De BioScope

Om het uit te leggen moet je weten wie dit personage is; en zijn plek in het verhaal.

Als ik het uit wil leggen kan ik beter eerst de film naar het begin spoelen.

Nee, om het uit te leggen moet ik vertellen wat we doen in deze bioscoop. Hoe we hier gekomen zijn.

Misschien is het handig om je in te lichten over de kunsten van camera’s voordat ik begin te praten over wat ik je zo graag zeggen wil. Dan ben ik echter uren bezig met iets dat niet de hoofdzaak is, maar wat bij gratie van de tijd wel de hoofdzaak dreigt te worden.
Plus, zoveel weet ik nou ook weer niet van camera’s.

Ik kan niet zoveel zeggen eigenlijk. Ik durf niet te veronderstellen dat ik het weet. Want hoe weet je dat? En welke straf wacht ons op aan het verkeerde eind?

Mijn woorden kunnen assisteren, maar niet uitsluiten. Sommige mensen vinden dat fijn, en voor anderen is het anathema. Ik ben echter van mening dat het limiteren van woorden meer wijsheid bevat dan watervalspraak. Vandaar dat ik het kort houd dit keer.

Maak je maar geen zorgen om de popcorn, trouwens. Het komt uit een automaat. Dat is een soort metalen makker, iets waarmee je – Nee, wacht. Ik dwaal af.

Zie je, er is weinig noodzaak tot verheldering in deze donkere ruimte als je niet bekend bent met het witte scherm. Daar waar het zich allemaal op afspeelt. Waar de film op draait. Waar de personages een thuis vinden om meer te worden dan digitale inkt. Die plek recht voor je ogen. Zie je het niet?

Er lijken allemaal objecten en figuurtjes te zijn die op nauwkeurige wijze een erbarmelijk script nalopen, maar dat is een illusie. Niets meer dan gekleurde lichtspetters op een wit doek. Onder de film zit een wit doek. Onthoud dat en zoek er af en toe eens naar. Kijk eens of je tussen de plotlijnen door ook het blanco canvas kunt herkennen. Als je die vlakte kunt zien en accepteren alszijnde de bron van eeuwig vermaak dan komt het wel goed met je, denk ik.

Wie dat scherm daar heeft opgehangen moet je mij niet vragen trouwens, dat is zo’n beetje de laatste stap na het exploreren, extraheren, transporteren en modificeren van grondstoffen. Er zijn miljoenen jaren leven over onze aquaknikker gegaan voor we zover waren dat we dát soort dingen konden verzinnen. Daar kan ik weinig werkelijks over zeggen. Maar het lijkt me sterk dat het er voor niets hangt. Iets of iemand moet het bijzonder belangrijk vinden dat we deze film zien heb ik het vermoeden.

Maar ik kan het niet uitleggen. Want hoewel ik naast je zit, zijn wij hier beide voor verschillende premières, die zich voor onze ogen zullen ontvouwen in alle kleuren die de lens ons toestaat.

Je Lichaam Verkopen

Het scherm schijnt. Het lijkt hem iets te willen vertellen, maar woorden komen gestaag binnen gedurende een van zijn sessies staren-in-het-niets. De telefoon gaat. Hij schrikt ervan. 16-bit tonen die een lied uit zijn jeugd voor moeten stellen bliepen door een schaars aangeklede kamer. De eens rustgevende nostalgie van het lied is tegenwoordig vervangen door een schuldbewust zelfverwijten. Het had allemaal zo anders kunnen gaan. Moeten zijn, wellicht. Maar goed. “Moeten.” Wat “Moet” nu eigenlijk écht? Als hij er zo bij nadenkt is er eigenlijk niets dat een niet-te-ontkomen noodzaak heeft. Het leven is er, wij zijn er, en niets moet. Zo concludeert hij de laatste tijd wel vaker in de avonden.

‘Eigenlijk moet helemaal niets,’ scandeert hij dan ineens, onaangekondigd terwijl hij in zijn eentje in zijn bescheiden studiootje zit. ‘Ik hoef niet eens te leven als ik dat niet wil!’ Voegt hij er luttele seconden na aan toe als eurekaklap op de vuurpijl.

Toch is hij nog niet gestopt met leven en gaat het gevoel niet voorbij dat iets niet is zoals het hoort. Er klopt iets niet in deze kosmos, verraadt een stem in zijn binnenborst. Een uiterst merkwaardige sensatie voor iemand die zichzelf probeert te overtuigen dat niets “moet”, want als alles vrijwillig, wispelturig en spontaan ontspringt uit de fontein van het zijn, kan er toch geen beklagen van een verkwist leven aan te pas komen? Dan draagt hij zélf de verantwoordelijkheid om er verandering in aan te brengen, en is het interne gevoel van een misleid universeel determinisme niets meer dan een knagende ontevredenheid als resultaat van zijn eigen onvervulde mensenwensjes. Wensen die hij ongetwijfeld voor zichzelf zou hebben verwezenlijkt als hij een respectwaardig persoon was geweest. Misschien was het tóch allemaal zoals het moest zijn.

‘Dus, haha! Komt dat uit, kerel!?’
‘Huh, wat? Sorry, ik zat even niet helemaal op te letten. Wat zei u? Morgenochtend?’
‘Yes. Haha, lekker vroeg erbij hè! Maar dan moet je maar denken, dà’s dan ook lekker bijtijds weer thuis, dan heb je nog de hele dag met het mooie weer!’
‘Ja…’
‘Mooi! Haha, hey, maar dan kun je je om zes uur melden achter de parkeergarage bij Remco, hij heeft nog wel wat lekkere klusjes voor je, en dan komt dat helemaal goed denk ik!’
‘Oké. Wat is het precies?’
‘Oh, hetzelfde als altijd, lekker met je handen bezig zijn, misschien af en toe op de knietjes. Maar het betaalt lekker hoor, dit keer! Haha! Wel beter dan die vorige klus, zeg maar.’
‘Oké. Tientje het uur dus?’
‘Tien vijftig!’
‘Wauw.’
‘Of niet!? Haha, ja dat was even knokken, maar dat heb ik kunnen regelen voor je!’
‘Dankjewel.’
‘Ja geen dank, joh, daar zijn we voor hè! Dus wil je dat doen, vriend?’ De stem aan de andere kant klinkt alsof hij op het punt staat te climaxen.
‘Ja hoor.’
‘Topper! Hé echt te gek, gozer! Je helpt me weer eens vorstelijk uit de brand!’
‘Ja.’
‘Oh, hey, en als je daar dan toch geweest bent hè, kun je gelijk even langs de buren lopen? Er wonen kennissen van mij in dat gebouw en ik wil ze graag een fijn visitekaartje meegeven. Da’s goed voor de zaak, en daar haal jij ook weer profijt uit natuurlijk! Haha!’
‘Oja?’
‘Jazeker, dat is meer werk voor jou! En anders zitten die buren alleen met het geluidsoverlast de hele ochtend, dan geef ik ze liever ook nog een toetje mee, snapje?’
‘Moet dat?’ Zijn maag begint te spoelen.
‘Nouja, moet, moet, het moet niet, natuurlijk, maar het zou wel gewoon netjes staan. Ook voor jou, zeg maar. Anders gaan we misschien kijken of er iemand anders is die minder problemen heeft met de randvoorwaarden. Maar het moet niet, hè. Alleen als jij het zelf wilt.’

