Vrije Tijd

Scherm

Scherm scherm scherm scherm scherm

ik zeg het maar een aantal keer, dan kun je er vast aan wennen

Het is een van de weinige dingen die ik zie

mijn gordijnen zijn dicht want ik woon in een vierkant waar twee torens en een galerij het raam inkijken dat zich over de volledige breedte van mijn kamer spant.

Ik word wakker om half vijf ’s ochtends of drie uur ’s middags en voel me in beide gevallen radeloos met betrekking tot de dag.

Dus ga ik zitten en zet het scherm aan. Open twintig tabs en bekijk er één om vanuit die tab nog tien tabs te openen waarvan ik de helft bekijk eer ik besef krijg van mijn tijdverspilling.

Dan maar rijk worden met schrijven. En met rijk bedoel ik financieel vaarwaardig. Vrij. Onbekommerd door een mogelijke blessure, een verlangen te reizen, of een ambitie nog een studie op te pakken. Vrij in de zin dat ik mijn eigen toekomst kan bepalen. Zo voel ik me namelijk niet.

Het is lijden onder de realiteit van mijn geforceerde uitbesteding, en het is lijden voor mijn ambities die zich in de overige drie uren van werkdagen moeten ontplooien tot iets dat me uit dit slijk kan hijsen. Ik moet vechten om in stand te blijven en vechten om te ontsnappen aan deze toestand. De leiding geven aan een schip vol woestelingen die ooit, duizenden dagen geleden, beloofd zijn dat er een utopie verstopt lag aan de andere kant van de zee. Die over de jaren zijn gaan klagen bij de kapitein dat ze honger kregen, de kaart niet meer vertrouwden en de sterren niet meer zagen schijnen voor hen. Het is mijn hoofd boven water houden uit angst voor muiterij. De zeilen spannen en laten wapperen zo hoog ze kunnen, in de hoop een briesje te vangen opdat ik de matrozen nog een blijk kan geven van ons gelijk.

Ik geloof niet meer in mijzelf. En ik geloof niet meer in de wereld. Ik weet alleen niet meer welke eerder kwam.

Slapen

Ik werk en dan kom ik thuis en dan wil ik slapen. Onderweg naar werk heb ik allemaal dromen van schrijven en andere werelden en een heel nieuw leven en tijdens werk ben ik te druk om ergens anders aan te denken. Maar na werk wil ik slapen. Niet zijn. Zwartheid zonder dromen.

Ziet u, ik droom niet. Wanneer ik slaap ben ik dood. Er was een vage gisteren en er is een onzekere vandaag. Daartussen zit niets. Daartussen is een zwart gat waarin ik niet bestond. Ik verlang ernaar. Ik snak ernaar. Het is zo gemakkelijk. Zo vredig, in zekere zin.

Ontwaken is een stressfactor voor me geworden. Ik kijk nergens meer naar uit. Ik koester geen fijne toekomstbeelden meer. Ik geniet niet van het aanbreken van een nieuwe dag. Ik log niet in met enthousiasme. Het is een constante strijd heuvelopwaarts. Het is niet meer “leuk”. Het is niet meer een verhaal waar ik deel van uit wil maken.

Ik ben nog geen paar uur geleden wakker geworden na veertien uur slaap, van zaterdag vijf tot zondag zeven uur ’s ochtends, en ik wens alweer dat de dag voorbij was. Dat ik weer moeheid voel. Dat ik weer in bed mag liggen.

Media vermaakt me en houdt me tam voor zolang het duurt. Verder wil ik niet naar buiten. Ik wil geen vrienden zien. Ik wil niet denken aan alle manieren waarop ik mijn vriendin ongelukkig maak. Ik wil slapen. Gewoon slapen. Ik wil geen last meer voelen en ik wil geen last meer zijn.

Alsnog ben ik bang om vrijgelaten te worden.

Uitzitten

Ja het is kut. Ja het doet pijn.
Nee, het is niet altijd even fijn.
Maar we zijn allen te bang
er een eind aan te maken
dus viert men de kans om een mens te mogen zijn

We lachen om de dood
kunnen gieren om bedrog
maken narren van politici
En toch…

Aan het eind van de dag

Lachen we als boeren met kiespijn.
Staan we ’s ochtends vroeg op
om te vertoeven aan de trog
opdat we vreten mogen

Niets helpt en alles doet me zeer

‘Ik wil neuken.’
‘Dan moet je iets vinden om te neuken.’
‘Waar is iets te vinden dat wij neuken kunnen?’
‘Waar vrouwen zijn en armoede heerst zijn hoeren alom te vinden, mijn vriend.’
‘Dan moeten we naar de arme wijk.’
‘De arme wijk?’
‘Ja, iedere stad heeft er wel een paar, toch? Het kan haast niet anders dat deze parel aan de kust óók een economisch minderbedeeld kwartier heeft. Het enige dat we hoeven doen is die ene wijk vinden en dan komt het goed. Dan kunnen we neuken tot onze geslachtsdelen er van slijtage afvallen.’
‘Lieverd, het is nog veel mooier dan dat. Alle andere wijken zijn arm.’
‘Waar wachten we dan nog op!?’

De twee laten zichzelf in hun zijden kamerjassen hijsen, schuiven hun Armani’s en Versace’s over hun gezicht en springen in de Bentley. Op zoek naar kansarme tieners die naast school nog wat willen bijverdienen.

Ik heb geen zin meer om het verhaal verder te schrijven. Iedereen kent het al, het gevoel is allang de wereld rondgegaan, en er wordt weinig mee gedaan. We horen van drukbezochte feestjes met gekochte Franse kinderen die overgevlogen worden voor een nacht, gedrogeerd en uitgewoond door de elite van onze samenlevingen, en er gebeurt niets. We hangen 1 van de kankerlijers op en daar moeten we het dan maar bij laten. Daar moeten we tevreden mee zijn. We interviewen een onschendbare misdadiger, die van te voren al weet dat hij op ieder moment zijn familiemiljoenen kan pakken om een leven van gemak en luxe uit te zitten op een zonnig eiland, en verder gebeurt er niks. We hebben documentaires en huilende getuigen die zeggen in het bezit te zijn van een scala aan namen van verkrachters, maar die namen horen we nooit. Het maakt niet zoveel uit. Deze hoeren gaan het land niet besturen, dus de onschendbaarheid van zij die dat wél doen duurt voort.

En om te gaan praten over waarom die meisjes dan zo gemakkelijk gekocht konden worden, waarom het zo kan zijn dat een enkele brug de scheidslijn is tussen erbarmelijk arm en onophoudelijk rijk. Waarom het zo is dat een sociopathische leugenaar het verder schopt dan een heilige in onze wereld. Dat gaan we niet doen, dat is een probleem dat ons zover boven het hoofd reikt dat erover discussiëren alleen al genoeg reden is om verslagenheid te voelen. Zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar.

Zo is het nu eenmaal.

Als jij ons verkracht en vermoord dan is het oké. En als wij een vinger opheffen naar jullie rotten we voor de rest van ons leven in een gevangenis, martelkamp of een ondiep graf.

