Wat was het lam voor Isaak
wat was Isaak voor Abraham
wat is een onderdak in Amsterdam
voor de bebaarde jongen uit Irak
wat is voor hem een boterham?
Freek 8: Freekspeare in Love
Freek zou graag getuige willen zijn van een spoorwegongeluk. Freek is veertien en typt liefdesgedichten op zijn uitschuifmobieltje. Hij heeft een wekker die hij niet gebruikt tegenover zijn bed staan. Hij luistert graag naar het getik terwijl hij plichtmatig klauwt naar een blikje bier. Freek zou doordeweeks minderen maar hij is op dat punt van dronkenschap dat zijn gevoel als een slecht passend masker van zijn gezicht af glijdt en hij enkel apathisch voor zich uit wil staren. Op deze momenten draait Freek graag muziek uit zijn pubertijd. Hij schreef gedichten over de wereld onder de waterspiegel en misschien dan toch eens seks. Hij luisterde muziek die een vorige generatie vrijheid beloofde en hem een connectie met zijn vader verschafte. Hij mag de Lp’s erven.
Freek heeft een bijbel op zijn nachtkastje liggen maar kijkt er liever niet in. Om zijn schouders hangt een overdreven grote Eastpack en soms hoopt hij dat iemand een misstap zou maken op het moment dat de intercity langs raast. Dat een voet verkeerd wordt neergezet en een vallend been een lichaam meetrekt. Dat elke omwenteling door het geraas wordt overstemd en hij erbij zou zijn. Gewoon om te kijken. Naar een man die zichzelf een redder kan wanen, draadjes vermalen regenjas, een opengescheurde tas en derde klas wiskunde. Naar huis gaan en een pretentieus gedicht in het Engels typen. Je handen wassen, aan tafel gaan, en nog een beetje lijden onder Pontius Pilatus.
– Freekonaleash
Aardappel
Ik was graag een aardappel. Het water dat over mijn handen wuift en de bodem van de teil op het erf van mijn oudoom laat boltrekken door de kou keert telkens terug in mijn dromen. Het klinkt en plenkt op de ijzeren plank waar ik de teil elke ochtend neer zetten zou en laat mij in het midden van de nacht nooit onberoerd.
Er zijn gedachten van aardappelen die zich in me opdrukken als ik grote en dikke mensen zie in de rij voor de Primark in Amsterdam. Wat had ik graag met een truck dwars over het Damrak gescheurd, maar dan niet op terroristische wijze of zoiets; nee. Ik had een prachtige roestvrij stalen aardappelprakker op de grill geschroefd en was gaan rijden tot ik niet meer kon. Damrakstamppot met bontjassen en krulhaar, heerlijk toegespitst met toeristenspek. En dan zing ik heel schel Hazes bij die culinaire basis.
En als ik dan uiteindelijk aangehouden was, ze me vastgehouden zouden hebben voor wat in alle waarschijnlijkheid een eeuwigheid aan ter-beschikking-stelling zonder verlof zou zijn, dan zou ik af en toe nog -in het midden van mijn isoleercel- met mijn plastic vorkje willen genieten van het prakken van een aardappeldipje en het langzaam vormen van een prachtig ingedamd jusvijvertje. En dan, dan zou ik blij zijn.
Freek 7: Freekout
Freek las over menselijk lijden met een biertje op de wc.