Hij kijkt naar de lamp in zijn kamer die ironisch genoeg een keer flikkert, voelt dezelfde klomp cement als altijd van zijn hersenen naar zijn hart sijpelen en verzucht een akkoord. Hij zal er zijn morgenochtend, zegt hij.

‘Hé-lè-maal. Te. Gek! Hey, super, gap, dan ga ik dat doorgeven, dan is Remco ook weer helemaal tevreden en dan gaan we dat gewoon regelen voor je, oké?’
‘Oké.’
‘Priemaaa! Hey hoi hoi, hè!’
‘Later.’

Hij hangt op, smijt zijn telefoon kapot tegen de muur, stompt zichzelf driemaal op zijn slaap en loopt ietswat versuft naar de keukenla vanwaar hij een adequaat slagersmes tevoorschijn tovert. Hij streelt de scherpe zijde langs zijn keel, polsen, liezen, heupen en borst, prikt hier en daar wat, zonder bloed te trekken, en besluit vervolgens dat vanavond ook niet de avond is. Hij durft niet. Iets zegt dat hij nog niet klaar is hier. Dat er een andere wereld voor hem bestaat die binnen handbereik is. Maar hoe komt hij daar?

Hij moet iets. Want dit klopt niet. Hij moet iets… Maar wat?
Hij moet morgenochtend werken. Anders komt het écht nooit meer goed.

Mocht je een verhaaltje nodig hebben

Ze komt thuis. De boodschappen gekocht, de oven alvast voorverwarmd. Ze ziet er goed uit vandaag, niet sexy, ze weet wel beter dan zich sexy te maken, dat siert haar niet. Maar desalniettemin zou de gemiddelde voorbijganger haar als “aantrekkelijk” omschrijven. Zo’n vrouw die er zelfs niet slecht uit zou zien indien ze haar kaal zouden scheren.

Met een kleine vleug van schaamte en een opkomende sensatie van angst opent ze de deur van zijn woning, waar zij in ruil voor vaginadiensten gebruik van mag maken. Bij het openen van de deur schalt de televisie haar tegemoet. Wemelende fenomenen als kerkgezang en bierdampen kronkelen in slierten rond haar frisse gezicht en penetreren haar openingen. De neus verwijd, de oren nu gastheer van een ritmisch gehamer.

Daar is de klink. De deurklink naar de woonkamer. Er beginnen motten te fladderen in haar onderbuik. Waarom voelt ze zich zo zenuwachtig? Had ze iets fout gedaan? Moest ze zich niet ergens pijnlijk bewust van zijn? Was het een echo van het oerverraad? Een soort auto-immuunreactie op de wispelturigheid verzegeld in haar genetische structuur?

Ze kwam ná hem. Zij was als tweede gemaakt. Omdat hij zich verveelde en een speeltje nodig had.

Haar vingers raken het koude metaal aan. Ze zet haar gewicht erin en de deur zwiept open.

Achter de deur staat haar man. Met een knuppel. Van de schrik verslapt haar grip en binnen een seconde liggen alle boodschappen op de grond. De pot bonen barst en klettert in honderden scherven uit elkaar. Een maniakale grimas tovert zichzelf op het gezicht van haar man die gaat staan als een home-run-rossende honkbalspeler.

WAAROM HEB JE GODVERDOMME GEEN LUL!? JE BENT VIES! JOUW TIETEN ZIJN VUIL! DOE EEN DOEK OM JE PORUM, GORE SLET!

Hij brult de verwijten terwijl de schedel van zijn kutsok langzaam maar zeker meer ravijnen begint te tonen vanwaaruit het met-te-veel-onnozele-passies gevulde vrouwenbloed komt sijpelen.

‘Wil je me alsjeblieft liefje noemen?’

Zijn de laatste klanken die uit haar mond gesputterd komen.

Vrouwelijke Christenen Zijn Een Speciaal Soort Stupide.

https://nos.nl/artikel/2368339-vrouwensynode-kapittelt-bijbelgenootschap-om-hij.html

Desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of parelen, of kostelijke kleding, maar (hetwelk den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Docht ik laat de vrouw niet toe dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil dat zij in stilheid zij. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde, is in overtreding geweest. Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.

Doch ik wil dat gij weet dat Christus het Hoofd is een iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. Een iegelijk man die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; Maar een iegelijke vrouw die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde alsof haar het haar afgesneden was. Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil. Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in den Heere.

Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeenschap spreken.

Jullie denken serieus dat de hoofdletter het probleem is? Dat de hoofdletter de oorzaak is van het patriarchale? Is het niet gewoon tijd om toe te geven dat het christendom een walgelijk fenomeen is voor het vrouwelijke geslacht, een poging hun lichaam te demoniseren en uit te buiten als gehoorzame babykamers? Het is niet de hoofdletter waar jullie je zorgen om moeten maken, het is de God die jullie gekozen hebben.

Met vriendelijke groet,

Rikkert Kuijper.

Het moslimprobleem

Rudy komt een boze man tegen.

‘Weet je wat het probleem is met al die moslims,’ roept de boze man in het rond, zonder dat iemand hem iets heeft gevraagd. ‘Ze zijn allemaal zo gewelddadig met die aanslagen en die vrouwen, en allemaal zo boos. Ik snap niet waarom die mensen niet gewoon normaal kunnen doen.’

‘Ik begrijp je probleem broeder. En ik denk dat ik je kan helpen,’ zegt Rudy opgelaten.

‘Hoe dat dan?’ Vraagt de boze man wiens naam Bernard de Beul is.

‘Oké, let op!’ Zegt Rudy, en hij trekt in een vloeiende beweging een hamer uit zijn jaszak en verbrijzelt de rechterknie van Bernard.

‘AUW! GODVERD-

Maar voordat hij zijn gescheld af kan maken lanceert Rudy de metalen kronkels van zijn boksbeugel tegen de onderkaak van de Beul. De klap fragmenteert zijn schedelbeenderen en klettert zijn tanden dusdanig kapot dat er geen fatsoenlijke klank meer uit de hulpeloze man zijn mond kan komen.

Bernard schrikt en heeft waterige ogen met een smekende expressie, eentje vol kinderlijk onbegrip. Hij kijkt omhoog naar Rudy en huilt om genade.

‘Als je wilt dat ik ophoud moet je dat gewoon zeggen hè,’ adviseert Rudy hem nu dat duidelijk al niet meer mogelijk is.