Er hoeft geen verhaal meer over geschreven te worden, we hebben met zijn allen bewezen dat we de waarheid letterlijk in HD op onze tyfusschermen kunnen krijgen, we gaan er niets aan doen. Niemand gaat er iets aan doen. Ik heb geen zin om erover te schrijven, maar alsnog kamp ik met de woede. Alsnog is dit wederom maar weer zo’n mensoverweldigend trauma die ik in mijn vervloekte schedel op moet slaan. Samen met alle andere leugenaars, bedriegers, verkrachters, sadisten, pedofielen, propagandisten, kindermishandelaars, echtgenootmisbruikers, dictators, manipulatoren, martelaars, dieven en onderdrukkers waar ik dagelijks over hoor. Het is nóg een bron van dat krimpende, knijpende, knarsende gevoel dat ik in mijn hoofd voel ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds wanneer het onvermijdelijke moment komt dat ik er weer aan denk. Wéér zo’n feitje van de wereld. Wéér een holocaust, wéér een Vietnam. Wéér een Palestina. Wéér een Irak. Wéér een Dutroux. Wéér een andere voornaam gevolgd door een initiaal. Wéér een kinderlijk. Wéér een vlam gedoofd door modderige handen. Wéér een politicus die zich eromheenlult omdat dat zijn werk is. Wéér een teken van Yggdrasils wortelrot. Wéér een teken van mijn eigen nietigheid. Mijn nutteloosheid. Mijn absolute gebrek aan macht om iets waarlijk belangrijks te veranderen in de wereld. Het boeit me geen kanker of ik op vakantie kan, het kan me mijn behaarde reet roesten of ik een Ferrari of een fiets rijd. Ik wil godverdomme dat duivels en demonen verantwoording moeten afleggen voor hun daden. Ik wil dat er een Alexander langskomt om de knoop in mijn hoofd aan gort te hakken. Ik wil deze gevoelens uit mijn hersenkom kotsen als een haarbal van wraak. Als een Pallas Athena die maar één doel heeft: Het harteloos slachten van jullie allemaal. Het eindeloze lijden brengen dat jullie moeten ophoesten in ruil voor wat jullie anderen hebben aangedaan. Ik zou miljoenen jaren de toekomst inreizen in een poging de meest geavanceerde technologie te bemachtigen zodat we je bij bewustzijn kunnen houden terwijl we iedere individuele cel martelen. Ik zou jullie bewuste zielen willen laten dienen als brandstof voor onze nieuwe olympische vlam. Ik zou je villen en weer bij elkaar naaien. Ik zou je huid van binnenuit tattoëren. Je ingewanden brandmerken. Je verdrinken in je eigen bloed en je keer op keer weer reanimeren. De middeleeuwers zouden jaloers zijn. De Mongolen zouden rillen. Josef Mengele zou zich bekeren tot boeddhisme bij het zien van de gruwelen die ik jullie zou willen laten ondergaan. En de kosmos zou lachen van genot. Dat weet ik zeker.

Maar mijn gevoelens doen niets. Betekenen niets. Bestaan eigenlijk helemaal niet eens. Ze worden ervaren en geleefd door iemand die niets is. Niets kan. Niets betekent. Als ik morgen kapotgeschoten wordt dan is er “Een man uit Utrecht” doodgeschoten. Ik zal het wel verdiend hebben dan hè. Waarschijnlijk bezig met iets crimineels. Wat maakt het uit dat er een man uit Utrecht dood is. Er zijn nog zat anderen, niet? En jij was het ten minste niet, dus wat boeit het nou echt?

Zo tegenwoordig ook de systematische verkrachting van kinderen. Het is weer zo’n feitje dat je in je bezit hebt, waar je wat afzijdige schertsen over kunt maken in een alledaags gesprek, opdat je even met je omgeving bevestigt dat jij het óók verschrikkelijk vindt. Dat jullie er ook niets aan gaan doen staat van te voren al vast. En hoe kan het ook anders? Waar zouden jullie moeten beginnen? Naar welk bureau loop je om de krachten die boven het bureau hangen in ketenen te werpen? Naar wie moet je toe om de koning tot zijn recht te roepen? Wiens wetten kun je een beroep op doen tegen zij die boven de wet staan?

Mocht je met God aankomen dan wijs ik je op de kerken, madhhabs, synagogen, tempels en alle andere gebedshuizen waar kinderen werden, worden en zullen worden verkracht. Iedere geschiedenis, ieder volk, ieder continent, iedere cultuur. Ze zijn allemaal hetzelfde, want ze worden allemaal geschapen door hetzelfde verrotte dier van deze belachelijke broeikas. De mens. Ambitieus, verraderlijk, achterbaks, schijnheilig, smiechterig en laf. Kankerwezens. Absolute kankerwezens. Vretende aan de omgeving, geobsedeerd door eindeloze groei, groei, groei, tot het barst en alles kapotmaakt. Een levensvorm die in kleine getallen goedaardig kan zijn, maar met genoeg ledematen ál-tijd een malafide tumor wordt. Niets is heilig voor ons. Moeder Aarde niet, onze gemeenschappen niet, en onze eigen kinderen niet. We verkrachten ze allen met ijver.

Zelfs de meest primitieve wetgeving die verzegeld lijkt te zijn in onze bewegende wezens is in het bezit van een moorddadige groep tirannen. Zelfs God hebben ze vastgeketend en het zwijgen opgelegd, opdat zij mogen spreken in zijn naam. Het lijkt de weg te zijn die de mens bewandelt, ongeacht waar we beginnen. We voelen pracht, we ervaren schoonheid, we willen heel graag, maar de verkrachters winnen. De verkrachters winnen omdat zij bereid zijn te gebruiken waar wij onszelf niet naar durven verlagen.

De verkrachters regeren de Aarde. Wij voeden hun kroost op met sprookjes en leugens.

Lekker makkelijk praten (geschreven tekst) [Ik houd nog steeds van je]

Direct volgend op het stichten van de eerste universiteit proclameerde de pompeuze professor wiens gewaad er nog stom uitzag omdat er geen traditie op berustte:

“Je moet wel een diplóma hebben om in aanmerking te komen voor maatschappelijke verantwoordelijkheid”

Op de tweede januari 1863 zat in zijn kamer gezeten een grijzige man die wellicht de meest zinderende ontdekking deed van zijn tijd.

“Ras bestáát helemaal niet!”

Bij het kappen van de laatste boom die nodig was om het paleis van meubilair te voorzien werd de regenwoudalliantie opgericht en sprak de voorzitter als volgt:

“De houtkap moet begrensd en vergrendeld worden. O wee dat iemand mooier meubilair weet te bemachtigen! En denk eens aan de planeet zeg!”

Na het platbranden van de Duitse plattelanden en het afjakkeren van miljoenen Japanners kwamen de gegoede blanken bij elkaar om edelstenen te vergelijken en kolen uit te wisselen met een nieuwe briljante opvatting:

“Moord is nooit goed!”

