Die ene film

Ken je die ene film over die soort telepathische aliens die echt ziek kwaadaardig zijn en gedachtes van anderen binnendringen om ze op afstand te besturen? Ze hebben lang lang geleden hun biologische kleur verloren en vervangen, ruimteschepen ontwikkeld, hun zonnestelsel overgenomen en alle andere planeten roekeloos afgebrand terwijl ze de bewoners verslaafden aan hun arbeid. Door een vreemd soort mutatie is de bloem van hun ogen veranderd van kleur en sommigen zeggen dat dát de reden is van het buitensporige geweld van de soort. Het ijzige ultramarijne oog.

Het begin van de film is een montage van alle veroveringen en het bloedvergieten van de krijgsheren en de onderwerping van buurplaneten. Dan, een kindje dat geboren wordt, wellicht om de kijker de mogelijkheid te geven zich af te vragen of dit kindje iets zou kunnen veranderen aan het duidelijk onafwendbare lot van het onheilspellende theaterstuk om hem heen.

Het kindje groeit op en op zijn derde verjaardag beginnen zijn zwaardnagels te groeien, de vlijmscherpe ledemaatdecoraties die de soort siert. Zijn ouders denken terug aan de eerste wezens die zij hebben gedecimeerd met hun dolkenvingers; hoe het geel-groenige vocht van Khalaqitische rebellen vanuit starre nekken over hun snijkant sijpelde, en voelen een warme verheuging voor hun kroost nu ze beseffen dat die dag ook ooit voor hem zal komen.

Zijn ouders voeden het ding met zo veel liefde op dat het publiek haast vergeet dat het bloeddorstige sociopaten zijn met hun maniak in spé, dat er niets van vergeving of medelijden in de jongen zit, dat empathie biologisch uitgesloten is. Zijn soort had zich zo venijnig mogelijk moeten evolueren om de levensstrijd om hun thuisplaneet te kunnen winnen. Dus alle capaciteiten tot liefde voor iets anders dan het directe nageslacht werden er met de generaties uitgebroed, omdat aanhankelijkheid aan vreemden je kans op overleven serieus beperkte en wezens met minder egoïstische moordlust dus eerder stierven en minder kinderen kregen. Liefde kost tijd. Tijd is geld. Geld is moeite. Moeite hebben we geen zin in. Genenverzekering was daarom het makkelijkst af te sluiten door middel van geforceerde inseminatie van zo veel mogelijk hulpeloze voorbijgangers. Het beste pad naar de evolutionaire overwinning was die van verraad, vernietiging en sadisme geweest. De soort die zich daar het beste naar schikte, had overwonnen. En het feit dat hij nog bestond betekende dat hij er daar dus eentje van was.

Dan gaat de film over of de jongen een held wordt of niet, maar wat blijkt is dat een held helemaal niet afkomstig kan zijn van zo’n soort, omdat zo’n soort nooit overtuigd kan worden door iets dat in onze begrippen als held gezien zou worden, want als ze het vermogen hadden om met het komen van de held hun wezen te veranderen dan hadden ze nooit een held nodig gehad en waren ze niet zo’n kosmische ziekte geweest.

In dat geval is de held niet de wijzer van de weg, maar de finale wraak die de hele soort voor altijd in as legt en het God opnieuw laat proberen omdat er duidelijk iets fout is gegaan denk hij, en tot slot wordt hij zowel de apotheose als de antichrist van zijn soort wanneer hij iedereen vermoord in een explosie die net zo goed een supernova had kunnen zijn voor de bewoners van omliggende sterrenstelsels.

Kutfilm is dat zeg.

Schizoklinische beborderstoorlijn

Mensen tekenen cirkels op hun hand, want ze voelen zich niet helemaal senang en er wordt te weinig over depressie en psychische stoornissen gepraat en zo. Het is een beetje taboe, zegt het artikel.

Ik denk niet zozeer dat de “psychische stoornissen” het probleem zijn, ik denk dat de menselijke conditie anno 2020 dusdanig verneukeratief is voor sommigen van ons dat we onlosmakelijk in mentale doolhoven terechtkomen, om alle onnozele onzin te kunnen behappen die we moeten doorstaan voor we mogen proeven van de vrijheid waar onze leiders zo ostentatief mee pochen in hun partijslogans en hun schijnheilige retoriek.

We worden onderworpen aan achttien jaar mondsnoeren gevolgd door vier jaar arbeidsspecialisatie en uiteindelijk vijftig jaar veertig uur, geserveerd met een honderdduizend-dollar-glimlach van iemand die meer krijgt dan jij terwijl je zogenaamd gelijken bent. Onze broeders in de perifere landen werken zich dood zodat wij kunnen instagrammen. Volken worden leeggezogen voor goedkope schoenen en pronkgesteenten. De wereld brand voor onze haardverwarming en de vertrapten der aarde bloeden voor de bevloeiing van onze akkers.

Als je dit weet, als je hier stilzwijgend aan meedoet, als jouw belastingcenten deze malaise in stand houden en je machteloos bent daar iets aan te veranderen, zou dat niet een beetje steken van binnen? Zou er niet iets beginnen te knagen na tientallen jaren buigen?

Ik zou wellicht meer gêne moeten ervaren bij het uiten van mijn fatalistische gevoelens en mijn bodemloze weltschmerz. Maar ik schaam me er niet zo voor. Ik vraag me eerder af het wel redelijk is; of mijn suïcidale tendensen en mijn adolescente geschrei niet gewoon een zooi smoesjes zijn die mijn luiheid voortbrengt. De reden dat ik daar bang voor ben is dat mijn bedroefdheid zich vaak uit in een soort woede vervuld van verslagenheid en een verlangen om alles op te geven. Mijn depressie rechtvaardigt zichzelf door naar de wereld te kijken en te zien dat de meeste mensen in feite ongelukkig zijn en te murw gemept door de sleur om te kunnen veranderen. Ik observeer dat we psychisch uitgemergeld worden en ingezet als machines bij gebrek aan beter, verslaafd aan alles van bonen tot teer. Dat we gegijzeld worden door arbeidsovereenkomsten en afgestompt door schermen die klaroenen van koopjes en volkerenmoorden.

Een betekenisgevende machine. Dat is mijn beste beschrijving van de mens tot nu toe. We schenken de natuur haar namen en creëren de betekenis die schuilgaat in het alledaagse. Maar in wat voor wereld vindt die machine zich vandaag de dag? Wat is zijn betekenis? De planeet wordt onbewoonbaar gemaakt, de dieren sterven uit door ons toedoen, het individu is machteloos en positieve verandering wordt actief tegengewerkt door de mensen aan de macht.

Waar gaat de machine heen? Hij kan nergens heen, want hij moet zijn maandelijkse lasten betalen en zit vast aan zijn bezit, ook al is dat bezit soms niets meer dan zijn mensenrechten hem garanderen: Een huis, voedsel, educatie en een setje kleding of twee.

Sommige vrouwen hadden geen geld over voor maandverband vorig jaar, maar die Heinekentrut is rijker dan ooit. Je bent niets waard indien je arm bent is de boodschap.

Dus waarom zou ik trots moeten zijn op het land waar ik woon? Waarom zou ik mezelf een “Nederlander” wanen, in plaats van gewoon een mens? Waarom zou ik “ons” belangrijker vinden dan “zij”? Waarom zouden onze bommen gevuld zijn met bloemen in plaats van verdoemenis? Waarom zou ik me goed voelen in een wereld waar de nazi’s ineens wel oké zijn omdat Ali expres zo lekker goedkoop levert? Waarom zou ik vroeg uit bed komen voor een uitzichtloze lijdensweg?

Hoe belachelijk klinkt tegenwoordig het basisschoolsmoesje van alle mensen zijn belangrijk, ook de schoonmakers? wanneer de schoonmakers nog geen honderdste verdienen in een jaar van wat de baas in een dag naar binnen harkt? Het werk zelf is ook kwaadaardig. Lekker beetje iedere dag vegen op de snuifas zodat die belangrijke mensen je pensioen kunnen verkwisten aan lucratieve beleggingsopties en jij in werkende armoede leeft. Het is belachelijk. Banken hebben vangnetten van belastingcenten en burgers worden voor de leeuwen geserveerd wanneer ze hun krediet niet op pijl hebben. Als je rijk genoeg bent mag je kinderen verkrachten.

Er wordt geen mooie staat gebouwd voor Jan en alleman, er wordt niet oprecht gezorgd voor de medemens, we gaan geen prachtige toekomst tegemoet, we zijn voornamelijk vreemde zakken aan het vullen en onze zielen aan het verpanden. We zijn onwetende slachtoffers van gouvernementaliteit, opgeleid om onze naasten te wantrouwen en een vijand te zien in iedere gemeenschap die uitgebuit dient te worden door het grootkapitaal. Het is het niet waard om te werken voor het idee van ons land, het is het in onze tijd niet eens waard om te werken voor het idee van de mensheid, omdat we alles argeloos kapotmaken en geen gelukkig einde verdienen.

Het is het eigenlijk alleen nog maar waard om te werken voor je eigen belang, zodat je onherroepelijk nog meer schade aan kunt richten aan de enige natuurlijke bronnen van geluk: de Aarde en de medemens, terwijl je baas zich kapot lacht en zijn baas daarboven nog harder, omdat zij niets gaan merken van de negatieve gevolgen van hun wanbeleid. Wanneer de Hollanden blank staan en de ijsberen uitgestorven zijn bunkeren de rijken hun avonden weg in Zwitserland of Colorado. Tot die tijd zijn we koffervullers en picolo’s. Nee, erger nog. We zijn Uruk-hai. Stompzinnige uit de klei getrokken bruten die zich dood gaan werken voor iemand die ons als niets meer ziet dan een middel om een doel te bereiken. Maar wat speciaal, want we hebben de witte hand van Saruman zélve op ons hoofd! En hij is WIT! Wij zijn echt vét belangrijk!

Als dit de waarheid is voor je, hoe kun je dan niet een “stoornis” ontwikkelen? Als je een spel download dat je gedwongen de rest van je leven moet spelen, en je komt erachter dat je iedere dag gedood wordt door mensen die al vijf generaties V.I.P. zijn en alle diamonds en coins hebben gekocht zodat jij dat niet meer kunt doen en ze nu alle member only gebieden bewaken zodat je nooit kunt zien wat er precies in het spel zit, wordt je dan niet een beetje verdrietig? Ze beloven dat als je je hele leven blijft houthakken op tutorial island dat je dan uiteindelijk toegelaten gaat worden tot hun wereld, of als het jou niet lukt dan misschien wel je kinderen. Maar ze laten het zelden toe, want de rijken delen niet graag, totdat je ze in stukken hakt – wat je niet kunt doen, want je hebt geen wapens.

Als dat het spel is. Zou je het dan blijven spelen? Of zou je denken “wat een kutspel, ik ga iets anders doen”? Want daar komt de grap, mijn goede vriend. Je kunt niets anders doen. Het spel is je leven. Je zit hier vast. En anderen gaan bepalen wat jij gaat doen. En wat je gaat doen is werken voor hun profijt. Maakt ze geen flierefluit uit hoe malefide de mechanics zijn, hoe gecorrumpeerd de player base, hoe oneerlijk het pay2win aspect, je gaat godverdomme je abonnement betalen en spelen.

Je ontkomt er niet aan. Ze weten dat er een clandestien dingetje in die lelijke rotkop van je verstopt zit – koop meer make-up. Een dingetje dat zich ervan overtuigt dat de dagelijkse diarreesoep en bukkakecocktails van de moderne maatschappij het waard zijn, dat het ergens toe zal leiden, dat het goedkomt, omdat het leven leven wilt en niet kan leven zonder hoop. En precies dát dingetje is wat ze voor hun kar spannen. Precies die wil tot verbetering en creatie is wat ze drogeren en onderdrukken. Dat gevoel van hoop is de wortel die voor het paard van de samenleving wordt gehouden. Met de stok van angst geheven in de rechterhand.

Angst houd ons in toom en

Dus tot je het lef hebt om van je af te bijten, zuigen ze je uit. Tot je leert dat geslacht worden op je zolen beter is dan afgesleten op je knieën leven zullen ze je blijven berijden. Tot je eindelijk terugslaat zullen ze je iedere dag vernederen, jij minkukelige proleet. Ik hoop dat je vroeg in je pensioen terminaal ziek wordt. Dat scheelt weer. Kunnen we misschien nog een vliegtuigje van kopen, beetje burgers poppen.

De Ladder

In het bruine cafeetje op de hoek van de straat staan twee figuren met hun onderarm op de donkerhouten drankplank leunend te brallen over iemand die hier wel eens binnenkomt; de ene spreekt door een dikke bruine snor en de ander uit een kale mond met mooie tanden. Het is een stel vaste gasten van de kroeg genaamd Kenny Beuker en Boompie de Vree, twee robuuste mannen van middelbare leeftijd die allebei de gewoonte hebben om, na de negen uur arbeid die ze iedere dag in het magazijn afleggen, overmand te worden door een huiverende angst om naar huis te gaan. Als het mogelijk is werken ze liever samen een paar uur langer door dan dat ze in hun uppie de bekende voordeuren van hun slaapplek moeten confronteren. De baas ziet dit en knijpt zo nu en dan een oogje dicht wanneer de mannen ’s ochtends een kwartier te laat binnen komen strompelen.

Maar ondanks de coulance van hun werkgever, iedere dag wanneer ze weglopen van werk duikt weer datzelfde onderbuikgevoel op dat ze twijfelend door hun gedachten doet drijven en dromen van een ander leven in hun hart boezemt. Een beter leven. Een leven van gemoedsrust en stille tevredenheid. Een leven dat zo fijn zou zijn, maar jammer genoeg te veel tijd en moeite kost om nu nog te verwezenlijken.

Soms, wanneer ze ’s avonds bijna in slaap vallen, voelen ze in hun beschonken roes ineens genoeg moed om het roer volledig om te gooien. Door hun overbeladen kopjes galmen dan leuzen als:

Alles is eigenlijk zo simpel! Natuurlijk is dat de oplossing!

Dan bedenken ze allemaal plannetjes en worden ze stiekem enthousiast over hun potentiële toekomst. Morgen na werk is een prima moment om te beginnen aan die toekomst denken ze altijd, maar werk is zo vermoeiend en de avond daarna zo kort dat ze hun grootse ambities halverwege de volgende dag weer opgeven en de laatste uren arbeid verslagen uitzitten, wetend waar ze gaan eindigen die nacht. Ze stappen allebei weemoedig op hun fiets, proberen nog één maal met alle goede bedoelingen naar huis te rijden zonder vroegtijdig van het pad te raken, maar voelen dan het volle gewicht van hun wensen weer drukken op hun slaap, waarna ze zich beide een drenkeling wanen in de eindeloze zeeën van verloren opties en tot slot zinken ze naar de haven van Herman, wat de naam van de barman is.

Aan de muren van de bierkeet hangen oude ingelijste prenten van lokale kranten en beste-schilder-van-het-dorp-kwaliteit schilderijtjes. Het ruikt schoon noch vies. Iemand die de plek beter wilt laten lijken dan hij eigenlijk is zou zeggen dat het “persoonlijkheid” heeft. Iemand anders zou het een bar als alle anderen noemen. Herman poetst hardnekkig een paar vlekken weg met een natte doek terwijl Kenny’s handen en ogen druk bezig zijn met praten. Er speelt zachtjes jaren tachtig muziek in de trant van The dire straits maar iedereen kan elkaar verstaan.

‘Ja, maar dan heb ‘ie dat dus allemaal voor niks gedaan hè,’ bepleit Beuker met een toon van medelijden.
‘Ná, prima toch? Die gose wil alleen moar aandach, jonk. Loatste wat je mot doen is ’t ‘m geefe,’ proclameert de Vree.
‘Ik weet niet.’
‘Mense die froage worde ofegesloage.’
‘Iedereen wilt wel aandacht denk ik.’
‘Ik nie. Nouja, fan een vrouwtje missgien, moar je siet mij nie mense lastig falle in absentia, soàs se dat so moai segge.’
‘Nee, jij bent zeker wel in sentia wanneer je iemands moffel vol rochelt met onzin na je twintigste pils?’
‘So isset moa net. Da heet reg foor se roap sijn. Dà soude wellus meer mense kenne probere. In ploats fan die woordebroaksels achtelaten. Ken nie eens niks trugsegge nie.’
‘Je merkt dan ook wel een verschil in kwaliteit tussen iets waar over nagedacht is en iets dat uit het dronken hart komt.’
‘Mense denke te feel en te hard na, dan ken je heel je hart nie horen meer.’
‘Dà’s nog eens een wijsheid uit die dikke kop van je, zeg. En zo vroeg op de avond.’
‘Há, je mot ’s wete. Ik kots leifspreuke en ik brakschijt soms heule stanza’s. Ik ben slimmer dan je denk.’
‘Mijn punt is, wie weet is ‘ie doorgaans wel net zo recht voor zijn raap als jij bent.’
‘Ik mag hope fan wel, ‘ij heb genoeg te segge so te sien.’
‘Dat wel ja.’
‘Folgende keer as ‘ie binnekom pak ik ‘m gewoon ff bei de lurfe, dan kenne we sien wat ie nou eg te segge heb. Wat er uit se dronke hart kom.’
‘Klinkt goed. Maar er is wel één probleempje met je plan,’ zegt Kenny.

Boompie kijkt alsof hij ergens geïrriteerd is dat Kenny serieus op zijn woorden ingaat en hem niet gewoon stom laat lullen.

‘Was dà dan?’ Gromt hij.
‘… We hebben hem nog nooit gezien …’

Boompie pakt een seconde of twee van stilte en buldert dan verder:

‘So typies weer ook hè, so typies. Grote proatjes klein pikkie. Wat hij verstop se papiertjes hier ’s ogges foor Herman om te finde of so?’
‘Zoiets denk ik, ja.’
‘…’
‘Ey, Herman,’ Roept Beuker over de toonbank.
‘…’
Herman is wat kratten rond aan het hengsten achter en hoort hem niet.
‘HER-MAN!’
‘…’
‘Wasser, Beuk?’ Zegt Herman nonchalant wanneer hij twintig seconden later weer terugkomt.
‘die ehh, die geschreven dingen, die papiertjes die hier af en toe liggen, wanneer brengt die gozer ze langs?’

Een kleine beweging van Hermans lippen en een vonk in zijn ogen lijken te spreken van een merkwaardig soort plezier als antwoord op Kenny’s vraag. Is het trots? Vraagt de Vree zich stilletjes af, maar voor hij zijn oordeel kan afronden is Hermans gezicht alweer veranderd naar gespreksmodus en daarmee verdwijnt de mysterieuze emotie.

‘Die komt en gaat zonder regelmaat. Blijft nooit iets drinken ook, loopt alleen naar binnen om iets neer te leggen en draait zich om,’ zegt Herman met het kletteren van een krat op de grond.
‘Kun je hem de volgende keer iets vragen?’
‘Ik kan het proberen. Wat is je vraag?’
‘Waarom gooit ‘ie het in een café neer?’

Herman kijkt even naar het plafond, vouwt zijn hand onder zijn mond met zowel zijn duim als wijsvinger onder een van zijn jukbeenderen en tuurt bedenkelijk rond de kroeg. Na zijn hoofd stil te hebben gehouden voor een paar seconden zegt hij tot slot:

‘Da’s een goeie vraag, Beuker. Ik zal het ‘m naroepen volgende keer.’
‘Dankje, Herman,’ knikt Beuker.
‘Joa, Dankje, Herman,’ echoot de Vree.

De twee teugen nog een slok weg en kijken elkaar vervolgens aan.

‘Had je ‘m al gelese, dese of nie?’
‘Natuurlijk niet, ik wacht op jou, de Vree, dà weet je.’
‘Moai, moai. Ken ik ‘m ’n keertje doen andes?’

Beuker neemt een seconde bedenktijd, maar kan de onschuldige verheuging op het gezicht van zijn metgezel niet weerstaan.

‘Tuurlijk, man. Maar wel in voorleesnederlands dan, hè!’
‘Joah, joah, och man ‘o wéé, ‘oe kennenì vestoan was bietje volckxz meer?’
‘”Sámbál báái lékkoe lékkoe” zo klink jij, weet je dat? Je bent echt een Nederlandse poepchinees. Kaas…land, nee… Neder… Brie… Eenehh, je bent gewoon een sukkel, man. Een Hollandse klompen…kaas.. Een kaaskarikatuur… Jij lul. Je, je praat als een klomp vol brie. Met je kaas, en je, je bent een sukkel… Boompie de Dombosukkel.’

(De Vree was al op jonge leeftijd een spreekwoordelijke boom van een vent, wat hem de bijnaam Boompje of Boompie had opgeleverd in ‘t durrep. Maar hij was slimmer dan je denk.)

Zijn vriend kijkt hem even glazig aan en barst dan in lachen uit

‘Há, Beuker, m’n jonk, ik weet niet woar se je uiht de grond hebbe getrokke, moa kben blei dat je moa erin was gaan ligge. De slet dà se was ook. Loat me je ’s een goeie voorlese voort slapen goan. In m’n kooninklukkeste Neederlans.’

De Vree neemt de papieren die tussen de twee in op de bar liggen, houdt ze aandachtig voor zijn ogen en begint te lezen in een oprechte poging tot deftig Nederlands, wat in zijn geval ongeveer gelijkstaat aan borderline AN.

