Groene heuvels, wolkenvelden

Hooggebogen eikenbomen
‘k loop te dromen s’avonds laat

Almithra vraagt mij te leren
voor ik haar mooie stad verlaat

Ik loop dan door naar hoge heuvels
op weg dan ook — naar haar Glencoe

De regen tracht me in te halen
en de duivel evenzo

De wolken komen, gaan dan weer
en ik loop fjord na fjord

Ik loop te dromen meer na meer
en meer kom ik tekort

 

Aardappel

Ik was graag een aardappel. Het water dat over mijn handen wuift en de bodem van de teil op het erf van mijn oudoom laat boltrekken door de kou keert telkens terug in mijn dromen. Het klinkt en plenkt op de ijzeren plank waar ik de teil elke ochtend neer zetten zou en laat mij in het midden van de nacht nooit onberoerd.

Er zijn gedachten van aardappelen die zich in me opdrukken als ik grote en dikke mensen zie in de rij voor de Primark in Amsterdam. Wat had ik graag met een truck dwars over het Damrak gescheurd, maar dan niet op terroristische wijze of zoiets; nee. Ik had een prachtige roestvrij stalen aardappelprakker op de grill geschroefd en was gaan rijden tot ik niet meer kon. Damrakstamppot met bontjassen en krulhaar, heerlijk toegespitst met toeristenspek. En dan zing ik heel schel Hazes bij die culinaire basis.

En als ik dan uiteindelijk aangehouden was, ze me vastgehouden zouden hebben voor wat in alle waarschijnlijkheid een eeuwigheid aan ter-beschikking-stelling zonder verlof zou zijn, dan zou ik af en toe nog -in het midden van mijn isoleercel- met mijn plastic vorkje willen genieten van het prakken van een aardappeldipje en het langzaam vormen van een prachtig ingedamd jusvijvertje. En dan, dan zou ik blij zijn.