De Keembrugstraatdame

Aan een zijstraat van de uithof
woont een vrouw die DNA verbouwt
Een meisje dat van schapen houdt
En iemand op wie ik graag vertrouw

zittend voor het raam met de gordijnen open
Kijkend naar de wolken
en de bollen wol die vrolijk in de weide lopen

Blij om te vertolken met een lach
dat ze geniet van alle pracht die leven nu te bieden heeft,
totdat een weemoedige klacht
vanaf haar teen tot aan haar hart
gedachten brengt waardoor ze licht gespannen wacht
en even niet meer verder kan
met alle plichten van de dag

Fak…

Twijfelend, want broodje Ben of stof te eten?
Potje TFT of vriendje bellen?
Gaat het bueno met mijn cellen denk je?
Zal ik koken of bestellen?
hard geleerd, maar niet tevreden
kan gekregen kansen op een handje tellen
goed gegrepen
desalniettemin het risico te groot om te vergeten

Dus verbeten op de boeken
om te zoeken
en te zoeken
onderzoeken bovenzoeken zoekverzoeken
zoek verbanden – weet je wat? je tyft maar op.
Voor 1800 bruto startsalaris
jaren in ’t lab gaan staan?
Met tachtig K aan schuld tezaam?

Ik dacht het even niet, job.

Weet je, lief
Wat boeit het ook?
Ik ben er zo
En heb wat meegenomen
hopelijk vindt je het dope.
en anders niet,
da’s ook oké
dan neem ik iedere keer iets anders mee.
Een chocola uit India een haaientand uit Zierikzee.
Een waaier van een Tibetaan, een qiblablok van de moskee
Iraanse dadelthee
Moi lolita als Alizee
en niet als Nabokov…

Vindt je mijn verhalen tof?

Het Land Redden

Nederland. Ons land. Waar ik mijn kibbeling koop en eet. Waar ik feestvier met mijn vrienden, waar mijn moeder overleed en mijn vader kanker kreeg. Het land van mijn jeugd, mijn adolescentie en wellicht vroegtijdige dood. Het land van zorgeloze naaktheid en schaamtevolle bedekking zodra je naar school moet. Waar je koekhapt en appelmoes maakt voor je verjaardag, en een papieren kroon draagt met van die gevouwen frutsels eraan. Waar Nijntje je schrijven leert en je tikkertje speelt op het plein. Het land waar je geen zorgen baart bij ongelukken, omdat de dokter gratis werkt voor jou, ook al ken je haar niet. Waar de kilometers aan wegen voor ons zijn weggelegd, opdat we dagelijks kunnen reizen en mogen wachten in de rij. Waar het water uit de kraan frisser smaakt dan dat van bergbronnen, waar de lucht zo zoet is als de Noordzee toe wilt laten en de mensen altijd het beste met elkaar voorhebben, tenzij je zwerver, arm, of lelijk bent.

Deze prachtige natie. Het weergaloze stukje Aarde gereserveerd voor onze pietluttige levens. Dat monumentale stukje grond dat zich staande weet te houden tegen tranen, rivier en zee. Die groene parel van voorspoed die wij thuis mogen noemen met het voorrecht dat we hier ooit geboren zijn. De meandermozaïek van de lage landen. Het constitutionele koninkrijk van idyllische kronkelfietspaden langs het Nederlands levensbloed. Het land van de Friese slootspringers, de Hollandse polderpompers, het Utrechtse grachtengajes en de Amsterdamse stapelmarktrakkers.

Ons land ons land, ons geweldige land is wereldwijd bekend zo briljant is het. Het land van de tulpen. Het land van de molens en de kaas en de microscoop. Het land van Willem van Oranje en het land van Jan van Speijk. Het land van ruimdenkende handelslieden en roekeloze pragmatisten. Het land waar alles en iedereen komt en gaat van hot naar her en der en zus en zo liefheeft onderweg naar morgen terwijl de kekke ditjes en datjes in het niets vallen bij de blijvende impressies van koeiengevulde vlakke provincies en bedrijvige havens met mastenbossen van grenenhout. Klassieke panorama’s die een ieder met Amsterdam in zijn hart zal verblijden op dagen zo blauw als Delfts porselein.

Het land dat niet anders kan dan glimlachen bij de herinnering aan haar turbulente leven, dat geen andere optie heeft naast innige vreugde voelen bij alle wezens die haar lief hebben gehad. Het land dat door miljoenen geesten is bewonderd en door twee keer zoveel voeten is bewandeld. Dat niet had kunnen worden wat het is zonder het genie van al haar nederige onderdanen die zich even argeloos als egoloos in de arena van de tijd wierpen in de hoop wat waardevols te scheppen voor een onzekere toekomst.

Het land dat ooit het huis was van een aantal Neanderthalers en met de tijd werd verrijkt door ieder soort mens en cultuur, zoals de Magdalénien, de Hamburgers, de Swifterbanters, de Michelsbergers, de Trechterbekers, de Standvoetbekers, Klokbekers, Wikkeldraadbekers, de Hilversummers, de Elpen, de Hoogkarspellingers, de Kelten, Hallstatters, Germanen, Romeinen, Menapii, Bataven, Cananefates, Frisiavones, Vandalen, Sueven, Alanen, Alemannen, Bourgondiërs, Franken, Friezen, Saksen, Denen, Noren, Zweden, Italianen, Hugenoten, Joden, Duitsers, Spanjaarden, Belgen, Polen, Turken, Amerikanen, Molukkers, Indonesiërs, Afrikanen, Surinamers, Irakezen en Syriërs. Om nog niet te spreken over de volken van de toekomst die naar ons Nederige moerasje zullen komen voor soelaas en mogelijkheden.

Het land dat bloeit onder culturele kruisbestuiving, een land dat wordt versterkt door haar verscheidenheid. Een land dat niet gebroken kan worden, noch verleid, zolang het gezond van lichaam en geest is.

Maar is ons land gezond van lichaam en geest op het moment?

Want medemensen, volksbroeders, natiegenoten, het gaat niet goed met Nederland.

Onze prachtige dame is niet meer gedrapeerd in een fluwelen gewaad van oranje, maar in een laag uitgesneden zomerjurkje gemaakt voor makkelijke prikkels van ongewenste gluurmannetjes, en haar zwaard is afgestompt tot iets dat amper een fatsoenlijke bruine boterham zou kunnen snijden, laat staan dat ze nog weet hoe ze smeren moet. Maar daar stopt het niet. Haar prachtige schild met eeuwenoude heraldiek is verpand aan een gierige seriemartelaarmoordenaarverkrachterdemoon genaamd Marshall. De blinddoek die ze zichzelf had omgewikkeld is recentelijk afgetrokken en haar ogen worden nu opengesperd gehouden door de zwarte klauwen van hongerige aasgieren, die bij gebrek aan frisse lijken zelf maar gaan zorgen voor rot en verderf om zich op te voeden.