‘Fak it, heet ‘t. Of zeg je: “fúk it?”‘
‘Volgens mij mag allebei, ‘tis Engels, dus we kunnen het ons eigen maken op welke manier we willen.’
‘Nie so moelijk doen.’
‘Ik doe niet moeilijk.’
‘Je doet altijd moelijk jij.’
‘Ga je nog lezen of niet?’
‘Joah, joah, jonge. Fak it. Fuk it. Oké, goat ‘ie.:

Boompie las de eerste zin, deed alsof hij zijn bril goed deed, ook al had hij geen bril, en begon met een stem die menig kamer kon vullen te spreken:

“Houd goed bij wànneer en hoe foa- hoe vaak u uzellef neukt.” Hèhèhè, ied’re dag toch, of nie dan?’
‘Geen commentaar, graag, de Vree. Straks, oké?’
‘Okeu okeu,’ mopperde de Vree, voordat hij verder ging:

“Je hebt het wel eens geroepen horen worden. Geschreeuwd, gescholden en gefluisterd wellicht. Misschien heb je het zelf wel eens gezegd wanneer je iets te doen stond waar je absoluut geen behoefte aan had. De woorden: Fuck it. En dan niet de variant van fuck it die je in staat stelt om je angsten ter zijde te schuiven en iets nieuws te proberen, maar de denigrerende fuck it die je trots maakt op het afdanken van iets dat je wellicht had moeten doen.

Het zijn magische woorden om onder alle verantwoordelijkheden uit te komen. Het is de wonderbaarlijke spreuk van onze mentale verlossing. Maar wat betekent het om deze incantatie te scanderen? Wat is de it, het ding dat geneukt wordt? Wie of wat fuck je eigenlijk met die woorden? Wie of wat is die “it” in dit geval?

Waarlijk zeg ik jullie, het geneukte is gelijk aan de neuker. The fucker is also de facto the fucked. Je kunt denken dat je hebt gezegevierd over iets wanneer je het afdankt met de bevrijdende woorden, maar het brein dat de regel of opdracht verwerpt is hetzelfde brein dat überhaupt waarde hecht aan het bestaan van de regel. Bedenk eens, tegen wie maak je het statement eigenlijk? En tegenover wie wil je machtiger worden door het nonchalant wegwuiven van een opdracht? Is er iemand die minder fucks kan geven dan letterlijk ieder ander mens doet wanneer jij “it” “fucked”? Denk je dat er iemand wakker ligt van het feit dat jij je verantwoordelijkheden ontduikt? Het is voor niemand anders van belang wat jij schijnbaar niet van belang vindt, hoewel je je eigen belangen vaak pas accuraat kunt inschatten wanneer je de anderen in acht hebt genomen, omdat je doelen meestal afhankelijk zijn van andere mensen en hun meningen over jou. Dat is hoe je verslaafd raakt aan de willekeur van de medemens, hoe je een sletje wordt van tweedehandsbevrediging. Door die ontmaagding van de zelfverloochening, door de macht over jezelf uit handen te geven en een betaalachterstand te starten op de rekening van je ziel. 

Het is zo makkelijk, want het hóéft allemaal niet zo nodig. Niets móét echt gebeuren. Het leven heeft geen daadwerkelijk einddoel, waardoor je heel goed kunt doen alsof er überhaupt geen waardig doel bestaat, het enige dat je daarvoor hoeft te doen is jezelf wegstrepen. Want wat is nou echt nódig? Kun je bestaan zonder liefde? Ja. Kun je bestaan zonder welvaart? Jazeker. Kun je bestaan zonder voedsel? Verrassend goed zelfs. Als je enkel het absolute minimum ontvangt van wat je nodig hebt dan overleef je het als mens. Je hóéft helemaal geen moeite te doen. Je leven kan een prachtige marathon worden van lethargie, vervreemding van welwillende geliefden, honger, dorst, onderdrukte lust, armoede, pijn en ongemak en er zal letterlijk geen haan naar kraaien behalve de spreekwoordelijke cock die iedere ochtend weer rechtop staat en zijn jammerklacht naar je hoofd stuurt in de vorm van melancholische masturbatieprikkels.

Je kunt iedere dag ontwaken met een fuck it terwijl je volledig bewust van de ironie een oude handdoek volyoghurt en daarna nog eens omdraait voor een extra uurtje tukken.
Je kunt jezelf volhardend alles blijven ontzeggen dat je ook maar een sprank van geluk zou kunnen bezorgen onder dat oppermotto, dat mantra van het ultieme gemak.

En het zal goed voelen. Heel goed. Je zult je een winnaar van het leven wanen, een stilzittende triomfant. Als Dick Dastardly – of een andere naïeve schurk – die net een sluiproute heeft gevonden en, niet gelijkend aan de idioten die het hele circuit rijden, zonder slag of stoot richting het doel zal racen en daar als eerste over de finish zal gaan, wat hem gelukkig zal maken.

Maar wat is winst zonder trots? Wat is een titel waard wanneer de toeschouwers hem schenken aan een leugenaar? En wat is geluk überhaupt wanneer het enkel bestaat bij de gratie van het verslaan van anderen? Je bent altijd al beter geweest dan de anderen. Net als zij altijd al beter zijn geweest dan jij. Dat is ons menselijk lot: De strijd tegen een confronterende grootheidswaanzin die zegt dat we alles kunnen zijn dat we wensen en onze langzame vereenzelviging met de persoon die we creëren in plaats van deze fantastische illusie. We denken namelijk allemaal dat wij het centrum zijn. Dé hoofdpersoon van hét verhaal. En gedurende ons leven proberen we bewijsstukken te vergaren voor we onze zaak durven te presenteren aan de jury van onze gelijken, die even hard aan het veroordelen zijn als dat ze zelf ook terecht staan.

Zo zijn alle personen beschuldigd door het bestaan en wat ze hebben gedaan met hun tijd zal voor hen spreken als zijnde een advocaat. Want iedereen wil iets en je hebt maar zo weinig tijd om het allemaal te bereiken. Hun verleden zal voor hen moeten pleiten tegenover een minachtende jury bestaande uit tijdsgebonden anderen in de buitenwereld en een rechter, zijnde het geweten, die in beide werelden bestaat, zowel buiten als binnen, maar die enkel binnen deze specifieke rechtbank jurisdictie heeft en alleen naar buiten kan kijken vanuit zijn hoofdkantoor, zonder ooit voet te mogen zetten op iets anders dan het statige grijze marmer van het gerechtshof.

En in iedere zaal zal een totaal andere zaak gehouden worden, op maat gemaakt voor jouw specifieke beschuldigde. En iedere zaak zal aangevochten moeten worden en beslist door het advies van de jury en de oppermacht van de rechter. Nu weet ik niet of u bekend bent met rechters en de hennen, maar ze zijn bijzonder punctueel en volhoudend. Wat bereikt u hier met een fuck it? Dat is een uitspraak die gelijkstaat aan uit de zaal lopen terwijl het proces zich voort zal zetten, want het proces zet zich voort, ook zonder jouw directe aanwezigheid. Wat is het nut van uzelf onttrekken aan de blikken van uw veroordelaars? Van uw rechter? Zelfs uw advocaat wordt hier op geen enkele wijze sterker van. Hij is nu enkel nog een leeg omhulsel, een sterk verhaal zonder ruggengraat dat daar eenzaam in het midden van de zaal staat te pleiten voor de onschuld van een fantoomcliënt. Iemand die zijn eigen zaak heeft opgegeven. Wie kan zo iemand aanzien voor een oprecht mens? Wie kan zo iemand vertrouwen? En het is ook niet zo alsof u kunt wachten tot uw zaak verjaart, want met het verjaren van de zaak komt het verjaren van de ziel en de aanklager rust pas wanneer jij dat ook doet.

Zelfontkenning is wellicht het meest corrumperende fenomeen voor de menselijke geest. Het broeit wrok en jaloezie en minachting voor de zelf en twijfel aan het instinct en haastgevoelens. Het trekt in twijfel wie de dienst uitmaakt in je leven. Kijk uit met het afdanken van je verantwoordelijkheidsgevoelens, ze zijn er om je te helpen.

Goed. Ik vraag me af hoe u van plan bent de eerstkomende zaak in uw leven te gaan winnen. Gaat u uitvoerig pleiten voor de jury in de hoop ze te charmeren in uw voordeel? Probeert u aan te pappen met de rechter? Ziet u de verdachte als terecht of onterecht beschuldigd? Heeft u geïnvesteerd in een goede advocaat? Bent u bereid om in hoger beroep te gaan bij een negatief vonnis? Bent u zich bewust van de mogelijke straffen? Ik ga het hopelijk meemaken als ik ooit eens plaats mag nemen op uw jurybank.

PS: Als ik u wat raad mag geven, pro bono in dit geval:

Zorg dat je ten aller tijden één goede vriend in je jury hebt, en zoek een betere advocaat.”‘

De Vree sprak de laatste zin uit, draaide het blaadje om, zag niets aan de andere kant geschreven, keek even voor zich uit en legde het toen tussen zijn vriend en hijzelf in.

‘Pfoeee, dà kind word me steuds gekker ’n gekker, met se rechters ’n adfokoate, ik denk nou, goan we ijndeleik iets geijls lese, ik zie fuck stoan ik denk nou. Moa neu hoa. Ik weet nie, snapte jij er wa fan?’
‘Ik denk dat het een stuk was over verantwoordelijkheid nemen voor je acties en niet opgeven of zo.’
‘Da sou wel kunne indedaad. Ik von da stuk fan errus geen doadwerkelluk doel int leven, dus jhoef nie eg wà te doen, nah dà vonk dus wel erreg sterrek. Kdoe ook heulmaal niks, weuje. Má da hoef dus ook heel nie! ‘S wel gerusstellend dan weer. Is da nou fielosofie?’
‘Het was wel een beetje een filosofisch stuk te noemen ja.’
‘Joa precies, heb ik altijd wel fan gehouwe die fielosofie, ik sei tog kben slimmer dan je denk hè, Beuker.’
‘Jij zegt het, de Vree.’
‘Froeger las ‘k ook nog wellus. ‘Khield wel fan ’n boekje. ‘Ksou bijna denke dà as ik da volgehouwe hà dak dan sellef fan die dinge hà kenne schrijfe. Wà jij, Beuk? Sou je mijn fielosofie lese?’
‘Ik krijg genoeg mee van je filosofie zonder dat je ook maar een pen op het papier hebt gedrukt, de Vree.’
‘Maar sou je ’t ook wille lese dan? Ik ken hem ook danse, of singe, of papierfouwe of tékene foor je, moa da schrijfe, da lijk me nou wellussun keertje leuk.’
‘Dan moet je dat doen, de Vree.’
‘Joa, missgien wel. Moa us wel moelijk denk ‘k hoa. Moette tog ‘neens kenne vertelle op ’n raaitje allemoal wà in da koppie sit. ’n dan oak nog ’s goe om te lese foa de publiek.’
‘Als het niet moeilijk was zou iedereen het doen, de Vree.’
‘Moa dan moe je sien, als ied’reen ’t sou doen dan salle se da alsnog veul te moelijk moaken.’
‘Daar zit misschien wel een kern van waarheid in.’
‘Kern? ‘tis ’n woarheid as ’n deur, ‘tsijn mense die ’t moelijk moake foor sichsellef en elkoar.’
‘En waarom denk je dat dat is, de Vree?’ Vroeg zijn vriend als vertrekpunt voor De Vrees filosofische reis.
‘Wàn as je ’t ’t moelijkst ken moake ’n je ken dà béter dan ‘lle oandre den denke die oandre dus dà jaai wa biesondes kan, ook al kennede heelmoa niks, ’n dan, ‘asse denke da jaai biesonde ben dan krijgeje die frouwtje oant eind.’
‘Je zou graag een filosoof worden zodat je dingen zó moeilijk kunt maken dat niemand je meer begrijpt en door het algemene onbegrip hoop je verheven te worden als genie waardoor je uiteindelijk een vrouw zult krijgen?’
‘BAM! ’n dan fluist’re me fan die moaie woarde so fan hmm sgatjuh ‘kword heelmoal extisentsjieël warrem fanne in me ondekant,’ de Vree kleft een beetje met zijn lippen en houdt een onzichtbaar hoofdje tussen zijn twee grote handen dat hij zachtjes over de haren lijkt te aaien.
‘En dan?’ Vraagt Beuker.
‘Dan neukèèè,’ zegt de Vree met een breedgetrokken grijns.
‘Wat een prachtig beeld van intellectuele romantiek.’
‘Ach man wà lullededan, je ken ’n heule bibliotheek in je kop hebbe sitte, moa oant eind fan de dag ist gwoon huid op huid en spuug op spuug, of goa je gedichtjes voardroage tijdes de missionaris? Neuke doe iedereen, Beuk. Ook die boekwurmpies. Séker die boekwurmpies. Wen ‘r moar oan.’

Beuker haalt zijn wenkbrauwen op en kijkt wat ongemakkelijk weg.

‘Woanneer ist de loatste keer gweest foor jou dan?’ Vraagt zijn vriend.
‘Het is alweer een tijdje geleden, oké?’ Beuker kijkt opzij.
‘Is dà oké joa? Finne da oké?’
‘Ik…’
‘Hoelang?’
‘Vijf jaar,’ antwoordt zijn vriend terwijl hij wegkijkt.
‘Godsamme, man. Moar euj, missgien dat ‘ie srijfer wel ’n poar fan die paginafagina’s ken, ‘as ‘kem sie salkh’t ‘m d’rect froage.’
‘Houd je bek toch, de Vree.’
‘Ach man, nie so sipjes, jonk. Kheb wel ’n ideetje,’ zegt de Vree met een idee in zijn hoofd. Hij draait zich naar het andere eind van de bar en roept: ‘Ey, Herman! Hebbedie briefe fan de liefde nog? Beuker heb se nodig.’

Herman haalt een doosje onder de andere kant van de bar vandaan waar een stapel bekladde papieren in ligt. Hij frutselt iets en pakt dan een kleine collectie tevoorschijn die hij overhandigt aan de heren.

‘Wees er zuinig mee, heren. Deze vind ik zelf ook wel eens leuk om te lezen ’s avonds, dus ik wil hem héél terug.’
‘Komt goed, Herman,’ zwaait Beuker.
‘Joah kom goed, Herman,’ proost de Vree met zijn pul pils in hand.
‘Nou oké, voor deze keer dan, jongens,’ Herman reikt over de toonbank en overhandigt de brieven. De twee kijken even naar de blaadjes en dan naar elkaar.

‘Dan mag jij dese lese, fiat panda?’
‘Fiat panda, Boompie,’ antwoordt Beuker met een beslissende knik van zijn hoofd. Hij leest de titel van de brief:

“De Loze Liefde.”

Laat de gewenste nadenkpauze vallen en zet dan voort in een beheerste en duidelijke stem:

‘De liefde de liefde de liefde. Er is niets, behalve God, waar de mens meer over is misleid dan de liefde. Populaire liefde in onze tijd is voor de mens wat de radio is voor muziek, wat religie is voor goden, wat blockbusters zijn voor film en wat citaten zijn voor de filosofie: miezerige aftreksels van het originele idee, gemaakt voor makkelijk-te-verteren massaconsumptie, dusdanig verpakt dat het perfect te vereenzelvigen is met het uitgestippelde levenspad van de gevestigde normaliteit.

Liefde is geketend aan conventie en diepgewortelde dogma’s, aan slogans en idolen. En niet geheel zonder reden, want als mensen God echt zouden mogen leren kennen zou er niets anders dan onbaatzuchtige liefde bestaan en als mensen de ware liefde geleerd kregen zouden ze vanzelf God vinden. Dat is wat ik geloof, ten minste.

Maar omdat liefde en God de twee sterkste indicatoren zijn van onze magische ziel moeten ze vertroebeld worden door zij die ons onder de duim willen houden en dit heeft over de jaren al tot veel ellende geleid.

Sta mij toe een woordje te houden ter verdediging van deze twee zalige fenomenen.

Te vaak wanneer wij over liefde spreken hebben we het eigenlijk over ijdelheid. En niet zomaar ijdelheid, nee, de meest kwaadaardige vorm daarvan nog wel! Een ijdelheid die niet enkel de lelijkheid van de zelf verbloemt door opfleuring van het lichaam of geveinsde blijheid, maar een ijdelheid die andere mensen vereist. Een liefde gezocht uit angst voor veroordeling, uit lusteloosheid grappig genoeg. Een patserige vorm van misbruik waarmee men probeert te stijgen in het aanzien van vrienden en vreemden door middel van de appreciatiewaarde van hun partner.

Het gevoel van ontevredenheid dat gepaard gaat met de menselijke zelfontwikkelingsdrang wordt terzijde geschoven voor romantische gratificatie on demand in de vorm van een ander die net zo goed iemand anders had kunnen zijn, mits even aantrekkelijk of sociaal indrukwekkend. De existentiële vragen worden tijdelijk op stand-by gezet terwijl af-poes-pillen of condooms al het nut uit de daad halen en je weer een paar dagen verder kunt leven op de huid-op-huid-hormonen die je van je tangopartners lichaam kon schrapen gedurende jullie geslachtsdans zonder dat er écht iets gebeurd is en zonder dat je écht iets hebt gedaan in de wereld. Je hebt gemasturbeerd in iemand anders, gerukt in een vleessok, je bent aan het mandauwen geweest, boytoyen, pikvingeren, knapengapen; en hoewel het de meest veredelde vorm is van tijdverspilling, is het uiteindelijk nog steeds tijdverspilling. (Let op dat het uiteindelijk niet om de geliefde gaat in dit soort verhoudingen, maar het onbenullige beeld dat de liefhebber van zichzelf heeft en in stand probeert te houden door middel van de geliefde).

Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen losbandige seksuele relaties, ik ben geen kerk of zo. Maar ik heb wél iets tegen de vergissing van het seksuele verlangen met de liefde. Als ik seks an sich zou veroordelen zou ik volgens mijn eigen definitie niet van jullie kunnen houden, maar ik schrijf dit uit liefde. Dus heb seks met wie je wilt, maar kijk uit, tenzij je maling hebt aan het gebruiken van anderen voor je eigen tijdelijke gewin. Ik zeg tijdelijk omdat ik me maar lastig kan voorstellen dat je op het sterfbed jezelf het allergelukkigst prijst met het feit dat je tweehonderdtweeënzeventig geslachtsorganen hebt mogen voelen in die tachtig jaar. Het zal een saillant detail zijn, dat zeker. Maar toch durf ik te zeggen, ook al heb ik nog nooit op een sterfbed gelegen, dat je eerder voldoening zult halen uit het feit dat je ware liefde hebt mogen ervaren met een aantal mensen waarvan je hield op een manier die geen verantwoording noch verdediging naar de buitenwereld vereiste. Die naast alle turbulentie van de hartstocht niets anders inspireerden dan nieuwsgierigheid, geluk, trots en gemoedsrust.

Maar velen van jullie komen niet eens voorbij het seksmonopolie. Jullie denken dat liefde inhoudt dat je mee gaat naar familieverplichtingen en poseert op profielfoto’s. Dat het wel fijn is om een gleuf of penisverzekering te hebben waar je RTL programma’s mee kunt kijken. Dat je het aan elkaar verplicht bent bij elkaar te blijven na de eerste de beste wispelturige affaire waar lieve woorden worden gewisseld.

Andere mensen blijven enkel bij hun huidige partner omdat er geen betere optie aanwezig is. Hoe gigantisch sneu en ronduit kwaadaardig zijn deze liefdesduiveltjes voor een ieder die bereid is het hele hart te geven? Hoe bespeeld en misbruikt zou een “wederhelft” zich voelen als ze zouden weten welke geest ze welterusten knuffelde iedere nacht? Hoe moeten ze ooit nog vertrouwen in hun gevoelens? Hoe kunnen ze nog geloven in de oprechte wederkerigheid van toekomstige partners?

De verneukeratieve vorm van liefde kan jaren van je leven doen wegrotten, maar is gelukkig niet lastig te herkennen, omdat het altijd seks of status als hoofddoel lijkt te hebben in plaats van de ontdekking van de ander. Het pronkt ermee, het lonkt ernaar en het is op de orgasmes na akelig stil. Het kleeft te veel, het behoeft constant bevestiging, het lijkt niet tevreden met het contact zoals het is, het zoekt naar manieren om je minderwaardig te laten voelen zonder zichzelf bloot te geven voor een tegenaanval, het negeert je, het ziet je niet, het schaamt zich voor iets en maakt dat jouw probleem, omdat het denkt beter te kunnen krijgen dan jij. Het straft jou voor de eigen fouten, het kost meer energie dan het oplevert en lijkt geen energie van jou te krijgen. Het verandert van houding afhankelijk van waar je bent en met wie. Het is niet kinderlijk, niet speels, maar berekenend en onbuigzaam.

Erachter komen wat iemand van je wilt kan een van de moeilijkste dingen zijn. Mensen trainen zich namelijk suf om hun intenties te kunnen verbergen, en hoe gevaarlijker de gevoelens, hoe geheimzinniger ze erover zijn. Maar ze laten altijd sporen achter, geen enkele hartendief sluipt geruisloos. En wee de persoon die als eerst een spoor vindt en dit aan probeert te kaarten bij de dader, want die zal een waterval van groteske woorden over zich uitgestort krijgen en beschuldigingen moeten verduren van iedere soort. De dader zal zich in het nauw gedreven voelen en luidkeels kermen in extreme sentimenten, als het dier dat ‘ie is. Er is niemand die meer houdt van je dan hij, zij doet alles voor jou, je luistert nooit naar ze, je bent ondankbaar, noem een voorbeeld dan, je hebt het fout, je bent dom. Hypocrieten discussiëren vaak het best en zijn zó overtuigd van hun eigen gelijk dat je haast niet anders kan dan finaal met ze breken of toegeven dat ze wel gelijk moeten hebben als ze het zo vurig geloven. Ze spelen social poker en bluffen iedere ronde alsof ze op een royal flush zitten, tot je ze called op hun bullshit waarna de enige mogelijk zet aan hun kant een all-in is, omdat stap voor stap argumentatie hun hele positie zou ontmantelen en de flutcombinatie in hun handen zou blootleggen.