Toen de voormalig-geschiedeniscursusvolgende jongen zich beklaagde over de omstandigheden van arbeiders in Nederland en hun uitzichtloze uitbuiting verzekerde zijn vwo-vrind hem ervan dat hij zich helemaal geen zorgen hoefde te maken door de fabuleuze leus:

“Maar je hebt toch gestudeerd?”

te scanderen. Bij zichzelf wellicht vergetend dat hij daarmee de collega’s van zijn voormalig klasgenoot hun verdoeming als terecht bestempelde. Of wellicht bekommerde hij zich er dusdanig om dat hij enkel aanraadde om je aangeboren privilege te pakken en jezelf daarmee te verrijken ongeacht het leed van anderen. Een bekentenis dat de beste man zichzelf niet ziet als burger, maar als verhevene daarboven. Dat hij wezenlijke waarde heeft gehecht aan zijn abstractievermogen en die vervolgens boven de mensen heeft geplaatst die zijn wandelgangen hebben gemaakt. Dat hij niet redeneert uit empathie, maar zelfbehoud.

Then again, wat kon je ook nu écht verwachten van iemand die misselijkmakend ostentatief gelijkwaardigheid predikte maar het niet schroomde zijn Christelijke achtergrond te gebruiken om een baan te bemachtigen als leraar; ook al praktiseerde hij niet en kostte dit de aspirerend moslimdocent zijn of haar kans op een baan door een bevoorrechte blanke smoezenpoes. Wat kon je nou écht verwachten van iemand die gendergelijkheid naar binnen stampte met het elan van een aanrander maar die zijn waffel niet gesloten kon houden toen een mattie van hem nagellak droeg, of een jurk. Wat kon je nou écht verwachten van iemand die zichzelf te lelijk vond voor een foto, maar vervolgens wel luidkeels zijn voormalig klasgenootje belachelijk maakte om het onfortuinlijk opschorten van zijn haarlijn? Die bij gebrek aan een token black friend maar BIJ1 stemde. Wat kon je nou écht verwachten van de zolderkamercommunist die nog nooit iets had geproduceerd? Van een pseudo-revolutionair die zei zó boos te zijn dat hij hoopte dat zijn kinderen er iets aan zouden gaan doen. Wat kon je nou écht verwachten van die mensen? Rechtse zielen begraven in feel-good-studentenpraat. Pro-egaliteit totdat puntje bij paaltje komt en dan toch lekker comfortabel blank.

Te slim om zich onwetendheid te beseffen. Te trots om te kunnen leren.

Toen de voormalig vriend van de ex-cursist zijn tekst las moest hij hevig ademen, een paar keer op tafel stoten en vervolgens lachen.

‘Jezus, man. Wat een woede. Nuja, het is je eigen keuze. Ik wil helemaal niet zeggen dat ik beter ben, ik probeer aan te kaarten dat je bezwaren te verhelpen zijn als je inzet wat je bemachtigd hebt gedurende je leven, namelijk een diploma. Of je het nou leuk vindt of niet, het is íéts waard. Dus misschien ben je helemaal niet zo machteloos als je denkt. Of is dat een te enge gedachte voor je? En dan nog iets. Je veinst een trots op je carrièrekeuze, maar vervloekt de omstandigheden ervan, ook al was je bekend met die omstandigheden voor je begon. Jij maakte óók grapjes op je studie over de maatschappelijke nutteloosheid ervan en het karige banenperspectief. Jij wist óók dat laaggeschoold werk ondergewaardeerd werd in monetaire zin. Maar je neemt geen actie om je omgeving te veranderen, dus overkomt het je allemaal maar gewoon. Jij banjert onbekommerd en doelbewust op een dwaalspoor, maar raakt dan ieder half uur weer overstuur omdat je de weg niet weet. Als je het allemaal echt zo goed begrijpt en jij echt zo’n leidend voorbeeld bent die vingers durft te wijzen naar zijn naasten, ga er eens iets aan doen dan. Durf dan maar eens op te staan. Misschien zijn andermans fouten dan niet het belangrijkste dat gaande is in je leven. Echt, Jezus, man. Ik dacht dat we vrienden waren. En vergeet trouwens niet wie je fucking lamp heeft opgehangen omdat iemand te inept was een paar draadjes te koppelen, meneertje elektricien in spé.’

‘Als ik je vriend niet was had ik dit niet kunnen zeggen. Maar fair enough. Watergate?’
‘Weer zoiets waar je nog nooit in hebt gewonnen, of wel?’
‘Shut the fuck up, bro. Pak de doos.’
‘Heb je jonko mee?’
‘Ja.’
‘Noice.’