Freek 6: Freeking bad
Freeks bed staat onder een raam dat uitkijkt op een reeks Utrechtse achtertuinen, omlijst door de lelijke achterkanten van statige gevelpanden. Elke herfst klimt een man ochtenden aaneen op een van die stenen coulissen en timmert aan zijn dak. Hij gebruikt geen touw, ladder, of enige vorm van zekering. Freek voelt zich pas veilig na twintig minuten mobielstaren op de wc. Hij hoopt eens de man te horen gillen. Freek zit soms in volle cafés te kijken naar zijn trillende handen. Hij maakt zich zorgen over Oeganda, klimaatverandering en Thierry Baudet. Freek zou een lege aansteker willen zijn. Hij zou tussen straatstenen willen overblijven na elk feestje en na enkele dagen opgeruimd en gerecycled te worden. Naarmate het dichter bij tien uur is wordt Freek altijd een beetje nerveus omdat de winkel gaat sluiten en hij niet zeker is of hij genoeg drank thuis heeft om de ochtend te halen. Freek is bang dat hij ontmaskerd zal worden. Freeks kont zweet en hij herinnert zich dat toen hij jonger was fantaseerde over een wereld waarin iedereen boven de zestien abrupt verdwenen zou zijn. Hoe hij met zijn vrienden zou regeren over de paar straten tussen zijn huis en de middelbare school en iedereen naar hem zou kijken als nieuwe leider van de post-adultalistische wereld. Hij hield hiermee op toen hij zijn eigen bestaan in zulke situaties steeds minder kon verantwoorden. Freek denkt echter nog vaak dat de wereld beter zou zijn met minder mensen. Niet dat hij mensen dood wil of een matig politiek verantwoorde mening heeft over eugenetica, maar Freek heeft soms het gevoel dat als er niet zeven miljard mensen op de aarde zouden krielen hij een stuk origineler uit de hoek zou komen. Misschien was hij een bittere jonge man.
– Freek on a leash
Freek 5: Freek on a Leash
Freek wil een vrouw slaan. Niet zomaar een vrouw, maar de vrouw recht voor hem. Hij knijpt zijn vuisten samen en stelt zich voor hoe hij haar bij haar blonde haar vast zal pakken, achterover zal trekken, en een flinke stoot op haar kaak zal geven. Hij zou natuurlijk op de slaap mikken maar Freek is geen vechter, dus hij gaat er vanuit dat hij zal missen. Ze staat voor hem te bellen. Niet met een mobiel tegen haar kop, maar voor zich uit starend met een paar oortjes in en een microfoon daar ergens in die witte draad die naar haar binnenzak loopt. Ze piept over paperassen en treinen en de wind die zo koud is. En Freek wil haar schouders vastpakken en zijn knie in haar borst begraven want de kankerhoer loopt in de weg van zijn geijsbeer. De bus is laat en haar man – dit soort vrouwen zijn onvermijdelijk getrouwd – wordt blijkbaar niet gek van dit gezeik over geld en gewoontes en Freek heeft een mes in zijn tas. Hij nam hem mee van zijn vriendin gisteren. Hij weet niet precies meer waarom maar evengoed was hij vergeten om hem uit zijn tas te halen voor hij hier te wachten stond op de bus. Hoever zou hij het halen? Hij zoekt naar de agenten die doorgaans op de hoek hier staan. Vanwege het concertgebouw ofzo. Als hij straks zou toeslaan, snel, met het mes in zijn vuist geklemd, een keer of vijf zou toesteken? Zou hij überhaupt door haar jas heenkomen? Een keel bloed waarschijnlijk zo hevig. In films in ieder geval wel. Hij ging het er niet op wagen, hij had zijn trui net gewassen. Hij draaide zich om, twee stappen, draaide zich terug om, en daar stond ze nog. De asociale slet. Ziet ze dan niet dat hij hier probeert te wachten? Ze leek een beetje op dat meisje dat laatst van haar fiets was getrokken en waar men twee weken naar heeft gezocht. Groot schandaal. Ze was blond en jong en de dader was al eens veroordeeld voor verkrachting. Freek nam zich voor op te letten of ze dezelfde bus nam.