Die rot is maar op één manier te cultiveren: Door het zaaien van twijfel in de kunnen van Madame L’orange. Door de mensen die in haar land wonen onzeker te maken over hun vermogen samen hun problemen op te lossen. Door mensen bewust te maken van allemaal dingen waar ze zich nooit zorgen over hadden hoeven maken, zoals hun huidskleur, hun overtuigingen of hun lustgevoelens. Allemaal zaken die gegarandeerd beschermd worden door de grondwetten van hetzelfde land dat deze lintwormdemagogen nu proberen te ontdoen van andersdenkenden. Het moet lastig voor ze zijn om er precies achter te komen wat of wie ze nu haten. Want als Nederland zo prachtig is, hoe heeft dat geweldige volk het dan zo ver kunnen laten komen dat alles nu zo slecht is?

Ze kunnen hun utopische nationalisme niet vereenzelvigen met de huidige situatie (of welke huidige situatie dan ook, want geen land is ooit perfect) dus moeten ze een ver vergaan ideaalbeeld opbouwen waarvan niemand zich toch meer precies kan herinneren hoe het ging, om iedereen wijs te maken dat het toen écht beter was en dat we alles moeten doen om terug te gaan naar toen, maar dan niet qua technologie of medicijnen of mode, maar alleen qua huidskleurensamenstelling en genderongelijkheid. Er wordt gedaan alsof de oplossing van onze problemen liggen in het vernauwen van mensenrechten en het verwijderen van “anderen” uit onze samenleving.

Maar wij zijn helemaal niet anders, wij zijn allemaal mensen. En de enige daadwerkelijk “anders” te noemen persoon is degene die probeert te beweren dat we niet hetzelfde zijn. De persoon die probeert te beweren dat de een méér waard is dan de ander, dat de een ongewenst is omdat hij of zij deel uitmaakt van een denkbeeldige groep mensen waar een andere denkbeeldige groep mensen enige onenigheden mee heeft. Dat zijn de enige gevaren voor een samenleving: de mensen die de samenleving ontkennen, die proberen aanspraak te maken op een groep mensen binnen de samenleving om hen te verheffen boven de rest om daarmee hun macht te legitimeren. Dit soort haatzaaiers grijpen naar ieder mogelijke identiteit om te doen alsof ze je vrienden zijn: pigment, sekswensen, nationaliteit, voetbalteam, favoriete drankje, het maakt niet uit. Het doel is dat je denkt dat ze je mogen, en dat je hen zou mogen, terwijl ze anderen de tent uit pesten met jouw stilzwijgende toestemming.

Dames en heren, landgenoten. Ons prachtige Nederland heeft een ziekte ontwikkeld. Een corruptie in een van onze eigen organen. Een collectie van cellen die het goede leven gelaten hebben en nu enkel werken voor de destructie van al het gezonde weefsel om hen heen. Een zekere soort kanker broeit in onze ingewanden, met als enig doel de ondergang van onze samenleving.

De gradatie van kanker in een volk of persoon is te meten door te kijken naar de hoeveelheid twijfel, chaos en haat die bestaat in een land en de bereidheid van een persoon om misbruik te maken van die gevoelens voor eigen gewin ten koste van anderen. Voor velen van ons is de kanker in ons land een dagelijkse belemmering, we horen en zien de walgelijke sentimenten voorbijkomen wanneer we naar buiten stappen, het nieuws staat er vol van, de politiek bralt weinig anders, online breek me de bek niet open, en na jarenlang hetzelfde gezeik is het zelfs in onze eigen hoofden niet altijd veilig meer. We hebben familieleden die ineens overtuigd zijn dat honderdduizend oorlogslachtoffers meer schuld dragen voor hun lage loon dan de magnaten die de cheques schrijven, we merken argwanende blikken op van andersgekleurden, we staan liever in de trein dan dat we zitten naast een hoofddoek. Kortom, we hebben er last van. De gewone Nederlander heeft iedere dag last van de ziekte die ons land plaagt.

Onze prachtige Madame L’orange wordt belaagd door deze kwaadaardige bacteriën, onteerd, bevuild en vernietigd voor onze ogen. We zitten iedere dag op onze reet te kijken hoe onze moeder zich laat uitkleden door een hangbuikzwijn met gel in zijn haar. Hoe onze geliefde wordt uitbesteed door een kwaadaardige gladjanus, door iemand die zegt het beste met ons voor te hebben terwijl hij haar tot hoereren dwingt. Een man die voor onze veiligheid kinderen in Vietnam verschroeit. Een man die voor onze welvaart een Congolees kinderleger sponsort. Een man die je kan overtuigen dat jouw liefde niets waard is zonder een steen ten koste van een jaarsalaris. Een man die energie haalt uit onze wanhoop, die zich voedt op onze woede. Een man die profijt haalt uit vernietiging. Hij liegt, hij veinst, hij ronselt zielen voor zijn eigen trots. Hij paait, hij corrumpeert. Hij moet worden verwijderd als we ons Nederland willen redden. Hij zal doelgericht geneutraliseerd moeten worden voor wij aan ons genezingsproces kunnen beginnen. Hij zal de dood moeten vinden voor wij ooit verder kunnen gaan met leven.

Alléén sámen kunnen we de regenten genocideren.

Stoom

De eerste stoomwolkjes drijven richting het plafond terwijl kleffe klamme handen zich een weg over de badkamertegels klauwen. Hij test met een vlugge vingerbeweging of de temperatuur adequaat is en bevestigt dit door een ferme druk van zijn lendenen op haar stuit. Het is perfect. Precies zoals ze het fijn vindt, weet hij.

Hij pakt de kop vast met zijn vrije hand, beweegt die langzaam over haar uitgestoken billen naar haar onderrug en wrijft het warme water uit tot vlak onder haar halflange haren. Ze wilt niet dat ze nat worden, ook al weet ze dat een spetter hier en daar hoogst waarschijnlijk onvermijdelijk is vanavond.

Ze voelt het kletteren van druppels vervagen en vervangen worden door het knijpen en grijpen van gluten en dijen; de handen reiken speels naar binnen en plagen haar vagina licht om daarna te verdwijnen zo snel als ze kwamen. Ze volgt aandachtig de bewegingen van zijn onderzoekende vingertoppen die langs haar lichaam wrijven alsof haar poriën instructies in braille bevatten. Ze reizen langs haar zij, richting haar navel en vervolgens rond haar ribben tot haar borsten zijn ontfermd in een zachtaardige doch krachtige greep. Hij omklemd zachtjes haar tepels met zijn knokkels en brengt zijn gezicht dichter bij die van haar. Op zoek naar een zekere bevestiging, die hij vindt in haar blik.