Psychologie

‘Dus u heeft last van uw hoofd?’
‘Joa, joa. Is echt lastig de laatste tijd. Ik word wakker maar dan voel ik geen enkel verlangen om uit bed te komen zeg maar, kwil gewoon in janken uitbarsten.’
‘Ah, kunt u misschien iets meer vertellen over wat u precies voelt op dat moment?’
‘Zenuwen. Een plichtsbesef, maar radeloosheid met betrekking tot welke plicht. Bevriezing van de geest. Een uitzichtloosheid van het grote plaatje der mensheid en mijn rol daarbinnen zeg maar.’
‘Hoe bedoelt u dat? Wat is uw rol daarbinnen?’
‘Nou die moet je zelf ontdekken als mens denk ik, maar ik heb geen zin om op speurtocht te gaan naar betekenis in een wereld op de rand van de afgrond gebracht door handen gelijk aan de mijne.’
‘Betreffende het klimaat bijvoorbeeld?’
‘Bijvoorbeeld. Ik kan niet anders dan mijzelf zien als onderdeel van een kosmisch virus. De mens als een ziekte. Het voelt niet als een gemeenschap, maar een martelkamer.’
‘Voelt dit ook als een martelkamer?’
‘Nee, dit voelt als de ziekenboeg voor psychisch afvalligen en iedereen die door zijn mentale hoeven zakt door het geweld daarbuiten.’
‘We proberen mensen te helpen hier.’
‘Is dat zo? Volgens mij heeft de staat gewoon geen zin om levenslang voor me te lappen dus pleuren ze wat hooggeschoolde burgerproblemenkenners ertegenaan om toevallig een chemisch antwoord te bieden op al die door-de-huidige-maatschappij-aangedreven stoornissen. Wat toevallig ook hè. Dat je precies zo’n groep hooggeschoolde mensen zonder noodzakelijke levenservaring of menselijk inzicht in een stoel flikkert en dan doet alsof zij de oplossingen bezitten tegen de kwaal van het moeten leven in onze wereld.’
‘We hebben van alles geleerd over zo veel mogelijk mensen, om beter te kunnen begrijpen.’
‘En ik heb het hele oeuvre van Flaubert gelezen. Wat is je punt? Het is een verspilling van geld. Wat the fuck weet jij van mij, pik? Ben je in elkaar geklapt vroeger? Heb je ooit écht je eigen leven willen nemen? Wat wéét jij? Wat heb ik aan een yuppie wiens visie op de wereld waarschijnlijk eentje is van een zonovergoten traject van vooruitgang met hier en daar een noodzakelijk tegenstootje? Jij hebt waarschijnlijk een huis. Misschien zou dat je advies moeten zijn: Just don’t be poor, lol. Heb je niet wat valutazopam hier ergens liggen? Desnoods een zetpil, ik ben de wanhoop nader, broeder. Hoor je? Ik zou tegen mijn wil in dingen in mijn kontje stoppen om te kunnen ontsnappen hieraan, dokter. En ik ben opgevoed in Nederland hè, homo zijn is vies en vernederend. Moet je nagaan.’
‘Nou, ik weet niet veel, dat wil ik ook niet pretenderen, maar ik kan je leren kennen door middel van gesprekken en observaties maken. Ik leer nu ook veel over je.’
‘Zoals?’
‘Je bent redelijk vrijpostig, je hebt een sterke mening, je bent vaardig in het uiten van jezelf in taal, je voelt je afgezonderd van anderen en twijfelt veel aan het nut van leven. Je probeert een doel te vinden voor jezelf waar je in kunt geloven. Betekenis is erg waardevol voor je in het bepalen van je beweegredenen. Maar het kan ook iets zijn waar je achter verschuilt.’
‘Hoe dat?’
‘Jij bepaalt de waarde, en je moet waarde creëren. Je motivatie laten varen aan de hand van andermans dwaasheid kan zowel een terechte vorm van kritiek zijn als een excuus om het niet te hoeven proberen.’
‘Leuk, man. Laat me even een dagboek schrijven en een moestuintje beheren, dan ben ik binnen de kortste keren dolgelukkig met de overige 55 uren van mijn week waarin ik aan het forenzen, werken of pauzeren ben.’
‘Dan kun je misschien zoeken naar een ander carrière?’
‘Ay! Genius! Het is ook zoveel leuker om post te bezorgen dan broodjes te draaien. Het is natuurlijk mijn fout dat ik altijd bij zo’n ongezellig magazijnwerkersteam zat. Ik negeer ook altijd die mailtjes waarin staat “Versloot! Ben jij onze nieuwe kassamedewerker?! Leuk bedrijf!”, dat is helemaal mijn schuld natuurlijk. Heb je daar misschien een mantra voor dat ik een betere baan kan krijgen? Het liefst iets met genoeg geld voor een huis. Vind ik wel leuk. Mensenrechten enzo. Voelen dat ik een waardig leven mag leiden en niet weggestopt wordt in de mierenbarakken. Maar dat snapt u niet natuurlijk.’
‘Ik ben niet je vijand hier, Laurens.’
‘Niet? Ik ben doodongelukkig en kankerkwaad en de staat zegt dat ik dan naar jou moet komen om dat te verhelpen. Wat grappig is want de staat is de reden dat ik doodongelukkig en kankerkwaad ben. Dus mijn martellaar stuurt me naar een door-de-martelaar-gedoogde-diplomabezitter om me te vertellen dat de zweepslagen veel beter te verdragen zijn als ik tussendoor wat tijd neem om van de wolken en de bomen te genieten. Jij komt van het instituut opgezet en gefortificeerd door precies datzelfde wezen dat verantwoordelijk is voor mijn erbarmelijke toekomst, en met mij miljoenen land/wereldgenoten. Dus ik zie je weldegelijk als een vijand.’
‘Ik ben geen ambtenaar hè? Ik werk niet voor de staat.’
‘Nope, maar ik kan mijn buurvrouws goede raad niet declareren bij de zorgverzekering, of wel? Zelfde als chiropractie. Er is geen opleiding voor in Nederland, dus het is niet erkend, dus niet standaard vergoed. De psychische hulp die we krijgen is voor 90% exclusief getest op opgeleide westerse studenten, wordt geleverd door opgeleide westerse studenten en is ontworpen voor opgeleide westerse studenten. Als je in nazi Duitsland had geleefd was je praktijk gericht op het verzorgen van overbelaste kampbewaarders. In China sta je waarschijnlijk Oeigoeren te overtuigen dat ze eigenlijk helemaal geen moslims zijn. Je bent geen breingenezer, je bent een symptoom van het probleem. Je bent hier om ons te optimaliseren. Niet om ons te helpen. Je bent net zo goed onderdeel van de machine als de huisbazen.’
‘Maar ik heb wel het doel je beter te maken.’
‘Beter dan wat?’
‘Dan hoe je je nu voelt.’
‘Ga je de wereld veranderen?’
‘Nee.’
‘Dus je gaat me laten vergeten, of dusdanig drogeren dat het me überhaupt niet meer kan schelen?’
‘Hopelijk kan ik je ermee leren leven. Met het doel je terug de samenleving in te brengen met plezier.’
‘Wat betekent dat ik weer aan het werk kan. Meedoen aan de maatschappij betekent “werken voor belasting die niet naar jouw belangen gaat.”‘
‘Het is niet alleen werken. Hopelijk kun je daarnaast ook een vervullend leven leiden.’
‘Oh oké sorry, je bent hier ook om me te vertellen hoe ik mijn zaterdag kan opfleuren. Jullie hebben wél nut, het spijt me. Nou kom maar op met die pillen dan, maat.’
‘Deze pillen zijn niet de volledige oplossing hè?’
‘Nee, maar dat is niets behalve zelfmoord, maar daar zit je dan weer tégen te adviseren. Heb je wel eens iemand gehad die binnenkwam en dat je dacht: “Ja, doe maar. Is misschien beter?”.
‘Nee.’
‘En wat zegt dat denkt u over uw inherente aannames? Het leven is het waard, het kan altijd beter worden, het moet beter worden. Het is te verhelpen met gelul en chemie. Je bent een waardeloze psycholoog. Je snapt het niet.’
‘Zou het helpen als ik wél misbruikt was vroeger? Als ik wél suicidaal was?’
‘Yep.’
‘Hoezo?’
‘Laat maar, dude. Ik ga naar huis, rukken en een wandeling maken. Dat doet meer voor me. Mocht je me op het nieuws zien weet dan dat je me geholpen hebt door me in te laten zien dat het leven werkelijk hopeloos is en de dood beter. Veel plezier met je tuin.’

Laurens fietst naar huis en planned direct een sessie met de volgende psycholoog. Misschien hielp dit dan tóch.

De sociale constructielieden

1

Het is kwart voor zes. De vogels zijn in Afrika en niet te horen vanaf hier. Donny schrikt wakker onder het geluid van de ontsluimeringsjingle die nog geen twee seconden na het trillen van zijn telefoon haar intrede maakt. Hij slaakt een zucht en maakt zich klaar voor het dagelijkse dilemma: Nog een paar minuten het comfort van zijn deken, of de garantie van een fatsoenlijke douche? Zijn vederen laken is niets minder dan elysisch, maar hij kan er niet tegen om zijn ontspanning te moeten nuttigen met haastgevoelens, dus hij staat spoedig op en strompelt naar de badkamer. 

De tijd die het water nodig heeft om op te warmen besteed hij aan het legen van zijn blaas. Vervolgens kijkt hij in de spiegel. Niet slecht. Hij steekt zijn hand uit om de temperatuur te meten, port zijn schouder onder de centrale straal en draait in een kwieke beweging zijn lichaam om zo snel mogelijk bedekt te zijn in warmte. Het is heerlijk. Hij kan zich zelden zo ontspannen. 