Jouw Tuin
Ik zette een tent op in een hoekje van je leven. We kozen samen het stukje grond en je hielp mij de haringen stevig in de grond te slaan. Ik was blij met mijn mini-huisje, te midden van groene weiden. ’s Avonds viel ik in slaap met het geluid van jouw zachte geadem op de achtergrond. Het tentzeil was dun en ik kon je lichaam er bijna doorheen voelen. Het was genoeg. Elke dag speelde ik in mijn tent. Je bezocht me op gezette tijdstippen. Na een tijdje vertelde je me dat ik buiten mijn tent mocht gaan. Een klein stukje. Je gaf me een stukje grond, omdat je wist hoe graag ik een mini-tuintje voor mijn mini-huisje wilde. Soms was ik verdrietig, zonder dat ik wist waarom. Dan hield je me vast en vertelde je me hoe de tent ooit een huis zou zijn. En dan zouden we er samen in wonen. Misschien. Ooit. Het was genoeg. Tevreden plantte ik een paar bloemen op het stukje grond vlak buiten de tent dat je me had toegezegd. Ik zette er één tomatenplant tussen, voor als je weer eens een nachtje bleef slapen en ’s nachts honger kreeg. Elke dag viel ik met een glimlach in slaap. Soms was je bij me. Soms niet. Maar ik wachtte altijd geduldig in mijn tent. Af en toe, als je weg was en ik in mijn kleine tuintje werkte, keek in heimelijk naar de andere groene stukken in je leven. Ik vroeg me af of ik daar misschien ooit ook iets zou mogen planten. Als klein meisje had ik altijd van zonnebloemen gedroomd, maar het grote stenen huis waar ik in woonde liet niet genoeg zonnestralen door. Maar nu… Aarzelend liep ik een stukje verderop en inspecteerde de grond. De bodem leek perfect voor een paar zonnebloemen. Toen ik terugliep naar mijn tent die avond, had ik nog modder aan mijn slippers. Zwarte voetstappen verschenen op de vloer van mijn tent. Boos op mezelf maakte ik het tentzeil schoon. De volgende ochtend legde ik een mat buiten voor de tent, zodat ik voortaan mijn voeten zou kunnen vegen. ‘Welkom’ stond erop. Ik was tevreden en praatte wat tegen mijn tomatenplant. Die avond kwam je niet langs. De avond daarop ook niet. Ik begon ongerust te worden. De dag daarna werd ik wakker en voelde ik iets tegen mijn been schuren. Het was de welkomsmat. Je had hem verplaatst naar de binnenkant van mijn tent.
Ik snapte niet waarom en durfde het eigenlijk ook niet te vragen, maar deed het toch. Je gaf niet echt antwoord en ik kreeg het idee dat je zelf ook niet wist waarom je moeite had met de welkomsmat. Ik durfde niet meer over de zonnebloemen te beginnen. En er was nog een probleem: ik was begonnen met groeien. Mijn lichaam strekte zich steeds verder uit over de wereld. Ik paste amper nog in mijn tent. Zelfs niet toen ik mijn benen buiten de tent uitstrekte en in mijn tuin legde. De aarde werd omgewoeld door mijn onrustige geslaap. Een paar plantjes stapten geschrokken opzij.
Ik was te groot geworden voor het plekje in mijn leven dat je me had toegezegd. Een beetje angstig smeekte ik je toch om meer ruimte. Ik zou een extra deel aan mijn tent kunnen bouwen. Of een luifel! Dan zou ik mijn benen uit kunnen strekken, maar zouden ze niet natregenen als je humeur de zon niet toeliet om door te breken. Maar je werd boos en sloot jezelf af. Je praatte niet meer met me. Ik wist dat je lichaam zich ‘s nachts nog steeds vlak buiten het dunne tentzeil bevond, maar om een of andere reden voelde ik je niet meer.
Ik probeerde zacht te zijn. Lief. Misschien was ik eerder te direct geweest en was je daarom als een geschrokken hert weggevlucht. Maar het werkte niet. Hoe zachter ik werd, hoe meer pijn je afwijzing deed. Mijn tomatenplant stond verwaarloosd in het tuintje. Toen je vroeg waarom de plant zijn bladeren had laten hangen, haalde ik mijn schouders op. Het had geen zin om erover te praten. Ik hield me niet meer bezig met mijn tuintje. Ik bleef in mijn tent, maar speelde niet meer. Ik kon zien dat je je zorgen maakte, maar je bleef stil. Misschien wist je niet wat je moest zeggen. Misschien wist je dat wel, maar wist je dat het zeggen meer kapot zou maken dan we nu beide aan zouden kunnen. Dit ging zo even door.