‘Ajhdfg alsjeghrb-

‘Zo, oké nu nog héél even stil staan,’ Rudy trekt een mes tevoorschijn die hij onder in de romp van Bernard ragt en genadeloos naar beneden trekt, richting de kroonjuwelen van de Beul. Hij tilt het hoofd van de man omhoog, rochelt een ongezonde klodder modderslijm in zijn ogen en laat hem dan op de grond vallen, waarna hij zijn horloge jat.

‘Snap je?’ Vraagt hij vriendelijk.

Maar Bernard snapt niet.

Een week later heeft Rudy allemaal dreigbrieven thuis en laat de familie van Bernard weten dat ze graag zijn horloge terug zouden willen, als dat misschien alsjeblieft mogelijk was. Die was nog van zijn oma geweest of zo iets belachelijks.

‘Goh wat is die familie Beul toch agressief zeg. Altijd maar dreigen en boos zijn, al dat geweld is toch helemaal niet nodig, joh, en dà horloge heb ik toch mooi zellef verdient!’ lacht Rudy in zijn vuistje.

Pillow talk

‘Good evening, love.’

‘P-pillow?’

‘Shh, shh shh…. don’t trouble your weary little head. I wanna pick your brain for a bit, tell you about some ideas I have. You down? I know I am.’

‘Uh-Okay…’

‘Nice. So I was wondering… You ever think life on Earth was always meant to have evolved in the way it did? That when it first originated in the lecherous trenches of the south-west Pacific, or whatever terrestrial place you’d like to imagine it started in, it was, in a sense, destined to grow into what it did? Because the first living things didn’t really have a say in the matter, did they? Those tiny creatures were so devoid of bodily faculties that they couldn’t really “do” anything, everything just “happened”, and they couldn’t really “go” anywhere, they just “went”.

Or let me put it this way: If you can’t control where you’re going, isn’t wherever you end up your destiny? I’d say it must be your destiny, otherwise you wouldn’t have reached it, right? So if the earliest inhabitants of our planet had no say in their existence and no influence over their surroundings, whatever forms of life flowed from them must’ve been meant to be, in the sense that there was no other feasible option for these creatures but to evolve into what they did, due to the inescapability of their surroundings and the powerlessness of their form.

At that point in time “Living things” were not much more than loosely fortified strings of genetic code drifting through space, latching onto any form of energy available. They practically just absorbed whatever nutritious thing happened to float by in order to power their tiny cell-factories so they could duplicate and reproduce, right? You can’t even call it eating yet, something as convenient as a mouth was millions of years away and literally unthinkable by anything present on the planet at that time.

These little microscopic munchkins had no ears to facilitate hearing, no eyes to perceive, no nose to detect, no muscle in sight. The vastly varying resources of our planet were mostly unavailable to them, as they lacked practical means of extracting anything from anything. Some beings couldn’t even be bothered to look for food, so they moved into other cells for their daily dose of protein and eventually started living exclusively in their host’s bodies. Like some sort of eenie meenie society building, where seperate entities merge together to utilize their combined strength in a new form. I know you won’t remember it in the morning, but this process is called endosymbiosis, or even endocytosis. They always think of the most ridiculous names for these things, don’t they, darling?

Did you know those little cellular rascals can have lungs? Well, not the chest vacuums that we know as lungs, of course, but tiny little cell lungs that can extricate oxygen from the cell’s surroundings and expell any superfluous toxins after? They’re called mitochondria and when they started living in other cells, they created their own little walled-off section within the cell to do their business of breathing. Some might count that as an organ, I suppose. Though maybe I’m a bit hasty calling it that. Perhaps my size has blinded me to the intricacies of the fewer-celled.

But back to the argument at hand. Creatures of such small nature, atomically small, unable to explore or evaluate the world at large, could they really have evolved into anyting different than what they did? Was Earth’s tree of life designed to grow and branch out the way it has? Are we “simply” Earth’s creatures? And is there anything on a non-cosmic level that could have really intereferd with the proces that took place?

And where do you think life came from in the first place? Outer space somewhere? Did it travel here via asteroid? Did it originate in space itself or on some other planet that ended up in shatters, taking only the tiniest survivers with it to colonize a new home? Could humans from a different planet have sent their own primal information into space, in the hopes of reaching a suitable host planet like some galactic dandelion seeds fluttering through the nothingness? And do you think there are a lot of different single cell organisms to choose from? How many trees of life types are there? What kind of tree are we? Are we like a pine tree? Do we reside in the tropics of the created? The tundra? Is it all the same? Is this even the human tree, or are we simply a stepping stone? A necessary stage in the development of a creature the likes of which we can not fathom with our spear-monkey minds? Do we leech off the leaves or are we rooted in the trunk?

Are you asleep yet, fluffy brain?
No? Delightfully so.

So what about fish then? They’re a bit bigger than one cell, aren’t they? Quite far up the tree of life already methinks. If the tree of life was a cartoon tree we’d probably be above the little hole for the squirrel family by the time we had full-blown fish swimming about, what you reckon? And even though in our world they are just one of the many fish in the sea, their scales host an entirely separate universe altogether in a way, with billions of little beings working together to form one single living organism that is far greater than the sum of its parts. They have fully developed organs made of many cells, programmed to digest food, take in oxygen, swim around and all that other aquatic goodness that fish get up to.

I think, in a sense, that what the fish is to the ocean, the cell is to the fish. A seemingly tiny bit of weight in the balance of mother nature’s bosom, yet somehow equally important as every other little bit for maintaining her equilibrium. But to what extent do fish decide where they go? To what extent are they left in the hands of brutal miss fortune and lady luck for their evolutionary path? Can a fish notice where it’s heading in the long run and drastically change its way of life? Does a fish have a choice? A sense of self? Can it mourn its inescapable existence? Does it have the ability to contemplate suicide? Can it resent the fact that life locked it within the walls of its skin? Or does it simply do what it does, mobilized by a mysterious force, evolving after the way of the world, eating whatever drifts by whilst trying to scoop up a bit more than his peers? Does it shape itself by an internal will to become something or does it let itself be shaped in accordance with the ocean’s currents, acidity, richness and predators?

Can a single fish change the composition of an ocean? Or redirect its currents? Does it have a say in the evolutionary arms race? Or is it not concerned with anything at all? Is it literally just a thoughtless program running in the server of our world?

That seems a bit unfair to them, doesn’t it? Surely there must be something going on in the mind of a fish, right? It can’t just be a hollow being, spasming through fertility cycles? There must be some sort of degree of that thing that we conscious beings claim to possess, that wisdom, that freedom, that sense of self, that inner will. But how can we be sure? And how is a fish ever going to prove to us that it knows what’s up?