Haar ogen sluiten. Hij observeert de huid van haar wangen. Haar lippen. Hij beseft zich haar naaktheid, haar gewilligheid. Een onstuitbaar verlangen drijft hem ertoe een hand rond haar keel te spreiden en voorzichtig te kneden terwijl zijn tong over de zijkant van haar gezicht glijd. Het is niet iets waar ze normaal om vraagt, maar onder de douche smelt speeksel snel samen met de rest van alle nattigheid dus ze waardeert het, wat ze laat blijken met een paar kenmerkende ademstootjes.

Ze voelt de andere hand haar borst verlaten en via haar tepelhof naar boven komen om zich eveneens rond haar keel te wikkelen. Hij zet een paar seconden steeds iets meer kracht, tot uiteindelijk een hand verslapt om langs haar rug richting haar liezen te gaan. Ze vindt het altijd weer spannend, ook al is ze hem gewend. Een rilling van nerveuze verheuging kriebelt in haar binnenste bij het besef van zijn intenties.

Zijn hand is daar. Ze wendt acuut haar hoofd en lanceert haar tong op de zijne. Alsof ze hem wilt verorberen. Hij drukt iets op haar clit en wrijft kleine rondjes om d’r met iedere rotatie over dat kleine richeltje te duwen. Beginnende vulvaconvulsies belonen zijn coördinatie. Het ademen versnelt.

Ze bezwijkt onder het plezier, maar vindt houvast in zijn haren. Hij trekt haar omhoog en naar zich toe. De douchekop spuit op de muur achter hen en verwarmt de tegels. Ze openen hun ogen. Hij ziet de glinstering in die van haar en voelt hoe zijn lichaam, geest en ziel zich zouden willen verpakken in een artefact dat zij voor altijd bij/op, of in zich kon dragen. Hij wilt haar méér geven. Zachter zijn. Dieper gaan. Haar voelen trillen in zijn armen. Hij ervaart geen andere sensatie dan een puur verlangen haar zo gelukkig mogelijk te maken op dit moment.

Zijn ogen staan op barsten, wat haar enthousiasme enkel verder aanwakkert. Hij slaat op haar bil en klemt deze in zijn vingers als een basketbal. Nagels nét naast de ring. Zijn andere hand volgt en spreidt lustig haar onderrugkussens. De volledigheid van haar kont rust in zijn palmen en overweldigt hem. Ze is zo-veel vrouw

Een lebber over haar nek. Zijn borst tegen de hare. Ze grijpt zijn hoofd vast, dwingt zijn mond open, spuugt erin en begint vervolgens te sabbelen aan zijn schelp alsof het een oester vol chocolade is. Schichten en flitsen van extase razen door hem heen. Hij voelt een drang om haar binnen te dringen. Om ín haar te zijn, opdat ze hem kan oogsten voor maximaal genot.

de stoom stijgt en vormt een deken om hen heen. Ze voelt de tegels achter haar en geeft hem een kus op zijn voorhoofd. Dan zijn neus, lippen, kin, hals, sleutelbeen, borst, buik, navel en heup tot ze haar tocht heeft voltooid en met tedere doch gulzige mond om zijn fallus gevouwen zit; ritmisch rondjes likkende om het plekje dat ze onderhand kent. Waar ze van is gaan houden, met de tijd.

Tedere strelen strijken over haar wang uit dank voor de handeling. Hij manoeuvreert haar hoofd op en neer en bestudeert aandachtig hoe ze de passie van Venus vertaalt naar het tollen van een tong rond zijn penis. Hoe de ontketende vrouwelijkheid van haar wezen zich manifesteert op zijn vlees. Hij ziet het. En hij geniet.

Hij geniet op zo’n manier dat hij zich ineens bewust wordt van het feit dat ook dit ooit voorbij zal gaan. Dat dit maar een enkele druppel is die hangt aan de boezem van onze oermoeder de melkweg. Een enkele eenheid van water in een miljarden jaren durende douche.

Ergens in het universum, ten midden van nevels en voorverwarmde regenval, omhuld door steen, staal, beton en stroom, staan twee primitieve zielen van elkaar te genieten. In onschuld en met plezier.

Hij richt zich op haar ogen. Ze kijkt naar hem op. Een knikje. Ze komt omhoog.

‘Kom naar bed.’

Ze glimlacht en kust hem. In de omhelzing die volgt draait ze achter zijn rug om de kranen dicht. De douche proest nog een laatste paar gutsjes en laat de twee vervolgens in stilte achter. Spelend in de mist.


De BioScope

Om het uit te leggen moet je weten wie dit personage is; en zijn plek in het verhaal.

Als ik het uit wil leggen kan ik beter eerst de film naar het begin spoelen.

Nee, om het uit te leggen moet ik vertellen wat we doen in deze bioscoop. Hoe we hier gekomen zijn.

Misschien is het handig om je in te lichten over de kunsten van camera’s voordat ik begin te praten over wat ik je zo graag zeggen wil. Dan ben ik echter uren bezig met iets dat niet de hoofdzaak is, maar wat bij gratie van de tijd wel de hoofdzaak dreigt te worden.
Plus, zoveel weet ik nou ook weer niet van camera’s.

Ik kan niet zoveel zeggen eigenlijk. Ik durf niet te veronderstellen dat ik het weet. Want hoe weet je dat? En welke straf wacht ons op aan het verkeerde eind?

Mijn woorden kunnen assisteren, maar niet uitsluiten. Sommige mensen vinden dat fijn, en voor anderen is het anathema. Ik ben echter van mening dat het limiteren van woorden meer wijsheid bevat dan watervalspraak. Vandaar dat ik het kort houd dit keer.

Maak je maar geen zorgen om de popcorn, trouwens. Het komt uit een automaat. Dat is een soort metalen makker, iets waarmee je – Nee, wacht. Ik dwaal af.

Zie je, er is weinig noodzaak tot verheldering in deze donkere ruimte als je niet bekend bent met het witte scherm. Daar waar het zich allemaal op afspeelt. Waar de film op draait. Waar de personages een thuis vinden om meer te worden dan digitale inkt. Die plek recht voor je ogen. Zie je het niet?

Er lijken allemaal objecten en figuurtjes te zijn die op nauwkeurige wijze een erbarmelijk script nalopen, maar dat is een illusie. Niets meer dan gekleurde lichtspetters op een wit doek. Onder de film zit een wit doek. Onthoud dat en zoek er af en toe eens naar. Kijk eens of je tussen de plotlijnen door ook het blanco canvas kunt herkennen. Als je die vlakte kunt zien en accepteren alszijnde de bron van eeuwig vermaak dan komt het wel goed met je, denk ik.

Wie dat scherm daar heeft opgehangen moet je mij niet vragen trouwens, dat is zo’n beetje de laatste stap na het exploreren, extraheren, transporteren en modificeren van grondstoffen. Er zijn miljoenen jaren leven over onze aquaknikker gegaan voor we zover waren dat we dát soort dingen konden verzinnen. Daar kan ik weinig werkelijks over zeggen. Maar het lijkt me sterk dat het er voor niets hangt. Iets of iemand moet het bijzonder belangrijk vinden dat we deze film zien heb ik het vermoeden.