Maar nu ben ik echt te groot voor dit hoekje van je leven. Mijn schouders torenen hoog boven de tentstokken uit en mijn benen zijn nu zo lang dat ik met één stap al buiten het afgeschermde hoekje van je leven sta. Het tentzeil dat me ooit veiligheid bood, beneemt me nu de adem. De ruimte is zo klein en ik ben zo groot, dat als ik uitadem, ik bang ben dat de tent omhoog vliegt. En ergens onder die angst, hoop ik stiekem dat hij omhoog vliegt. Ik droomde gister over een huis met bakstenen muren en genoeg ramen om licht door te laten, zodat ik zou kunnen groeien, als de zonnebloemen die ik altijd had gewild. Iets vertelde me dat er in de weide verderop een mooie plek was om mijn huis te bouwen. Of misschien de weide verderop. En als ik die plek zat was, kon ik altijd verder trekken, met mijn tent op mijn rug. Het is tijd om een nieuw stukje weide op te zoeken, om iets te bouwen waar ik in pas. Iets groters en misschien zelfs wel iets van baksteen. Maar in ieder geval iets waar ik zelf ook iets te zeggen heb over waar ik ga en sta.
Ik denk dat jij het ook doorhebt. Je ademhaling ’s nachts is nog steeds rustig, maar als je bij me bent, zie ik af en toe een vlaag van een emotie in je ogen, die ik niet kon duiden. Je strijkt nog steeds met je handen over mijn grote lijf en leden, maar het is alsof je het niet meer kan bevatten. Misschien is dat ook wel zo.
Ik vraag me af wat je met dit hoekje van je leven gaat doen. Ik hoop dat je af en toe aan me denkt. Misschien plant je wel je eigen tomatenplanten. Of misschien vind je iemand die niet zo snel groeit en langer in het hoekje past. Of misschien groeit het hoekje van je leven dat je af wil staan aan anderen wel. Maar ik kan hier niet langer blijven om erachter te komen hoe lang ik deze grootte kan blijven.
Langzaam breek ik de tent af. Ik veeg je hoekje schoon en druk een klein kusje op de aarde. Daarna draai ik me om, gooi moeizaam de tent op mijn rug en vertrek. Het leven is meer dan hoekjes en liefde is meer dan stilzwijgend denkbeeldige grenzen maken of in achting nemen.
En bij elke stap die ik zet, word ik een klein beetje groter.
– Evelien van der Kooi
Freek 4: Alle Dagen van de Freek
Freek speelt een spel. Hij speelt het samen met Tomas. Tomas is een vriend van Freek die hij op het internet ontmoette. Het spel is zo veel mogelijk in bed liggen, en Freek loopt nu al enkele dagen voor. Dit zijn niet normale dagen in bed liggen. Zodra Freek zich weer klaar voelt voor een volgende sessie slaat hij een doos zware drank in, wast zijn beddengoed, en vult de kast met brood en noedels. Hij legt de internetkabel en het verlengsnoer naast zijn matras en steelt kussens door het hele huis voor onder zijn rug. Hij deïnstalleert whatsapp, wist zijn contactenlijst, en vergeet zijn agenda. Dan logt hij in op facebook en stuurt Tomas een foto van hoe hij erbij ligt. En de tijd gaat in.
De eerste dag is makkelijk. Er is eten en drank en pissen is maar even opstaan. Freek kijkt de hele dag Netflixseries. Hij verzucht dat hij dit vaker moet doen. De tweede dag is kort door de kater, en korter door de dronkenschap die erop volgt. De derde dag schijnt de zon en Freek belt met een vriendin. Dag vijf begint om zes uur ’s avonds en vetvlekken portretteren hun pointilisme op Freeks dekens. Dag acht is een mijlpaal. De drank is onderhand wel op en een week in bed liggen kan evengoed als een vakantie tellen. Dag dertien en zijn vriend in Den Haag belde een paar keer. Hij heeft een bar waar Freek gratis kan drinken. Freek hoeft geen gratis drank in Den Haag als zijn huisgenoot zo een kratje komt brengen. Dag eenentwintig is onvermijdelijk. Het is een zonsopgang als een stoomlocomotief die luid razend en opzichtig de dunne lijnen tussen de luxaflex binnendringt en Freek doet schreeuwen en klauwen als een razende kluizenaar. Hij wil een wezen van de nacht zijn. Om tien uur kijkt hij uit zijn kamerraam en vloekt voor zich uit op de remmende auto’s en de giechelende dronken meisjes die langsfietsen. Er stopt om twee uur een koppeltje op zijn straathoek. Ze zeggen elkaar gedag na een uitgaansavond en wanneer de jongen voldaan langsfietst gooit Freek zijn kwartvolle fles naar zijn hoofd. Hij kijkt met voldoening hoe de port een eindje naast de jongen uiteen spat, sluit het raam, en trekt zichzelf af op The Wire.