More importantly, even if the fish tries to show us, how will we ever understand that it’s trying to do so? The only measuring stick we have to estimate intelligence or awareness is human behaviour, which must look horrifyingly ridiculous to any animal except some lucky pets. I mean I doubt the billions of animals people murder every day for convenience and luxury would ever dare to assume there is anything non-robotic or maniacal inside their slaughters’s heads. That there is anything “reasonable” locked away in there…

Dolphins are pretty smart. They’re not fish, I know,  But ehh…. You know NASA once ran an experiment where they gave LSD to dolphins to try and teach them English? They had this building with these special tanks and some researchers to try and figure out exactly how smart dolphins were. They knew dolphins could communicate with one another through various sounds, something akin to human language, so the researchers thought they must be able to learn English. One thing led to another and eventually the dolphin’s caretaker was jacking off flipper’s lipstick-y prick whilst the good lad never uttered even a single syllable of the Queen’s tongue. The research got cancelled when people found out about the sexual escapades and that was the end of that.

What this teaches us is that people, even at the highest scientific levels of society, in the esteemedly learned echelons of our global nation, are daft like punk, because why the bloody hell didn’t they try to learn the dolphin’s language? Why force them to adapt to us instead of the other way round? They were researchers, not teachers, right? You can be very easily misled by false assumptions you hold as self-evident is what I’m trying to get at here.

Maybe I’m being a bit unfair to the fish, you know. We simply can’t understand them that well, as we don’t usually hang out together or even see each other that much. I suppose it’d be easier to talk about dogs. Specifically dogs. Not cats. Cats are rather useless creatures for this analogy as they don’t really do anything for anyone, they live only for themselves and have minions cater to them for their beauty and elegance. In a sense they are on top of our planet’s food chain, as the apex predator will go out of its way to make sure its cat doesn’t hunger for anything, be it food, shelter or affection. They domesticated themselves, you know? It was them who decided to live with us, not the other way round. I’m not saying I don’t like cats, by the way. I wouldn’t dare. Felix would tear me to shreds as soon as you’d leave for work in the morning and I do cherish my life as a pillow. I get too much head to be upset about much, you dig?

Dogs are better suited for my point here, because dogs work together. They are cells in organs in a body working together with other bodies. How awesome is that? On every level life finds a way to cooperate with both strange and familliar things, so long as they help create a strong union.

Picture this: It’s a long time ago and you’re in the woods somewhere. We’re talking hunreds of thousands of years, millions and millions of days before today. You’re a dog, or better yet a wolf. You’re hungry. Your stomach hurts because that’s what happens when it doesn’t get filled with meaty nutrients every so often. There’s a herd of giant beasts grazing in the tall grass a short mile from here, but there’s no way you’ll ever be able to capture one on your own. You need companions. Luckily for you, you come from a well-bred pack of wolves, so companions are a plenty.

Speaking of companions. Just last week you and your siblings chomped down a colossal herbivore whose carcass fed the whole family for days. At one point during the chase you were knocked down by a foul swing of the creature’s bulky head. You fell to the ground, scamping away as the monstrous thing turned around and started charging towards you. The prey-turned-predator was on his way to pierce your flank with one of its claw-like tusks, but you were saved at the very last moment by a recently adopted lone-wolf from a neighbouring pack, whose urine you’d smelled near your favorite spots in the woods a few times. He came flying out of nowhere and leapt at the creature’s neck just as it was about to gorge you and in one eviscerating bite he severed just about everything connecting the monster’s body to its head.

The beast fell and you sighed a breath of relief, knowing you survived yet another day of hunting. During the feast you took some looks at the guy who saved you and you showed him your appreciation by biting off a good piece of meat and chucking it at him with your mouth. He sniffed it, looked at you and made an approving growl. You will help each other from now on, is what you realized. You acknowledged your bond with signs of affection normally reserved only for family, as those are naturally to be trusted.

Now it so happens that one day, your buddy gets lost. You notice it when you can’t detect his smell as you make your way to the den, you decide to go out and investigate first thing in the morning.

After a little while of wandering aimlessly you finally pick up a hint of his scent. You follow it and it leads to a place where you see him lying on the floor, seemingly calm, surrounded by lanky apes and flickering fire. You consider your friend to be doomed, because there is no way he can escape the evil spawns that perform fire magic and scorch forests. There is also no way you’re going to overpower all of them on your own. You’re familiar with how these monkey folk hunt and function. Your tribe often follows them around to scavenge their kills. You’ve seen them take down mammoths.

But there he is, your friend, in the midst of these aliens. What to do?

You see your friend open his eyes. He sniffs the air and instantly looks at you, but you don’t detect any distress or anxiety in him. He seems to be fine. Just a little beat up around his back legs, like he’s been charged and trampled by a stampeding array of hooves. The humans next to him notice he’s awake and put some meat in front of him, after which they put their paws on his head and stroke him gently. One of them tries to touch his hind legs with some mushy green goo, it seems to sting your buddy a bit, but he stays calm.

You approach him.

The humans stand still and wait for you with wondrous looks. The fire is hot. You tactically curve around it. Some of the humans kneel a little and turn their sides to you as a sign of peace, others discard the things they’re holding so as not to appear threatening. You reach your buddy, sniff around him, he sniffs you, nothing out of the ordinary. You confirm he’s okay, but unable to travel far due to the injury he suffered from those darn herbivorous behemoths. He won’t make it back to the tribe before the new moon. He needs to rest and heal, something the pack will not allow him to do, as they are always on the move and can’t afford to dally for the injured. If he is to survive, it might be best for him to stay here, is what you eventually conclude. And if your friend can trust these things, maybe you can too.

You look around at the strange faces. They look back. It doesn’t feel dangerous. A small monkey girl lets go of her mother and comes up to you. She puts her hands on the flank your buddy saved a few days ago and scratches you a little. Then she pats you with her tiny hands, starting on your body, going from your side to your neck, slowly moving up to your head until she stands directly in front of your snout with fingers caressing your inner ear and her teeth showing in a big friendly grin.

She moves her face even closer to yours and just kind of stands there, looking. You’ve seen these animals from a distance, but you never dreamed of being this close to one.

You look at the thing.

It has eyes like your friend. It has a little fur like your friend. It has a face like your friend. It has limbs like your friend. It lives together with her family like you and your friend.

You stare deep into her eyes. They jitter in their sockets. They glimmer a chestnut reflection and radiate with a special kind of warmth that flies directly from her spirit into your heart and makes you quiver.

“What are you.” is the only question present in your mind.

Are you asleep yet, my sweet reminder?
Still no? I can only say that delights me, though I do worry you’re not getting enough rest. Can I just keep talking or do you want me to shut up?’

‘…’

‘Cool.

But yeah… And so now we have dogs, you know. And that’s pretty neat.

It’s a bit like having a foreign friend on vacation for humans, I suppose. You realize you can’t understand each other using your native language, so general sounds and gestures will have to do. You know a bunch of signs from your dna, some others from your parents and you make up the rest with your friends along the way, so it’s not much of a bother. It’s quite literally kid’s play to talk to strangers with your hands, face and weird noises.