Het is een façade die niets anders behoeft dan een sloopkogel en iedere keer dat je de leugenaar niet kapotmaakt wordt hij sterker en jij zwakker tot je na verloop van tijd geen onderscheid meer kunt maken tussen waarheid en waanzin en het geen zin meer heeft om überhaupt een discussie te starten vanwege het precedent van de voorgaande keren – ook al heb je het nooit fout gehad.

Dus wat doe je daaraan? Hoe ontkom je dit? Eigenlijk is er maar één stukje advies dat ik heb om er snel achter te komen wat je bent voor iemand en wie iemand is in romantisch/erotische zin. Ik had je graag meer verteld, maar dit is het enige dat ik over de jaren heb geleerd dat echt lijkt te werken: maak jezelf overtuigend lelijk. Maak jezelf een persona non grata. Zorg dat jouw samenlevingswaarde negatief is als je wilt weten of iemand om jou geeft of om je plaatje. Doe je haar niet, rock oude kleren, verpest je make-up, scheer niet, of wel, stel je voor als putjesschepper, wat dan ook, en ga dan naar buiten met iemand. Als ze zich schamen, verdoe je tijd niet, want zo iemand probeert je enkel te beheren voor eigen gewin. Ze geven duidelijk meer om hun status dan jouw aanwezigheid. Maar iemand die ondanks je lelijkheid naast je staat zonder gêne kan vertrouwd worden als vriend. Dát zijn de mensen die je liefde verdienen.

Er is namelijk een vreemde bezittingsdrang die in mensen glipt wanneer ze iets moois zien. Denk aan reclame’s voor nieuw speelgoed vroeger. Hoe graag wilde je iets, hoe belangrijk werd het ineens dat je het zou bezitten? En hoe snel verloor het speeltje zijn glans wanneer het zich in jouw leven bevond en niet meer in de spectaculaire wereld van de televisiereclames? Hoe snel was je er klaar mee, hoe snel kwam je erachter dat het niet het speeltje was, maar de presentatie ervan waar je zo geobsedeerd mee was geraakt?

Iedereen voelt dit prikkeltje bij het zien van een seksueel begeerlijk persoon, en het “bezitten” van deze persoon geeft status aan “de eigenaar”. Een man stijgt in aanzien wanneer hij een “lekker wijf” neukt en zal altijd met argwaan bekeken worden wanneer hij zweert gewoon echt enkel goede vrienden te zijn met haar. want waarom neuken jullie niet dan? Wat is er mis met jou? Maar misschien nog venijniger is de ondertoon: Waarom ga je nog met haar om dan? Je weet dat ze iemand anders wél neukt, toch? Jij bent minder. Je bent de verliezer in deze relatie. De andere man/vrouw haalt méér uit hem/haar. Je bent geen goede man/vrouw.

Wat dit betekent is dat er gigantische belangen op het spel staan voor de romantiserende partij zonder dat jouw persoon er ook maar een greintje toe doet, het gaat om trots, niet om liefde. Wat geen enkel probleem is als je doelen niet verder reiken dan het tijdelijk bezitten of bezeten worden door andermans lichaam, en let op, dat is een prima doel om te hebben voor een avond, of een weekend, of een jaar, wat jij wilt. Het is ook prima gedrag als je het idee hebt dat je X aantal “mooie” mensen gedaan moet hebben om geen midlife-crisis te krijgen, maar het gaat denk ik allemaal wederom niet op voor mensen die op zoek zijn naar die illustere sensatie van “ware” liefde.

Dus maak jezelf lelijk als je liefde zoekt.

Een onvoorwaardelijke liefde zal namelijk nooit claims leggen op iemands lichaam of wat diegene daarmee wilt doen, zelfs niet als je uiteindelijk besluit de relatie te beëindigen vanwege iets als uit elkaar groeien of een andere partner vinden. Het zijn feiten van het leven en een liefhebber begrijpt dat. Onvoorwaardelijk is onvoorwaardelijk en onvoorwaardelijk is het enige dat waarlijk liefde te noemen is. Iemand die oprecht om je aanwezigheid geeft en met liefde naar je kijkt zal nooit een erotische noodzaak of seksuele haast voelen, noch hierop aandringen (wat niet betekent dat het verlangen niet aanwezig is).

Als de liefde oprecht is, wordt de rest irrelevant. Het verantwoordt alles, omdat niets beter voelt dan dat. Wat wederom geen pleidooi is voor abstinentie, of een afdanking van ongebonden rondneuken, het is zelfs geen veroordeling van eerste-date-seks, verre van zelfs, het is enkel een woordje ter verdediging van de liefde, omdat die vandaag de dag lastig te vinden is en mensen leed ervaren in hun zoektocht naar datgene waar al die liedjes en films en dagboeken over gaan. Dat ene gevoel. Dát is namelijk het doel voor zover ik het begrijp: Een liefde vinden die waardevol genoeg is voor beide partijen om volledig eerlijk te zijn en alles eraan te doen om het in stand te houden door het gezamenlijk groeien en aanvullen van elkaars zwaktes.

Liefde is geen reden om zelfvoldaan te worden, het is niet het doel of een groen licht voor gemakzucht, het is het begin van een symbiotisch verdrag van mutuele steun en verbetering. Een (tijdelijke) verwikkeling van twee wezens in dezelfde doodstrijd, namelijk hun levens. Het is de overtuiging dat de som van jullie lichamen meer waard is dan de losse individuen ooit kunnen zijn. Het is het door-een-mystieke-kracht-aangedreven-evolutieproces op interpersoonlijk niveau. Wat je met elkaar doet en hoe je jezelf draagt is daarom niet alleen een reflectie van jullie zelfbeeld, maar van jullie waarde als duo. Waar het lichaam een tempel genoemd wordt, is jullie relatie de Sagrada Familia, het is het begin van een monument voor de volgende generaties om af te maken, jullie eigen kans om een wereldwonder te creëren.

Een van de zieligste dingen om te zien is daarom ook de persoon die decadent en corpulenter wordt naar mate zijn of haar relatie vordert, omdat hun pens getuigt van de onverschillige zelfingenomenheid die sommige mensen zichzelf gunnen nadat ze gesettled zijn. Noem het een Amerikacomplex. Woorden kunnen echter niet rechtpraten wat je romp kromtrekt en je hoeft de term “hamwalrus” maar te laten vallen en je zult in de blikken aflezen dat mensen zich schamen voor hun zwaarlijvigheid, ook al hangt het beste gereedschap onder een afdakje en zijn je tieten dikker geworden en heb je neukteugels en een papalichaam en ben je ten minste wel warm en kun je beter knuffelen en alle andere vetverbloemingen. Niemand wilt dik zijn. Je geliefde ook niet.

Kijk naar je geliefde. Halen jullie het beste uit elkaar?

Ik wil nogmaals benadrukken, ik ben geen puritein of iets, met wispelturige penetratiedrang is helemaal niets mis. Ik wil je enkel vertellen wat ik denk dat liefde is en wat ik denk dat het niet is. Niets daarvan is per definitie slecht of goed, en niets daarvan is ook per definitie waar. Het hangt er allemaal vanaf waar je naar op zoek bent en wat je ethiek is met betrekking tot de manipulatie van andermans verliefdheidskwabben en tijd. Daarnaast kan ik ook nooit weten wat jij zou moeten doen. Ik, zoals ieder mens dat predikt of filosofeert, doet dat altijd vanuit zijn of haar eigen lichaam. Het zijn mijn antwoorden voor mijn problemen, die wellicht kunnen werken voor jullie bij gratie van onze gedeelde menselijkheid. Maar ik ken jou niet, en pretenderen dat ik het afgemeten antwoord voor jou klaar heb liggen zou me even slecht maken als de dogmatische mensen die ik verafschuw.

Het daarover hebbende: Moet je jezelf er wel aan wagen om de tijd te verspillen van je mogelijke geliefde?

Stel jezelf eerst de vraag: houd ik van mijzelf?
Zo niet, val de ander niet lastig en zadel hen niet op met jouw mankementen, er zijn mensen die beter zijn voor degene waar jij van wilt houden en als je echt van ze wilt houden dan accepteer je dat.

Zo wel, stel jezelf daarna de vraag: ben ik het waard om van gehouden te worden? En vergeet dan de kerstkaartpraat, want niet iedereen is het waard om van gehouden te worden. Niet iedereen is geschikt om lief te hebben, net als dat niet iedereen geschikt is om kinderen op te voeden. We durven het allemaal zo makkelijk over anderen te zeggen, maar richt je de vraag wel eens aan jezelf? Voeg jij echt iets toe of ben je brutoplezier maar een nettolast? Kun je genoeg van iemand houden om ze vrij te laten? Wil je echt van deze persoon houden of wil je gewoon heel graag? Mag je het beste van iemand anders vragen als je niet je best doet voor jezelf? En hoe staat je geliefde ervoor na een jaar? Ben je een goede invloed geweest? Heb je elkaar verder geholpen? Want zo niet, wat is jouw liefde dan waard?

Vraag jezelf nog eens een keer op zo’n vermoeiende zondag: In hoeverre is mijn fysieke ongemak in tijden van eenzaamheid de reden voor mijn halfbakken liefdesvluchten? In hoeverre verlam ik mijn drang tot zelfontplooiing en sus ik mijn ontevredenheid met goedkope hormoontherapie?’

‘…’
‘…’

‘Hoe foak denke dat die gás gescheide is?’
‘Geen idee, maar het leest in ieder geval wel wat verbitterd.’
‘Je sou jesellef ’s so’n mietje moete moake seg hé.’
‘Ik vond het ergens wel wat hebben.’
‘Joah, jij wel natuulijk, jij ben net so eensaam as dese knoap.’
‘Ik weet niet, de Vree, je hebt zelf wel twee exen ondertussen.’
‘En wá willede doameu segge dán?’
‘Waarom trouwde je met ze?’
‘Ach jonk omdak toen toch nie wis wa foor trutte dà ware.’
‘Maar zou je zeggen dat je van ze hield zoals de brieven beschrijven? Hield je van haar boven jezelf uit?’
‘Khield ’t meest fan d’r as se bovenop me sat,’ schertst de Vree, maar hij kan zijn ogen niet op die van Beuker houden terwijl hij het zegt.
‘Was je met je vrouwen uit verveling, Boom?’
‘Ach houw toch op, man.’
‘En denk je dat er een betere vrouw voor je was geweest? Of dat er een betere man voor hen was geweest in plaats van jij zelf?’

De Vree nam een seconde om erover na te denken.

‘Dà sal allemoal best, sij wilde tog ook mè mij sijn of nie?’
‘De brief had evengoed aan haar gericht kunnen zijn, de Vree,’ ging Beuker verder op een toon waarmee hij de Vree op zijn plek wilde zetten, maar daar helemaal niet blij over was.
‘Hmpf.’
‘Zeg me eerlijk, de Vree, heb je ooit dat gevoel gehad? Dat “échte” houden van? Jij bent de enige van ons die getrouwd geweest is, jij zou het moeten kennen. Ik ben de eerste die toegeeft dat hij enkel verveelde mensen kan boeien tot ze iets nieuws hebben gevonden.’
‘Nie so negatief, jonk.’
‘Nee, het is oké.’
‘Tis ook nooit nie anders nie mè jouw,’ schudde de Vree.
‘Het is niets dan de waarheid, Boompie. Ik ben een soort romantische pitstop voor vrouwen op de terugweg. Een mannetje achter de schermen van het spektakel.’
‘Goat ‘ie weer hoar…’
‘Nee, serieus. Ik ben de magnetronmaaltijd van het seksuele verlangen, een hoofdontvanger van kut uit medelijden. Punanisympathie…’
‘hèhèhè.’
‘Ik kan niet eens doen alsof ik ooit in de búúrt ben gekomen van liefde, ik heb het nooit begrepen of geloofd; dat ik het verdiende, bedoel ik. Ik ben te lelijk. Te lelijk om iemands hoofdprijs te zijn.’
‘Hou je bek tog, Beuk.’
‘Kleine meisjes worden simpelweg niet groot met dromen over iemand als ik. Wat ik ook doe en hoe grappig ik ook ben, ik ben een teleurstelling, een klap in het gezicht van romantische ambities.’
‘Jonge tog…’
‘Ik heb zo’n smoel waardoor je je realiseert dat het niet gelopen is zoals het had gemoeten. Een cosmetische reality-check. Hoe zou ik iemand ooit verder helpen? Of gelukkig maken? Ik zie het niet gebeuren.’
‘Je weet nie woar je ’t soeke moet,’ mompelt de Vree tussen neus en lippen door.
‘Maar jij, de Vree. Jij hebt op zijn minst iemand zo ver gekregen om ja te zeggen tegen de huwelijksbelofte. En zij jou. Dat moet voor iets tellen zou je zeggen.’
‘Je sou segge fan wel joa…’
‘Maar dan nog, ik kan niet tegen je liegen, de Vree, zelfs bij jou heb ik het nooit geloofd.’
‘Wat nie?’
‘Dat jullie echte geliefden waren.’
‘Ramona en ik?’
‘Nee.’
‘Nooit?’
‘Nee.’
‘Julia dan?’
‘Nee.’

(Boompie de Vree was ook een man die veel waarde hechtte aan symboliek in zijn leven, zo was hij ooit stapelverliefd geworden op een jongedame genaamd Julia de Ware waar hij halsoverkop zijn hele hart en ziel aan had gegeven; want als zij de ware niet was, wie dan wel? Dat kon zij hem ook niet vertellen. Ze was vast ook wel de ware voor iemand, hoor. Gewoon niet voor de Vree.

Ze probeerde hem dat in een serie van schreeuwpartijen en echtscheidingsformulieren duidelijk te maken, wat na een aantal weken lukte. Anderhalf jaar later gingen ze weer uit elkaar. Julia trouwde uiteindelijk met Remco van der Schalk, een wat aanhankelijke man met een goed hart. Boompie bleef gebroken achter met de gedachte dat hij net van het lot zelf te horen had gekregen dat liefde niet aan hem uitbesteed was.

Er was troost te vinden in het feit dat hij een van zijn trouwste metgezellen vond in een man genaamd Beuker, want dat had wel iets weg van een boomsoort, en het was niet alsof de jaren van arbeid Beuker niet hadden beloond met een stel boomstambenen en een stronkentorso, dus dat hielp ook wel, maar het was het allemaal toch net niet helemaal, en dat knaagde wel eens aan hem, ondanks de lessen van het verleden.)

‘Selfs nie bij Julia?’
‘Voor geen seconde. Maar dat kan natuurlijk net zo goed aan mij liggen. Misschien zie ik het inderdaad wel niet omdat ik niet weet waar ik zoeken moet.’
‘Ik denk datte feul te feul fantasie heb en ideoale.’
‘Wat bedoel je?’
‘So brief is leuk allemoal, moa stel je bent loodgieter, of posbode, of iemand as wij, foor dà geld, hoe sie je da foor je dan? Hebbedan tijd om so noa liefde op soek te goan? Of bennede bekaf tot ’t weekend en zoekte dan gewoon iemand om te knuffele en slap tegenoan te lulle soame op de bank?’
‘Maar is dat wat je écht wílt?’
‘Wat lulledenou mette ég wille? Weet jij wat je ég wil? Woarom sit je hier ied’re godsganse áfond dan? Woarom hebbede geen mokkel dan? Offe kerel, moak mij nie uit, moa je kennenie ruike nie of iemand so diepe filosofiesche febond oan wil goan of dattede geweun wille neuke, ‘tis allemoal so makkelijk proate fan ’n afstand, Beuker. Moa liefde is nie so makkelijk.’
‘…’
‘…’

‘Ik hield wel echt van haar, Beuk.’
‘Hoe weet je dat?’ Beuk beseft dat het spottend klinkt, maar hij is oprecht benieuwd.
‘Ik moes me verdomme tot een prutje janke as we rusie hadde. Ik dag altijd oan d’r.’
‘Maar deed je dat uit liefde of uit angst dat je kwijt zou raken wat je onterecht dacht te bezitten?’
‘We woare getrouwd hè.’
‘Het huwelijk bestaat niet echt, Boom, het slaat nergens op. Het is een contract waar je naar kunt wijzen, maar het heeft geen wezenlijke kracht.’
”Tis ’n belofte, Beuk. Een heilige belofte. Nouja, wat se dan heilig noeme. ‘T sacrale is er wel ’n beutje fanaf tegewoordig. Moar ‘tis nie enkel ’n instituut,’ onderwees de Vree zijn vriend.
‘Beloftes… Beloftes, wat heb je aan een belofte?’ Zwijmelde Beuker.
‘Wá heb je oan de heule dag kankere dan?’ Antwoordde de Vree met een boze stem waarvan je wist dat hij voor nadruk bedoeld was en niet voor woede. ‘Jij heb altijd so grote bek jij, moar je heb woarschijnluk nie eens ’t gore lef om een doame in d’r oge te kijke en joa te segge. ‘N dà dan ég te gelove hè. Want andes werkt ’t nie. Je mot ’t écht gelofe en haar genoeg fetrouwe da sij dat dan ook doet bij jou. ‘T “égte” zit in de personen, Beuk, in de harten, da kennenie sien, da moette gewoon moa stomweg gelofe, dan moette moa stomweg kunne fetrouwe op de eige gefoeles. En da’s nie niks, Beuk. Da’s doodeng.’

‘…’ Kenny houdt zijn mond in afwachting.

‘Jij ben gwoon só’n fieze kluisenoar fan de fantasie, ‘fnie, Ken? Ge denke almoal heul leuke dinge, moar niets d’rfan duwt je in de goeie richting, niets d’rfan geuft je moed om te doen watte wilt, ’t moak je alleen moa godfegete triest en miserabel.’

‘…’ Beukers oogjes drijven naar de zijkant en kijken naar beneden. De Vree ziet dit en plukt gemoedelijk verder aan de gevoelige snaren van zijn vriend.

”N dan nog wà trouwes, met je “beloftes beloftes wà hebbede oan beloftes”, wà hebbede mens nog meer dan beloftes wanneer ’t op liefde oankomt dan? Wa kennede mens nog meer doen dan noast ’n heule seeremoonie reugele ’n dure pakken ’n jurken oantrekke ’n joa segge op’t altoar? Hè? Wa kennenog meer? Heulmoal niks nie, behalfe dan moar hope da de ander da heule grapje eve serieus heb genome as jij. Hoe moettede andes afspreeke soame in die doosstrijd te belandde dan soas die knoap schrijft? Hoe kennede andes uitstijge bofe die éénnachtneukers? Mette woorde tog? ‘N met beloftes, ‘fnie, Beuk? Moar neeuuu, u nie natuurlijk. Nie Kenny. Jij kenneda ruike seker!? Flikker tog op, man jonge. Je moe fedomme moa probere en probere en belofe en dan hope. Je kennenie somaar de perfekte frouw in elkoar fielosofeere of wel dan?’

Beuker krijgt een warm en prikkelend gevoel in zijn buik, een soort zenuwen die hij zo nu en dan voelt wanneer hij terecht wordt gewezen op zijn brutale uitspattingen door iemand met ervaring.

‘Je hebt een punt, de Vree,’ zegt hij met een paar kleine knikjes.
‘Weut’k.’
‘…’
‘Weeje wa jouw probleum’s, Beuk?’
‘…?’
‘Jij geloof nie in jesellef nie.’

‘Moet je nog een biertje?’
‘Doe moa ’n vodkoatje en ’n bier.’
‘Zozo. Heb je iets te vieren?’
‘Neu, moa ‘kmoe mogge vroeg op dus ‘kdenk pak ‘m ff door.’
‘Groot gelijk, wat moet je doen?’
‘Wà dingetjes hier wà klusjes doar.’