2

De eerste bus is rustig en stopt vlak voor zijn huis. De enkele mensen die er zijn steken hun hand uit, gaan geduldig op de stoep staan en vormen een nette rij naast de voordeur. De tweede bus doet Donny reflecteren op de aard van de mens. Deze bus heeft namelijk meer reguliere reizigers dan zitplaatsen. En de reguliere reizigers weten dit. De reguliere reizigers weten óók dat ze allemaal naar het industrieterrein aan de andere kant van de stad gaan en er het komende kwartier niemand uit zal stappen. Er is hier geen rij. Geen voordeurregel. Geen beleefdheid. Het is overleven. Dan maar een klootzak; je zit ten minste. De bus komt aan en de horde drukt zich tot de rand van de stoep op de plaats waar zij denken dat een deur gaat eindigen. Donny doet er niet aan mee, maar wordt wel boos op de mensen die dat wél doen en daardoor neemt hij stiekem tóch deel aan het schouwspel. 

Hij is de laatste die uitstapt. Een korte tien minuten scheiden hem van de zaak. Hij kijkt naar de maan, zoals mensen al miljoenen jaren doen, en realiseert zich dit, wat hem blij maakt. Er is een gebrom te horen aan zijn zijde en hij beseft zich al snel dat dit de auto van zijn collega is die hem de laatste driehonderd meter wel een lift wilt geven. Hij stapt in, stapt uit, opent de voordeur en loopt linea recta naar het koffiezetapparaat.

3

'Zwart of bruin?'
'Kun je niet beter puur of met melk vragen?'
'Bespeur ik wat racisme daar?'
'Wat, nee, ik probeer juist bewustzijn te creëren.'
'Door rassenproblematiek aan te kaarten wanneer ik je een bak pleur wil schenken?'
'Door te letten op ons taalgebruik, zodat we niemand kwetsen.'
'Dus noem je zwarte koffie maar "puur"? En bruine koffie "Met melk"?'
'Ja, dat is toch netjes?'
'Nouja, als we dan toch al op de etnotrein zitten, is dat niet een tikje grof? De zwarte "púúr", onverstoord, wild, niet geciviliseerd, de andere bruin omdat er melk aan is toegevoegd. Melk, een product dat pas bestaat vanaf het moment dat men boeren gaat. Een product van samenleving, verfijning? Weet je wel niet hoeveel slavenmeesters hun onderdanige lichamen gebruikten om bruine kinderen mee te maken? Zou je daar ook zeggen dat er gewoon "wat melk" bijgegoten is? Wil je nog wat koloniesuiker om het een extra zoet verhaal te maken? Jij naar mens.'
'Nou, Jezus, man, ik wilde gewoon even wat aandacht richten op onderdrukking. Is toch niks mis mee?'
'Jezus, man!? goedheilig aandacht voor onderdrukking vragen en Jezus zeggen in dezelfde zin? Hoeveel zielen zijn er geradbraakt voor die armzalige timmerman? Ga zeep pakken voor die waffel van je. Aandacht voor onderdrukking. Bah. Wat ga ik leren over onderdrukking door jouw semantische krampachtigheid?'
'Ja dat is echt precies wat een blanke man zou zeggen natuurlijk. Doe maar weer alsof je dom bent.'
'Wederom, racistisch.'
'Maar dat is niet eerlijk, want de witmang heeft racisme, iets dat niet echt is, echt gemaakt, en nu mag je ineens niet meer doen alsof racisme echt is gemaakt, ook al zou het dat niet moeten zijn.'
'Wacht. Nog een keer, 'tis vroeg.'
'Blanke mannen doen soms echt dingen omdat ze blanke mannen zijn, ook al betekent dat niet dat alle blanke mannen zo denken. Maar als we dat niet kunnen adresseren zonder dat iedere bleekhuid op de teentjes is getrapt kunnen we daar geen verandering in brengen, of wel? Dan predikt de slavenmeester anti-racisme en verschuilt hij zich vervolgens alsnog achter zijn pigment.'
'Maar de benadrukking houdt het eveneens in stand.'
'Dat is het grote dilemma van onze tijd, makker.'
'Dus wil je melk of suiker in je koffie?'
'Nah, geef me gewoon een goeie mok negerbonen.'
'Dát helpt wel in het streven naar je egalitaire utopie denk je, ja?'
'Hoe sneller we erom kunnen lachen, des te sneller we het achter ons kunnen laten, ben ik bang.'
'Ik vrees dat humor enkel beledigend werkt tegen het decor van wezenlijke oneerlijkheid.'
'Nou een loonsverhoging zou daarom ook geen kwaad kunnen lijkt me.'
De rest van de lui sjokken naar binnen, mopperen een "Mògge" eruit en nemen plaats aan de harde plastic tafel in het midden van de kantine. Ze moffelen nog wat af over het metselen van vertrouwen in perifere gebieden, diasporapsychologie en het aanspijkeren van sociale raamwerken eer ze hun broeken ophijsen, riemen aanspannen en beginnen te waggelen richting de loods.
'Motte we de mc4 nog aanvullen of?'
'Kan nooit kwaad om even te kijken.'
'Nee dat snap ik, maar ik denk ik vraag het voor de zekerheid, scheelt toch alweer tijd. En tijd is leven.'
'Maar zintuigelijke observatie kan geen garantie bieden van een adequate empirische standaard.'
'Daarentegen heeft mijn observatie geen nut in een vacuüm, dus zal hij gedeeld moeten worden eer het een werkbaar fenomeen kan zijn voor ons onderlinge verbond.'
'Vandaar communicatie als ruimtelijke brug tussen onze afgescheiden breinen.'
'Ai, maar laten we niet weer over de feilbaarheid van communicatie hebben, het internet heeft nog vele uren mee kunnen genieten van mijn opgekropte meningen vorige week. Jullie hebben me echt een beetje gek gemaakt hoor.'
'Je maakt jezelf gek, makker. Daar hoeven wij weinig voor te doen.'
Een groot stuk aluminium rails zwenkt en bungelt boven brede schouders en vindt zijn weg naar het imperiaal dat bevestigd is op het dak van de bus. De RSS beslaat de ene helft, de uitschuifladder de ander. Forklifts en heftrucks glibberen behendig door de stellages om iedereen van zijn desbetreffende pallet te voorzien. Platkopschroevendraaiers, toeloes, twee-tot-zeskwadraat kabels, aardeoogjes en tie-wraps worden vergaard onder het kabaal van house muziek. 
'Nog ff liffie erachter en dan kennen we, nie?'
'Joa, joa. Hoewel ik nog even naar binnen ren voor een laatste bakkie. Jij?'
'Neuh, dankje, anders ben ik zo weer de halve dag aan het sproeipoepen.'
'Slappe darmen heb je ook.'
'Met dank aan mijn vriend ja.'
'Nouja, zolang je het maar gewillig ondergaat.'
'Oh jawel hoor, dat wel.'
'Gelukkig. Nouja, dan maar een bakkie pleur minder hè.'
'Ja, je mot er wat voor over hebben.'