That’s why I don’t think communication is as mysterious as some of us make it out to be: Yes, no, do you want this? can I have this? let’s share, let’s go over there, let’s stay here, are you okay? Let me keep you warm, danger ahead, I’m tired. All of these things can be said with a pair of eyes and head movements by practically any able-bodied animal. And though it might seem difficult to think of a language, it’s not so difficult to see if your simple command or phrase has had the desired effect on the animal in front of you, as they will respond in real-time to which you can then react. Languages can be fluid in that sense.

The same goes for some thoughts and emotions. Do you know the mesmerizing sensation of gleaming sunlight on your skin? That delicious all-encompassing warmth that makes it feel like every single fiber in your body is being pulled towards the giant fire in the sky like a banana ripening on a tree? Or the sweet satisfaction of a cold drink after a long run? A meal after hungering for a while?

And do you know the feeling of agony when you can’t get what you want? Or that gut wrenching feeling we call jealousy when seeing your desired mate dancing with someone that isn’t you? Do you feel better than some people and worse than others? Do you feel the fight in you to become a leader of something someday, if your genes and your will allow it? Because all of those are animalistic feelings, right? Animals do all of those things: they eat, drink, chase prey around town, toast in the sunlight, relax in hot water pools, structuralize their society and fight for power. So they must have some form of the thing we experience as feelings and emotions pushing them towards those objectives.

For example, your body reacting to how nice or bad something feels can make you spend ages contemplating various options, and then after some thinking you will perform an action that you think has been informed by your thoughts.

But a lot of our most cherished feelings could be counted as primal experiences of nature, meaning animals have them too, and on the outside nobody is able to tell exactly why you decided to take a left turn instead of a right. You can try and explain why you think you made the choice, but even then you will find you can’t be sure of your own brain’s motives.

The same goes for the negative feelings. It must make the weaker male suffer to know he would lose in a straight up clash of heads with the current alpha, and the male must be provoked in some way to want the females, otherwise why bother? Would you charge a rhino head first if you didn’t care about the results? Or would you tussle with a silverback? I can’t imagine anyone would do such a thing without being motivated by an incredibly powerful sensation, can you? Which makes me think animals must experience these same sort of feelings we do. I mean Felix is here with me catching rays on the bed the moment there’s a slither of sunny delight to be basked in, it’s tough to imagine he doesn’t get some form of enjoyment out of it. And they bloody love food they do, don’t they?’

‘…’

‘It’s a shame, because I love thinking and chatting about these things, but we can probably never fully fathom single cells and their reasons, nor fish, nor dogs.

But we dó have a slight grasp on an incredibly well designed collection of cells that lives in our heads. It might not contain all the answers, but it’s the best tool we have available for our search. Many animals have a comparable clump of neurons hiding around somewhere in their bodies, you know? Mostly in the head, but some animals get proper cheeky with it. Octopolaroids have little brains hiding in their tentacools, for instance. And some of our spider friends are nearly entirely made of brains, which they need to keep track of all those wicked webs they weave.

Point being that animals have brains too, with eyes and ears and mouths and skin and bones or any of those mixed with something else attached to them. And those brains regulate the whole thing and assign orders to the individual. All quite similar to humans. So it’s not entirely delusional to say we might have similar experiences, right? We’re all Earthlings after all. We like the sun, our atmosphere, oxygen, and other life on our planet and our bodies are designed to extract energy from those things that just so happen to float around our celestial body. It’s not a coincidence we’re so alike.

Can you imagine all the different creatures that could be living somewhere in the unexplored universe? Do you think they will have a similar “experience” to us? A similar way of processing the environment, a way of thinking? A sense of “being”? Do you think they follow the same hierarchical structure so apparently naturally formed on Earth? Do you think they behave like we do? Do they eat? Do they copulate?

And how would they look at us? Compared to them and their animals us Earthlings might all look very similar. The human species just some sort of eloquent hyper intelligent ant-monkey that ravages the land and enslaves both enemies and other animals to carry out endless tasks of menial labour, not knowing why, not knowing for how much longer.

Okay, woopsie, I almost got all political pillow there. Could you… Could you flip me over real quick? I’m starting to get a little hot-headed. Just get my cool side up again.

Thank you, my sweet reason to be.

So anyway. What do you think that thing is that brings living things together every step of the way? What is it for humans? What brings you together? Because if we can figure out what it is for humans, we might understand our cellular friends better.

It’s kind of sad to say, but it’s mostly circumstances, isn’t it? Your family is your family, and most of your friends are there because they happened to be there. Maybe you share some interests with one another, but once again that’s mostly circumstances, as you’ll become friends with Eric playing on the pitch in your neighborhood and not with Pablo playing three countries away. Your body will trigger butterflies to dally in your stomach for men and women that exist in your sensible environment and your profession is mostly decideded by the century, the country, the income class and the political system into which you are born. All things over which you have no actual control, but that will fundamentally shape your life, your emotions and your windows of thought.

Your life is decided by absolute randomness with a subtle hint of neurotic determinism pushing you to create some sort of pattern in the unrelenting chaos, aimlessly drifting by, looking for food, happiness and a way to improve the current situation, equipped with some handy limbs and a will-power, but mostly left over to the whims of the world and its ever-changing currents.

It’s kind of like the cells in the ocean, isn’t it?

I mean, do you really have freedom of choice? Or do you just move and make up excuses for your movement along the way because facing the fact you are unwittingly being controlled by forces you can’t comprehend is too damn mind-bogglingly painful?

Are you really that different from these tiny cells signalling their simple codes to each other to see if they are compatible to merge and create something new? Aren’t you just as responsive to chemical hints fired into your consciousness? Don’t you push yourself to extremes for a dopamine fix?

And when the cosmic sea has revealed its desire by putting a person in front of you, how do you stick together? How do you continue to grow with one another? What do you call the sensation that makes you want to share yourself with them, and be with them? What’s the name of that feeling that makes you forget a little about your own precious self in exchange for thoughts about someone or something else?

What would you call it, mate?’

‘Hm?’

‘What would you call that fundamental spirit that makes sunflowers oscillate their days away with the radiant choreographer in the sky?  The spirit that torments contemplating artists, that daunts even the sturdiest philosophers, that can bring a mastodont of a man to his knees, begging for forgiveness and perhaps another try?

Do you have a word for it?’

‘No.’

‘I like to call it love.’

‘Love?’

‘Yeah. Not the dinner and a movie type, but an existential type of love. A yearning to move with the flow of creation, a sense of vitality that longs to explore the hidden potential stored within the body.

Whatever you want to call it, it exists, we all know it exists. You can feel it when thinking of a thing, a project you’re working on, a person, yourself, the world, existence, you can feel the feeling and be driven forward by newly found energy. You can be tired and lifted up by thinking of the thing you love. You can cure your negativity with it. You can bring joy to others. Chewed-out as it might sound, love makes you feel like you can do anything.

But no matter in what way your love starts, we can be sure that you looked at one another, acknowledged you were from the same species, saw some signs about the other’s body or mannerisms that made you tingle for reasons unknown and because those tingles were exacerbated over time you are now taking care of a little one that demands a good 99% of your time and concentration for the next ten years.

