Stati/e[]]kkKg—

Twee boys staan op de hoek van de straat ergens in zuidoost te chillen, kijkende naar een lugubere gestalte van teer en pus en slijm en staal die in het midden van een anderzijds druk kruispunt met een jongen aan het spelen is.

‘Is wel vervelend voor die jongen,’ zegt de toekijkende toeschouwer tegen zijn getuigende gezelschap.
‘Maar de treinen rijden op tijd, weetje. Dus zo erg is het monster nou ook weer niet.’

Het monster scheurt de wangen van de jongen open en begint één voor een de tanden uit zijn zachte mondvlees te wrikken. Hij verwijdert ze onder hevig gekraak en geknars en gejammer. Zodra het een mooie hoektand gevonden heeft begint het monster zijn naam in de ongerepte delen van het kermende gezicht te kerven.

‘Gaat ‘ie weer, hoor…’ Verzucht de een.
‘Tsja, maar naamsbekendheid is ook belangrijk voor een monster hè.’

Het monster begint verrukt de kleding van zijn slachtoffer kapot te scheuren en zwartgallige tentakels schieten op de jongen af vanuit het kronkelende slijmerige lichaam. Het ten-dode-opgeschreven kind spartelt met zijn ledematen en spast in krampachtige stuiptrekkingen. Zijn ogen beginnen uit te puilen en het bloed komt nu in gewelddadige proesten uit zijn mond gegutst. Het wezen dreunt doodsklanken in een sonorisch gegrom, dat de borstkassen van de omstanders doen trillen als woofers op neuro-funkfeesten.

‘Dus ehh, ik had laatst last van ’n hoestje… En ik had aan ’t monster gevraagd. Hij gaf me gratis kuurtje… Weekje was ’t voorbij. En ‘kwas niks kwijt nie.’
‘Ja toch? En ik bedoel, je kunt zeggen wat je wilt, maar als je niet wilt meewerken met het monster dan betaalt ‘ie je wel gewoon een tijdje door.’

De jongen wordt als zacht deeg uit elkaar gereten door de klauwen van het wezen, wat zijn ingewanden blootlegt en op de koude straat doet kieperen. Zijn lever op de grond gespetterd, roodgeregend door liters bloed die, eenmaal bevrijd van mensenhuid en vatensystemen direct weer gehoorzamen aan de vermorzelende zwaartekracht.

‘Ik denk dat het monster het eigenlijk ook liever niet op deze manier doet.’
‘Ja, eens, maar het moet wel, want het is een monster, snapje?’

Het monster is verveeld geraakt met de jongen en klopt aan de volgende deur voor nieuw speelgoed. Hij heeft geluk, want deze wijk heeft vrijwel alleen maar torenflats. Genoeg zielen om een monster van zijn formaat mee te vermaken.

‘Alstublieft! Stop! Ik ben een mens! IK BEN EEN MENS!’ Schreeuwt degene die opendoet en de verrotte snijtanden van de macabere bol chaos voor zich ziet bungelen, maar het maakt niet uit. Sterker nog, paniek maakt het gevaarte enkel gretiger, zo lijkt het. Alsof het zich voedt op andermans angst.

‘Dit monster is me toch net iets te ostentatief met zijn bloedvergieten,’ zegt de een na een tijdje tegen de ander. ‘Hoe moet ik me schijnheilig vredelievend opstellen tegenover de rest van de wereld op deze manier? Dan was toch een stuk beter in de tijd van Gharrothoqyagh Knekelkauwer KGGOGG.’

Het monster verdelgt de persoon die voor hem staat en gaat onverstoord verder. Het sijpelt van deur tot deur en verslindt slachtoffer na slachtoffer. De volhardende toeschouwers kotsen stukje bij beetje excuusklonten op die ze zullen blijven herkauwen tot ze uiteindelijk zelf verteerd worden in het vretende maagzuur van de erbarmelijke creatie.

‘Echt hoor. Ik denk dat ik over drie jaar toch echt mijn stem uitbreng op zijn broer.’

Het monster heeft absolute schijt aan wat de toeschouwers zeggen en glibbert gulzig verder over de galerijen.

In bruisend zaanlicht
Preekt een geest
die duizlingwekkend
aandachtvragend

In een ander

aandacht breekt
Ik ben de schepper
wreed en duidlijk
Ik ben de vliegeraar zoals

Een ieder die zich
aan me opdringt
die me opdrinkt
met zwarte ogen iris
Mime als ik talm
denkend aan de tarnehelm

De duivel lacht
in dorpsgebeden
Dat de gek de brug
op gaat en dan
verdrinkt aan overtuiging
Ik ben de schepper
Ik ben de tijd

Lief je lacht stil
in de treinen lig je
breekt van tijd tot tijd
Ik genoot van hugen
dat ik lieflijk in het spugen
kon bevinden wat ik mijd

Damascusezel tot het paradijs
Ik ben alleen op deze reis

De Engel is Gekomen

Het stormwater klotst zich tegen de treinramen aan. Van het intercomgekraak van de machinist is niks meer te verstaan, maar de baby verder in de coupé huilt steeds harder als de mechanische schuifdeur opengaat en daar, op een perron waar niemand uitstapt, stapt de engel binnen.