4
De loods maakt plaats voor het teer dat na enkele T-splitsingen en opritbochten een snelweg wordt. De kolonne van rode kofferbakogen dendert voor ze uit terwijl de witlichtlampen links van ze blijk geven van tegenliggers. Rechts van ze komt gestaag de zon in zicht. Stralen van de dageraad kleuren weilanden omringd door sloten en onthullen schapen en koeien die grazen en loeien. In de verte raast de eerste blauw-gele burgerrups van de ochtend, evenredig aan de autobaan. Wolken drijven haast decoratief boven de polderdelta en beloven weinig onheil. Vrolijke licks en riffs van The Smiths vergezellen hen door middel van een blauwe-tand-verbinding. 
'Het land ligt er mooi bij.'
'Het is een mooi land.'
'Een mooie aarde.'
'Zeker.'
'Het is meer dat je "Een land" zei, maar het is gewoon aarde natuurlijk.'
'Gewóón aarde? Administratief opgedeelde aarde voor het vergemakkelijken van monetaire distributie en het verzegelen van een geweldsmonopolie tegen druk van buitenaf om de historische ketting van geweld voort te zetten en te beteugelen bedoel je? Het is niet zomaar uit de lucht komen vallen, hè.'
'Nee, oké, maar een verklaarbaar verleden hoeft geen reden te zijn voor een gebrek om te willen veranderen.'
'Dus wat wil je daarmee zeggen?'
'Misschien moeten we zo min mogelijk proberen te praten over landen, en ons meer richten op onze gedeelde grond waar we, ongeacht de woorden van grootgrondbezitters en generaals, allemaal even veel recht op hebben.'
'Gewoon doen alsof het niet bestaat? Moeten we niet juist de zwaktes van het systeem blootleggen bínnen het systeem, om het zo langzaamaan te ontmantelen?'
'Waarom denk je dat de VN een veiligheidsraad heeft van vijf supermachten?'
'Ik neem aan dat je niet wacht op mijn oprechte antwoord, maar er al eentje klaar hebt liggen.'
'De zwakte van het systeem is reeds bekend. Het is geen mysterie meer. Mensen zijn zich er al dusdanig bewust van dat het een cliché geworden is er nog over te spreken. Maar toch proberen veel partijen het om die algemene onvrede te herleiden in hun ideologische baan. Mocht je echter echt iets willen veranderen, dan is er altijd een veto die nee zegt. Heb je ooit van Israël gehoord?'
'Oh nee, hier gaan we weer.'
'98% van de wereld stemt tegen de ontmenselijking van Palestijnen en hun systematische uitmergeling binnen kamp Herzl Ben-Gurion. Iedereen is zich bewust. Niemand gaat iets doen.'
'En jouw ontkenning van landen gaat dit probleem wél verhelpen?'
'Nee, ik leef nog geen honderd jaar, dus zoiets ligt buiten mijn bereik. Maar kunnen we het er op zijn minst over eens zijn dat deze onzin nooit was gebeurd, hadden er geen fantastische bevolkingsclaims op een kuststrook van de Middellandse Zee bestaan?'
'Ja what if, what if, als het anders was dan was het anders.'
'Maar dit is nog steeds de drijvende factor achter het hele grapje, omdat iedereen doet alsof het op waarheid gebaseerd is. Landen bestaan door geweld, perpetueren zich door middel van geweld, maar moeten als entiteiten geweld schuwen om nog in aanmerking te kunnen komen voor een menselijkheidsmedaille. De democratie is niets behalve het grootkapitaal dat zich verschuilt achter de instemming van een misleid volk. Ook al zijn we in principe wijs, rijk en gevorderd genoeg om iedereen in hun basisbehoeften te voorzien. Er is geen noodzaak meer tot landen. Het zijn uit de kluiten gegroeide plantages in een tijd die zegt voorbij slavernij te zijn.'
'Zo zeg jij, zo zeg jij. In ieder geval zijn we op locatie beland. Dus genoeg over Israël en de slaven, laten we aan de slag gaan.'
De buurt waar ze aankomen hebben ze vaker gezien. In andere steden. Het was de lieden jaren geleden al opgevallen dat Nederland bestond uit vrij identiek opgebouwde barakkenkolonnes die als onderdeel van een copy-pasta-planologie door het land waren gekwakt en moesten fungeren als woonwijken. De gegoede burgerij beschikte zo nu en dan nog over architecturale autonomie, maar klootjesvolk woonde in kluitjeswoningen als dit. Identieke rijen van bakstenen bouwpakketten om een modaal leven in uit te zitten. Omringd door de rest van het bevoorrechte gepeupel dat een heus huis kon veroorloven. De lieden zelf mochten God op hun versleten knieën danken dat ze een flatje hadden om hun hoofd ten ruste te leggen, maar dat deerde ze niet om iedere dag eerder op te staan dan de huizenbezitters en harder te werken dan zij bereid waren te doen. 
Ze parkeren de bus voor het huis, groeten de stratenmakers aan de andere kant van de weg en bellen aan.
'Mogge mevrouw, wij zijn de monteurs. Mijn naam is Koen.'
'En ik ben Donny.'
'Goeiemorgen, mannen! We verwachtten jullie al inderdaad. Zal ik maar wat koffie inschenken alvast dan?'
'Nou, weet u wat, dat klinkt me dan wel lekker na zo'n lange rit.'
'Of niet, dat hebben we wel verdiend denk ik dan.'
Het huis is van binnen wittig geschilderd, met rechte lijnen in het keukenmeubilair en glanzend granieten bladen die fruitschalen en osmosemachines ondersteunen. Er hangt een asbtract schilderij dat door een kennis is gemaakt en twee i-pads liggen gebruiksklaar naast de hoekbank. 
'Hebben jullie iets erin? Melk, suiker?'
'Beide graag, dank u.'
'Voor mij graag een theetje.'
'Ah, ook een goede keus. Wat wil je? Ik heb rooibos, sterrenmunt, earl grey...'
'Rooibosje klinkt goed.'
'Willen jullie misschien een koekje erbij?'
'Mevrouw, het is alsof u mijn gedachten leest.'
'Zeven!' Roept de vrouw ineens.
'Hm?'
'Dat is het getal waar je aan zou hebben gedacht als ik je had gevraagd om aan een getal te denken.'
'Wow...'
'Ja... Eng hè?'
'Eng durf ik niet te zeggen over dat wat ik niet begrijp. Maar opmerkelijk was het zeker.'
'Ik heb mokkakoekjes, kano's en bastognes. Enige voorkeur, of zal ik het allemaal opschotelen?'
'Joah, stuur maar door hoor, dat komt wel goed. Heerlijk.'
'Há, ja ik kom zelf uit Limburg, en mijn ouders hebben me vroeger geleerd: wees altijd goed voor werklui als je ze over de vloer hebt. Die hebben het nodig.'
'Ja plus als je het niet doet dan slopen ze je huis en jij kunt het zelf niet maken natuurlijk.'
'Ja precies, haha.'
'Veel werklui in Limburg?'
'Niet meer, maar vroeger wel. Voor de mijnen dichtgingen,' zegt de vrouw met wat treur.
'Al die stoflongen en kankergezwellen zodat de rijken lekker heen en weer kon tjoeken in hun treintjes en hun paleizen warm konden houden,' moppert Koen.
'Wat een helden, die koempels,' vult Donny hem aan.
'Haha, koempels zelfs! Je weet ervan?'
'Ik heb er wel wat over gelezen een keer. Limbabwanen zijn voor Hollanders een beetje wat de Apalachianen zijn voor de Yankees.'
'Juist...'  
'Rijkemansbrandstof. Weg-te-gooien lichamen en levens van minderwaardige armoedzaaiers.'
'Oh...'
'Ja, ook tekenend dat we ze eerst kapot hebben gewerkt, toen hun werkplaatsen hebben gesloten zonder ze fatsoenlijk op te vangen of om te scholen en ze nu belachelijk maken als achterlijke criminele accenthebbende quasi-belgen. Het is makkelijk om af te geven op het gepeste kind, of niet? Arme provincie dat.'
'Nou, je zegt het wel sterk, maar ik moet je wel gelijk geven ook hoor. Mijn familie had wel een paar mijnwerkers erin, en die tak is toch wel echt achteruitgegaan sinds het sluiten. Veel drugs.'
'Het medicijn van de uitzichtloze wanhoop.'
Het is stil. Er worden koekjes gehapt. Slokjes genomen. Voeten gestoot. 
'Dus ehh. Hoe lang doen jullie dit werk al?'
'Ik nu een jaar of tien.'
'Jaartje.'
'Jullie moeten het wel druk hebben.'
'Zeker, zeker.'
'Weinig vaklui op het moment of niet?'
'We speuren alles af op zoek naar fatsoenlijke handjes.'
'Dat kan ik me wel voorstellen ja.'
'En u? Wat doet u zoal in het dagelijks leven?'
'Ik werk in het ziekenhuis. Op de IC.'
'Ah, dan zult u alles weten van een gebrek aan personeel.'
'Breek me de bek niet open.'
'Alle dankbaarheid voor de zorghelden behalve financiële compensatie of hoognodige vakantiedagen.'
'Nee, geld lost helemaal niets op in die situatie, Donny. Kop op, twee minuten applaus die je niet hoort omdat je tot je nek in de beademingsapparatuur staat is wat een mens nodig heeft om te kunnen leven met uitputting en chronische onderwaardering. Wat gaat een paar duizend euro daaraan veranderen?'
'Dat is het 'm hè? Jullie geven te veel om jullie werk, en zonder jullie sterven er mensen, dus kunnen ze je tot het uiterste drijven op het absolute minimale. Ga jij mensen laten sterven omdat je een paar honderd euro per maand meer wilt? Een paar honderd euro? Is dat een mensenleven waard? Vindt jij dat ja? Dat is wat je zegt door te staken. Ik ben gierig en mijn patiënten kunnen me niet schelen.'
'Precies,' knikt de vrouw.
'Wat ironisch is omdat de heiligheid van het leven en de nobiliteit van genezers via die argumentatie zowel de reden is dat je meer zou moeten krijgen als de reden dat je niet mag klagen over je erbarmelijke omstandigheden.'
'Er is niet genoeg geld zeggen ze dan.'
'Yep. En in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië was Indië "de kurk waarop Nederland dreef". En toen de Amerikaanse slavenhouders werd gevraagd of ze even wat minder inhumaan wilden doen was dat onmogelijk omdat "King Cotton" anders in zou storten. Er is schijnbaar nooit genoeg geld, ook al hebben een paar lui de helft van de welvaart in hun klauwen. Wat het eigenlijk betekent is "We kunnen niet eerlijk zijn want god behoedde ons straks zijn we nog gelijken in een wereld gereserveerd voor massa-exploitatie".'
'En dan hebben we het in Nederland nog goed,' knikt de vrouw.
'Helemaal waar, maar laat me u vragen, hoeveel heeft u betaald voor onze werkzaamheden vandaag?'
De vrouw kijkt een seconde bedenkelijk, maar een zeker vertrouwen doet haar antwoorden.
'Drieënvijftighonderd.'
'En dan te bedenken dat wij hier ongeveer een dagje bezig zijn. Met een beetje geluk zijn we met een uurtje of zes zelfs al klaar.'
'En moet u gokken hoeveel wij daarvoor vangen.'
'Driehonderd?'
'Tachtig.'
'Driehonderdtachtig?'
'Nee. Tachtig.'
'Maar al het materiaal zal ook wat kosten, niet?'
'Yep. Maar geen drieënvijftighonderd. Er moeten heel veel mensen mee-eten van ons werk.'
'Ook wel logisch, er moeten afspraken gemaakt worden en verkopen gemaakt natuurlijk.'
'Natuurlijk? Zo zie ik het niet. In mijn optiek hebt u een huis en moest daar iets aan gebeuren. Daarom zijn wij hier. Omdat wij kunnen uitvoeren wat er mot gebeuren. Er is een noodzaak en een oplossing, dat zijn jij en wij. Ons marketing en verkoopteam zorgt er alleen maar voor dat iemand anders profiteert van ons ergens heensturen. Dat het onze baas is in plaats van een andere baas die profijt opstrijkt van ons arbeid. Om nog niet eens te beginnen over flexwerkbureaus.'
'Maar jij kiest er ook voor om in loondienst te gaan, niet?'
'Dat is waar, daar heeft u gelijk en deels draag ik ook verantwoordelijkheid voor mijn situatie, maar toch heb ik het idee dat we de samenleving an sich veel beter in zouden kunnen richten om deze problematiek te omzeilen.'
'Hoe dan?'
'Door ons te richten op het verrijken van de mensheid in het geheel in plaats van het individu. Mensen hebben recht op een huis en huizen behoeven onderhoud. Niemand hoeft te profiteren van deze noodzaak behalve de mensen betrokken bij het oplossen van het probleem. Tuurlijk, als je dit nationaal regelt heb je nog steeds een administratief team nodig of een algoritme met IT-ers om te zorgen dat klachten en wensen ook werkelijk terechtkomen bij werklieden, maar dat is een fractie van de lui die nu achter een bureau zit. Er zijn zoveel onnodige lagen vet op het varken gegroeid dat duizenden mensen hun tijd verspillen met onderling bikkeren over aanbestedingen die aan het eind van de dag sowieso uitgevoerd moeten worden.'
'Klinkt een beetje communistisch.'
'Als dat het is dan is dat het. Ik probeer iets eerlijks te bedenken, het kan zijn dat het al een naam heeft.'
'Ik heb wel wat fooi voor jullie straks anders. Om de welvaart een beetje te herverdelen.'
'Nee, nee, dank u, dan zou ik me een schooier voelen. Ik wilde mijn gedachten en frustraties kwijt, geen speciale behandeling vanwege mijn vermeende zieligheid.'
'Hij is een trotste knul hè, die Donny,' lacht Koen naar de vrouw.
'Ik snap het wel hoor. Jullie doen werk waar de meeste mensen te belabberd voor zijn, maar jullie zijn degenen die onderbetaald krijgen. Het is ook gewoon oneerlijk.'
'En dan wel het lef hebben om te vragen of wij in het weekend ook ff wat komen sleutelen bij hen thuis als er iets mank is.'
'Hebben ze dat alwéér gedaan, ja? Há!'
'Ik ga toch ook niet hen in het weekend vragen om ff mijn belastingaangifte in te vullen, of mijn tante te bellen? Maar als er iets kapot is in huis dan kennen zij wel een mannetje hoor. Eerlijk, Don, ik doe het met liefde hoor, maar soms...'
'Maar goed dat wij minder belabberd zijn dan die kantoorzwammen dan.'
'Gelukkig wel.'
'Zullen we dan maar, Don?'
'Joa, is goed.'
'Hartelijk dank voor de versnaperingen, mevrouw.'
'Nou graag gedaan hoor, jongens.'
Ze stappen in hun stalen neuzen en baggeren naar buiten. De tegelmeppers zijn enkele meters verder. Biceps als bovenbenen, nekken breder dan stieren. Schuin tegenover zijn nu ook een paar timmerlui begonnen aan hun klus. 
'Da's wel interessant eigenlijk hè, Koen?'
'Wasdà?'
'Dat het beroep pooier eigenlijk enkel bestaat bij gratie van andere pooiers.'
'Pooiers zijn de staat van de hoeren.'
'Ja, precies ja. Je hebt een prima bron van inkomsten die volledig in jouw beheer ligt, maar vanwege het gevaar van verkrachters behoef je een exploitant die in ruil voor jouw harde werk zichzelf een comfortabel leven verschaft drijvend op de zielige waarheid: "Als ik niet zo'n verkrachter was, dan was je allang verkracht."'
'Uh-huh,' neuriet Koen.
'Uitzendbureaus zijn pooiers. Ze bieden je als makkelijk af-te-danken sletje aan bedrijven aan, doen vervolgens geen ene mallemoer meer, maar rooien wel wettelijk bepaald minimaal jouw salaris iedere maand. Je lichaam wordt gewoon gezien als tandwieltje. Er lopen anderhalf miljoen van die hoertjes rond in Nederland. Wist je dat? Anderhalf miljoen. Dat zijn een hoop hoertjes, of nie, Koen?'
'Mannen ontlenen hun bestaansrecht aan het bestaan van andere mannen tegen wie beschermt dient te worden.'
'Waardeloos geslacht eigenlijk hè.'
'Eigenlijk wel, maar dat is nu eenmaal de weg naar voortplanting, en uiteindelijk kennen we hoog springen laag springen, maar bevrucht worden willen vrouwen vroeger of later vaak wel, en de helft van alle huwelijken houdt stand, dus volledig waardeloos kunnen we niet zijn.'
'En sommige mannen vallen ook op mannen.'
'Dat ook.'
Koen grijpt de hendel. Het klikt en beweegt. De schuifdeur aan de zijkant van de bus vliegt naar achter. Gereedschap en andere benodigdheden worden gepakt en uitgestald in de voortuin. Easy-rollers voor kabeltrajecten, reciprozaag, haakse slijper en een bosmaaier voor opstandige overwoekeringen die toegang tot de kruipruimte kunnen hinderen. Op het dak van de wagen staat Donny te dansen tussen de treden van de ladder. Hij ontknoopt de touwen en verlost de valbeveiliging van zijn houdgreep. Hij tilt een poot op, draait hem boven zijn hoofd en kantelt hem over de rail richting zijn collega die op de grond staat.
'Zet ff die radio alvast aan dan, Koen.'
'Joah, joah, rustig aan, jonk. Ik kan ook nog wel even een paar minuten zonder dat kattengejank van jou met ieder nummer waar je vaag de melodie van herinnert.'
'KOEEEEEENIEEEEEE!'
'Oh god...'
'Mijn LIEEEEFSTE Koeeeeehoehoenieeee!'
Koen kan het niet verhelpen te gniffelen.
'Mooiste Maaaaan fan me Droooohooomèèèè!'
'Is het niet "'kwil met jou alles delen"?'
'JA-LA-LAAA-LA-LA-LAAAAAALAAAAA!!!!'
'In alle eerlijkheid een prima plaatsvervanger voor vrijwel alle Nederlandstalige nummers.'
Een vuilniswagen rijdt voorbij. De werknemers knikken naar elkaar met het begrip dat motorrijders hebben wanneer ze elkaar tegenkomen onderweg. Maar dan omgekeerd, want dit is verre van de freedom of the road. 