‘Maar jij denkt dus niet dat ik het moet doen?’ Vraagt Beuker, terugkomend op eerst.
‘Luister, Beuk, as jij dà wil doen, dan moeddeda doen, moa je goat stank foa dank krijge. Men mot dà soort dinge tog heul nie lese nie, jonk.’
‘Nouja, mensen als wij schijnbaar wel, toch?’
‘Moa wie sijn wij dan?’
‘Wie is de rest?’
‘Dà weuknie, de rest sit in je koppie. Die bestoan nie.’
‘Ik had je nooit aangezien voor een solipsist, Boom.’
‘Solippisiswat? Proat tog ’s geen Turks asse niks te segge heb, man.’
‘Wat bedoelde je dan, met de rest bestaat niet?’
‘Oké oké hier, let op,’ zei de Vree terwijl hij zich volledig naar Beuker draaide op zijn kruk:

‘Jij ben jij. Wat ik allemoal fin ófe jou, dà weet jij nie. Dà ken ik u vertelle, wak fin, moa selfs da moak nie uit. Want het eunige da uit ken moake foor jouw is wà je eige kopke zeg.’
‘…’
‘J’had tog die knoap, hoe wasse noam ook alweer, Bennie nogwat… Bennie… Bennie van ’t Dak, dà was ‘m. Die gas die was gespronge omdatte dag dà niemand ‘m mog, weuje nog, Beuk?’
‘Bennie van ‘t-Dak-Gesprongen, ja die guy… Die herinner ik me nog wel, ja.’
‘En seg nou eurlijk, was ’t nou ég so’n erge? Hij had ’n priemoa koppie, niet? Beutje bochel van ’n neus erop, moar wá doe je d’roan? ‘K ken je só twintig mokkels noeme die doar wel’s hun schaamlappen ofe hadde soude wille frijfe. ‘N hij was de domste nie. ‘Ij Heuft me sellefs ’n keer loate sien hoe de leugers fan Séésàr ’n leuger meer dan twee keer so groot hadde versloage met ’n dubbele muur. Se hadde eerst ’n muur om ’n stad gebouwd, ’n toen nog ’n muur om sichsellef toen de festerking van ’t belegerde dorp kwam ’n toen hadde se in een murenboterham asnog gewonne.’
‘Wild,’ beaamt Beuker.
‘Was indedoad dapper. Moar m’n punt was dat dà dus heel nie uitmoakt wattebent of watte fan je gefonde wordt, of wat dan ook, wà uitmoak is wa jij jesellef sit te vertelle.’
‘Als het zo makkelijk was, de Vree…’
‘So makkelijk is ’t toch ook? Hebbede nooit so’n lul ontmoet die nog geun deuk in ’n pakkie bóter had gesloage moar die liep assof ‘ie Tyson was? Hebbede nooit só’n sakkewasser gekend die dag dat ‘ie de boas was, moar eerder de pispoal speelde? Moak nie uit wat je die lui vertelt nie, se blijfe éfe koppig gelofe dà se ’n miljoen woard sijn. De psyche is bijsonder moakboar, Beuk. En alles woar jij bij ken is je eige psyche, en alle argumente die je ken versinne foor wie of wàtte bent kom uit je eige psyche. Dus assie so kut is, die kop fan jou, woarom fetrouw je ‘m dan ook so? Das ’n beutje ’n contradictio in terminis mette eige brein, ofnie?’
‘Maar met de jaren leer je jezelf ook kennen, en daarbij hoort dat je begrijpt wie en wat je bent en wat je wel of niet kan.’
‘Wie seg dà?’
‘Je leert met de jaren jezelf kennen, de Vree.’
‘Joa, moa wie seg dà je iets bent dan? En wà bennededan? Loat me roade, je ben precies iets wà in onse wereld pas, precies so soort persoon die jij precies begrijp en die je in ken schatte oan de hand fan de andre mense ’n die bijdroage lefert aan ’n ploatje woarin jij woardefol wordt?’
‘…’
‘Moa asse duisend joar geléje geboare was dan? Wa hadde dan gekund? En wie waddedan geweust? ‘N ken die pesoon nu nie ook gemoakt worde? Kennede geun houthakker worde? Of veldheer? Kennede nie ferand’re? Bennede swaksinnig?’
‘Het is niet zo makkelijk als je doet lijken, denk ik,’ probeerde Beuker in te brengen, maar de Vree was in een alcoholsolo beland.
”N loat me roade, Beuk! Je hebbede toekomst ’n alle plannen in uwe hoof sitte, moa ‘tis allemaal gebaseerd op Nederland ’n ongefeer tagtig joar leufe ’n dà leufe siet ‘r ongefeer uit soas de afgelope joare hebbe gedoan ’n da moe allemoal woar sijn want je kennede sellef nu toch eg wel noa die veurtig-nog-wat joare, je houd jesellef foa de gek, Kenny. Wa ken’n mens nou heulmoal wéte fan sigsellef as ’t so negatief is allemoal?’

Kenny kijkt bedenkelijk, maar zwalkt een beetje met zijn hoofd. Herman is onopgemerkt iets dichterbij komen staan en heeft een tevreden glimlachje op zijn gezicht.

‘Weet je hoeveel ik moet vergeten om opnieuw te kunnen leren dat ik iets waard ben, de Vree?’
”R’is moa éun ding datte ég moe vergéte, Beuk.’
‘En dat is?’
‘Datte ’t weet en datte weet datte ’t weet.’
‘Dat zijn twee dingen.’
‘Nie so moelijk doen.’
Beuker wendt zijn hoofd naar beneden en knikt langzaam, maar Boompie weet niet of hij hem volledig heeft begrepen.
‘As wat je weet je nie g’lukkig moak, fegeet ’t dan ’n leer iets nieuws. Je weet niets, je ken enkel heul hard gelofe in je eige leuges. Dà doen we allemoal, Beuk. Niemand heb g’lijk, niemand weet iets, ied’reen is efe fedwoald en de meest ofetuigende acteurs sleuren so nog wà folgers met sich mee om se noa te doen, en er lig kracht in getalle, moa se sijn allemoal efe onwetend. Da’s de kracht fan ’n pesoonlukheid, Beuk, dat ’t b’reid ’s te glófe in se eige woarheid.

Kenny kijkt zijn vriend aan met ontroering in zijn ogen en hij knikt een keer naar hem, alsof hij net een levensles heeft geleerd van zijn vader of moeder die hem na een woedende uitbarsting apart nam en tegen hem sprak met een warme stem en aanmoedigende woorden.

De mannen klotsen hun laatste slokken naar binnen, betalen Herman en waggelen naar buiten om met een gerust en beschonken hart naar huis te gaan waar ze snel genoeg in slaap vallen om nergens aan te hoeven denken.

Een week gaat voorbij waarin weinig opmerkelijks gebeurt behalve dat Beuker zich zo nu en dan ineens vervuld voelt van een vreemde soort energie dat hij zou omschrijven als een bruisen in zijn buik. Boompie sjouwt stoïsch de spullen door het magazijn met af en toe een fladderende wijsheidsvlinder die op zijn schouder landt en liedjes zingt over de wereld buiten deze kunstmatig verlichte minimumloondoodskist en Herman poetst geduldig de krukken en de rest, wachtend tot de avond valt.

Vrijdag na werk scheuren de mannen ‘m weer richting De Ladder om zat te raken. Ze slingeren achter elkaar aan over de zestigkilometerweggetjes in hun blokkige oude auto’s en schreeuwen naar tegenliggers en weidedieren uit blijdschap voor het aangekomen weekend.

‘MEHHHH MEHHHH,’ mekkert de Vree naar een grote rondlopende bol wol die hem niet horen kan van deze afstand: ‘GE DENKEDDA Ú GROOT GESCHOAPE BEN?! MOAR GE BENNE HEEL NIE SO HORNIE AS IK BEN, MIE JONK, HAHAHAHA! KAN-KERSCHOAP!’

‘AND I LOVE WHAT YOU DO, BUT YOU KNOOOW THAT YOU’RE TOXIIIIC!
PADA-PADAUW PAUW PAUUUUUWWWWW! TU-TU-TUDUDUDUDU-TUDUDUDU TIIIEEEJUUUW TIEDUJUW!’ Doet Beuker.

Ze lopen naar binnen en Herman kijkt op met een warme glimlach.

‘Goedenavond, heren,’ zegt hij met een klein knikje.
”Navond, Herman,’ groeten ze terug.

De mannen willen hun vaste plek innemen aan de drankplank wanneer Beuker iemand aan een tafeltje ziet zitten die hij niet kent. Zodra ze zich naar de flessencatalogus achter de bar hebben gedraaid tikt hij met zijn elleboog tegen die van de Vree en wenkt zijn hoofd in de richting van het tafeltje. De Vree kijkt eerst iets nonchalant de andere kant op, alsof hij de gehele zaak aan het inspecteren is, maar beland na een paar seconden met zijn ogen op de plek die Beuker bedoeld had.

uh-oh…, denkt hij.

Aan het tafeltje zit wellicht het enige dat deze weerbarstige mannen uit hun sas kan brengen, hetgeen dat iedereen in de ruimte ineens bewust maakt van een pikorde en een drang om te presteren. Aan die tafel daar zit het ding dat verantwoordelijk is voor de verpulvering van vele stadsmuren en opgebouwde mentale fortificatiemiddelen. De voorbode van ongemak. Kidnapper van oogkassen. Cortexdemoon. Wat daar aan die tafel zit is niets minder dan een goddelijkheid, een kunstwerk, een reden om te leven: een prachtige vrouw.

Hij wilt alweer wegkijken uit angst, maar de zwaartekracht van haar gelaat dwingt zijn ogen net lang genoeg te blijven hangen om een blik terug te vangen. Ze erkent zijn bestaan en lijkt daar verder geen overkoepelende emoties bij te hebben. De Vree draait zich weer om en voelt iets dat lijkt op dat gevoel voor het slapen gaan. De vrouw neemt een slok van haar thee.

‘Tis mie tog ’n patietje kôûhd buut’n hé, godfedumme, man, Herman.’
‘De lange vingers van de winter, Boom.’
‘Moa glukkig hebbewe auto.’
‘En de terugweg dan?’ Vraagt Herman onheilspellend.
‘Ach ach, die streupen we dan wel samen naar huis,’ lacht Beuker. ‘Zolang we tegen die tijd maar goed warm zijn van binnen!’
‘Zal ik dan maar vast een cognacje voor jullie inschenken?’
‘Das ’n goed begin, Herman!’
‘En als jullie willen, ik vond gister weer een brief.’
‘Hebbede gast kenne froage of wa?’
‘Helaas, ik was net even achter aan het werk en toen ik terugkwam lag het al op de bar.’
‘Woar goat ie ofer?’
‘Poeh, lastig te zeggen dit keer. Je hebt van die mensen die alles perfect op een rijtje lijken te hebben in hun hoofd, maar als ze het dan moeten omzetten in normalemensentaal is ’t een brug te hoog gegrepen voor ze.’
‘Open voor eigen interpretatie wellicht.’
‘Soas bij alle goeie fielosofie.’
‘Ik zeg het je, Boom, en jij ook, Herman, als deze brief me raakt dan ga ik het doen.’
‘Weeje séker?’
‘Ja.’
‘Ik denk dat de schrijver dat wel op prijs zou stellen ja,’ zegt Herman met een begripvol knikje. Hij zet de glazen neer, schenkt ze in en schuift ze toe. De mannen nippen direct een druppeltje of twee van hun cognac, stootten een goede slok warme adem naar buiten en proberen te bedenken hoe ze het onderwerp van de vreemdeling in de bar moeten aansnijden.

Ze zijn beide een beetje bang om als eerst iets over de vrouw te zeggen, want dat toont gewilligheid en die gewilligheid zou des te pijnlijker worden als geen van beide iets kon bereiken behalve afwijzing. Maar ze willen ook weer niet iets zeggen dat impliceert dat ze niet geïnteresseerd zijn in haar, want het is een mooie vrouw, iedereen weet dat ze geïnteresseerd zijn in haar. Bescheidenheid gaat niet werken hier. Doen alsof ze niets van haar willen is prematuur toegeven van onkunde. Het beste is een coulante eerlijkheid zonder verdere verwachtingen denkt de Vree, maar ja, dat is makkelijker gedacht dan gedaan als je eenzaam bent. Dat zijn van die tactieken voor geluk die alleen vol te houden zijn wanneer je al gelukkig bént. Hoe simpel is het om zorgeloos charmant te zijn als je mooi genoeg bent voor status-door-associatie relaties? Hoe makkelijk is het om je geliefde vrij te laten wanneer je zes wachtenden hebt? Hoe makkelijk is het om een misstap in het verkeer te vergeven wanneer je vijftien garages bezit? Hoe simpel is het leven voor zij die het al zo gemakkelijk hebben.

‘Wiesdà?’ vraagt hij maar tot slot.
‘Geen idee, ‘k heb hier nog nooit zo’n mooie vrouw gezien,’ antwoord Beuker zacht terug.
‘Moar ég moai ook, seg.’
‘Yep,’ beaamt Beuker.
‘Salk metter goan proate?’
‘Denk niet dat je de eerste zult zijn vandaag.’
‘Missgien selfs nie de loatste.’
‘Ja, precies, daar zit ze toch heel niet op te wachten, man.’
‘Sis in de kroeg, nie?’
‘Ja…’
‘Nou dan.’
‘Nou dan?’
‘Assik met iemand wil proate dan moe da kunne toch, of wà?’
‘Ja, maar ik zie je zelden zo enthousiast over een ontmoeting.’
‘Joa, moar ik sie ook selde so mokkel sitte.’
‘Zullen we op zijn minst eerst de brief lezen? Anders zit je daar weer een uur te proberen en ben je daarna weer helemaal chagrijnig en zo.’

Boompie kijkt even naar zijn vriend, die een klein greinsje bij hem bespeurt.

”S goed, Beuk. Eerst de brief. Herman!’

Herman overhandigt ze de papieren.

‘Wie leest ‘m voor?’
‘Mag’k’m doen?’
‘Volgens mij heb ik de vorige gedaan, dus ja, op zich.’
‘Moai, moai.’

Boompie houdt de paar kantjes voor zich en tikt ze allemaal netjes recht op de bar, alsof het heel belangrijke papieren zijn. Dan draait hij zich om, tot de grote schrik van Kenny Beuker die de bui al voelt hangen. Boompie neemt adem en roept:

‘Mèfrau!’

De dame kijkt op met een afwachtende blik.

‘Wille fehoaltje hoare?’ zegt hij, met in zijn rechterhand de papieren die hij bijna trots laat zien aan haar.
‘Wat voor verhaaltje?’ Vraagt de vrouw met een lichte draai van haar hoofd.
‘Kweenognie seker, moa tis altijd wel ’n heule mond fol. Ook filosoofisch en so. Wie dà ook allemoal sit te penne heb me tog een groate fantasie, wil je heul nie wete nie. ‘N eigetijdse Sókrates. Moar is lagge, joh, kom!’ Zegt de Vree terwijl hij haar naar hen toe wuift met zijn vrije hand.

De vrouw glimlacht en staat op om plaats te nemen aan de bar. Ze zet haar kopje neer, glimlacht een keer naar Herman en zegt enthousiast:

‘Oké, laat maar horen dan.’

De twee wisselen blikken om iets te zeggen over de houding van de vrouw en hoe dit allemaal zo gelopen is. Boompie heeft een brede grijns, Kenny frutselt wat met de knoopjes van zijn sweater. Dan pakt hij de bladeren statig vast, houdt ze iets voor zijn ogen en begint in zijn beste Nederlands:

‘De Trederede.

Er is meer in het leven dan de ladder,’ Boompie kijkt zijn gezelschap aan met een vragende grijns en gaat verder: ‘Sterker nog, de ladder is helemaal geen middel om bovenaan te komen. Het is een psychische afleiding van hetgeen dat niet te bevatten is; namelijk dat iedereen altijd even hoog staat en er geen afstand zit tussen je doelen en je huidige positie behalve diegene die je jezelf oplegt. Dat er geen begin of eind is, of een midden, maar dat alles een constant en onveranderlijke nu is waarin de wil navigeert door middel van de zintuigen. Een nu waarin je de aanwezigheid van al die anderen voelt drukken op je wezen, afhankelijk van hoe gerust je bent met je voorgestelde positie – want onthoud dat je positie op de ladder ook subjectief is.

Sommige mensen zijn zo afhankelijk van hun ladderdromen dat ze ladders zien waar er geen zijn. Dat zijn nare mensen. Altijd bezig zichzelf te bewijzen en zich te meten aan iedereen in hun omgeving. Niets is relaxed, alles is een strijd. Een competitie. Ieder verhaal dat je vertelt is beter uit hun mond, je beste ervaring is maar een peulenschil vergeleken met hun gemiddelde donderdag. Grappig genoeg denken deze vervelende mensen daadwerkelijk dat ze zich op een traject naar respect bevinden. Dat ze bewonderd zullen worden om hun intellect en hun scherpzinnigheid.

Andere mensen hebben juist geen besef van enige hiërarchie of vaardigheidsgradaties in hun bezigheden, ze doen gewoon wat ze leuk vinden; wat ze ontzettend irritant maakt voor mensen die zich hoog op hun ladder wanen, want hun treetje is hun trots. En als ze niet naar beneden kunnen spugen of omhoog kunnen reiken, weten ze niet waar hun waarde aan ontspringt.

Dus laat de ladderaars lekker ladderen en maak je geen zorgen, het lampje hangt toch niet aan het plafond.

Snap je al een beetje van de rede van het treetje?

Nee? Laat me het dan als volgt proberen:

Er zit iets in jou dat een spelletje speelt. Het liefst vergelijk ik het met een absurd schaakspel. Heb je wel eens geschaakt? Het is een best leuk spel, met een heel oude traditie. Sommige mensen halen daar comfort uit, omdat het spel een reputatie heeft en het dus “iets betekent” voor anderen als je zegt dat je schaken kunt. Schaken is een denksport, goed zijn in schaken betekent dus dat je slim bent, of in ieder geval, dat zullen mensen denken op basis van het stereotype en dat is goed genoeg.

Eigenlijk is het punt van het spel gewoon een goed plan maken voor jezelf terwijl je rekening houdt met mogelijke tegenslagen van de andere partij. Het is lekker makkelijk, één zet per speler per beurt, dus je kunt het met een vooruitzicht van 1 zet al prima spelen. Het is niet aan te raden om maar één beurt vooruit te denken natuurlijk, maar als je tien miljard potjes speelt op niets anders dan instinct, ga je er sowieso wel eentje winnen.

Waar je dan waarschijnlijk wel last van gaat krijgen zijn stukken die je acht beurten geleden bewoog die nu ineens in de weg staan van je matmogelijkheden, of een vijandelijke koningin in je achterlinie die je alleen weg kunt krijgen met het paard dat je drie beurten geleden kwijtraakte omdat je hem niet op tijd kon dekken met de pion die een oogje in het zeil moest houden voor je loper die nog niet bewegen kon zonder een toren weg te geven. Of korter gezegd: Een zet waarvan je in beurt vier nog dacht dat hij grandioos was kan je letterlijk de wedstrijd doen verliezen, omdat je toen nog niet in kon zien wat nu zo overduidelijk voor je op tafel staat.

Er is ooit iemand geweest die zei dat de beste positie in schaak eigenlijk de startpositie is, en alles vanaf de eerste zet dus zugzwang, wat betekent dat ongeacht wat je doet je positie in het spel verslechtert.

Dat is wel een grappige als je het schaakspelletje met het levensspelletje vergelijkt vind ik. Want is er echt een “vooruitgang” waar te nemen vanaf het moment dat je geboren wordt? Heb je ooit minder zorgen gehad dan je in de baarmoeder voelde? Was een eeuwigheid niets zijn pijnlijker dan het leven tot nu toe is? Het zijn vragen om eens over na te denken, maar niet om nu te beantwoorden. Dus terug naar het punt:

Mijn punt is dat het verdomd lastig is om een fatsoenlijke opening neer te zetten waarin je stukken, die gigantisch machtig zijn op de juiste vakken, beweegruimte hebben en bescherming of dreiging bieden, omdat je tegelijkertijd zowel een solide muur van pionnetjes wilt bouwen als je torens koppelen, maar je tegenstander, in dit geval het leven, ook nog eens allemaal ideeën heeft om je koning in het nauw te drijven en het één het ander allemaal blokkeert en in de weg zit en soms moet je iets opofferen, maar je weet niet altijd wat, of waar, of of het het waard is en kon je maar in de toekomst kijken, maar dat kan je niet en holy shit wat moet ik doen alles lijkt me tegen te werken…

Het absurde aan dit spel is dat degene die zwart speelt (het leven heeft de eerste zet) aanvankelijk geen idee heeft wat de regels zijn en er misschien wel nooit achter zal komen wat zijn stukken doen. Er is geen officiële handleiding, geen regelboek. We lopen allemaal dwalend rond de grote speelzaal om bij elkaar op het bord te kijken, bestuderend hoe de andere spelers hun stukken laten dansen, maar het echt zeker weten doen we niet. We kunnen alleen maar luisteren naar degene die het meest lijkt te winnen en proberen te doen wat hij of zij doet.

Je kunt niet simpelweg je eigen kasteeltje opzetten aan jouw kant van het bord zonder de anderen in acht te nemen, want er zit iets tegenover je. En het blijft zijn stukken bewegen zolang jij dat doet. Je tegenstander lijkt geeneens een koning te hebben, waardoor je nooit echt weet waar je aan moet vallen. Het speelt vrijwel zonder overkoepelende tactiek zo concludeer je aan de manier hoe het zijn stukken verzet, zo nu en dan iets slaand, zo nu en dan iets weggevend.

Als je ooit bent geklaard in schaak door iemand met verstand ervan dan weet je hoe vervelend het kan zijn om te verliezen door je eigen stomme schuld, en het is ál-tijd je eigen stomme schuld. Hoe het kan voelen alsof de ander toch echt iets meer had dan jij, hoe zijn stukken simpelweg veel nuttiger waren, hoe je hem sowieso had kunnen verslaan als hij die éne zet niet nét op tijd had gezien. Het is gigantisch frustrerend en als je goed genoeg wilt worden om iets terug te kunnen doen ben je jaren verder.

Maar in het leven heb je die tijd niet, en weet je ook nooit zeker hoe je opstelling staat, net zoals je niet alle stukken van je tegenstander kunt zien. Er zijn zoveel dingen om rekening mee te houden dat je soms niet meer weet waar je moet zoeken naar oplossingen. Wordt je op dit moment aangevallen? Ben je zelf met een charge bezig? Kun je eigenlijk wel winnen als de ander geen koning heeft? Is winst te behalen door middel van het verslaan van de ander of door het plezier van het spelen? Hoe weet je dat je paard niet je loper blokkeert? En staat je dame in het centrum of heb je haar een perifere toren laten slaan en hangt ze daar nu in de hoek haar potentie te verspillen? Is het echt zo’n ramp om een keertje schaak gezet te worden? Om je rokade te verliezen? Wat als je met de koning gaat lopen? Is het ook een aanvallend stuk? Heb je een winnende wandelkoning? Als je nu een pion opgeeft, sta je er dan in tien zetten ineens beter voor? Hoeveel zetten kun je eigenlijk vooruit rekenen? Let je wel op de tijd?

Snap je al een beetje de rede van het treetje?

Nee? Laat me het dan als volgt proberen:

Waarom drink je?