Of course people are so full of themselves that they will attribute this baby to all sorts of magical connections between the two parental units, but did anything magical really happen? Or was the attraction comparable to a cell latching onto another cell? Was your union the work of deep conversations on star lit nights or was it genetic computing that fooled you into thinking it was worth it to splooge out a little nipper?

And what would the cell answer if you could ask it that question? Would the cell have reasons? Would it say: “My receptors were sparked so I assimilated the other entity” or would it try to make itself seem special by describing the vibrance in the water on that faithful day and the penetrating rays of the sun breaking the surface tension? Does it need a reason? At what stage does a creature need a reason?

And what about the gods, to whom we are naught more than cells? Would they see us as insolent? Would they chuckle at our stupidity? Would they weep over our misguided ways? Or would they delight in our struggle, knowing that these are all necessary steps for us to become like them? Because if we are the result of everything smaller than us working together, maybe the way forward is for us to figure out what we could become if we merged our beings into one. If we figured out a way to live in true symbiosis with one another and the planet. Maybe we can upload our brain data some day and store people in a consciouss cloud, a bodiless intelligence. Imagine what such a thing would think. And then imagine what such a bodiless intelligence might evolve into. Imagine what a shapeless being likes to create. Is it not exactly what we imagine when we think of our Gods?

Maybe that’s what thinking is: The invididual’s evolutionary spectator passively telling itself the story of its life. A lurking God delighting in its own creation. Or maybe there’s more to it. Maybe you dó have a say in the matter, maybe you dó choose which way your body moves. If you do, you carry a great responsibility, because that would mean that your individual is the contemplating embodiment of that thing that drives other beings forward unknowingly. It would mean you possess some consciouss form of that timeless essence present in everything from single cells to whatever resides in the heavens above. It would mean we áre gods, in charge of our own personal destiny. Commanders of our souls.

Maybe that’s what makes humans special after all. That they are one of the first creatures on the planet to break the barrier of Godly wisdom. That they carry the burden of knowledge and have the ability to judge something as good or bad in order to evolve in the most optimal manner. Maybe that’s dead wrong and I should just shut up. We don’t know. We might never know. But my best guess is that there is a part of paradise that resides in you, screaming for your love and attention, because it wants to create the ultimate version of you as a step in the right direction on the way to Godhood. I believe you possess a kind of power that allows you to pick your own instinct and decide the fate of life itself with every passing day.

So what are your plans for tomorrow?’

Stati/e[]]kkKg—

Twee boys staan op de hoek van de straat ergens in zuidoost te chillen, kijkende naar een lugubere gestalte van teer en pus en slijm en staal die in het midden van een anderzijds druk kruispunt met een jongen aan het spelen is.

‘Is wel vervelend voor die jongen,’ zegt de toekijkende toeschouwer tegen zijn getuigende gezelschap.
‘Maar de treinen rijden op tijd, weetje. Dus zo erg is het monster nou ook weer niet.’

Het monster scheurt de wangen van de jongen open en begint één voor een de tanden uit zijn zachte mondvlees te wrikken. Hij verwijdert ze onder hevig gekraak en geknars en gejammer. Zodra het een mooie hoektand gevonden heeft begint het monster zijn naam in de ongerepte delen van het kermende gezicht te kerven.

‘Gaat ‘ie weer, hoor…’ Verzucht de een.
‘Tsja, maar naamsbekendheid is ook belangrijk voor een monster hè.’

Het monster begint verrukt de kleding van zijn slachtoffer kapot te scheuren en zwartgallige tentakels schieten op de jongen af vanuit het kronkelende slijmerige lichaam. Het ten-dode-opgeschreven kind spartelt met zijn ledematen en spast in krampachtige stuiptrekkingen. Zijn ogen beginnen uit te puilen en het bloed komt nu in gewelddadige proesten uit zijn mond gegutst. Het wezen dreunt doodsklanken in een sonorisch gegrom, dat de borstkassen van de omstanders doen trillen als woofers op neuro-funkfeesten.

‘Dus ehh, ik had laatst last van ’n hoestje… En ik had aan ’t monster gevraagd. Hij gaf me gratis kuurtje… Weekje was ’t voorbij. En ‘kwas niks kwijt nie.’
‘Ja toch? En ik bedoel, je kunt zeggen wat je wilt, maar als je niet wilt meewerken met het monster dan betaalt ‘ie je wel gewoon een tijdje door.’

De jongen wordt als zacht deeg uit elkaar gereten door de klauwen van het wezen, wat zijn ingewanden blootlegt en op de koude straat doet kieperen. Zijn lever op de grond gespetterd, roodgeregend door liters bloed die, eenmaal bevrijd van mensenhuid en vatensystemen direct weer gehoorzamen aan de vermorzelende zwaartekracht.

‘Ik denk dat het monster het eigenlijk ook liever niet op deze manier doet.’
‘Ja, eens, maar het moet wel, want het is een monster, snapje?’

Het monster is verveeld geraakt met de jongen en klopt aan de volgende deur voor nieuw speelgoed. Hij heeft geluk, want deze wijk heeft vrijwel alleen maar torenflats. Genoeg zielen om een monster van zijn formaat mee te vermaken.

‘Alstublieft! Stop! Ik ben een mens! IK BEN EEN MENS!’ Schreeuwt degene die opendoet en de verrotte snijtanden van de macabere bol chaos voor zich ziet bungelen, maar het maakt niet uit. Sterker nog, paniek maakt het gevaarte enkel gretiger, zo lijkt het. Alsof het zich voedt op andermans angst.

‘Dit monster is me toch net iets te ostentatief met zijn bloedvergieten,’ zegt de een na een tijdje tegen de ander. ‘Hoe moet ik me schijnheilig vredelievend opstellen tegenover de rest van de wereld op deze manier? Dan was toch een stuk beter in de tijd van Gharrothoqyagh Knekelkauwer KGGOGG.’

Het monster verdelgt de persoon die voor hem staat en gaat onverstoord verder. Het sijpelt van deur tot deur en verslindt slachtoffer na slachtoffer. De volhardende toeschouwers kotsen stukje bij beetje excuusklonten op die ze zullen blijven herkauwen tot ze uiteindelijk zelf verteerd worden in het vretende maagzuur van de erbarmelijke creatie.

‘Echt hoor. Ik denk dat ik over drie jaar toch echt mijn stem uitbreng op zijn broer.’

Het monster heeft absolute schijt aan wat de toeschouwers zeggen en glibbert gulzig verder over de galerijen.

Berustend en Bezonnen

Ik weet niet wat ik zeggen kan
dat je ogen zachtjes sluiten doen
en ik weet niet wat je meeneemt
in je droom elleke nachtreis

Ik zie alleen de moeite die je doet
en welleke kracht het leven eist
van iemand uiterst onfortuinlijk,
zoals jij

Werk is een tegenvaller
studie evenmin een feest
een zure pot herinneringen
regen en dat schijt-OV
Telefoon is leeg

Geen plague inc.
geen coronastatiestieken
dan maar ik het diepe tyfen
fak, fuck, fok, feck
hey, da’s een mooie boom
ga alsjeblieft niet naast me zitten
oh mijn God hij doet het toch
hoeveel haltes is het nog
Dit is mís, dit is bar,
wat een kutjoch.