'Ik ben helemaal niet zo blij met mijn mannelijkheid,' zegt Donny bij het overhandigen van de tweede poot.
'Wat is er mis met jouw mannelijkheid dan?'
'Weet ik niet. Het is te mannelijk.'
'Wat lul je?'
'Nou niet zo veel meer de laatste tijd dus. Want ik ben veel te mannelijk.'
'Wat?'
'Ik voel me eenzaam.'
'En je dacht 'tis dan lekker makkelijk om het op te hangen aan een fenomeen dat je deelt met de halve wereldbevolking?'
'Joa.'
'Knap dat je het toegeeft, sneu dat je het vindt.'
'Ik probeer er ten minste aan te werken.'
'Iets een naam geven staat niet gelijk aan werken aan een probleem.'
'Maar het kunnen identificeren van iets en het benoemen daarvan is wel essentieel voor het in kaart brengen van een probleem, en dus ook de oplossing.'
'Leuk allemaal, maar je grote bek niet kunnen houden en je fatsoen vergeten is makkelijker te verhelpen door gewoon je bek te houden en na te denken voor je spreekt dan door een cultuurhistorische dissertatie over jouw interpretatie van een fenomeen.'
'Dat weet ik nog zo net niet.'
'Oké, succes met minder mannelijk worden dan.'
De mannen koppelen de lift af, stallen de poten uit, tillen de bak op, bevestigen de pinnen, sluiten hem aan op de haspel, schuiven de arm uit, laden hun spullen, maken plaats voor de ladder tegen de goot, duwen een pan omhoog, bevestigen de derde trede aan de lat met een spanband, stappen het dak op en klimmen naar de kapel om hun welverdiende lunch te nuttigen. 