Maar ik kan het niet uitleggen. Want hoewel ik naast je zit, zijn wij hier beide voor verschillende premières, die zich voor onze ogen zullen ontvouwen in alle kleuren die de lens ons toestaat.

Mocht je een verhaaltje nodig hebben

Ze komt thuis. De boodschappen gekocht, de oven alvast voorverwarmd. Ze ziet er goed uit vandaag, niet sexy, ze weet wel beter dan zich sexy te maken, dat siert haar niet. Maar desalniettemin zou de gemiddelde voorbijganger haar als “aantrekkelijk” omschrijven. Zo’n vrouw die er zelfs niet slecht uit zou zien indien ze haar kaal zouden scheren.

Met een kleine vleug van schaamte en een opkomende sensatie van angst opent ze de deur van zijn woning, waar zij in ruil voor vaginadiensten gebruik van mag maken. Bij het openen van de deur schalt de televisie haar tegemoet. Wemelende fenomenen als kerkgezang en bierdampen kronkelen in slierten rond haar frisse gezicht en penetreren haar openingen. De neus verwijd, de oren nu gastheer van een ritmisch gehamer.

Daar is de klink. De deurklink naar de woonkamer. Er beginnen motten te fladderen in haar onderbuik. Waarom voelt ze zich zo zenuwachtig? Had ze iets fout gedaan? Moest ze zich niet ergens pijnlijk bewust van zijn? Was het een echo van het oerverraad? Een soort auto-immuunreactie op de wispelturigheid verzegeld in haar genetische structuur?

Ze kwam ná hem. Zij was als tweede gemaakt. Omdat hij zich verveelde en een speeltje nodig had.

Haar vingers raken het koude metaal aan. Ze zet haar gewicht erin en de deur zwiept open.

Achter de deur staat haar man. Met een knuppel. Van de schrik verslapt haar grip en binnen een seconde liggen alle boodschappen op de grond. De pot bonen barst en klettert in honderden scherven uit elkaar. Een maniakale grimas tovert zichzelf op het gezicht van haar man die gaat staan als een home-run-rossende honkbalspeler.

WAAROM HEB JE GODVERDOMME GEEN LUL!? JE BENT VIES! JOUW TIETEN ZIJN VUIL! DOE EEN DOEK OM JE PORUM, GORE SLET!

Hij brult de verwijten terwijl de schedel van zijn kutsok langzaam maar zeker meer ravijnen begint te tonen vanwaaruit het met-te-veel-onnozele-passies gevulde vrouwenbloed komt sijpelen.

‘Wil je me alsjeblieft liefje noemen?’

Zijn de laatste klanken die uit haar mond gesputterd komen.

Vrouwelijke Christenen Zijn Een Speciaal Soort Stupide.

https://nos.nl/artikel/2368339-vrouwensynode-kapittelt-bijbelgenootschap-om-hij.html

Desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of parelen, of kostelijke kleding, maar (hetwelk den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Docht ik laat de vrouw niet toe dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil dat zij in stilheid zij. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde, is in overtreding geweest. Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.

Doch ik wil dat gij weet dat Christus het Hoofd is een iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. Een iegelijk man die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; Maar een iegelijke vrouw die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde alsof haar het haar afgesneden was. Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil. Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in den Heere.

Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeenschap spreken.

Jullie denken serieus dat de hoofdletter het probleem is? Dat de hoofdletter de oorzaak is van het patriarchale? Is het niet gewoon tijd om toe te geven dat het christendom een walgelijk fenomeen is voor het vrouwelijke geslacht, een poging hun lichaam te demoniseren en uit te buiten als gehoorzame babykamers? Het is niet de hoofdletter waar jullie je zorgen om moeten maken, het is de God die jullie gekozen hebben.

Met vriendelijke groet,

Rikkert Kuijper.

Het moslimprobleem

Rudy komt een boze man tegen.

‘Weet je wat het probleem is met al die moslims,’ roept de boze man in het rond, zonder dat iemand hem iets heeft gevraagd. ‘Ze zijn allemaal zo gewelddadig met die aanslagen en die vrouwen, en allemaal zo boos. Ik snap niet waarom die mensen niet gewoon normaal kunnen doen.’

‘Ik begrijp je probleem broeder. En ik denk dat ik je kan helpen,’ zegt Rudy opgelaten.

‘Hoe dat dan?’ Vraagt de boze man wiens naam Bernard de Beul is.

‘Oké, let op!’ Zegt Rudy, en hij trekt in een vloeiende beweging een hamer uit zijn jaszak en verbrijzelt de rechterknie van Bernard.

‘AUW! GODVERD-

Maar voordat hij zijn gescheld af kan maken lanceert Rudy de metalen kronkels van zijn boksbeugel tegen de onderkaak van de Beul. De klap fragmenteert zijn schedelbeenderen en klettert zijn tanden dusdanig kapot dat er geen fatsoenlijke klank meer uit de hulpeloze man zijn mond kan komen.

Bernard schrikt en heeft waterige ogen met een smekende expressie, eentje vol kinderlijk onbegrip. Hij kijkt omhoog naar Rudy en huilt om genade.

‘Als je wilt dat ik ophoud moet je dat gewoon zeggen hè,’ adviseert Rudy hem nu dat duidelijk al niet meer mogelijk is.

‘Ajhdfg alsjeghrb-

‘Zo, oké nu nog héél even stil staan,’ Rudy trekt een mes tevoorschijn die hij onder in de romp van Bernard ragt en genadeloos naar beneden trekt, richting de kroonjuwelen van de Beul. Hij tilt het hoofd van de man omhoog, rochelt een ongezonde klodder modderslijm in zijn ogen en laat hem dan op de grond vallen, waarna hij zijn horloge jat.

‘Snap je?’ Vraagt hij vriendelijk.

Maar Bernard snapt niet.

Een week later heeft Rudy allemaal dreigbrieven thuis en laat de familie van Bernard weten dat ze graag zijn horloge terug zouden willen, als dat misschien alsjeblieft mogelijk was. Die was nog van zijn oma geweest of zo iets belachelijks.

‘Goh wat is die familie Beul toch agressief zeg. Altijd maar dreigen en boos zijn, al dat geweld is toch helemaal niet nodig, joh, en dà horloge heb ik toch mooi zellef verdient!’ lacht Rudy in zijn vuistje.

Pillow talk

‘Good evening, love.’

‘P-pillow?’

‘Shh, shh shh…. don’t trouble your weary little head. I wanna pick your brain for a bit, tell you about some ideas I have. You down? I know I am.’

‘Uh-Okay…’

‘Nice. So I was wondering… You ever think life on Earth was always meant to have evolved in the way it did? That when it first originated in the lecherous trenches of the south-west Pacific, or whatever terrestrial place you’d like to imagine it started in, it was, in a sense, destined to grow into what it did? Because the first living things didn’t really have a say in the matter, did they? Those tiny creatures were so devoid of bodily faculties that they couldn’t really “do” anything, everything just “happened”, and they couldn’t really “go” anywhere, they just “went”.