Eindelijk ten huize komend
verse thee, een hapje rijst
Kopje vol met zorgen
over de grote boze cijferlijst
komt die gozer aangelopen
sjofel en wat arrogant
en gaat ‘ie zitten op je bed
ey luister dit is interessant
begint ‘ie maar te ratelen
te blaten als een tierelier
terwijl je apegapend
zit te vragen om wat kwiek vertier
niet om een lezing over geschiedenis
of religie of filosofie of de psyche of lyrische Grieken
of mythen of Phrygisch diatonische melodietypen
dat type dude
dat je denkt: broeder, was met jou?

Ik weet het ook niet…

dan kick je hem d’r uit
kleed je uit
lichtje uit
berichtje uit
het dromenland
ik vind je leuk
ik vind je lief

je moet over drie uur op voor werk, tho
good luck, bro,
welterusten.

Die ene film

Ken je die ene film over die soort telepathische aliens die echt ziek kwaadaardig zijn en gedachtes van anderen binnendringen om ze op afstand te besturen? Ze hebben lang lang geleden hun biologische kleur verloren en vervangen, ruimteschepen ontwikkeld, hun zonnestelsel overgenomen en alle andere planeten roekeloos afgebrand terwijl ze de bewoners verslaafden aan hun arbeid. Door een vreemd soort mutatie is de bloem van hun ogen veranderd van kleur en sommigen zeggen dat dát de reden is van het buitensporige geweld van de soort. Het ijzige ultramarijne oog.

Het begin van de film is een montage van alle veroveringen en het bloedvergieten van de krijgsheren en de onderwerping van buurplaneten. Dan, een kindje dat geboren wordt, wellicht om de kijker de mogelijkheid te geven zich af te vragen of dit kindje iets zou kunnen veranderen aan het duidelijk onafwendbare lot van het onheilspellende theaterstuk om hem heen.

Het kindje groeit op en op zijn derde verjaardag beginnen zijn zwaardnagels te groeien, de vlijmscherpe ledemaatdecoraties die de soort siert. Zijn ouders denken terug aan de eerste wezens die zij hebben gedecimeerd met hun dolkenvingers; hoe het geel-groenige vocht van Khalaqitische rebellen vanuit starre nekken over hun snijkant sijpelde, en voelen een warme verheuging voor hun kroost nu ze beseffen dat die dag ook ooit voor hem zal komen.

Zijn ouders voeden het ding met zo veel liefde op dat het publiek haast vergeet dat het bloeddorstige sociopaten zijn met hun maniak in spé, dat er niets van vergeving of medelijden in de jongen zit, dat empathie biologisch uitgesloten is. Zijn soort had zich zo venijnig mogelijk moeten evolueren om de levensstrijd om hun thuisplaneet te kunnen winnen. Dus alle capaciteiten tot liefde voor iets anders dan het directe nageslacht werden er met de generaties uitgebroed, omdat aanhankelijkheid aan vreemden je kans op overleven serieus beperkte en wezens met minder egoïstische moordlust dus eerder stierven en minder kinderen kregen. Liefde kost tijd. Tijd is geld. Geld is moeite. Moeite hebben we geen zin in. Genenverzekering was daarom het makkelijkst af te sluiten door middel van geforceerde inseminatie van zo veel mogelijk hulpeloze voorbijgangers. Het beste pad naar de evolutionaire overwinning was die van verraad, vernietiging en sadisme geweest. De soort die zich daar het beste naar schikte, had overwonnen. En het feit dat hij nog bestond betekende dat hij er daar dus eentje van was.

Dan gaat de film over of de jongen een held wordt of niet, maar wat blijkt is dat een held helemaal niet afkomstig kan zijn van zo’n soort, omdat zo’n soort nooit overtuigd kan worden door iets dat in onze begrippen als held gezien zou worden, want als ze het vermogen hadden om met het komen van de held hun wezen te veranderen dan hadden ze nooit een held nodig gehad en waren ze niet zo’n kosmische ziekte geweest.

In dat geval is de held niet de wijzer van de weg, maar de finale wraak die de hele soort voor altijd in as legt en het God opnieuw laat proberen omdat er duidelijk iets fout is gegaan denk hij, en tot slot wordt hij zowel de apotheose als de antichrist van zijn soort wanneer hij iedereen vermoord in een explosie die net zo goed een supernova had kunnen zijn voor de bewoners van omliggende sterrenstelsels.

Kutfilm is dat zeg.

Schizoklinische beborderstoorlijn

Mensen tekenen cirkels op hun hand, want ze voelen zich niet helemaal senang en er wordt te weinig over depressie en psychische stoornissen gepraat en zo. Het is een beetje taboe, zegt het artikel.

Ik denk niet zozeer dat de “psychische stoornissen” het probleem zijn, ik denk dat de menselijke conditie anno 2020 dusdanig verneukeratief is voor sommigen van ons dat we onlosmakelijk in mentale doolhoven terechtkomen, om alle onnozele onzin te kunnen behappen die we moeten doorstaan voor we mogen proeven van de vrijheid waar onze leiders zo ostentatief mee pochen in hun partijslogans en hun schijnheilige retoriek.

We worden onderworpen aan achttien jaar mondsnoeren gevolgd door vier jaar arbeidsspecialisatie en uiteindelijk vijftig jaar veertig uur, geserveerd met een honderdduizend-dollar-glimlach van iemand die meer krijgt dan jij terwijl je zogenaamd gelijken bent. Onze broeders in de perifere landen werken zich dood zodat wij kunnen instagrammen. Volken worden leeggezogen voor goedkope schoenen en pronkgesteenten. De wereld brand voor onze haardverwarming en de vertrapten der aarde bloeden voor de bevloeiing van onze akkers.

Als je dit weet, als je hier stilzwijgend aan meedoet, als jouw belastingcenten deze malaise in stand houden en je machteloos bent daar iets aan te veranderen, zou dat niet een beetje steken van binnen? Zou er niet iets beginnen te knagen na tientallen jaren buigen?

Ik zou wellicht meer gêne moeten ervaren bij het uiten van mijn fatalistische gevoelens en mijn bodemloze weltschmerz. Maar ik schaam me er niet zo voor. Ik vraag me eerder af het wel redelijk is; of mijn suïcidale tendensen en mijn adolescente geschrei niet gewoon een zooi smoesjes zijn die mijn luiheid voortbrengt. De reden dat ik daar bang voor ben is dat mijn bedroefdheid zich vaak uit in een soort woede vervuld van verslagenheid en een verlangen om alles op te geven. Mijn depressie rechtvaardigt zichzelf door naar de wereld te kijken en te zien dat de meeste mensen in feite ongelukkig zijn en te murw gemept door de sleur om te kunnen veranderen. Ik observeer dat we psychisch uitgemergeld worden en ingezet als machines bij gebrek aan beter, verslaafd aan alles van bonen tot teer. Dat we gegijzeld worden door arbeidsovereenkomsten en afgestompt door schermen die klaroenen van koopjes en volkerenmoorden.

