebabzaak en bestelt een broodrol met groenten en vlees. Op de tafel ligt pizzabestek. Een vork en een scherp gekarteld mes. De regen buiten klettert nog wat tegen het raam en gaat vervolgens liggen. De man achter de toonbank schaaft wat korsten van de rondtollende schapenbout die smakelijk naar beneden vallen en zich ophopen in een bak daaronder. Op de televisie die bovenin een hoek hangt is een foto te zien van een man die zichzelf recentelijk van kant gemaakt heeft, of ten minste, dat is wat ze wilden dat we dachten. Hij had het mentale strafblad van een Dutroux gehad, maar geleefd als een Dagobert Duck. Bleek dat Dutroux zijn niet tegen de wet was, niet genoeg nullen achter je naam hebben was tegen de wet. Nog zo’n geweldige demonstratie van de zalige rechtvaardigheid en eerlijke balans in onze nobele samenleving. Wat werkten we toch allemaal voor aimabele doelen.

De dürüm wordt geserveerd en ze staat op het punt een hap te nemen wanneer ze buiten geschreeuw hoort. Niet zomaar geschreeuw, maar verwend wijvengeschreeuw. Een geluid uit duizenden. Het is een soort gejoel dat alleen afkomstig kan zijn van halfdronken spoedpoezen die voor het eerst uit een limousinedak hangen en de hele stad dat moeten laten weten.

Ze herkent de stem van eerder.
Ze kijkt naar buiten en ziet een stoplicht naast het raam op rood springen. Het nietsvermoedende meisje en de desbetreffende bolide komen in zicht. Ze verdwijnt even terug de auto in en komt tot slot weer boven met de man naast haar. Als een soldaat die  zijn hoofd een moment boven het loopgraf heft om de zoete buitenlucht te mogen proeven.
‘Wooooooooeeeee!!!! HOLLYWOODDD!!!’ Zeurt het centre fold model de nacht in.
‘Hahá! Yeah! Hollywood!’ Probeert de man met overtuiging te roepen, maar hij is veertig jaar ouder.

Het is nu of nooit. 

Ze bedenkt zich geen moment, legt haar broodje neer, wikkelt haar palm om het lemmet en wandelt vastberaden naar buiten. Het stoplicht schijnt dezelfde kleur rood als altijd, de gebouwen vernauwen de hemel, de brede stoep zakt vijftien centimeter naar beneden om plaats te maken voor de straat. Ze is nog geen paar meter verwijderd. Ze bedankt zichzelf dat ze sneakers draagt vandaag. Ze rent richting de auto, zet zich af, werpt zich op het dak nog geen halve meter bij de twee feestvierders vandaan, heft haar hand en voor iemand er erg in heeft dompelt ze het mes in de nek van het monster, die voor het eerst sinds ze hem kent een blik van oprechte angst en verbijstering draagt. Hij is verwilderd en paniekerig aan het sputteren en hij reikt naar zijn nek terwijl het gorgelen en de klonten haar concentratie opeisen. Ze rukt het mes eruit, trekt aan zijn haren zijn hoofd naar achter om een goede blik in haar ogen te bieden en ze steekt hem nogmaals terwijl ze hem aankijkt. Onder het genot van de doodsangst die uit de ogen geprojecteerd wordt stuwt ze de punt van haar pizzames door zijn hart. Ze kijkt hem aan:
‘Er is geen penthouse op de begane grond. Hier sterf je net als wij, zonder dat iemand er iets aan kan doen.’
‘Het.. Het spij… Het sp-,’ sterfstottert het monster
‘Dat boeit me niet. Niemand geeft meer om je spijt. Iedereen wilt dat je sterft. Dit is wat je verdient,’ zegt ze terwijl ze een laatste horizontale hap uit zijn strot neemt met de gekartelde tanden van het mes.

Het gekrijs van de golddiggers alarmeert de chauffeur en hij poekt hem over het kruispunt zonder medelijden. Verkeersboetes betekenden toch niks voor hem, daarmee veegde zijn baas zijn reet af. De vrouw op het dak raakt haast in shock, keldert weer terug de wagen in samen met het lekkende lichaam en gaat daar verder met traumaverwerking. De andere vrouw valt van het dak af en klapt neer op de natte straat. Ze staat snel op, ontwijkt een langsrijdende taxi en rent naar de kant, terug naar de pizzeria om het mes terug te brengen en haar dürüm op te eten. De man achter de toonbank kijkt naar haar, maar beweegt zijn lippen niet. Pas wanneer ze een paar happen van haar eten verder is en de sirenen zich beginnen te melden in de verte spreekt hij:

‘Was dat ‘m?’
‘Dat wás ‘m.’
‘Dat is erg dapper van je.’
‘Het lost het probleem niet op, maar het is er weer eentje minder.’