Or let me put it this way: If you can’t control where you’re going, isn’t wherever you end up your destiny? I’d say it must be your destiny, otherwise you wouldn’t have reached it, right? So if the earliest inhabitants of our planet had no say in their existence and no influence over their surroundings, whatever forms of life flowed from them must’ve been meant to be, in the sense that there was no other feasible option for these creatures but to evolve into what they did, due to the inescapability of their surroundings and the powerlessness of their form.

At that point in time “Living things” were not much more than loosely fortified strings of genetic code drifting through space, latching onto any form of energy available. They practically just absorbed whatever nutritious thing happened to float by in order to power their tiny cell-factories so they could duplicate and reproduce, right? You can’t even call it eating yet, something as convenient as a mouth was millions of years away and literally unthinkable by anything present on the planet at that time.

These little microscopic munchkins had no ears to facilitate hearing, no eyes to perceive, no nose to detect, no muscle in sight. The vastly varying resources of our planet were mostly unavailable to them, as they lacked practical means of extracting anything from anything. Some beings couldn’t even be bothered to look for food, so they moved into other cells for their daily dose of protein and eventually started living exclusively in their host’s bodies. Like some sort of eenie meenie society building, where seperate entities merge together to utilize their combined strength in a new form. I know you won’t remember it in the morning, but this process is called endosymbiosis, or even endocytosis. They always think of the most ridiculous names for these things, don’t they, darling?

Did you know those little cellular rascals can have lungs? Well, not the chest vacuums that we know as lungs, of course, but tiny little cell lungs that can extricate oxygen from the cell’s surroundings and expell any superfluous toxins after? They’re called mitochondria and when they started living in other cells, they created their own little walled-off section within the cell to do their business of breathing. Some might count that as an organ, I suppose. Though maybe I’m a bit hasty calling it that. Perhaps my size has blinded me to the intricacies of the fewer-celled.

But back to the argument at hand. Creatures of such small nature, atomically small, unable to explore or evaluate the world at large, could they really have evolved into anyting different than what they did? Was Earth’s tree of life designed to grow and branch out the way it has? Are we “simply” Earth’s creatures? And is there anything on a non-cosmic level that could have really intereferd with the proces that took place?

And where do you think life came from in the first place? Outer space somewhere? Did it travel here via asteroid? Did it originate in space itself or on some other planet that ended up in shatters, taking only the tiniest survivers with it to colonize a new home? Could humans from a different planet have sent their own primal information into space, in the hopes of reaching a suitable host planet like some galactic dandelion seeds fluttering through the nothingness? And do you think there are a lot of different single cell organisms to choose from? How many trees of life types are there? What kind of tree are we? Are we like a pine tree? Do we reside in the tropics of the created? The tundra? Is it all the same? Is this even the human tree, or are we simply a stepping stone? A necessary stage in the development of a creature the likes of which we can not fathom with our spear-monkey minds? Do we leech off the leaves or are we rooted in the trunk?

Are you asleep yet, fluffy brain?
No? Delightfully so.

So what about fish then? They’re a bit bigger than one cell, aren’t they? Quite far up the tree of life already methinks. If the tree of life was a cartoon tree we’d probably be above the little hole for the squirrel family by the time we had full-blown fish swimming about, what you reckon? And even though in our world they are just one of the many fish in the sea, their scales host an entirely separate universe altogether in a way, with billions of little beings working together to form one single living organism that is far greater than the sum of its parts. They have fully developed organs made of many cells, programmed to digest food, take in oxygen, swim around and all that other aquatic goodness that fish get up to.

I think, in a sense, that what the fish is to the ocean, the cell is to the fish. A seemingly tiny bit of weight in the balance of mother nature’s bosom, yet somehow equally important as every other little bit for maintaining her equilibrium. But to what extent do fish decide where they go? To what extent are they left in the hands of brutal miss fortune and lady luck for their evolutionary path? Can a fish notice where it’s heading in the long run and drastically change its way of life? Does a fish have a choice? A sense of self? Can it mourn its inescapable existence? Does it have the ability to contemplate suicide? Can it resent the fact that life locked it within the walls of its skin? Or does it simply do what it does, mobilized by a mysterious force, evolving after the way of the world, eating whatever drifts by whilst trying to scoop up a bit more than his peers? Does it shape itself by an internal will to become something or does it let itself be shaped in accordance with the ocean’s currents, acidity, richness and predators?

Can a single fish change the composition of an ocean? Or redirect its currents? Does it have a say in the evolutionary arms race? Or is it not concerned with anything at all? Is it literally just a thoughtless program running in the server of our world?

That seems a bit unfair to them, doesn’t it? Surely there must be something going on in the mind of a fish, right? It can’t just be a hollow being, spasming through fertility cycles? There must be some sort of degree of that thing that we conscious beings claim to possess, that wisdom, that freedom, that sense of self, that inner will. But how can we be sure? And how is a fish ever going to prove to us that it knows what’s up?

More importantly, even if the fish tries to show us, how will we ever understand that it’s trying to do so? The only measuring stick we have to estimate intelligence or awareness is human behaviour, which must look horrifyingly ridiculous to any animal except some lucky pets. I mean I doubt the billions of animals people murder every day for convenience and luxury would ever dare to assume there is anything non-robotic or maniacal inside their slaughters’s heads. That there is anything “reasonable” locked away in there…

Dolphins are pretty smart. They’re not fish, I know,  But ehh…. You know NASA once ran an experiment where they gave LSD to dolphins to try and teach them English? They had this building with these special tanks and some researchers to try and figure out exactly how smart dolphins were. They knew dolphins could communicate with one another through various sounds, something akin to human language, so the researchers thought they must be able to learn English. One thing led to another and eventually the dolphin’s caretaker was jacking off flipper’s lipstick-y prick whilst the good lad never uttered even a single syllable of the Queen’s tongue. The research got cancelled when people found out about the sexual escapades and that was the end of that.

What this teaches us is that people, even at the highest scientific levels of society, in the esteemedly learned echelons of our global nation, are daft like punk, because why the bloody hell didn’t they try to learn the dolphin’s language? Why force them to adapt to us instead of the other way round? They were researchers, not teachers, right? You can be very easily misled by false assumptions you hold as self-evident is what I’m trying to get at here.

Maybe I’m being a bit unfair to the fish, you know. We simply can’t understand them that well, as we don’t usually hang out together or even see each other that much. I suppose it’d be easier to talk about dogs. Specifically dogs. Not cats. Cats are rather useless creatures for this analogy as they don’t really do anything for anyone, they live only for themselves and have minions cater to them for their beauty and elegance. In a sense they are on top of our planet’s food chain, as the apex predator will go out of its way to make sure its cat doesn’t hunger for anything, be it food, shelter or affection. They domesticated themselves, you know? It was them who decided to live with us, not the other way round. I’m not saying I don’t like cats, by the way. I wouldn’t dare. Felix would tear me to shreds as soon as you’d leave for work in the morning and I do cherish my life as a pillow. I get too much head to be upset about much, you dig?