Is er iets dat alcohol je geeft dat het nuchtere leven niet kan bieden?

Leert het je iets?

Wordt je er wijzer van?

Is het goed voor je?

Maakt het je trots?

Volgens mij is het antwoord op al die dingen nee. Toch doe je het. Is het omdat je je schaamt? Het klink zo aanvallend, maar het lijkt zo vanzelfsprekend wanneer het glas geheven wordt ten midden van iedere “oncomfortabele” stilte. Doe je het om jezelf een  houding te geven? Doe je het omdat je geen hobby’s hebt? Schamen we ons voor losbandige emoties? Schamen we ons voor onze sentimentaliteit? Durf je niet te dansen zonder chemische smoesjes? Is het iets cultureels? Waarom pluk je niet aan iets anders om jezelf een houding te geven? Houd je van de persoon die je wordt wanneer je drinkt? Lachen je vrienden met je mee of is het medelijden? Waan je jezelf een karakter dat drinkt? Vindt je gemoedsrust in de wetenschap dat verscheidene mensen van waarde ook alcoholist waren? Compenseer je op die manier voor je zwaktes? Is dat hoe je het goedpraat? Discussieer je met je geweten aan de hand van Hemingway?

Ben je bang voor je vrienden? Ben je bang voor wat er zonder drank van je overblijft? Ben je bang om iets te worden? Ben je bewust van het feit dat iedereen ziet wat je aan het verdrinken bent? Houd je van jezelf? Kan een alcoholist van zichzelf houden? Zie je het als een fase? Iets tijdelijks? Waarom dan? Welke fase is dit dan? En wanneer houd je het voor gezien?

Kun je nog van iets genieten zoals je van alcohol geniet? Is er nog iets dat je liever doet dan dronken zijn? Maakt het álles beter of heeft jouw lichaam zelf ook nog wel wat bronnen van intiem geluk? Wordt je ongeduldig doordeweeks? Zijn je grootste verlangens drank, seks en slaap? Is dát wat jij bent? Is dat wat je wilt? Wat je écht wilt? Reiken jouw dromen niet verder dan quasi-middelmatigheid? Waren jouw kindervisioenen die van een aangeschoten hangbuikboer die afgemat aan de bar staat te bakkeleien met een vriend die evenmin iets van zijn leven heeft gemaakt? Lekker beetje discussiëren over dingen die er niet toe doen terwijl de seconden tikken en tikken tot het uur slaat en je dusdanig verdoofd naar huis optyft waar je blacked-out in bed dondert om nooit meer wakker te worden? Is dat het? Is dat jouw leven?

Waarom drink je?

Is het omdat je het gevoel hebt dat je niets waard bent? Dat je niet goed genoeg bent? Dat mensen je niet mogen? Dat je vrienden slimmer zijn? Dat je te lelijk bent? Want dat klinkt als ladderpraat.

Is het omdat je denkt dat de weg naar herstel te lang is? Dat het onmogelijk is om nog iets te maken van je leven met de opties die je nu hebt? Dat je wel iets had kúnnen zijn, maar je nu eenmaal te lang hebt gewacht of te laat bent begonnen? Dat je tegenstander te sterk is en je nu al te vaak een tik heeft verkocht om nog te kunnen geloven in een overwinning? Want dat klinkt als een beroerde schaakspeler en daarbij een slechte verliezer.

Of is het omdat drank het enige is dat je doet herinneren hoe het was voordat je al die onzin geleerd had? Voordat je wist “wie je was”? Is het omdat je eindelijk weer kunt leven alsof je een mens bent dat het waard is om geaccepteerd te worden? Is het omdat je dan schaamteloos al die prachtige emoties eruit kunt gooien tegen de mensen waar je je aan vastklampt zonder dat je je een loser hoeft te voelen die lieve dingen zegt tegen de mensen om hem heen? Is alcohol je excuus om te mogen bestaan? Want dat is best wel zielig eigenlijk.

Maar wat doe je eraan? Wat kun je eraan doen? Waarom verslaaf je jezelf aan iets dat je niet beter maakt? Omdat het je content maakt? Omdat de dronken avonden nou eenmaal zo gezellig zijn? Of omdat je niets hebt om voor te leven? Omdat niets in het leven je meer waard is dan deze beschamende versie van tijdelijke blijheid?

Is het leven zélf je niet méér waard? Is de enige waardige verslaving niet diegene aan je innerlijke wil, of de bron van het leven zelf? Want tenzij je suïcidaal bent durf ik één ding wel te gokken: Je wilt helemaal niet zoveel drinken. Je wilt trots kunnen zijn op iets. En trots ga je niet vinden zonder jezelf te benutten, op jouw manier. Trots komt niet van andermans waardering of afgunst, het komt niet van een plakkaat waarop een 1 staat, of een plek in de geschiedenisboeken. Trots komt van de innerlijke kennis dat je hebt gedaan wat je kon om te leven zoals je wilde, ongeacht hoe moeilijk het was. En het grappige is dat dát het enige is dat je daadwerkelijk iets “meer” kan maken dan andere mensen, maar zodra je dit beseft maakt dat niet meer uit, omdat je gemoedsrust hebt en je jezelf enkel nog hoeft te bewijzen aan jezelf, terwijl je de rest hun rust en vrede gunt. Dat is waarom er geen afstand bestaat tussen de mensen op de ladders, omdat ze allemaal nog steeds op de ladders staan en dus even ver verwijderd zijn van het doel: Niet meer meedoen.

Snap je al een beetje de rede van het treetje?’

‘…’
‘…’
‘…’

‘Wauw,’ zegt de vrouw, ‘dat was me nog eens een mond vol inderdaad.’
‘Só hé…’
‘Ja…’

De mannen kijken schichtig naar elkaar, naar hun voeten, dan naar de glazen op de bar: Bier, bier en thee.

Fuck…” denken ze allebei.

‘Ik ga het doen, Boom,’ Beuker verbergt het goed, maar de Vree ziet dat hij geëmotioneerd is.
‘Wee je seker?’
‘Ja. Nú wel.’
‘Wat wil je gaan doen?’ Vraagt de vrouw met interesse.
‘We lezen deze brieven nu al een tijdje en voor zover ik weet liggen ze hier een beetje te verrotten nadat wij ze gelezen hebben en dat is het. En dat vind ik doodzonde. Dus ik zoek een manier om het te delen met de buitenwereld. Dit verdient het om gelezen te worden.’
‘Beuker is beetje fén g’worde fan onse huis tuin & keukefielosoof,’ verheldert de Vree.

De vrouw loopt wat rood aan in haar wangen en vraagt met een hintje scepsis:

‘Hoe wil je dat gaan doen dan?’
‘Weet ik niet, maar het is mooi. Het kan waardevol zijn voor mensen. En dat is belangrijk.’
‘Dat denk ik niet,’ weerlegt de vrouw.
‘Waarom niet?’
‘Wij bepalen niet wat belangrijk is.’
‘Wie dan wel?’
‘Geen idee, dat is het probleem.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dingen worden belangrijk gemaakt afhankelijk van hoe profitabel ze zijn, anders hoort niemand er ooit wat van en maakt het niets uit.’
‘Beutje pessimisties, nie?’
‘Hoezo? Als iets niet geadverteerd wordt als waardevol moeten mensen zélf bepalen wat ze van waarde achten en daar ligt het probleem.’
‘Want?’
‘Want waarom zouden mensen nog stukken lezen over waardebepaling en zingeving als ze daar zelf al voor uitgerust zijn? En als ze daar niet voor uitgerust zijn, hoe zullen ze dan ooit de conclusie kunnen trekken dat dit wél waardevol is en artikelen in LIFESTYLE MAGAZINESTREAMSTAGRAM KIJK DAN KIJK DAN KIJK DAN niet als er geen Best-seller sticker op zit?’
”Tis wel beutje troagisch tegewoordig indedaad met die sellèbrety onsin.’
‘Tragisch is een understatement. Zielenheil wordt gehoereerd door gierige boekenboeren voor een vlugge zak centjes, niemand boeit het wat de mensen er daadwerkelijk aan hebben, het moet gewoon goed klinken.’
‘Ja precies, dus iemand moet zich opofferen om de publiciteit te bereiken. Iemand moet zijn volle hart geven aan het verspreiden van dit werk. Het kan niet de auteur zelf zijn, want dat is arrogant en stom en kut en boe, en daarom vind ik het ergens zo fijn dat we hem niet kennen, want nu weet ik zéker dat ik het enkel doe om de inhoud en niet om de vorm.’

Herman luistert mee en knikt respectvol. Beuker gaat fanatiek door:

‘Want alles leuk en aardig hoor, maar die feel good troep van tegenwoordig mag wel een keer ophouden. Iedereen wordt maar gepamperd voor al hun fouten: het is oké, je bent mooi zoals je bent, dik zijn is niet erg, lui zijn is niet erg, dom zijn is niet erg, je verdient wat je wilt, maar het is onzin. Het is fucking onzin. Mensen wijzen zo graag en ze zeiken en kankeren en klagen, maar wee ó wee dat ze eens naar zichzelf moeten kijken. Wee o wee dat ze eens geconfronteerd worden met hun stompzinnigheid.’
‘Oh God, Kenny is los hoor.’
‘Dat ze eens toegeven dat ze onherroepelijk fout zitten. Dat ze minder zijn dan anderen die harder werken dan zij. Het is allemaal troep gemaakt om zo min mogelijk aanstoot te geven zodat het zo veel mogelijk wordt verkocht. Het zijn mama’s lieve troostwoorden zonder de confronterende motivatie om er iets aan te veranderen. En maar schuilen achter je stoornissen en je complexen en je pillen en je drugs. Te zielig voor woorden toch?’
‘Kallem Kenny,’ mompelt de Vree om het op zijn minst gezegd te hebben, maar zonder te verwachten dat Kenny zal stoppen.

De vrouw kijkt naar hem met een glinster in haar ogen.

‘Daarom vind ik dit zo goed. En dat hier, in ons kroegske de Ladder. Ik heb verdomme toch niets beters te doen dan werken en zuipen. Boom, wat jij? Doe je mee?’
‘Weuje, Ken. Neu. Dà doek nie. Moa nie omdak je dà nie gun, of die knoap nie. Moa das nie mijn pakkie’an.’
‘Dat is oké, Boompie. Je moet doen wat je moet doen.’

‘Heu Herman…’
‘Wat is er, de Vree?’
‘Ken’k de rekening hebbe?’
‘Zo vroeg? Je hebt nog niet eens genoeg bier gehad om niet achter het stuur te mogen kruipen.’
‘Joa… Joa… Hier is ’n tientje. Ikkeh, ik goa na huis.’

Boompie begint zijn spullen te pakken en knikt nog een keertje naar de leden van het gezelschap tijdens zijn afscheid:

‘Ken.’
Kenny knikt terug.
‘Boompie.’

‘Mefrau.’
‘Meneer.’

‘Herman.’
‘De Vree.’

Boompie loopt de bar uit en gaat naar huis. Beuker, Herman en de vrouw blijven een beetje verbaasd achter. Ze kijken elkaar een keer aan en wisselen wat algemene woorden voordat Beuker zich ongemakkelijk begint te voelen en daden bij zijn woorden wilt voegen.

‘Ik ga d’r ook maar weer eens een keer vandoor, Herman. Het is lastig om leuk dronken te worden als je net zoiets over je heen hebt gekregen.’
‘Je hebt er zelf om gevraagd, hè.’
‘Absoluut. Ik had het misschien ook wel een keertje nodig.’
‘Ik snap wel wat je bedoelt,’ zegt de vrouw.
‘Is het goed als ik volgende week nog een keertje terugkom, dan neem ik de laptop mee en dan schrijf ik de brieven over. Ken ik ze opsturen naar mensen en kranten en iedereen die het niet behoeft.’
‘Je vindt die brieven wel wat, of niet, Ken?’
‘Ze zijn goed, Herman. Echt waar. En als ik mijzelf als een spam bot moet gedragen om dat duidelijk te maken aan de wereld, so be it. Maar ik wil het in ieder geval geprobeerd hebben.’
‘Helemaal priem, Beuker. Komt goed.’
‘Dankjewel, Herman. Hier is een vijfje voor het bier.’

‘En mevrouw,’ zegt hij, bijna bij de deur, ‘ik ben al onderweg naar buiten dus vrees niet, maar je bent zenuwslopend mooi weet je dat? Het kunnen zien van jouw bestaan maakt mij zowel zenuwachtig als blij. Dat is een zekere soort magie die je inherent bezit.’

De vrouw loopt rood aan en bedankt hem vriendelijk.

‘Geen probleem, ik wilde het gewoon gezegd hebben. Fijne avond nog, beiden! Tot volgende week!’
‘Doei!’ Roepen beide hem na terwijl Beuker de deur achter zich dicht laat vallen.

De bar is op de vrouw en Herman na verlaten en de fade-out van het laatste nummer van de afspeellijst geeft het decor zijn soundtrack van wezenlijke stilte.

‘Denk je dat het geholpen heeft?’ Vraagt ze aan hem.
‘We zullen zien. Maar je hebt ze op zijn minst bewogen,’ antwoordt hij.
‘Gelukkig wel, als dit niet werkte had ik het ook niet meer geweten.’
‘Je hebt genoeg honken bezet met die teksten om tot menig mens door te dringen denk ik.’
‘Wellicht, maar je weet nooit wat mensen gaat raken en wat niet, te veel variabelen om rekening mee te houden.’
‘Gelukkig geven ze meer toe dan ze lief is door te gaan waar ze gaan en te doen wat ze doen.’
‘Predikt, broeder,’ knikt ze hem toe, waarna ze een slokje van haar thee neemt.

‘Ben je bijna klaar hier?’ Vraagt ze een paar slokken later.
‘Ja, ik denk dat ik ‘m een uurtje eerder dichtgooi vanavond.’
Good call, my man. Ik heb in om te knuffelen en dingen te eten met vanillesmaak.’

Herman glimlacht naar zijn vriendin en begint met de sluitschoonmaak.

—————————————————————————————————————————————–

Epiloog:

Beuker is tegenwoordig bezig met overschrijven en marketing. In zijn vrije tijd – want hij ziet de promotie van de brieven als zijn werk – heeft hij een interesse ontwikkeld voor het schilderen van miniatuurautootjes. Het is niet iets waar hij mee pronkt, maar alles om hem heen verdwijnt zodra hij begint met het inkleuren van zo’n klein speelgoeddingetje en dat is goed genoeg. In het weekend gaat hij ’s ochtends een uur joggen in het bos. Hij denkt eraan om een hond te nemen; zo’n grote blauwe Staffordshire terriër, dat heeft hij altijd al mooie beesten gevonden.

Boompie de Vree heeft besloten voorlopig te stoppen met werken om fulltime filosoof te worden. Het geld dat hij normaal aan bier uitgeeft bespaart hij nu om de huur mee te betalen en de WW dekt het bescheiden dieet dat hij zichzelf probeert op te leggen. Hij vult zijn dagen door rond te banjeren en mensen te vragen of ze wel gelukkig zijn. Af en toe gaat hij naar de lokale schaakclub om wat potjes te spelen. Hij dacht altijd dat hij te dom was voor het koningsspel, maar hoe kon hij nou blindelings vertrouwen op het oordeel van iemand die te dom was voor het koningsspel?

Om de zoveel weken ontmoeten de goede vrienden elkaar in de ladder waar ze volkomen zat worden en passievol vertellen over hun bezigheden en valkuilen van de afgelopen tijd. Ze spelen schaak tot de eerste een dame blundert en dan weten ze dat ze op het randje van de kaart hangen, waarna ze stoppen met serieuze dingen en beginnen te zingen. Kenny en de Vree zien elkaar groeien en komen erachter dat ze nog veel meer respect hebben voor elkaar dan ze aanvankelijk hadden gedacht.

Herman geniet van hun vriendschap en schenkt nu met een zuiver geweten het gif in hun glas.

Denkbeeldige vrienden

Ook al ben ik ruim geïndoctrineerd met het idee dat denkbeeldige vrienden voor gekke mafketels zijn die eenzame levens tegemoet gaan zonder voortplantingsmogelijkheden, moet ik heel eerlijk zeggen dat ze me leuker lijken dan de imaginaire vijanden die ik nu ondervind. Mijn vijanden houden me soms uren bezig terwijl ik niets doe. Dan zit ik bijvoorbeeld voor mijn computer naar een lege pagina te staren, tegelijkertijd gestrest over het feit dat ik laat wakker werd – want dan heb ik minder tijd om het meeste uit mijn dag te halen, en anderzijds huiverig omdat de héle dag nog vóór me ligt en ik die op de een of andere manier moet vullen met iets dat me het gevoel gaat geven dat dit geen verspilde dag was. Er is amper een woord dat niet tot een directe verwerping van de tekst en mijn hele persoonlijkheid leidt en me in een verachtende monoloog van vijf minuten dropt waar de stem die me waardeloos vindt mij eens even haarfijn gaat uitleggen waarom hij gelijk heeft aan de hand van wat ik op dat moment ook denk of wil gaan doen.

‘Je gaat vandaag ook niks zinnigs bedenken, you fucking ugly ass faggot, want je bent een fucking mongool en je hebt geen eens een origineel punt en dit hele verhaaltje is één grote collage van filosofische incompetentie die je ongevraagd het wereldweb op gaat kotsen ter ergernis van je niet-denkbeeldige vrienden die hun fronsen wegmoffelen en je met minimummoeite verzekeren dat je verhaaltje wel oké is, waarna je in principe hebt gekregen wat je hebben wilde, maar alsnog gaat twijfelen omdat je beschamend veel waarde hecht aan je zielige publicaties en durft te geloven dat daar een kracht in verscholen ligt die genezen kan terwijl je zelf ziek bent zonder remedie behalve andere mensen die voor je zorgen waar je dus onvermijdelijk veel om gaat geven tot het niveau van druilerige sentimentaliteit en daar zit niemand op te wachten. Dus even eerlijk: als je niet eens voor jezelf voor de lol kunt schrijven, maar alles als een opdracht ziet of als het pad naar jezelf bewijzen, waarom schrijf je dan? Houd gewoon op. Je verdoet je tijd. Niets dat je schrijft stijgt boven de intellectuele capaciteiten van een veertienjarige edgelord uit, je bent een schreeuwlelijke kankerhomo en je moet je bek houden over zaken waar je niets van weet en zelfs wat je denkt te weten denk je enkel te weten omdat je te fucking dom bent om te begrijpen waarom wat jij denkt te weten onzin is, ik wordt fucking ziek van je, zoek een fucking baan en… En…’
‘En dan?’ Vraag ik hem weleens.

Dat is het moment waarop hij zich realiseert dat we vrijwel hetzelfde zijn en hij dus ook geen mooie toekomst kan zien in een fulltime leven, dat we nooit geluk hebben gezien in een leven zoals “de mensen” dat besteden en hij dus dubbel zo hard geconfronteerd wordt met de lastigheid van de situatie. Want er was eigenlijk maar één pad dat we beide voor mogelijk hielden voor een wezen als ons, het pad dat we nu bewandelen, die van expressie en educatie. Maar dat pad wordt steeds smaller en donkerder, en het is nog maar de vraag of we goed hebben gegokt.

Vroeger was ‘ie aardiger. Toen deden we dingen samen en maakten we elkaar nieuwsgierig. Ik kon uren met hem spelen, het maakte niet eens echt uit wat we deden, als iets niet leuk leek dan verzonnen we er wel wat regels of verhaaltjes bij en probeerden we het gewoon. Ik was leuk, mensen vonden me aardig. Ik keek naar mensen en bestudeerde wat ze deden en zag de wereld op zo’n manier dat ik me gerechtigd voelde hen na te doen en hetzelfde resultaat te verwachten als dat zij kregen. Ik was in de veronderstelling dat ik iedereen kon zijn en nadoen en dat mensen dat leuk zouden vinden zoals bij het origineel. Ik leerde alles om mensen aan het lachen te maken uit mijn hoofd en deed constant stemmetjes en karakters na. Ik was niet bang om afgestraft te worden of gepest of uitgelachen. Ik leefde naar buiten toe en dacht nooit op een negatieve manier aan “hoe ik eruit zag”. Weten hoe mijn gezicht erbij hing was enkel belangrijk voor gekke bekken en hun komische effect, over de rest maakte ik me nooit zorgen. Kort gezegd, ik zag mijzelf als een normaal mens dat samenspeelde met de rest. De trucjes die ik kende om mensen te prikkelen gebruikte ik gretig en mijn tong rolde soepel iedere klank uit mijn mond die in mijn hoofd opkwam. We zouden allemaal coole dingen gaan doen en leren en maken en zien en het zou geweldig worden, wij met zijn tweeën en alle wereldlijke metgezellen die ik met de tijd zou vinden.