Even later wordt ze opgepakt en overhoord. Ze legt haar verhaal uit en zegt dat ze zich nog nooit zo goed heeft gevoeld. Ze heeft eindelijk iets échts gedaan in de wereld. Ze heeft iets veranderd. Ze heeft honderden mensen gerustgesteld met haar daad. Ze heeft het kwaad vernietigd. Ze is een heldin. Ze heeft een onaanraakbaar monster ten val gebracht. Ze heeft iemand die boven de menselijke wet stond gereduceerd tot een slaaf van de natuurwetten. Ze roept mannen en vrouwen over de hele wereld op om hetzelfde te doen. Er is maar een gigantisch minieme elite die zich moet bewegen door de massa’s van het gepeupel. Ze zijn nooit veilig. Het volk is de ultieme terreur voor de gegoede burgerij en zij die ons willen bespelen, want al hun bewegingen vinden plaats in de zee van ons. Er is geen welvarend zwijn dat zonder zijn obers kan leven, zonder zijn huismeisjes, zijn chauffeurs, zonder buitenlucht. Als de wet deze mensen niet meer in toom kan houden is er geen andere optie dan ostentatieve moord als waarschuwingsmechanisme. Je hebt ons te respecteren. Wij laten ons niet misbruiken zonder weerwoord.

Ze heeft geen persmoment gekregen en doet nu levenslang voor monstermoord. Maar dat is wat een heldin doet, denkt ze, haar eigen leven geven voor de verbetering van anderen.

In bruisend zaanlicht
Preekt een geest
die duizlingwekkend
aandachtvragend

In een ander

aandacht breekt
Ik ben de schepper
wreed en duidlijk
Ik ben de vliegeraar zoals

Een ieder die zich
aan me opdringt
die me opdrinkt
met zwarte ogen iris
Mime als ik talm
denkend aan de tarnehelm

De duivel lacht
in dorpsgebeden
Dat de gek de brug
op gaat en dan
verdrinkt aan overtuiging
Ik ben de schepper
Ik ben de tijd

Lief je lacht stil
in de treinen lig je
breekt van tijd tot tijd
Ik genoot van hugen
dat ik lieflijk in het spugen
kon bevinden wat ik mijd

Damascusezel tot het paradijs
Ik ben alleen op deze reis

Geen Titel

Ik bekeek net wat videobeelden van mensen uit Hong Kong en ineens kreeg ik het brandende verlangen om de politie dood te schieten. Om de ME te mutileren, om met een scherpschutgeweer ergens in een toren te klimmen en langzaam maar zeker de mannen met schilden hun achterhoofden te laten ontploffen onder de druk van mijn kogels. Ik begon bijna te bidden voor een genocidale maniak die onaangeraakt door de massa’s van uniformen kon baggeren, ieder aan-de-staat-gehoorzaam wezen op zijn pad slachtend voor de ogen van zijn kameraden. Ik zou zo graag mierentactieken zien in de straten daar, waar de ledematen worden afgerukt terwijl het gezicht van de onderdrukker ondergetuft wordt met een vleesetend zuur. Ik zie een agent sprinten en een snoekduik maken voor een weerloze jongeman. Ik zie agenten met zijn achten inraggen op omstanders. Ik hoor het schreeuwen om hulp, maar welke andere hulp is hier mogelijk behalve een moordlustige eliminatieronde van de megalomane gummyknuppelzwijnen? Wat kun je doen tegen de staat behalve campagnes van terreur? Behalve brute slachtingen van hun best bewapende stukken tuig? Want is dat niet precies wat de tactiek is van willekeurige burgers in elkaar klappen? Angst? Afweren door middel van doodsvrees? Is terreur niet ook gewoon het laatste middel van de staat om gehoorzaamheid af te dwingen? Balanceren deze territoriale disputen niet allemaal op een worst-case-scenario slachtingsprognose en sterfecijferinschattingen en hoeveel doden te overzien zijn m.b.t. de economie en de positie op de globale competitieranglijst? Buigen we niet iedere dag voor de best georganiseerde misdaad op Aarde? Accepteren we niet iedere dag dat moord soms noodzakelijk is om te krijgen wat je wilt? Aanvaarden wij niet met iedere tank benzine die we volpompen dat mensen moeten sterven om beleid te veranderen? Kunnen we ooit van een droge revolutie spreken? En kun je op een internationale autoriteit vertrouwen om zichzelf gestaag te ontmantelen? Is dat reëel? Is het redelijk om aan de rijksten te vragen wat op te geven? Is het redelijk om aan politici de wensen voor te leggen van hen wiens stem niet uitmaakt? Of moeten de obstructies gewoon weggehaald worden? Moet er schoongemaakt worden in de hoogste echelons? Verdienen de aandrijvers niet een keer de zweep?