Dogs are better suited for my point here, because dogs work together. They are cells in organs in a body working together with other bodies. How awesome is that? On every level life finds a way to cooperate with both strange and familliar things, so long as they help create a strong union.

Picture this: It’s a long time ago and you’re in the woods somewhere. We’re talking hunreds of thousands of years, millions and millions of days before today. You’re a dog, or better yet a wolf. You’re hungry. Your stomach hurts because that’s what happens when it doesn’t get filled with meaty nutrients every so often. There’s a herd of giant beasts grazing in the tall grass a short mile from here, but there’s no way you’ll ever be able to capture one on your own. You need companions. Luckily for you, you come from a well-bred pack of wolves, so companions are a plenty.

Speaking of companions. Just last week you and your siblings chomped down a colossal herbivore whose carcass fed the whole family for days. At one point during the chase you were knocked down by a foul swing of the creature’s bulky head. You fell to the ground, scamping away as the monstrous thing turned around and started charging towards you. The prey-turned-predator was on his way to pierce your flank with one of its claw-like tusks, but you were saved at the very last moment by a recently adopted lone-wolf from a neighbouring pack, whose urine you’d smelled near your favorite spots in the woods a few times. He came flying out of nowhere and leapt at the creature’s neck just as it was about to gorge you and in one eviscerating bite he severed just about everything connecting the monster’s body to its head.

The beast fell and you sighed a breath of relief, knowing you survived yet another day of hunting. During the feast you took some looks at the guy who saved you and you showed him your appreciation by biting off a good piece of meat and chucking it at him with your mouth. He sniffed it, looked at you and made an approving growl. You will help each other from now on, is what you realized. You acknowledged your bond with signs of affection normally reserved only for family, as those are naturally to be trusted.

Now it so happens that one day, your buddy gets lost. You notice it when you can’t detect his smell as you make your way to the den, you decide to go out and investigate first thing in the morning.

After a little while of wandering aimlessly you finally pick up a hint of his scent. You follow it and it leads to a place where you see him lying on the floor, seemingly calm, surrounded by lanky apes and flickering fire. You consider your friend to be doomed, because there is no way he can escape the evil spawns that perform fire magic and scorch forests. There is also no way you’re going to overpower all of them on your own. You’re familiar with how these monkey folk hunt and function. Your tribe often follows them around to scavenge their kills. You’ve seen them take down mammoths.

But there he is, your friend, in the midst of these aliens. What to do?

You see your friend open his eyes. He sniffs the air and instantly looks at you, but you don’t detect any distress or anxiety in him. He seems to be fine. Just a little beat up around his back legs, like he’s been charged and trampled by a stampeding array of hooves. The humans next to him notice he’s awake and put some meat in front of him, after which they put their paws on his head and stroke him gently. One of them tries to touch his hind legs with some mushy green goo, it seems to sting your buddy a bit, but he stays calm.

You approach him.

The humans stand still and wait for you with wondrous looks. The fire is hot. You tactically curve around it. Some of the humans kneel a little and turn their sides to you as a sign of peace, others discard the things they’re holding so as not to appear threatening. You reach your buddy, sniff around him, he sniffs you, nothing out of the ordinary. You confirm he’s okay, but unable to travel far due to the injury he suffered from those darn herbivorous behemoths. He won’t make it back to the tribe before the new moon. He needs to rest and heal, something the pack will not allow him to do, as they are always on the move and can’t afford to dally for the injured. If he is to survive, it might be best for him to stay here, is what you eventually conclude. And if your friend can trust these things, maybe you can too.

You look around at the strange faces. They look back. It doesn’t feel dangerous. A small monkey girl lets go of her mother and comes up to you. She puts her hands on the flank your buddy saved a few days ago and scratches you a little. Then she pats you with her tiny hands, starting on your body, going from your side to your neck, slowly moving up to your head until she stands directly in front of your snout with fingers caressing your inner ear and her teeth showing in a big friendly grin.

She moves her face even closer to yours and just kind of stands there, looking. You’ve seen these animals from a distance, but you never dreamed of being this close to one.

You look at the thing.

It has eyes like your friend. It has a little fur like your friend. It has a face like your friend. It has limbs like your friend. It lives together with her family like you and your friend.

You stare deep into her eyes. They jitter in their sockets. They glimmer a chestnut reflection and radiate with a special kind of warmth that flies directly from her spirit into your heart and makes you quiver.

“What are you.” is the only question present in your mind.

Are you asleep yet, my sweet reminder?
Still no? I can only say that delights me, though I do worry you’re not getting enough rest. Can I just keep talking or do you want me to shut up?’

‘…’

‘Cool.

But yeah… And so now we have dogs, you know. And that’s pretty neat.

It’s a bit like having a foreign friend on vacation for humans, I suppose. You realize you can’t understand each other using your native language, so general sounds and gestures will have to do. You know a bunch of signs from your dna, some others from your parents and you make up the rest with your friends along the way, so it’s not much of a bother. It’s quite literally kid’s play to talk to strangers with your hands, face and weird noises.

That’s why I don’t think communication is as mysterious as some of us make it out to be: Yes, no, do you want this? can I have this? let’s share, let’s go over there, let’s stay here, are you okay? Let me keep you warm, danger ahead, I’m tired. All of these things can be said with a pair of eyes and head movements by practically any able-bodied animal. And though it might seem difficult to think of a language, it’s not so difficult to see if your simple command or phrase has had the desired effect on the animal in front of you, as they will respond in real-time to which you can then react. Languages can be fluid in that sense.

The same goes for some thoughts and emotions. Do you know the mesmerizing sensation of gleaming sunlight on your skin? That delicious all-encompassing warmth that makes it feel like every single fiber in your body is being pulled towards the giant fire in the sky like a banana ripening on a tree? Or the sweet satisfaction of a cold drink after a long run? A meal after hungering for a while?

And do you know the feeling of agony when you can’t get what you want? Or that gut wrenching feeling we call jealousy when seeing your desired mate dancing with someone that isn’t you? Do you feel better than some people and worse than others? Do you feel the fight in you to become a leader of something someday, if your genes and your will allow it? Because all of those are animalistic feelings, right? Animals do all of those things: they eat, drink, chase prey around town, toast in the sunlight, relax in hot water pools, structuralize their society and fight for power. So they must have some form of the thing we experience as feelings and emotions pushing them towards those objectives.

For example, your body reacting to how nice or bad something feels can make you spend ages contemplating various options, and then after some thinking you will perform an action that you think has been informed by your thoughts.