Een betekenisgevende machine. Dat is mijn beste beschrijving van de mens tot nu toe. We schenken de natuur haar namen en creëren de betekenis die schuilgaat in het alledaagse. Maar in wat voor wereld vindt die machine zich vandaag de dag? Wat is zijn betekenis? De planeet wordt onbewoonbaar gemaakt, de dieren sterven uit door ons toedoen, het individu is machteloos en positieve verandering wordt actief tegengewerkt door de mensen aan de macht.

Waar gaat de machine heen? Hij kan nergens heen, want hij moet zijn maandelijkse lasten betalen en zit vast aan zijn bezit, ook al is dat bezit soms niets meer dan zijn mensenrechten hem garanderen: Een huis, voedsel, educatie en een setje kleding of twee.

Sommige vrouwen hadden geen geld over voor maandverband vorig jaar, maar die Heinekentrut is rijker dan ooit. Je bent niets waard indien je arm bent is de boodschap.

Dus waarom zou ik trots moeten zijn op het land waar ik woon? Waarom zou ik mezelf een “Nederlander” wanen, in plaats van gewoon een mens? Waarom zou ik “ons” belangrijker vinden dan “zij”? Waarom zouden onze bommen gevuld zijn met bloemen in plaats van verdoemenis? Waarom zou ik me goed voelen in een wereld waar de nazi’s ineens wel oké zijn omdat Ali expres zo lekker goedkoop levert? Waarom zou ik vroeg uit bed komen voor een uitzichtloze lijdensweg?

Hoe belachelijk klinkt tegenwoordig het basisschoolsmoesje van alle mensen zijn belangrijk, ook de schoonmakers? wanneer de schoonmakers nog geen honderdste verdienen in een jaar van wat de baas in een dag naar binnen harkt? Het werk zelf is ook kwaadaardig. Lekker beetje iedere dag vegen op de snuifas zodat die belangrijke mensen je pensioen kunnen verkwisten aan lucratieve beleggingsopties en jij in werkende armoede leeft. Het is belachelijk. Banken hebben vangnetten van belastingcenten en burgers worden voor de leeuwen geserveerd wanneer ze hun krediet niet op pijl hebben. Als je rijk genoeg bent mag je kinderen verkrachten.

Er wordt geen mooie staat gebouwd voor Jan en alleman, er wordt niet oprecht gezorgd voor de medemens, we gaan geen prachtige toekomst tegemoet, we zijn voornamelijk vreemde zakken aan het vullen en onze zielen aan het verpanden. We zijn onwetende slachtoffers van gouvernementaliteit, opgeleid om onze naasten te wantrouwen en een vijand te zien in iedere gemeenschap die uitgebuit dient te worden door het grootkapitaal. Het is het niet waard om te werken voor het idee van ons land, het is het in onze tijd niet eens waard om te werken voor het idee van de mensheid, omdat we alles argeloos kapotmaken en geen gelukkig einde verdienen.

Het is het eigenlijk alleen nog maar waard om te werken voor je eigen belang, zodat je onherroepelijk nog meer schade aan kunt richten aan de enige natuurlijke bronnen van geluk: de Aarde en de medemens, terwijl je baas zich kapot lacht en zijn baas daarboven nog harder, omdat zij niets gaan merken van de negatieve gevolgen van hun wanbeleid. Wanneer de Hollanden blank staan en de ijsberen uitgestorven zijn bunkeren de rijken hun avonden weg in Zwitserland of Colorado. Tot die tijd zijn we koffervullers en picolo’s. Nee, erger nog. We zijn Uruk-hai. Stompzinnige uit de klei getrokken bruten die zich dood gaan werken voor iemand die ons als niets meer ziet dan een middel om een doel te bereiken. Maar wat speciaal, want we hebben de witte hand van Saruman zélve op ons hoofd! En hij is WIT! Wij zijn echt vét belangrijk!

Als dit de waarheid is voor je, hoe kun je dan niet een “stoornis” ontwikkelen? Als je een spel download dat je gedwongen de rest van je leven moet spelen, en je komt erachter dat je iedere dag gedood wordt door mensen die al vijf generaties V.I.P. zijn en alle diamonds en coins hebben gekocht zodat jij dat niet meer kunt doen en ze nu alle member only gebieden bewaken zodat je nooit kunt zien wat er precies in het spel zit, wordt je dan niet een beetje verdrietig? Ze beloven dat als je je hele leven blijft houthakken op tutorial island dat je dan uiteindelijk toegelaten gaat worden tot hun wereld, of als het jou niet lukt dan misschien wel je kinderen. Maar ze laten het zelden toe, want de rijken delen niet graag, totdat je ze in stukken hakt – wat je niet kunt doen, want je hebt geen wapens.

Als dat het spel is. Zou je het dan blijven spelen? Of zou je denken “wat een kutspel, ik ga iets anders doen”? Want daar komt de grap, mijn goede vriend. Je kunt niets anders doen. Het spel is je leven. Je zit hier vast. En anderen gaan bepalen wat jij gaat doen. En wat je gaat doen is werken voor hun profijt. Maakt ze geen flierefluit uit hoe malefide de mechanics zijn, hoe gecorrumpeerd de player base, hoe oneerlijk het pay2win aspect, je gaat godverdomme je abonnement betalen en spelen.

Je ontkomt er niet aan. Ze weten dat er een clandestien dingetje in die lelijke rotkop van je verstopt zit – koop meer make-up. Een dingetje dat zich ervan overtuigt dat de dagelijkse diarreesoep en bukkakecocktails van de moderne maatschappij het waard zijn, dat het ergens toe zal leiden, dat het goedkomt, omdat het leven leven wilt en niet kan leven zonder hoop. En precies dát dingetje is wat ze voor hun kar spannen. Precies die wil tot verbetering en creatie is wat ze drogeren en onderdrukken. Dat gevoel van hoop is de wortel die voor het paard van de samenleving wordt gehouden. Met de stok van angst geheven in de rechterhand.

Angst houd ons in toom. Het is de fuik voor onze dromen.

Dus tot je het lef hebt om van je af te bijten, zuigen ze je uit. Tot je leert dat geslacht worden op je zolen beter is dan afgesleten op je knieën leven zullen ze je blijven berijden. Tot je eindelijk terugslaat zullen ze je iedere dag vernederen, jij minkukelige proleet. Ik hoop dat je vroeg in je pensioen terminaal ziek wordt. Dat scheelt weer. Kunnen we misschien nog een vliegtuigje van kopen, beetje burgers poppen.