Maar goed, het is ook niet hún schuld natuurlijk. Zij doen ook hun werk maar. Misschien zijn ze zich wel helemaal van geen kwaad bewust.

Ik wel.

En ik kan niets anders voelen dan slachtingsijver bij het zien van dit erbarmelijke lot.

De Engel is Gekomen

Het stormwater klotst zich tegen de treinramen aan. Van het intercomgekraak van de machinist is niks meer te verstaan, maar de baby verder in de coupé huilt steeds harder als de mechanische schuifdeur opengaat en daar, op een perron waar niemand uitstapt, stapt de engel binnen.

Een kort gefladder is nog te horen maar dan stapt de Godsgezant met een beschaafd kuchje de tweedeklas stiltecoupé binnen. Een sjofel figuur, niet tussen man of vrouw te plaatsen, de veren netjes onder zijn jas gestopt, al schijnt zijn lichtend aureool nog door zijn katoenen pet heen. De engel zit zich recht tegenover de moeder met de huilende zuigeling, die direct diens gejammer staakt. De gehele coupé kijkt vol verwachting naar de hemelse bezoeker.

Dan stopt het gedonder, de storm compleet verwaaid en de trein lijkt haast geruisloos zich verder langs haar ijzeren omhelzing te glijden. De engel kijkt met een goddelijke blik de moeder tegenover hem aan en knikt dan medelevend. Haar kind valt met een lach op het gezicht in slaap. Dan opent hij zijn mond en spreekt een woord.

De moeder klemt haar kaken bijeen, de bejaarde ouderen tegenover doen hetzelfde en plaatsen hun tongen in het kleine gat tussen hun tanden terwijl ze hun vingers wijzen naar een wittig schrijfsel op het treinraam, en ieder in de coupé laat zich horen in een zacht doch dwingend sissen.

De moeder prevelt met lage stem waar de engel het woord ontnomen wordt: “Stiltecoupé: niet praten, niet bellen, en niet hardop muziek luisteren.”

De bezoeker kijkt met een blik van verbazing, terwijl een heilig engelkoor zich stil voorbij laat rijden. De baby schrikt uit het niets wakker en geeft een korte kreet, maar deze lijkt niet gehoord, zeker niet door het bejaarde echtpaar aan de andere kant van het gangpad.

Langzaam doemt het volgende station op in de verte, de engel staat op en kijkt weemoedig naar de fronsende menigte. Dan stapt het hemelwezen de coupé en dan de trein uit, laat zijn jas op het perron vallen en stijgt met zijn vleugels met verbluffende snelheid op.

De speakers beginnen weer te kraken, wat de baby in schaamteloos schreien laat vervallen, maar wat de moeder ook probeert in haar geluidloze pogingen, het kindeke lijkt ontroostbaar.
De machinist benoemt het huidige station, de eindbestemming van het zwijgend treintraject en de plaatselijke overstapmogelijkheden. En dan, terwijl de eerste regendruppels zich laten zien op de verweerde treinramen, is het net zo stil als eerst.

Regen

Ik ga de regen achterna
dikke wolken tranen snel
die vallen neergeslagen
over wallen zie ik zon

zo strepen nauw mijn ogen
tegen holle vlekkebeelden
kijk langs druipend wangewater
sluipend goudgeel medaillon

De regen gaat me achterna
in donkerblauwe avondstoet
de volle stromen blijven komen
als naar onnavolgbaar doel

Maar na de regen wacht me warmte
opdat ik mijn natte wangen voel