But a lot of our most cherished feelings could be counted as primal experiences of nature, meaning animals have them too, and on the outside nobody is able to tell exactly why you decided to take a left turn instead of a right. You can try and explain why you think you made the choice, but even then you will find you can’t be sure of your own brain’s motives.

The same goes for the negative feelings. It must make the weaker male suffer to know he would lose in a straight up clash of heads with the current alpha, and the male must be provoked in some way to want the females, otherwise why bother? Would you charge a rhino head first if you didn’t care about the results? Or would you tussle with a silverback? I can’t imagine anyone would do such a thing without being motivated by an incredibly powerful sensation, can you? Which makes me think animals must experience these same sort of feelings we do. I mean Felix is here with me catching rays on the bed the moment there’s a slither of sunny delight to be basked in, it’s tough to imagine he doesn’t get some form of enjoyment out of it. And they bloody love food they do, don’t they?’

‘…’

‘It’s a shame, because I love thinking and chatting about these things, but we can probably never fully fathom single cells and their reasons, nor fish, nor dogs.

But we dó have a slight grasp on an incredibly well designed collection of cells that lives in our heads. It might not contain all the answers, but it’s the best tool we have available for our search. Many animals have a comparable clump of neurons hiding around somewhere in their bodies, you know? Mostly in the head, but some animals get proper cheeky with it. Octopolaroids have little brains hiding in their tentacools, for instance. And some of our spider friends are nearly entirely made of brains, which they need to keep track of all those wicked webs they weave.

Point being that animals have brains too, with eyes and ears and mouths and skin and bones or any of those mixed with something else attached to them. And those brains regulate the whole thing and assign orders to the individual. All quite similar to humans. So it’s not entirely delusional to say we might have similar experiences, right? We’re all Earthlings after all. We like the sun, our atmosphere, oxygen, and other life on our planet and our bodies are designed to extract energy from those things that just so happen to float around our celestial body. It’s not a coincidence we’re so alike.

Can you imagine all the different creatures that could be living somewhere in the unexplored universe? Do you think they will have a similar “experience” to us? A similar way of processing the environment, a way of thinking? A sense of “being”? Do you think they follow the same hierarchical structure so apparently naturally formed on Earth? Do you think they behave like we do? Do they eat? Do they copulate?

And how would they look at us? Compared to them and their animals us Earthlings might all look very similar. The human species just some sort of eloquent hyper intelligent ant-monkey that ravages the land and enslaves both enemies and other animals to carry out endless tasks of menial labour, not knowing why, not knowing for how much longer.

Okay, woopsie, I almost got all political pillow there. Could you… Could you flip me over real quick? I’m starting to get a little hot-headed. Just get my cool side up again.

Thank you, my sweet reason to be.

So anyway. What do you think that thing is that brings living things together every step of the way? What is it for humans? What brings you together? Because if we can figure out what it is for humans, we might understand our cellular friends better.

It’s kind of sad to say, but it’s mostly circumstances, isn’t it? Your family is your family, and most of your friends are there because they happened to be there. Maybe you share some interests with one another, but once again that’s mostly circumstances, as you’ll become friends with Eric playing on the pitch in your neighborhood and not with Pablo playing three countries away. Your body will trigger butterflies to dally in your stomach for men and women that exist in your sensible environment and your profession is mostly decideded by the century, the country, the income class and the political system into which you are born. All things over which you have no actual control, but that will fundamentally shape your life, your emotions and your windows of thought.

Your life is decided by absolute randomness with a subtle hint of neurotic determinism pushing you to create some sort of pattern in the unrelenting chaos, aimlessly drifting by, looking for food, happiness and a way to improve the current situation, equipped with some handy limbs and a will-power, but mostly left over to the whims of the world and its ever-changing currents.

It’s kind of like the cells in the ocean, isn’t it?

I mean, do you really have freedom of choice? Or do you just move and make up excuses for your movement along the way because facing the fact you are unwittingly being controlled by forces you can’t comprehend is too damn mind-bogglingly painful?

Are you really that different from these tiny cells signalling their simple codes to each other to see if they are compatible to merge and create something new? Aren’t you just as responsive to chemical hints fired into your consciousness? Don’t you push yourself to extremes for a dopamine fix?

And when the cosmic sea has revealed its desire by putting a person in front of you, how do you stick together? How do you continue to grow with one another? What do you call the sensation that makes you want to share yourself with them, and be with them? What’s the name of that feeling that makes you forget a little about your own precious self in exchange for thoughts about someone or something else?

What would you call it, mate?’

‘Hm?’

‘What would you call that fundamental spirit that makes sunflowers oscillate their days away with the radiant choreographer in the sky?  The spirit that torments contemplating artists, that daunts even the sturdiest philosophers, that can bring a mastodont of a man to his knees, begging for forgiveness and perhaps another try?

Do you have a word for it?’

‘No.’

‘I like to call it love.’

‘Love?’

‘Yeah. Not the dinner and a movie type, but an existential type of love. A yearning to move with the flow of creation, a sense of vitality that longs to explore the hidden potential stored within the body.

Whatever you want to call it, it exists, we all know it exists. You can feel it when thinking of a thing, a project you’re working on, a person, yourself, the world, existence, you can feel the feeling and be driven forward by newly found energy. You can be tired and lifted up by thinking of the thing you love. You can cure your negativity with it. You can bring joy to others. Chewed-out as it might sound, love makes you feel like you can do anything.

But no matter in what way your love starts, we can be sure that you looked at one another, acknowledged you were from the same species, saw some signs about the other’s body or mannerisms that made you tingle for reasons unknown and because those tingles were exacerbated over time you are now taking care of a little one that demands a good 99% of your time and concentration for the next ten years.

Of course people are so full of themselves that they will attribute this baby to all sorts of magical connections between the two parental units, but did anything magical really happen? Or was the attraction comparable to a cell latching onto another cell? Was your union the work of deep conversations on star lit nights or was it genetic computing that fooled you into thinking it was worth it to splooge out a little nipper?

And what would the cell answer if you could ask it that question? Would the cell have reasons? Would it say: “My receptors were sparked so I assimilated the other entity” or would it try to make itself seem special by describing the vibrance in the water on that faithful day and the penetrating rays of the sun breaking the surface tension? Does it need a reason? At what stage does a creature need a reason?

And what about the gods, to whom we are naught more than cells? Would they see us as insolent? Would they chuckle at our stupidity? Would they weep over our misguided ways? Or would they delight in our struggle, knowing that these are all necessary steps for us to become like them? Because if we are the result of everything smaller than us working together, maybe the way forward is for us to figure out what we could become if we merged our beings into one. If we figured out a way to live in true symbiosis with one another and the planet. Maybe we can upload our brain data some day and store people in a consciouss cloud, a bodiless intelligence. Imagine what such a thing would think. And then imagine what such a bodiless intelligence might evolve into. Imagine what a shapeless being likes to create. Is it not exactly what we imagine when we think of our Gods?