Maar de laatste tijd is het anders. Ik weet niet precies wat ik hem heb aangedaan, hij is niet zo’n prater meer als vroeger. En deels snap ik dat wel, want mensen zijn tot extremen gegaan om ons duidelijk te maken dat we fucking lelijk en fucking raar en kankerdom waren, dat we nooit gelukkig zouden worden, dat we smerig, vies, ranzig, walgelijk en haast besmettelijk waren, dat niemand ons ooit aan zou kunnen kijken zonder intern te kokhalzen en dat we ten allen tijden onze smoel moesten houden, dus daardoor is het deels verklaard, maar ergens heb ik ook het idee dat ik hem verraden heb. Hij zit te wachten op de beloftes die ik hem al die jaren geleden heb gemaakt. En hij ziet alles dat ik doe. Hij weet alles dat ik denk en hij verwerpt het. Hij haat het en hij wordt er misselijk en zenuwachtig van. Dit is niet wat ik hem heb voorgespiegeld. Dit is niet de beloning voor zijn jarenlange volharding. Dit komt niet eens in de buurt daarvan. Het is zo ver van onze dromen vandaan dat hij haast genoodzaakt is mij als onze denkbeeldige vijand van vroeger te zien. De luiheid. De zelfingenomenheid. De schijnheilige machteloosheid. De gefaalde ouder. De miezerige volwassene. De uitgeputte godenbron. De belediging van alles dat liefde voor het leven heeft. De pleeschrobber die zich koning waant en ieder jaar iets meer moet toegeven dat er toch echt niets anders inzit dan andermans schijt schrapen. Die in de kloten van zijn trots wordt getrapt iedere keer dat hij zich voorstelt, als die überhaupt die noodzaak voelt en zich niet al heeft neergelegd bij de feiten die dag. De persoon die niet echt gewild is, niet echt gemist wordt, niet aantrekkelijk is op die manier, die eigenlijk maar heel alleentjes zit te pennen en knutselen met zijn creativiteit en dan niet eens het fatsoen heeft om het in het opgehemelde narratiefstijltje van de films te doen waar hij wel aantrekkelijk is en het existentiële vacuüm in zijn leven op zijn minst nog kan vullen met loze beloftes gelijkend aan de geslachtsorganen die jeukende leegtes vullen met placebogeluk. Hij lobbyt ook niet graag en heeft een afkeer van iedereen die zielloos hogerop wilt komen puur om hogerop te zijn. Hij snijd liever zijn hoektanden eruit dan dat hij ooit met iemand moet bonden omdat ze zich allebei een zelfde soort stereotype wanen. Hij is voor velen de antivreugde. Hij haat mensen soms al na één woord en geeft bij een kleine meerderheid op na de eerste paar zinnen. Hij is op zoek naar iets dat niemand boeit, maar waarvan hij denkt dat het de wereld kan redden. Hij had gewoon gehoopt dat er meer in had gezeten voor ons, denk ik.

Ik weet niet of ik nog vrienden met hem wil zijn. Niets is meer leuk om te doen. Al mijn aspiraties zijn slachtoffer van zijn genadeloze gehamer. Ik doe het niet goed. Ik ben zwak. Ik ben te oud. Ik ben belachelijk. Ik heb je in de steek gelaten.

Maar ik doe mijn best, ook al gelooft hij dat niet.

Vadertje Kerst

Het is bijna kerstmis, de tijd van vrede op aarde. De tafel is rijkelijk gedekt met prachtige wijnglazen en kristallen kruidenhoudertjes. De familie heeft wat ruimte in het midden vrijgelaten en zit mens-erger-je-niet te spelen.

‘Zou hij d’r dood aan het slaan zijn?’ Vraagt een zoontje aan zijn moeder.
‘Nee, joh. Dat doet papa niet,’ antwoordt ze.

‘GEEF ME JE GELD!’
‘GEEF ME JE SHIT! NU!’
‘HEB JE STRONT IN JE OREN?! MOET IK HET HERHALEN!? WOLLAH GEEF ME JE FAKKING GELD JONGE KUTKIND!’

‘…’

‘NÉÉ!?’
‘OKÉ, DOE JE MOND OPEN,’ klinkt in de gebiedende wijs
‘DOE JE FUCKING BEK OPEN!’

Een doffe serie tikken

‘HAAL JE ZAKKEN LEEG!’

Het gehuil uit de andere kamer is maar sporadisch te horen en wordt constant overstemd door bulderend geschreeuw en het geluid van riem en vuistslagen op een zachte huid. Na een minuut of vijf stoppen de kreten en is er enkel nog wat snikken te horen door de deur.

Dan komt papa naar buiten met een brede glimlach en hij zegt:

‘Zo. Dat was even hard werken zeg. Maar goed, zullen we eten, mensen?’
‘Pap, leeft ze nog wel daarbinnen?’
‘Oh, schat, zit de kip al in de oven?’
‘Ja, lief. Ik heb hem er nét ingedaan.’
‘Mooi, mooi. Ik heb net nog wat kruiden kunnen vinden toevallig, als je die erbij zou kunnen gooien alsjeblieft.’
‘Ah, wat fijn. Ik zal het er direct bijdoen,’ zegt mama, en ze kruimelt het in een van de houdertjes.
‘Dankje, schat. Ik houd van je.’
‘Pap, wat is er met dat meisje gebeurd?’
‘God ik vergeet toch telkens weer een nieuw tapijt te kopen… Weet je, een kamer heeft een tapijt nodig als verbindende factor. Dat is het meest belangrijke in dit huis, weet je dat, jongens? Dat wij samen, met elkaar, sterk in onze schoenen staan. Dat wij die verbindende factor zijn die van deze saaie muren een heus huis maakt. Een huis zonder gezin is geen thuis, maar een bouwval. Zonder onze samenwerking zijn we niets. Ik houd van jullie.’
‘Papa, het klonk alsof er iemand stierf daarbinnen.’
‘Hey, houd jij eens even op met al die negativiteit van jou de hele tijd. Het is toch een prachtige dag? Een feestdag zelfs. Ik heb even helemaal geen zin in dat gepraat van jou over de dood en zo. Kun je niet gewoon een keer gezellig doen?’
‘Maar je hebt zojuist letterlijk minutenlang een klein kind afgerost, pap.’
‘Was je erbij?’
‘Ik zat hier… Ik hoorde het…’
‘Toeval. Je moest eens weten wat ze bij de buren doen. Daar kun je ook gewoon heen als je het hier niet goed genoeg vindt, hoor. Wil je dat soms?’
‘Dat is niet wat ik bedoel, pap.’
‘Wat bedoel je dan? Zeg dan precies wat je bedoelt, anders kan ik geen antwoord geven.’
‘Nou, kunnen we hiermee ophouden? Ik wilde gewoon een rustig diner,’ zegt mama.
‘Nee, het is mooi geweest met jou,’ zegt papa boos. ‘Ik doe verdomme alles om jullie hier een mooi huis te geven, en dit is mijn dank? Kijk eens om je heen, jij verwende snotneus. Een beetje klagen tegen papa, hoe zou je het vinden als je geen spelcomputer had? Moet ik je televisie weghalen? Wil je soms fletse kip eten?’
‘Als dat betekent dat je stopt met kinderen de dood in stompen? Ja.’
‘Dood? Waar heb je het over? Er is niemand dood. Haat jij mij?’
‘Wat?’
‘Dát is jouw probleem, weet je dat? Alles om je heen is verdomme perféct, maar jij moet áltijd iets te zeiken hebben. Het is nooit goed, nooit zoals jij het wilt, meneertje moraalridder. Je hebt geen flauw benul over het runnen van een huishouden.’
‘Papa, je mishandelt kinderen tot ze met één been in de hemel staan voor wat kruiden.’

De deur die papa gesloten heeft kraakt open en eruit gekropen komt een klein kindje die opgezwollen ledematen heeft en uitpuilt van de bloeduitstortingen. De familie kijkt geschrokken op. Mama begint acuut te huilen en de kinderen voelen een kramp in hun maag bij het zien van het lichaampje dat zoveel wegheeft van hun eigen. Ze kijkt op, ziet de voordeur en begint met man en macht haar knieën op de vloer heen en weer te schuiven in een poging naar buiten te kruipen, maar het is overduidelijk dat ze het nog niet eens tot de bijkeuken gaat halen in dit leven.

‘Ah, wat zielig voor dat meisje,’ zegt mama.
‘Ja, ik vraag me af wie haar zo heeft toegetakeld zeg,’ stoot haar dochter verbaasd uit
‘Zó, nou zeg hé, inderdaad,’ komt uit papa’s mond.
‘Waarom helpt haar papa haar niet? Haar papa moet echt niet goed voor haar kunnen zorgen, of wel, papa?’
‘Je zou haast denken van niet. Ik zou zoiets nóóit bij jullie laten gebeuren. Ik houd van jullie.’
‘Ik zou d’r ook echt graag helpen,’ zegt mama, ‘Maar de tafel is echt nét gedekt en ik heb maar genoeg uien gesneden voor vijf personen.’
‘Het is niet jouw schuld, schat, je kunt niet iedereen helpen.’

Het meisje maakt wat geluiden die men mag verwachten van een persoon in haar situatie

‘…’
‘…’

Het gezin kijkt ernaar.

‘Wel een beetje onsmakelijk zo eigenlijk,’ zegt mama met de schaamte van het zeggen wat iedereen denkt.
‘Komt goed, lief!’

Papa springt van zijn stoel en pakt de kleine bij de hand vast eer hij haar over de vloer sleurt richting de achterdeur. De familie zit geruisloos aan tafel en durft zich niet te verroeren. Er zijn geluiden van bewegende kleding en geworstel. De achterdeur gaat open, er wordt nog wat gesnauwd en na een seconde of twintig valt er een stoeptegel, of in ieder geval zo klinkt het, en vijftien seconden daarna zit papa weer aan tafel.

‘Ik heb cadeautjes meegenomen!’ Zegt hij met de kleren van het kindje trots in zijn hand.
‘Wat is er met haar gebeurd?’ Vraagt hetzelfde zoontje.
‘Ze wilde wat frisse lucht.’
‘Met dit weer?’ Vraagt mama.
‘Ja, apart volkje, weten ze niet dat the weather outside frightful is? And the fire so delightful?
‘Ah, Dean Martin… Nu heb ik zin in wat top 2000, schat.’
‘Ik zet het op, lief.’
‘Papa, ze is dood of niet? Je hebt haar doodgemaakt.’
‘Wat een onzin. Waar héb je het over? Waar zie jij onze familie voor aan?’

Het zoontje loopt naar de achterdeur, doet de buitenlamp aan en kijkt door het raampje. Nog geen twee meter van het huis vandaan ligt het nu naakte lichaampje met haar gezicht in de sneeuw. Hij pakt zijn telefoon en maakt een foto.

Papa loopt naar de stereo en klikt wat tot dezelfde kutmuziek als vorig jaar de kamer vult. Hij belandt op het juiste kanaal en gaat joviaal weer aan het hoofd van de tafel zitten.

‘Je hebt haar doodgemaakt,’ zegt het zoontje bij zijn terugkomst.
‘Wat een onzin, dat is simpelweg niet waar.’
‘Het is wél waar, papa.’
‘NOEM JE MIJ EEN LEUGENAAR!?’

Zijn vader springt van zijn stoel, maakt zich breed en ontbloot zijn tanden terwijl hij naar hem toeloopt, over hem heen buigt en hem de volgende waarheid op het hart drukt:

‘LAAT ME JE GODVERDOMME ÉÉN DING OP HET HART DRUKKEN, JONGEN!
IK
LIEG
NIET!’
‘Maar…’
‘NIKS MAAR! Ik ga me hier niet de les laten lezen door een of andere schijtlijster! Je hebt een hekel aan kerst en je hebt een hekel aan dit gezin!’

Het zoontje laat de foto rond de tafel gaan. Papa praat direct verder:

‘Wilt er iemand alvast wat soep? Mama heeft hem zelf gemaakt, ze heeft de hele dag in de keuken gestaan. Ik schenk alvast wat voor mijzelf in hoor,’ zegt papa terwijl de rest de foto bekijkt.
‘Papa, waarom-‘
‘Wow, heerlijk, schat! Wat een prachtige maaltijd heb je neergezet.’
‘Papa-‘
‘Ach, nu even niet.’
‘Pap-‘
‘Nou verdomme wat moet je?’
‘Papa waarom is dat meisje bloot aan het slapen?’ Vraagt een ander zoontje.
‘Zo gebeurt dat nu eenmaal.’
‘Oh, oké,’ zegt hij terug, volledig gerustgesteld.
‘Oh, oké!? Ben je niet boos!?’ Roept het andere zoontje geschrokken.
‘Hoezo?’
‘Papa heeft net een onschuldig kind vermoord…’
‘Ze lag te slapen.’
Sleeping in heaaavenly peaaace,’ neuriet mama.
‘Ze is dood.’
‘Oh, maar zo gebeurt dat nu eenmaal.’
‘Zo gebeurt dat nu eenmaal?’
‘Ja. Waarom was ze hier eigenlijk? Wat had ze hier te zoeken?’

Het zoontje weet niet precies hoe het meisje binnen was gekomen. Hij is ervan overtuigd dat het door zijn vaders toedoen is, maar de precieze reden kan hij niet vertellen, en dat betekent dat hij de discussie gaat verliezen. Zijn broertje gaat verder:

‘Het is kerst, mensen zouden thuis moeten zijn bij hun familie.’
‘Wat als ze geen familie had?’
‘Dat is toch niet mijn schuld?’

De telefoon heeft de ronde gemaakt en het zoontje krijgt hem weer terug in zijn handen gedrukt door zijn vader. Hij kijkt naar het scherm en ziet de foto niet meer. Ook in zijn galerij is de foto niet meer te vinden.

‘Papa, waar is de foto?’
‘Welke foto?’
‘Van het meisje.’
‘Welk meisje?’
‘Het meisje dat je hebt doodgeslagen.’
‘Ik zou nooit iemand doodslaan, waar heb je het over?’
‘IK HOORDE HET JE DOEN!’
‘Jongen toch! ben jij helemáál gek geworden? Doe eens even normaal tegen je vader! Zó’n toon hoef ik hier niet!’ Valt mama uit.
‘Je moet eens leren wat respect te hebben jij, rotjoch,’ staat papa haar bij, ‘Ik kan ook nóóit wat goed doen volgens jou hè? Kijk eens naar al dit eten, man! En nog steeds klagen! Bah!’
‘Zagen jullie de foto niet!? Jullie hebben de foto ook gezien toch!?’ Het zoontje kijkt met grote waterige ogen de tafel rond, maar niemand reageert. Ze kijken leeg voor zich uit of ontmoeten zijn ogen met een blik van volledige onderwerping.
‘Jongen, waar heb je het toch altijd over? Je kijkt veel te veel films jij. Maar weet je wat, ik zal het voortouw nemen en de volwassene hier zijn door even een ommetje te maken. Dan heb jij wat tijd om af te koelen en kunnen jullie alvast beginnen aan het eten. Een gevulde maag doet wonderen voor de gemoedstoestand. Dus zeg allemaal even dankje voor het eten, papa.’
‘Dankje voor het eten, papa,’ komt in koor terug.
‘Graag gedaan. Ik houd van jullie. En dan ga ik nu even de hond uitlaten,’ zegt papa met zijn blik op de recalcitrante zoon.

Hij voelt een ongelooflijke raas van terreur door zijn hart schieten. Zijn borst krimpt met het opzwellen van zijn maag en zelfs zijn voeten trillen nu van de schrik bij zijn vaders woorden. Alsof hij op het punt staat standrechtelijk geëxecuteerd te worden, hele levens gaan aan zijn gedachten voorbij in die halve seconde. En alle mogelijke werelden die hij ziet staan op het punt om tenietgedaan te worden vreest hij. Hij zoekt in de ogen van zijn familieleden, hij smeekt om hun reactie en wacht op hun woorden, maar er komt niets.

‘Papa, we hebben geen hond…’ Zegt hij tot slot vol huivering.
‘Moet je nou ook echt óveral een discussie van maken, jongen?’ Vraagt zijn moeder.
‘Jij hebt echt problemen,’ snauwt zijn zus naar hem.

Hij kijkt naar zijn vader en weet dat hij verloren heeft. Dat hij nooit meer zal kunnen winnen, dat zijn familie te diep gecorrumpeerd is om zich vrij te willen vechten. Hij voelt het huis grauwer worden, alsof de muren over hem heen willen leunen en hem verzwolgen onder cement. De mensen die hij ziet zijn geen familieleden meer, maar met-gevaarlijke-kennis-bewapende vreemden, die hem meer pijn kunnen doen dan hij lief is. Ze gebruiken bloedsmoesjes om hem aan tafel te dwingen, maar ze willen hem eigenlijk niet en hij wilt daar op zijn beurt ook niet meer zijn.

Papa loop tijdens het geroezemoes naar buiten en komt na vijf minuten bakkeleien weer terug. Hij heeft een vriendje meegenomen die hij constant in het midden van zijn achterhoofd aanraakt met de metalen loop van zijn revolver. Hij neemt plaats aan tafel en laat de jongen naast hem staan.

‘Kijk, ik zei het toch, we hebben heerlijk eten hier en een prachtig gezin. Ik houd zo van mijn gezin. Wil je ook wat lekkers eten?’

Het gezicht van de jongen staat strakgespannen, hij schiet zijn pupillen over de tafel en langs de gezichten, maar vindt geen steun.

‘Dit is Royha,’ zegt papa trots. ‘Ik zag Royha lopen op straat net toen ik met de hond aan het wandelen was en het zag eruit alsof hij geen gezin had om kerst mee te vieren. En dat kan ik niet aanzien hè, dat weet je van me. Ik houd van kerst en iedereen moet kerst kunnen vieren. De tijd voor vrede. Dus ik bood hem aan om hier te komen eten en hij zei direct ja, toch Royha?’
‘J-ja…j-ja, m-meneer.’
‘Zeg maar papa, meneer is de naam van mijn vader.’
‘Oh, een onverwachte gast? Ik pak nog wat bestek en een bord,’ zegt mama.
‘Schat, schat, blijf zitten,’ zegt papa zelfverzekerd. ‘Ik pak het wel.’

Papa staat op van tafel en drukt wat tegen de loop waarna hij zegt:

‘Kom je mee? Het bestek ligt daar, dan kun je zelf kiezen wat je wilt. Ik wil je niet dwingen.’

Royha volgt papa de andere kamer in en zodra de deur sluit speelt zich hetzelfde tafereel af als eerder. Er is eerst geluid van geschrokken besef, dan van verzet, dan gesmeek en vervolgens stilte. Papa trapt de deur open en gaat weer zitten.

‘Is ‘ie dood, papa?’ Vraagt zijn zoontje.

‘Jazeker! Ik heb hem helemaal tot pudding gestampt, maar nu hebben we ten minste wel toetje!’ Zegt hij vol vreugde, dat hij deelt met de anderen door ze lachend aan te kijken.

‘Lekker! Toetje!’

‘Je bent een monster, papa.’

‘Je mag God op je knieën danken dat je godverdomme wat te vreten hebt, kankerjoch. Geef me je zakgeld.’

‘Hahaha, het is grappig hoe het soms nu eenmaal gebeurt,’ zegt zijn andere zoontje.

Fijne kerst.

Boegbeeld voor de bijl

De minister neemt plaats achter het spreekgestel en wilt net aan haar zoveelste verontschuldiging beginnen wanneer er buiten een gerommel te horen is.

‘Hoewel onze pogingen niet altijd hebben uitgewerkt zoals wij ze aanvankelijk graag hadden willen zien doen, mag men niet veronderstellen dat er dan ook, betreffende de gevolgen van onze weloverwogen en bewuste keuzes, van een schuld gesproken mag worden, vooral wanneer deze schuld aan een kant gelijkend aan die van de deelnemende en beslissende partijen gelegd wordt. Bij zo’n complexe en voor-normale-burgers-haast-onbegrijpelijke situatie als deze moet de verantwoordelijkheid gezocht worden in onderlinge relaties en de lange termijn prognose in contrast met de huidige consensus, en bedoelingen pakken nu eenmaal niet altijd uit zoals wij dat ons voorstellen.’ Ze kijkt vol zelfvertrouwen de camera in. Ze gelooft dit écht.

Het dondert nu en in haar kuiten voelt de minister dat er net een aardverschuiving heeft plaatsgevonden in een buitenwijk van Groningen. In Limburg stort een mijnschacht in elkaar en het groenbruine smurriekanaal dat ze de Noordzee noemen begint met een hooggetij te smikkelen van de duinen.

‘Hoewel er wellicht een tikje optimistisch geredeneerd is aan de hand van de beschikbare inschattingen, geleverd door de nauwkeurig onderzochte cijfers en getallen, moeten wij gedenken en wederom beklemtonen dat niemand van ons kan spreken van een schoon, nog een bevuild geweten, daarentegen zijn wij, ten aller tijden, opdat het ambacht dat acht van ons, onpartijdig gebleven in ons beleid en het traject van de totstandkoming van zijnde beleid. Het is nooit onze intentie geweest om iets te doen dat niet goed was.’

Een windmolen wentelt alsof aangewakkerd door de wind die hun wijsvinger over de rand van hun duim schuift en tegen de wiek pingelt als een treiteraar bij een oorlel zou doen. De bliksemschichten flitsen van de kerktoren recht de hemel in en de goedgelovigen onder ons prostreren zich als symbool van hun overgave op de grond. De hoge gebouwen wankelen onder het seismische gedrang van ongeduldige aardplaten, de elektriciteitspalen die meer weghebben van gigantische mechanische geraamtes houden eindeloze touwtjesspringwedstrijden met de kabels die tussen hun gestalten bungelen. De mensenmassa’s mobiliseren zich sporadisch door het land, op weg naar hun geliefden en vertegenwoordigers, en de anderen wachten vol overtuiging op het einde.

‘Nu zijn wij, in het licht van recentelijk vrijgegeven documenten en uitlatingen, bereid concessies te maken jegens onze aanklagers, en hoewel hier geen sprake zal zijn van enige pecuniaire of anderzijds praktische vorm van reciprociteit aan de kant van de beschuldigde, placht ik toch te getuigen van een welgemeende en ondersteunende sensatie van sympathie voor een ieder die zich mogelijkerwijs getroffen voelt door de gemaakte keuzes, een sensatie waarover ik plechtig durf te poneren dat hij linea recta, direct, rechtstreeks, zonder poespas, gezeur, gezanik, gezeik of omwegen vanuit onze harten komt.’