Een kort gefladder is nog te horen maar dan stapt de Godsgezant met een beschaafd kuchje de tweedeklas stiltecoupé binnen. Een sjofel figuur, niet tussen man of vrouw te plaatsen, de veren netjes onder zijn jas gestopt, al schijnt zijn lichtend aureool nog door zijn katoenen pet heen. De engel zit zich recht tegenover de moeder met de huilende zuigeling, die direct diens gejammer staakt. De gehele coupé kijkt vol verwachting naar de hemelse bezoeker.

Dan stopt het gedonder, de storm compleet verwaaid en de trein lijkt haast geruisloos zich verder langs haar ijzeren omhelzing te glijden. De engel kijkt met een goddelijke blik de moeder tegenover hem aan en knikt dan medelevend. Haar kind valt met een lach op het gezicht in slaap. Dan opent hij zijn mond en spreekt een woord.

De moeder klemt haar kaken bijeen, de bejaarde ouderen tegenover doen hetzelfde en plaatsen hun tongen in het kleine gat tussen hun tanden terwijl ze hun vingers wijzen naar een wittig schrijfsel op het treinraam, en ieder in de coupé laat zich horen in een zacht doch dwingend sissen.

De moeder prevelt met lage stem waar de engel het woord ontnomen wordt: “Stiltecoupé: niet praten, niet bellen, en niet hardop muziek luisteren.”

De bezoeker kijkt met een blik van verbazing, terwijl een heilig engelkoor zich stil voorbij laat rijden. De baby schrikt uit het niets wakker en geeft een korte kreet, maar deze lijkt niet gehoord, zeker niet door het bejaarde echtpaar aan de andere kant van het gangpad.

Langzaam doemt het volgende station op in de verte, de engel staat op en kijkt weemoedig naar de fronsende menigte. Dan stapt het hemelwezen de coupé en dan de trein uit, laat zijn jas op het perron vallen en stijgt met zijn vleugels met verbluffende snelheid op.

De speakers beginnen weer te kraken, wat de baby in schaamteloos schreien laat vervallen, maar wat de moeder ook probeert in haar geluidloze pogingen, het kindeke lijkt ontroostbaar.
De machinist benoemt het huidige station, de eindbestemming van het zwijgend treintraject en de plaatselijke overstapmogelijkheden. En dan, terwijl de eerste regendruppels zich laten zien op de verweerde treinramen, is het net zo stil als eerst.

Regen

Ik ga de regen achterna
dikke wolken tranen snel
die vallen neergeslagen
over wallen zie ik zon

zo strepen nauw mijn ogen
tegen holle vlekkebeelden
kijk langs druipend wangewater
sluipend goudgeel medaillon

De regen gaat me achterna
in donkerblauwe avondstoet
de volle stromen blijven komen
als naar onnavolgbaar doel

Maar na de regen wacht me warmte
opdat ik mijn natte wangen voel

Leren van de meester

Ik bad niet
omdat ik wist waarom of
andersom de sterren keerde

Ik bad niet voor
wat mij ontbeerde
of een ander ook ontbrak

Ik kon niet bidden
of beminnen
wat ik sterk liefhebben wilde

Ik gaf geen beden
voor verleden
dat mij zag als aardig zwak

Ik bad niet voor
de dag de wind de hemel
op mijn dicht gezicht

Ik smeekte nooit
om dat mij tooit
en vangen laat in zonnelicht

Maar ik wil gebeden
grif ontleden
– laat voor mij verlossing zijn

dat ik nooit bad
voor ik jou kende
mij verwende Maagre Hein

Echo

ik weet wat in elkaar weerspringt

het slaat en breekt
in stem
op straat

ik weet wat zingt en barren laat
ik ken de duizend schaamgestaltes
ik weet van alles s’avonds laat

Mij is bekend
lallende dwazen
roepend om een laatste zang

Ik weet van straatlicht als
de sintels doven in
het feestgedrang

je zal ze smeken om te zwijgen
als je oud
en bitter bent

je zal weerklinken
en verspringen
als je deel van vroeger bent

Maar laat de dronken straat zich horen
lachend in de zwalkenacht

dan is geniepig
toch verworden
wat ik van mijn vrienden dacht

Plataan

de wolk is nabij neergeslagen
jongens spelen

in de tuin een krullelipje
hiep en hoi
het tillen van een kratje glas

meneer er vallen
dwarrelbladen
je scharrelt heen en dan ook weer

de balbeschutting laag gebouwen
blaft
en trilt dan nog een keer

je wolk is stof zo
na de uitslag

en ze gaat zoals jij stil

achter de takken
verdwijnt ze raakt
de toppen van je zwierekruin

die ochtend voelde
als een vroeger

maar het vloog weer uit de tuin

Mijn trein kruipt langzaam naar Den Haag
Storing-rijden, rode seinen
een lijdensweg begint vandaag

“Kom ik op tijd?” is ook de vraag
Trage tijden, late treinen:
met ochtenddauw als haar decor

Tergt deze trein gestaag zich door