Maybe that’s what thinking is: The invididual’s evolutionary spectator passively telling itself the story of its life. A lurking God delighting in its own creation. Or maybe there’s more to it. Maybe you dó have a say in the matter, maybe you dó choose which way your body moves. If you do, you carry a great responsibility, because that would mean that your individual is the contemplating embodiment of that thing that drives other beings forward unknowingly. It would mean you possess some consciouss form of that timeless essence present in everything from single cells to whatever resides in the heavens above. It would mean we áre gods, in charge of our own personal destiny. Commanders of our souls.

Maybe that’s what makes humans special after all. That they are one of the first creatures on the planet to break the barrier of Godly wisdom. That they carry the burden of knowledge and have the ability to judge something as good or bad in order to evolve in the most optimal manner. Maybe that’s dead wrong and I should just shut up. We don’t know. We might never know. But my best guess is that there is a part of paradise that resides in you, screaming for your love and attention, because it wants to create the ultimate version of you as a step in the right direction on the way to Godhood. I believe you possess a kind of power that allows you to pick your own instinct and decide the fate of life itself with every passing day.

So what are your plans for tomorrow?’

Stati/e[]]kkKg—

Twee boys staan op de hoek van de straat ergens in zuidoost te chillen, kijkende naar een lugubere gestalte van teer en pus en slijm en staal die in het midden van een anderzijds druk kruispunt met een jongen aan het spelen is.

‘Is wel vervelend voor die jongen,’ zegt de toekijkende toeschouwer tegen zijn getuigende gezelschap.
‘Maar de treinen rijden op tijd, weetje. Dus zo erg is het monster nou ook weer niet.’

Het monster scheurt de wangen van de jongen open en begint één voor een de tanden uit zijn zachte mondvlees te wrikken. Hij verwijdert ze onder hevig gekraak en geknars en gejammer. Zodra het een mooie hoektand gevonden heeft begint het monster zijn naam in de ongerepte delen van het kermende gezicht te kerven.

‘Gaat ‘ie weer, hoor…’ Verzucht de een.
‘Tsja, maar naamsbekendheid is ook belangrijk voor een monster hè.’

Het monster begint verrukt de kleding van zijn slachtoffer kapot te scheuren en zwartgallige tentakels schieten op de jongen af vanuit het kronkelende slijmerige lichaam. Het ten-dode-opgeschreven kind spartelt met zijn ledematen en spast in krampachtige stuiptrekkingen. Zijn ogen beginnen uit te puilen en het bloed komt nu in gewelddadige proesten uit zijn mond gegutst. Het wezen dreunt doodsklanken in een sonorisch gegrom, dat de borstkassen van de omstanders doen trillen als woofers op neuro-funkfeesten.

‘Dus ehh, ik had laatst last van ’n hoestje… En ik had aan ’t monster gevraagd. Hij gaf me gratis kuurtje… Weekje was ’t voorbij. En ‘kwas niks kwijt nie.’
‘Ja toch? En ik bedoel, je kunt zeggen wat je wilt, maar als je niet wilt meewerken met het monster dan betaalt ‘ie je wel gewoon een tijdje door.’

De jongen wordt als zacht deeg uit elkaar gereten door de klauwen van het wezen, wat zijn ingewanden blootlegt en op de koude straat doet kieperen. Zijn lever op de grond gespetterd, roodgeregend door liters bloed die, eenmaal bevrijd van mensenhuid en vatensystemen direct weer gehoorzamen aan de vermorzelende zwaartekracht.

‘Ik denk dat het monster het eigenlijk ook liever niet op deze manier doet.’
‘Ja, eens, maar het moet wel, want het is een monster, snapje?’

Het monster is verveeld geraakt met de jongen en klopt aan de volgende deur voor nieuw speelgoed. Hij heeft geluk, want deze wijk heeft vrijwel alleen maar torenflats. Genoeg zielen om een monster van zijn formaat mee te vermaken.

‘Alstublieft! Stop! Ik ben een mens! IK BEN EEN MENS!’ Schreeuwt degene die opendoet en de verrotte snijtanden van de macabere bol chaos voor zich ziet bungelen, maar het maakt niet uit. Sterker nog, paniek maakt het gevaarte enkel gretiger, zo lijkt het. Alsof het zich voedt op andermans angst.

‘Dit monster is me toch net iets te ostentatief met zijn bloedvergieten,’ zegt de een na een tijdje tegen de ander. ‘Hoe moet ik me schijnheilig vredelievend opstellen tegenover de rest van de wereld op deze manier? Dan was toch een stuk beter in de tijd van Gharrothoqyagh Knekelkauwer KGGOGG.’

Het monster verdelgt de persoon die voor hem staat en gaat onverstoord verder. Het sijpelt van deur tot deur en verslindt slachtoffer na slachtoffer. De volhardende toeschouwers kotsen stukje bij beetje excuusklonten op die ze zullen blijven herkauwen tot ze uiteindelijk zelf verteerd worden in het vretende maagzuur van de erbarmelijke creatie.

‘Echt hoor. Ik denk dat ik over drie jaar toch echt mijn stem uitbreng op zijn broer.’

Het monster heeft absolute schijt aan wat de toeschouwers zeggen en glibbert gulzig verder over de galerijen.

Berustend en Bezonnen

Ik weet niet wat ik zeggen kan
dat je ogen zachtjes sluiten doen
en ik weet niet wat je meeneemt
in je droom elleke nachtreis

Ik zie alleen de moeite die je doet
en welleke kracht het leven eist
van iemand uiterst onfortuinlijk,
zoals jij

Werk is een tegenvaller
studie evenmin een feest
een zure pot herinneringen
regen en dat schijt-OV
Telefoon is leeg

Geen plague inc.
geen coronastatiestieken
dan maar ik het diepe tyfen
fak, fuck, fok, feck
hey, da’s een mooie boom
ga alsjeblieft niet naast me zitten
oh mijn God hij doet het toch
hoeveel haltes is het nog
Dit is mís, dit is bar,
wat een kutjoch.

Eindelijk ten huize komend
verse thee, een hapje rijst
Kopje vol met zorgen
over de grote boze cijferlijst
komt die gozer aangelopen
sjofel en wat arrogant
en gaat ‘ie zitten op je bed
ey luister dit is interessant
begint ‘ie maar te ratelen
te blaten als een tierelier
terwijl je apegapend
zit te vragen om wat kwiek vertier
niet om een lezing over geschiedenis
of religie of filosofie of de psyche of lyrische Grieken
of mythen of Phrygisch diatonische melodietypen
dat type dude
dat je denkt: broeder, was met jou?

Ik weet het ook niet…

dan kick je hem d’r uit
kleed je uit
lichtje uit
berichtje uit
het dromenland
ik vind je leuk
ik vind je lief

je moet over drie uur op voor werk, tho
good luck, bro,
welterusten.