Het dak van het parlementsgebouw wordt eraf gerukt door een onzichtbare hand, de wolken scheuren open en onthullen een donkerrode zon die heter voelt dan de warmste Nederlandse zomerdag. Overal waar de minister kijkt lijkt het aardoppervlak te smelten, om haar heen glinsteren de troebele golven die je boven een zongebombardeerde snelweg ziet. Een krijs die afkomstig is van een dier dat geslacht wordt loeit over de polders heen als het maandelijkse luchtalarm, de mensen voelen een compressie op hun hoofd en nadat ze hun laatste seconden hebben gevuld met zorgen en paniek spetteren hun hersenen tegen de binnenwand van hun schedels. De duivel zelf surft door de apocalyptische avondlucht en schaterlacht de schelle kreten van mortiergranaten, geluiden die, wanneer ze dichterbij komen, zich manifesteren in solide vorm en alles verschroeien dat nog niet zwartgeblakerd is. Boven het parlementsgebouw laat hij zichzelf naar beneden vallen en met een redelijke Richterscore landt hij op een paar meter van de minister vandaan. Zijn gruwelijke gelaatstrekken doen de minister niet schrikken. In zijn hand houdt het gehoornde figuur het contract dat hij zorgvuldig heeft opgesteld in de diepste regionen van het schaduwrijk. Zijn kraaienpoot staat eronder gekrabbeld en hij wacht op een wereldlijke partij die de gratie zal verlenen zijn koninkrijk te huisvesten op het oppervlak. Welk land beter dan Nederland, denkt hij. The nether lands, reserved for the nether world. (Engels is de duivels moedertaal)

De minister rukt het contract uit de klauwen van de hoofddemoon, tekent het zonder te lezen en rent vol enthousiasme naar buiten, waar ze luidkeels over het binnenhof roept dat de hel op aarde hier gebracht is door de heer Satan zelve en dat de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging van de twaalf verenigde nederprovinciën hier echt amper iets mee te maken hadden. Echt op zijn meest heftig en zwaarst uitgedrukt, was het einde der tijden misschien iets van tien procent onze schuld of zo.

Vrouwenrechten

Nou, Priscilla, ik weet het niet hoor, maar dat maandverband is me toch even te duur dit jaar. Ik zit met hogere huur, we hebben net die klotebelastingverlaging gemist van dat misbaksel daar in Den Haag, gas omhoog, water omhoog, alles omhoog godverdomme, ik heb mijn bonnetjes nog wel, maar die gaarkeukenprut vinden de kinders ook niet te vreten natuurlijk. Er moet altijd wat lekkers bij als toetje anders krijg ik het niet bij ze naar binnen, dus ik altijd van die extra chocoladesoesjes halen bij de Lidl, kheb helemaal geen geld niet voor mijn flamoes meer ik zeg het je. En ik weet wat je denkt hè, je heb dan wel gewoon je lippenstift en je mascara op, maar dan vraag ik je hoe moet ik anders aan een baan komen? Of aan de man? Als ik zonder make-up naar zo’n gesprek of date ga dan zien ze me al helemaal niet zitten. Ik lijk net een zombie zonder dat spul, ik ben bekaf afgepeigerd helemaal kapot, Priscil. Maar ja, dat heet investeren op dat moment hè. Nu wat smeer op de muil en dan later een mooiere loonstrook. Ze gaan op de eerste ontmoeting toch niet naar me muts kijken. Ik heb trouwens ook nog steeds een tandafdruk in m’n tiet staan van Zoraya gewoon, en ik heb nevernooit niet genoeg tijd voor de sportschool, dus die zwembandjes dobberen ook nog wel een tijdje rond ben ik bang. Ik voel me helemaal afgekloven en uitgekauwd, meid. Walgelijk. Kan je er ook nog eens gif op innemen dat er weer zo’n Sjonnie naar me stond te blèren gisteravond buiten de kroeg met zijn schatje liefje moppie dushi blablabla je kent het wel, ik word er gans niet goed meer van dat die pikkies allemaal maar met hun reet open in de wind staan te ruften in mijn richting met dat gezeik van ze altijd, ik mot ze nie hebben voor geen goud of albast. Maar ja, wat doe je eraan? Ik zal je zeggen ik zat er laatst aan te denken om zo’n bus van traangas aan te schaffen, zoals ze in China doen toch, ben je gelijk van het probleem af en dan weet je ook gewoon dat je wat achter de hand hebt weetjewel. Ik denk dat ik een veel leuker gesprek zou hebben met zo’n hondenlul als ik hem ten aller tijden uit zou kunnen schakelen. Misschien ben ik ook wel gewoon pot, ik heb het altijd wel lekker vinden ruiken, zo’n bloempje. Vooral in de lente. Maar goed, dat is niet waarvoor ik je belde, trut, luister dan. Ik kan leven met een korstensloot, dat maandverband ach germ joh daar groeien we wel weer uit, gewoon goed douchen en dan hindert me dat niet zo. Maar weet je wat het is, waarom ik je belde, waarom ik echt even iemand nodig had om tegen te razen? Wat me vandaag écht heeft bezeerd, ik kon het niet geloven, maar verdomme, Priscilla, er zijn van de vijfhonderd rijkste mensen van Nederland maar zevenendertig een vrouw. ZEVENENDERTIG! Weet je wel hoeveel procent dat is? Of eigenlijk, hoe weinig. Ik zeg het je, ik zal het je vertellen, dat is maar 7,4 procent %! En dan hè en dan ja dan denk je van nou maar dat is toch best wel oké eigenlijk vergeleken met eerst want dà’s wel veel geld maar PRISCILLA!

PRISCILLA!

EEN GROOT DEEL VAN DIE VROUWEN HEEFT HAAR FORTUIN NIET EENS ZELF VERDIEND, MAAR GEËRFD! WAAR HAAL IK MIJN WAARDIGHEID NOG VANDAAN ALS KUTHEBBER IN DEZE TIJD DAN!? HOE KAN IK SLAPEN MET DE WETENSCHAP DAT DE GIGARIJKEN GEEN EGALITAIRE GENDERVERDELING HEBBEN!? IK WIL VERDOMME VERTRAPT EN BESPUUGD EN BESPEELD EN GENEUKT WORDEN DOOR EEN VROUW! IK BEN HET JUK VAN DE MAATSCHOEN SPUUGZAT! IK WIL ENKEL NOG AANGESTAMPT WORDEN DOOR NAALDHAKKEN! VERDOMME PRISCILLA WAAR IS MIJN WAARDIGHEID TE VINDEN!?

Priscilla was sprakeloos.

Ja, hoe moest je eigenlijk nog trots zijn op zo’n kutlichaam in deze tijd?

DébüS

Twintig gedwongen sollicitaties en vijf maanden ww later is het zover. Een uitnodiging voor een gesprek. Dit keer voor een baan die me niet eens zo afschuwelijk lijkt. Best leuk eigenlijk zelfs. Een baan in de stad. Ik verzamel het meest presentabele setje kleren dat ik heb hangen in de kleine kast van mijn bescheiden studio in een oud bejaardenhuis waar het altijd ruikt naar huidplooidampen en iemands laatste adem en ga erop uit.

Het is ongeveer een half uur naar de halte, dan twintig minuten met de bus en dan nog vijf minuten lopen om bij het kantoor van Willem Klokhuis te komen. Ik heb niets gezegd over zijn achternaam in mijn sollicitatiebrief, ook al had ik dat wel gewild. Ik was bang dat hij zou denken dat ik overvriendelijk was en daarmee een slijmbal.

Het digitale reclamebord in het hokje hapert tussen twee advertenties en flikkert en flitst steeds in mijn ooghoek. Het uithangbord met de aankomsttijden leest acht minuten tot mijn bus er is. Ik doe mijn koptelefoon op en zink in de muziek.

Twee tracks later en het valt me op dat het bord aan de overkant van de straat is uitgevallen, of misschien had hij het de hele dag niet gedaan. Er zijn geen bustijden te zien, maar de klok daarboven leest kwart voor twaalf. Uit interesse kijk ik naar mijn eigen bord om te zien hoe lang het nog gaat duren voor mijn bus er is.

Acht minuten.

De tijden worden tegenwoordig digitaal en via satelliet gps wifi-tooth doorgegeven dus het is waarschijnlijk dat er een driftkikker was bij de vorige halte of een rolstoelgebruiker die de uitschuifhelling nodig had en dat het verkeer wellicht iets chaotischer was geweest vandaag dan het normaal gesproken was. Zo lang hadden de nummers ook niet geduurd en volgens mij was de echte tijd op de borden wel vooruitgegaan. Niet dat ik nog zeker wist hoe laat ik hier kwam staan, maar dat het nu kwart voor twaalf was leek redelijk te passen bij mijn inschatting. Ik besluit nog een nummer op te zetten en expres niet naar de tijd te kijken totdat het lied is afgelopen.

Na het tweede refrein komt er iemand aanlopen die aan de overkant gaat staan, bij de andere bushalte. Door de opbouw van de bridge heen hoor ik zodra ze in het hokje plaatsneemt een geronk opkomen van rechts. Ik kijk op en zie een bus aankomen. De dame kijkt naar links, glimlacht bij de toevalligheid van haar timing en stapt de bus in wanneer die nog geen tien seconden na haar aankomst arriveert. Alsof hij tot bestaan was gecommandeerd door haar aanwezigheid.

Het is nu minstens een kwartier sinds ik hier aankwam. Ik heb geen appjes, maar ik kijk alsnog een paar keer en veeg wat door de lijst, ik klad wat zinnen in een memo, lees het screenshot dat ik heb gemaakt met het adres van mijn contactpersoon, kijk naar een foto die me ooit blij maakte en nu hoogstens bitterzoet en vervolgens kijk ik weer naar het aankomsttijdenbord.

Acht minuten.

Maar dit is onmogelijk. Dit kán niet. En ik kan nu ook niet meer weg. Wat als alleen de tijden verkeerd zijn, maar de bus wel echt onderweg is? Het is tien minuten lopen tot de volgende halte en als ik halverwege ben en hij dan langskomt sla ik mijzelf voor mijn kop. Dat kan ik niet riskeren. Als ik iets anders had willen doen dan had ik dat tien minuten geleden moeten doen, toen ik nog niet wist hoe groot het probleem was. Nu is het te laat. Te laat, te laat, te laat. De woorden echoën nog door mijn hoofd terwijl ik de spanning en schaamte begin te voelen van te laat komen bij een belangrijke afspraak.

Ik zou ze kunnen bellen, maar wat zeg ik? Ik sta al een kwartier op twee minuten te wachten? De bus komt niet? Ik heb blijkbaar ook geen idee wanneer hij wel zou moeten komen, dus ik kan ze helemaal niets vertellen behalve dat ik misschien te laat ga komen voor onbepaalde tijd. Ik wil niet als besluiteloos of onwetend overkomen op mijn nieuwe geldschieter. Beter te wachten tot ik meer zekerheid heb voordat ik bel.

Zes minuten.

Oké, hij kómt dus wel! denk ik met een gevoel van opluchting. Dat moet wel, anders was het getal niet omgeslagen. Mijn telefoon geeft aan dat het zojuist twaalf uur is geworden. Het gesprek begint over een half uur. Als het bord nu klopt ben ik één minuut te laat, wat het niet waard is om voor te bellen, dat laat een grotere indruk achter dan die enkele minuut te laat binnenwandelen. Als ik doorloop zijn het waarschijnlijk zelfs maar een paar seconden. Dat zou ze niet eens opvallen. In plaats van te laat zou ik juist perfect op tijd zijn. Punctueel. Niet te vroeg, zoals nerveuze mensen, niet te laat zoals lakse mensen, maar gecalculeerd precies op tijd. Zoals de beste mensen.

Er komt weer iemand aangelopen die plaatsneemt op het bankje tegenover mij en zodra hij dit doet hoor ik hetzelfde geronk opdoemen van rechts, wat leidt tot dezelfde aangenaam verraste blik op het gezicht van de man als die ik eerder had gezien op het gezicht van de dame.

Voor de bus kan stoppen ren ik naar de overkant en ga klaarstaan waar de man staat. De deur schuift open en een oude man achter het stuur knikt de man goedendag.

‘Meneer,’ vraag ik met voelbare stress in mijn stem.
‘Wat kan ik voor u doen?’ Komt er terug.
‘Weet u iets over de andere bus? Wanneer komt de bus aan de overkant? Ik sta al een half uur te wachten.’
‘Ah, de andere bus? Nee, geen idee. Dat is een terugwegbus. Ik ben een heenwegbuschauffeur.’
‘Ehh, dus u weet er niets van?’
‘Nope, dat is niet mijn afdeling, sorry. De andere kant van de weg is een heel ander departement.’
‘Maar ik moet ergens heen… Hoe moet ik dan…’
‘Oh, je moet ergens heen?’
‘Ja.’
‘Maar weet je wel zeker dat je die bus moet hebben en niet deze? Dit is de heenwegbus.’
‘Gaat de terugwegbus niet ook ergens heen dan?’
‘Jazeker, maar het is wel de terugweg, dat je het weet.’
‘Oké, maar ik moet echt die kant op, dus…’
‘Wat jij wilt,’ glimlacht hij me toe, waarna hij me met zijn ogen verzoekt een stap naar achter te doen zodat hij de deuren weer kan sluiten en weg kan rijden.

Vijfentwintig minuten later resteren er schijnbaar nog drie minuten voordat de bus er is en gaat mijn telefoon.

‘Goedemiddag, meneer Remora?’
‘Ja, daar spreek je mee. Meneer Klokhuis?’
‘Ja. Meneer Remora, wij hadden u eigenlijk vijf minuten geleden hier verwacht.’
‘Ik begrijp het, en mijn excuses. Ik wacht nu al een uur op de bus en hij komt maar niet en ik snap het niet, er staat nu al zo lang acht minuten, zes minuten, nu is het eindelijk drie minuten, maar ik weet niet wat dat betekent, het kan zomaar nog een halfuur zijn en ik wist niet precies wat er aan de hand was dus ik-‘
‘Meneer, was er geen andere manier waarop u had kunnen reizen?’
‘Ik bedoel, nu ik dit weet had ik liever een taxi genomen, maar het geld groeit me niet op de rug.’
‘Maar je hebt niet het initiatief genomen om naar een andere oplossing te zoeken, of om ons even te bellen?’
‘Ik… Ik ben naar de halte gegaan, dat is initiatief… Ik heb gesolliciteerd…’
‘Ja en dan vervolgens kom je niet opdagen.’
‘Maar ik kan er niets-‘ Ik stop mijzelf halverwege de gedachte, want dit was een werkgever, er was altijd iets dat ik eraan had kunnen doen. ‘Kunnen we anders het gesprek nu telefonisch doen?’
‘Ik weet niet of dat nog nodig zal zijn. We zijn niet op zoek naar iemand die afwacht, we zoeken naar een hands-on proactieve touwtjespakker. Ik zal het je zo zeggen, meneer Remora: Als de andere kandidaten het allemaal laten afweten dan hoor je nog van ons.’
‘Goed,’ zei ik met meer verheuging op die minieme kans dan ik had gewild op dat moment.

Meneer Klokhuis hangt op met de tegenwoordig spreekwoordelijke klik van de hoorn en zodra het gesprek plaatsmaakt voor stilte hoor ik van links een geronk opkomen.

De druïde

Het bospad is gehuld in een vroege ochtendnevel die een spookachtig laken spreidt over het zand dat tussen de wazige stokken loopt. Hier en daar kleeft het spook van de dageraad aan een stuk blad en valt het na enkele seconden druppelvorming naar beneden als frisse dauw. Een tjiftjaf fladdert vluggetjes door de takken en tsjirpt haar naam. Ze dartelt van plek naar plek in een rap tempo op zoek naar kleine beestjes en hun baby’s die op de bladeren chillen. In de verre verte is het geroezemoes van een dorp met een marktplein en een ijzersmid te horen, maar op de afgelegen geluiden en de vroege vogel na is het ijzig stil.

Te stil.

Een druppel zweet sijpelt langzaam door de donkere sprietjes van haar wenkbrauwen richting haar ogen. Haar ogen die opengesperd zijn en spanning verraden. De struiken waar ze zich in heeft verstopt ritselen af en toe iets mee met de wind en zwijgen dan weer. Kleine takjes schrapen zachtjes langs haar benen en gezicht, maar ze ervaart het meer als ge-aai dan getreiter. Ze kijkt de verte in en wacht geduldig op haar doelwit. Hij kan ieder moment aankomen.

Er is een hert met kalf op een kilometer afstand aan het grazen, een mol kruipt onder de grond, een familie van eekhoorns kraken enkele bomen verderop wat nootjes en de planten lijken allemaal héél zachtjes te zingen. Haar ademhaling is ritmisch en beheerst ondanks de cortisol die door haar aderen stroomt.

Een klein guichelheiltje bloeit in de neep van de bocht, zijn zacht roze bloemetjes voorzichtig uitgevouwen met gele stampers die lijken op voelsprieten in het midden. Het blijft droog voorlopig, weet ze nu, want de geniepige plantjes kunnen voelen wanneer de buien aan het vormen zijn en slaan dan hun kleurenkrans dicht.

Ze pulkt wat aan de handgreep met haar vingers, een gewoonte van de zenuwen. Ze spitst haar oren, krabt haar schoenzool met haar teennagels, maar blijft ten aller tijden voor zich uit kijken naar de plek waar hij de hoek om zal komen.

Wat een prachtig fenomeen eigenlijk, denkt ze. Hoe lang duurt het voor een plantensoort leert hoe de regen ruikt? Hoeveel tijd is er al voorbijgegaan op deze wereld om alles in zo’n schijnbaar onfeilbare staat van symbiose te brengen? Generatie op generatie van dieren kijkt af bij hun ouders en modderen dan aan tot ze zelf kleintjes krijgen en zo gaat het stap voor stap stukje bij beetje al honderden miljoenen jaren. Maar planten kunnen niet eens afkijken, die evolueren met de kleinst mogelijke zintuiglijke aandrijving. Die kunnen niet ruiken. Of misschien ook wel, want wat is reuk behalve een hypergespecialiseerde manier om stofjes te laten reageren op andere stofjes voor het vergaren van informatie en een lichamelijke reactie? Stofjes laten reageren op stofjes kunnen planten ook, dus misschien is het kunnen ruiken van regen wel helemaal niet zo indrukwekkend voor een plant als dat het voor een mens zou zijn. Net zoals “blindheid” voor een mol of slang helemaal niet hinderlijk is zolang het dier een accuraat beeld van de omgeving kan maken gebaseerd op trillingen of geur. “Blindheid” heeft niets te maken met hoeveel je ziet, het heeft te maken met de mate waarin je de ruimte om je heen kunt bevatten en gebruiken. Dát is zicht, besluit ze, onderhand diep in gedachten verzonken.

Wat een dagpasjeshouders zijn wij vergeleken met de onmetelijke reikwijdte van het gecreëerde, of het bestaande, of het passerende, hoe je het ook noemen wilt. De hartslag van de natuur, het onzijdige gegons dat door alle micro en macrokosmossen pulseert en de dingen tot beweging dwingt, tot groei, tot procreatie, tot voltooiing van iets ongrijpbaars. Ze voelde het als haar eigen hart, wat op zichzelf het centrum was van het weerzinwekkende universum dat haar lichaam moest voorstellen.

De natuur is prachtig, realiseert ze zich innig. Het bestaat om te bestaan en alles is altijd in balans, niemand heeft schuld want alles gebeurt uit een haast geautomatiseerde noodzaak. De Aarde produceert lukraak voedingsstoffen en het wezenlijke schikt zich ernaar in de zin dat het optimaal kan oogsten met zo min mogelijk gevaar voor eigen leven. Een onzichtbare stuwkracht maakt op die wijze in honderdduizenden jaren van een klein diertje een langnek als het nodig is en iedere soort en ieder individu bezit hetgeen dat dit proces mogelijk maakt, dat ongrijpbare elementje dat van een doelloze zak genen een handelend schepsel maakt, een handhaver van een ongeschreven wet die het wezen zelf constant constitueert; want de natuur kent wetten, maar die waren er niet altijd, evenals de natuur zelf, en ze hoeven ook niet eeuwig te zijn. Ze zijn tijdsgebonden en vloeibaar, maar de meeste wezens leven niet lang genoeg om een grip te krijgen op dit principe. Ze kennen de cycli die plaatsvinden in hun gemiddelde levensduur en meer denken ze niet aan, want dat hebben ze ook niet nodig.

Maar als je de eerste paar millennia van je leven een boom bent geweest is dit meer voor de hand liggend, denkt ze. Dat het roofdier moet snoepen van de grazers is doorberekend in de bevolkingsgrootte van de prooi, en hoe gruwelijk het verliezen van een kuddegenoot ook is, je weet dat het roofdier enkel pakt wat hij verorberen kan en niet meer. Op die manier is de leeuw een soort beschermheilige van het savannegras dat anderzijds wellicht uitgeroeid zou worden door onbegrensde antilopen en andere hongerige herbivoren. Alles is op die manier in een constante strijd voor de eigen bevordering en door de gewaagdheid van alle deelnemers aan elkaar ontstaat een zichzelf-optimaliserend-equilibrium dat enkel verstoord kan worden door acute veranderingen in het klimaat, en anders rustig voort blijft dobberen op de melodie van Gods cadens.

Kl-klak K-klok K-klak Kl-klok
kgh . kgh . kgh . kgh .

Een brandend gevoel, als een vurige zweepslag, snijdt door haar torso en beëindigt haar dagdroom. Er is een geknars te horen op het pad.

Daar is ‘ie.