Er komt een dag dat Freek dood wil. Hij komt meestal niet veel later dan de dag dat Freek zijn plezier om mensen verliest. Op deze dag trekt Freek zich uit bed, slaat zijn ongewassen lichaam in een pak, haalt een fles gin en steelt twintig euro uit de portemonnee van zijn huisgenoot. Hij gaat naar Den Haag om zichzelf te bezatten. Het wordt onvermijdelijk het beste feest ooit want een vriend is jarig en Freek maakt het allemaal net genoeg niets uit dat hij zich in een gezicht en voornamelijk de huidplooien van een vrouw kan verliezen. Freek lacht zichzelf in slaap en logt de volgende morgen in op facebook. Hij bericht Tomas dat hij hem op gaat zoeken in Canada en zijn longen er met een soeplepel uit gaat halen. Freek zegt hem dat hij hoopt dat hij net zo ongelukkig en dronken en kapot is als hijzelf. Tomas mag verdrinken in een vat zoutzuur en hij, Freek, hoopt dat hij ooit nog Tomas’ gezicht mag herkennen op een liveleakfilmpje. En de tijd stopt.
Freek beweegt vaak van bed naar de bank. En soms gaat hij naar de winkel. Hij trekt zich driemaal daags af en poetst zijn tanden zo nu en dan. Hij kijkt vijf uur per dag filmpjes op youtube en op donderdagavonden telt hij de tijd tot het acceptabel is om aan de bar te verschijnen. Niet dat hij zich druk maakt om wat anderen wel niet zouden zeggen – hij betaalt immers zijn eigen drank – maar hoe eerder je begint met drinken, hoe eerder je dronken in bed ligt. En hoe prettig dat ook is, hoe eerder je in bed ligt, des te langer duurt de ochtend. Freek speelt af en toe zijn spel. Freek wil ook eens winnen.
– Freek on a Leash
Freek 3: Prisonfreek
Freek vindt het jammer dat er niemand in zijn directe omgeving is die zelfmoord heeft gepleegd. Hij had graag een brief van de overledene willen ontvangen waarin precies zou staan wat hij fout deed. Hij was niet te beroerd te willen veranderen voor iemand die in zijn of haar laatste gedachten nog even hem ervan langs wilde geven. Vooral als dat betekende dat hij eens wat te doen had. Freek vergeleek zich af en toe met een gelatinepudding. Hij stelde zich voor hoe hij heen en weer drilde met de stoten van de wereld en allerlei meningen en voorkeuren en walgingen had. Maar niemand zou ernaar vragen en niemand zou erom geven. En terecht. Hij was er om te verteren. Hooguit om blij op terug te kijken. Freek vond zichzelf een solide vrachtwagen. Freek zou een boek willen schrijven, maar hij komt nooit verder dan de laatste punt.
– Freek on a Leash
Freek 2: Freeklectric Boogaloo
Freek herkent de luchten van Amsterdam in nat karton naast een papierbak. Voor de voorgevels hoeft hij het ook niet te doen. Freek krijgt zijn lul niet omhoog bij opgeplakte wimpers. Laatst zag hij een filmpje over een rechter die een schuld van 400 euro kwijtschold bij een vrouw wiens zoon was doodgeschoten door haar broer. Hij vroeg zich af hoeveel studieschuld hij kon ontwijken door zijn familie op te hangen.
– Freek on a Leash