Ze hurkt, leunt achterover in het struikgewas dat haar lijkt te dragen alsof ze even licht is als de wind, heft haar armen en begint haar rechter elleboog naar achter te bewegen terwijl ze met haar hand aandachtig de bevedering van haar pijl vingert. De andere arm hangt strakgespannen voor haar borst. Haar lichaam voelt wat onwennig, ze heeft nog niet bijster veel ervaring opgedaan als mens. En met goede reden. Ze schuwde de mensen een beetje. Mensen waren balansbrekers, egoïsten, een soort die niet leek aan te sluiten bij de harmonieuze commune van het dierenrijk. Van alle vormen die ze aan kon nemen vond ze die van het menselijk ras het meest oncomfortabel en ze merkte ook op dat de andere dieren terugdeinsden in haar aanwezigheid wanneer ze deze vorm aannam.

Het struikgewas waar ze zich in verstopt krioelt en begint zich om haar ledematen te wikkelen, het strekt zichzelf uit langs haar spieren en begeleid haar bewegingen. Haar blik volgt de punt van de pijl die geruisloos klaarligt in de gespannen omhelzing van haar ebbenhouten compositieboog. Het gekletter van hoeven op kiezelsteentjes wordt luider, duidelijker en komt stap voor stap steeds iets dichterbij. Het paard is te ruiken, evenals het mens dat erop zit. Dat mens dat het noodzakelijk had gevonden om een van haar zussen van het leven te beroven en te verkopen aan een man die haar vacht afsneed, haar ontdeed van haar huid en haar vervolgens aan een metalen haak had gehangen voor het hele dorp om naar te kijken.

Ze komen de hoek om.

Hij draagt een hoed, een bruine hoed, donkerbruin, met vlekken. En een lange donkergroene jas die tot zijn knieën komt en deftig over de flanken van het paard hangt. Om zijn schouder gevouwen zit een leren riem en naast zijn ongeschoren bruinbebaarde hoofd ziet ze twee glanzende tubes die aan zijn rug vast lijken te zitten. Zijn ogen zijn licht en onbezorgd en ze schijnen met een zekere speelsheid waar ze wel iets van zou willen lenen. De man kijkt rond en wijst haast instructief naar iets op de grond. Dan kijkt hij voor zich uit, recht in de richting van haar struik.

Ze schrikt wanneer zijn blik precies in die van haar valt. Hij is niet hetzelfde als de vorige keer dat ze hem zag. Hij heeft iets aandoenlijks haast, maar dat durft ze niet helemaal toe te geven aan zichzelf. Voor een héél klein momentje twijfelt ze.

Haar twijfelende gedachten gaan echter gepaard met het razen van de pijl richting het hart van de man en zodra hij die bereikt heeft stort hij met een luidkeelse kreun van het paard richting de grond. Hij probeert zich nog overeind te houden door zijn hielen in de zij van het paard te drukken, maar het lukt hem niet en wanneer hij eenmaal op de grond geworpen is door de kracht van de pijl en de pijn van de wond ziet ze tot haar grote schrik dat de man niet alleen is, en dat hij niet voor niets naar dingen op de grond aan het wijzen was geweest.

De cortisol wordt weggespoeld door een deluge van adrenaline en zakt naar haar onderbuik. Alle spieren die ze bezit spannen zich aan om te vechten tegen haar vluchtinstinct en zelfs de struik die haar omarmt lijkt haar te willen duwen in de richting van het kindje dat vol verbijstering en horror naar de grond aan het staren is. Het paard is wat radeloos in het rond aan het draaien en ze stopt voorzichtig de boog weg voor ze het pad oploopt en op het mensje afstapt.

‘Hoe heet je?’ Vraagt ze star aan het huilende jochie dat troosteloos kijkt naar het lichaam van de jager op de grond.
‘Wat is er met papa!?’ roept hij in paniek naar haar, als het enige andere mens in de omgeving en dus de bezitster van de antwoorden op al zijn vragen.
Ze heeft geen idee wat ze moet zeggen.
‘Ik weet het niet,’ liegt ze.
‘Papa!  Papa sta op! We moeten een hertje vangen, papa!’
‘Papa is aan het slapen, ben ik bang, jongen,’ probeert ze hem te troosten.
‘Wakker worden, papa!’ krijst hij met een beginnend besef van wat er aan de hand is.
Ze staat verstijfd en leeg van binnen te kijken naar de knul. Zijn onderlip trilt terwijl hij kijkt naar het ding dat ooit zijn vader was geweest. Plots begint het jongetje al snikkend door zijn tranen te zingen:
‘Waarom lig je in de dons
de dag is oh zo mooi
spring in de vijver
met een plons
kom op, kom uit de hooi…’ Verder komt hij niet voor de tranen weer meester van hem worden.
‘Het- Het spijt me…’
‘Laat me eraf! LAAT ME ERAF!’ Schreeuwt de jongen nu vol woede en verwijt, en hij steekt zijn armen vooruit zodat een volwassen iemand hem bij zijn oksels van het paard kan tillen.
Ze gehoorzaamt eerbiedig en probeert grip te krijgen op haar rondtollende maag. De jongen begint zijn vader heen en weer te schudden en luidkeels te huilen.
‘Wat is je naam, jongen?’ Vraagt ze voorzichtig terwijl ze tegen haar eigen oogvocht vecht.
‘F-Felix,’ snottert hij door zijn radeloze kreten heen.
‘Waar is je moeder, Felix?’ Hij heeft niet gezien waar de pijlen vandaan kwamen, bedenkt ze.
‘D-die… Ik, ik heb geen moeder, ik ben met mijn papa. We zijn alleen.’
‘…’

Een paar jaar later loopt ze met Felix over de markt. Een slagersvrouw is bezig het lokale wild op te hangen voor de verkoop. Ze kijkt naar de dieren aan de haken en vervolgens in de glinsterende ogen van de knul die haar doen denken aan zijn vader. Voor haar ogen flitst een beeld van de herinnering aan die dag. Wat er allemaal wel niet verandert is sinds die dag… Haar manier van lopen, haar gedachten, haar gevoel voor mode, ze zijn allemaal steeds menselijker geworden. Ze vangt haar reflectie op in plassen op straat en herkent zichzelf vaak pas na een seconde of twee.

Om voor de jongen te zorgen is ze meubelmaakster geworden, aangezien hout zich lijkt te buigen en vormen naar haar aanraking. Ze verlangt terug naar het leven hiervoor, het ongebonden bestaan in het wild waar ze haar geest met ieder wezen kon versmelten, maar ze is met de tijd ook van Felix gaan houden.

Af en toe neemt ze hem nog wel eens mee de wildernis in, waar ze met de jongen op haar rug door het bosbaldakijn klautert of tussen de bomen slalomt in de vorm van een panter of gorilla. Felix vouwt zijn armen stevig om haar nek en klampt zich met man en macht vast terwijl ze hem de behendigheid van de bosbewoners toont. Hij kan het goed vinden met de andere dieren, die hem niet als een bedreiging zien zonder zijn vader, en hij vertelt niemand in het dorp over de speciale krachten van zijn mama, want die titel heeft ze inmiddels verdient.

Een paar keer had hij aan haar gevraagd of ze hem wilde leren boogschieten, maar dat was iets dat ze niet over haar hart kon verkrijgen. Ze leerde hem voornamelijk omgaan met dieren van alle soorten en maten in de hoop dat Felix zou zien wat zij zag en met de tijd een wijs man zou worden die de wereld mooier achter zou laten dan hij hem aangetroffen had, want dat was de verantwoordelijkheid van de mens vond ze.

De jongen zit doorgaans vol energie en enthousiasme en praat alleen bij uitzonderlijke vlagen nog over zijn vader, hoewel hij minstens een avond in de paar maanden uitbreekt in de meest bittere tranen. Maar op die momenten voelt ze zich vreemd genoeg het meest met hem verbonden en huilt ze in een liefdevolle omhelzing met hem mee om de levens die ze verloren hebben. En bij elkaar vinden ze net genoeg moed en rust om de volgende dag met een lach tegemoet te zien.

Riet dù passaazj

In sommige culturen is achttien een belangrijke leeftijd. Het heeft een of andere symbolische betekenis als overgang van de jeugd naar de volwassenheid en gaat vaak gepaard met een indrukwekkend ritueel waar je vuurmieren om je ballen heengewikkeld krijgt of een liter regenwoudLSD moet consumeren om zo door een overweldigende ervaring in de tweede fase van het leven te belanden. De volwassenheid. Vrouwen hebben al iets van zichzelf om ze te vertellen dat ze vrouwen zijn, maar mannen niet echt tenzij het hele dorp om een masturberend jochie gaat staan om te zien of er aan het eind al spul uitkomt, maar dat is niet echt praktisch, dus er moest iets stoms voor verzonnen worden blijkbaar.

In onze cultuur is het ook wel een ding. Je mag vanaf je achttiende autorijden, je mag de nationale drugs nuttigen, het leger in, alle films kijken, stemmen op je volksvertegenwoordiger, seks hebben met alle andere mensen boven de achttien, dat soort dingen.

Toen ik zelf achttien was ontving ik ook mijn lading aan volwassenheidstraining. Het was zelfs netjes verwikkeld in één gebeurtenis. Iets dat me niet zozeer direct het besef gaf van mijn ontluikende mannelijkheid, maar me wel overtuigde dat deze wereld écht was, en dat mijn voorstellingen en zorgen en angsten echt waren. Dat ik niet in een jarenlange koortsdroom verkeerde waar geen einde aan kwam, maar dat het leven zelf de nachtmerrie was. En dat het allemaal nog véél erger kon dan ik voor mogelijk hield. Ik dacht tot dan dat de show bekend was, de acteurs gevestigd en het script bepaald, maar ik had geen rekening gehouden met de wispelturige regie die schaamteloos dood en verderf zaait en ellende regent op dagen waar het eerst enkel licht bewolkt was geweest.

Ik vind het moeilijk om hierover te schrijven. Zelfs nu probeer ik krampachtig metaforen te verzinnen om de banale bedroefdheid van mijn gemoedstoestand te verdoezelen in een hooghartige woordenschat. En ergens moet dat ook wel, want de zinnen: Ik ben zo ontzettend verdrietig en de leegte die ik aan mijn zij voel kan enkel gevuld worden door iemand die niet meer bestaat, ik voel me schuldig en zoek obsessief naar geruststelling, maar ik kan dit amper accepteren van mensen die niet jou zijn, of: Ik durf niet meer te dansen in dezelfde wereld die jou van mij afnam, klinken allemaal zo belachelijk simpel en niet-sympathiek-zielig wanneer ze op zichzelf staan. Alle oprechte jammerklachten klinken eigenlijk als aanstellerij van een zeurpiet vind ik, mijn eigen incluis. Voor de meest zielige waarheden heb je soms zelfs een heel boek nodig om geen gay ass faggot ass pussy ass whiny ass lame ass cliché ass supine ass protoplasmic ass invertebrate ass jelly ass candy ass dough boy te zijn, of je moet net genoeg roem hebben om het tot een memequote te halen.

Ik ben een paradijsvogel die tientallen jaren zijn veren heeft gepoetst om vervolgens te moeten optreden voor een afgebrand regenwoud.

Goed, mijn ontgroeningsritueel, mijn riet dù passaazj, was een paradox. Want hetgeen dat mij leven gegeven had besloot het leven niet meer waard te vinden. En dat is best wel een lastige. De persoon die me uit bed moest praten, die mijn tranen moest stoppen, die mijn problemen moest aanhoren, die mijn tienertemperament moest temmen, die persoon die het leven gaf en voorzag van liefde en soms ook verwaarlozing, die persoon dacht op een gegeven moment dat de dood beter was dan nog een dag in haar lichaam ontwaken. Die dacht dat de dood beter was dan al het andere. Al die kutargumenten en schuldgevoelens en citaten en grapjes en onzekerheden en angsten en nervositeit ging ze tegenin toen ze besloot: Nee. De dood is beter. Ik hoef niet meer te hopen op betere dagen. Ik wil niet meer zien wat er nog te vinden is. Ik erken dat ik van jullie houd, maar dit is wat ik wil. Ik stel me niet aan, ik hoef geen aandacht, ik reageer niets af, ik weet dat de Aarde ook mooi kan zijn, ik weet wat voor schatten er begraven liggen in de dieptes van menselijke ondernemingen, ik ben geboren en ik heb gebaard, ik ben geslagen en gezoend, ik heb gelachen en gehuild. Ik ken het leven, ik heb er meer dan veertig jaar aan meegedaan, maar nu is het klaar.

Best verwarrend. Geen brief ook. Niets. Ze ging van een afstandelijke aanwezigheid (want mijn ouders waren gescheiden) naar een mysterieuze absentie. En daar was ik dan. Zonder moeder, ruzie met mijn vader, broer in het slaaphuis, geen diploma, dikkig en depressief. Ik werd nooit geslagen vroeger, of misbruikt, dus ik dacht altijd dat mijn gezin prima was, dat er misschien wel iets hier en daar niet helemaal klopte, maar dat het over het algemeen net als de andere huizen was bij mij thuis. Maar nu besefte ik me dat er iets anders was. Dat ik misschien wel een van die zielige kinderen van tv was.

Weet je wat kut voelt? Vroeger als kind te horen krijgen dat je talent hebt voor taal en komedie en acteren en muziek en schrijven en expressie en alles dat je persoon met de wereld deelt door middel van creaties en dan naar de tv kijken en zien dat alle andere “artiesten” altijd pijn hebben en over pijn schrijven en beroemd worden met dat ene nummer of dat ene gedicht dat ze speciaal voor een overledene geschreven hebben en dan heel graag een beroemd artiest willen worden en bij jezelf stiekem wensen dat je pijn krijgt om over te schrijven en dan een van je ouders verliezen aan zelfmoord en tot de realisatie komen dat dát hetgeen is waar je zo onwetend op zat te hopen en je vervolgens schuldig voelen bij alles dat je creëert omdat ieder werk een traptrede moet zijn naar dat grandioze tribuut aan haar, je schuldig voelen omdat een tekst meerwaarde zou moeten dragen doordat ik getraumatiseerd ben ook al weet de lezer daar niets van, je achterbaks voelen omdat je de meest misselijkmakende ervaringen moet gaan uitbuiten voor andermans plezier, je hopeloos voelen omdat geen woord of collectie aan woorden ooit kan overbrengen hoe ik me voel wanneer mijn wezen huilt bij de herinnering aan haar en tot slot je compleet verpulverd wanen wanneer je beseft dat je kunt maken wat je wilt, maar je moeder het toch niet zal zien. Dat degene voor wie je het maakt “niet meer bestaat” wat dat dan ook mag betekenen.

Mijn voedingsbodem werd een moeras.

Ik weet niet wat ik ervan geleerd moet hebben. Ze zeggen alles heeft wijsheid en tijd heelt alle wonden blablabla, leuk allemaal. Ik kan prima nadenken, de voor de hand liggende lessen zijn dat het leven soms écht te veel kan worden, dat ik niet heilig ben, noch speciaal, noch “normaal”, dat ik maar gewoon een kind ben van een stel mensen, dat die mensen niet onaanraakbaar zijn, dat ze een hele hoop verkeerde keuzes hebben gemaakt in hun leven, dat ze allebei van elkaar afhankelijk leken te zijn omdat ze te zwak waren om op eigen benen verder te gaan, dat ik niet de goede kant op zal groeien als ik ambieer zoals mijn ouders te worden, dat er een aantal kernelementen van mijn persoonlijkheid zijn die ik zal moeten veranderen om de erfelijkheidszonde van me af te schudden, dat het écht fout kan gaan, dat niet iedere vorm van liefde goed is voor degene waar je van houdt, dat ik het probleem kan zijn, dat ik misschien vervloekt ben met een hersenspinsel waar ik pas over twintig jaar grip op krijg, nadat alles ineengestort is.

Ik heb nu bijna tien jaar gehad om erover na te denken en lessen te trekken, maar iedere les die ik eruit haal is als een schimmel op mijn ziel. Er is niets dat ik heb geleerd van haar dood dat me inspireert, dat me vreugde geeft, dat me geruststelt. Het is een probleem dat nooit zal worden opgelost. De enige manier om het gestaag te verwerken is door te gaan met leven in een wereld die ik überhaupt niet altijd even leuk vond, maar dan zonder de enige persoon die onvoorwaardelijk van me hield. Het is erop vertrouwen dat opstaan, tanden poetsen, eten naar binnen douwen, werken, werken, pauze, werken, werken, werken, chillen, slapen en weer opstaan “leuk” gaat worden uiteindelijk. Dat ik na vijftien jaar werken erachter kom dat werken zo slecht nog niet is. Dat ik over de jaren zoveel spullen zal kopen dat ik genoegen neem met het apathisch in stand houden van mijn overbodige bezit. Het is blindelings aannemen dat de vreugde van het bestaan in de buitenwereld ligt in plaats van in mijn hoofd, waar vaak geen vreugde meer mag bestaan.

Wanneer ik aan je denk voel ik motten in mijn buik. Ik word in een psychische put getrokken door antiliefde en mijn vechtlust verandert in een gespannen ongerustheid. Je bent tegenwoordig een nucleus van leed dat in mijn midden pulseert zonder remedie. Je bent het gevoel van kramp in mijn hart, de erosie van mijn wil.

Het overstijgen van je pijn en het doorzetten ongeacht de mentale uitputting is wat je persoonlijke waarde bepaalt, maar het is ook iets dat je nooit precies kunt delen met iemand anders. Je kunt nooit aan iemand overbrengen hoe moeilijk iets precies was voor jou, je bent overgeleverd aan hun persoonlijke begrip van pijn en worsteling, wat zij op hun beurt ook niet helder aan jou kunnen laten zien of voelen. Pijn is daarom vaak heel eenzaam denk ik, omdat we mensen zoeken die onze pijn “waard zijn” voordat we haar delen. Je tranen worden niet gevoeld door een stalen gezicht en je gevoelens kunnen niet worden begrepen door onzekere hulpverleners, te druk bezig met vragen om te kunnen verstaan wat je zegt. We bewaken onze maladieën en laten ze broeien in de donkere nisjes van onze geest tot die ene persoon langskomt waarvan we allemaal weten dat hij/zij bestaat maar waarvan niemand precies weet wie hij/zij is. Dán geven we ons bloot en worden we óf even gekwetst, óf even gelukkig.

Om te weten dat iemand die minder eloquent is dan jij en minder intelligent dezelfde gevoelens heeft maar dat niet kan beschrijven op een manier waar jij trots op kunt zijn frustreert veel mensen denk ik en het zorgt ervoor dat ze elkaars gevoelens ondermijnen, en daarmee hun eigen. Maar taal is maar een krakkemikkig middel om gedachten over te brengen. Het is niet gemaakt voor iets als gevoelens, en dat maakt schrijven best wel een klotehobby als je hart zo vol zit als de mijne.

Nog één poging op iets zieligs dat door mijn hoofd spookt en waar ik me zorgen over maak dan: Ik denk al heel lang aan zelfmoord en de plusjes en de minnetjes en de waarom welles en nietes, en ik zet de gedachte altijd wel weer van me af doordat ik iets zie dat me blij maakt, iets als een boom of een persoon. Ik kijk ernaar, betrap mijzelf op het hebben van een niet-suïcidaal gevoel en dat is de reden waarom ik niet zo moet zeiken. Dat is het bewijs dat ik me aanstel. Ik voel me een aansteller en denk dat als ik ooit zou praten hierover dat mensen me dan een schooier zouden vinden, omdat ik toch niet echt zelfmoord zou plegen, omdat ik dat niet zou durven. Omdat ik lui ben en onder mijn verantwoordelijkheden uit wil komen door te doen alsof ik zielig ben.

Maar daarnaast is er ook altijd een ander argument dat ik gebruik tegen zelfdestructieve gedachten: Er gaat een moment komen dat het allemaal beter is. “Het gaat goedkomen.” Er komt een tijd waarin ik terugdenk aan deze dagen en kan lachen om de strijd, om de stress. Er komt een moment dat zal voelen als een volledig ander leven, een andere soort geest in een ander lichaam, met dezelfde identiteit. Maar ik bedacht me vroeg vanochtend iets dat me angst aanjoeg: De wereld waarin “het goedgekomen” is bestaat niet. Dat is een ijdele hoop. Een sprookje. Een ideaalbeeld. Al sinds ik klein ben maak ik dit soort plaatjes in mijn hoofd en telkens kom ik er jaren later weer achter dat ze niet echt waren, dat het net zo goed scènes uit een niet-bestaande-televisieserie hadden kunnen zijn.

Ik voel me al jaren alsof mijn leven verspeeld is en de wereld ellendig en mijn toekomst zonder vreugde, alsof ik niet zo bijster veel zou verliezen indien ik mijn eigen leven zou nemen. Wanneer ik ergens naar kijk en een geheugenflits van vroeger voel waan ik me direct miezerig en ik snap niet waarom. In luttele seconden besef ik me dat ik me “net zo voel als vroeger” en direct wil ik weg, treur ik om het feit dat ik een verleden heb, komt er een realisatie van verslagenheid over me heen en ga ik met mijzelf in debat over de “waarheid” van dit gevoel. Zoals vanochtend, toen ik het ijsrandje om een herfstblad zag. Ik besefte me ineens met die overweldigende overtuigingskracht van de herinnering dat ik in dezelfde wereld leefde als dat ene moment een aantal herfsten geleden en direct zonk mijn hoofd naar mijn borst, vertroebelde mijn gedachten tot een misèremelange en werd ik bang om verder te gaan met mijn dag. Daarna werd ik nerveus over het feit dat dit gebeurde en toen begon het debat weer.

Wat kan ik in vredesnaam zeggen om jou te laten voelen wat ik voel? Volgens mij ben ik verre van een man zolang ik dat niet weet.