5

Af en toe ronkt de lucht om hen heen ten gevolge van bijzonder laagzwevende vliegtuigen die voorbijsuizen op weg naar het hol der schepen, wat de mannen kinderlijk in hun richting doet turen. Het uitzicht is sereen. De hemel schijnt zonder de ogen te prikken. Om hen heen strekt de stad zich enkele kilometers uit in iedere richting. Ze speuren de omgeving af met een stille glimlach en belanden uiteindelijk met hun ogen voor het huis waar ze zien dat de klinkerboeren halverwege hun project zijn. 
'Én? Wat denk je?'
'Nou, kom op, Koen, we hebben pauze.'
'...'
De mannen eten zwijgend tot de pauze zijn einde bereikt.

6
'Oké, als jij even alles uitmeet en intekent dan kunnen we zo beginnen met een prognose stellen.'
'Prima, als jij dan foto's kunt schieten hebben we ook nog iets om op te reflecteren later.'
'Ze spreken duizend woorden zegt men, dus dat kan ons een hoop arbeid schelen inderdaad. Goed idee, Don.'
'Toch merkwaardig hoe een derde-partij-getuigenis van ons bestaan zoveel los kan maken.'
'Het benadrukt zo fijn de verschillen tussen iets weten en iets realiseren.'
'Hoe bedoel je?'
'Weten is passief, realiseren is actief. We weten allemaal dat we sterven gaan, maar er is een overlijdensgeval of bijna-doodservaring voor nodig om het ons te doen realiseren. Zo ook met foto's. We weten altijd dat we zijn en dat we er zijn, maar de realisatie blijft doorgaans uit. Voor ons eigen bestwil ook lijkt me. Het leven zou vrij panisch worden als we constant volledig bewust waren van onze spirituele manifestaties en hun onvermijdbare verwelking.'
'Ja, op die manier. Ik dacht het is voornamelijk het tijdmachine-aspect dat zo'n effect geeft. De kick van een directe confrontatie met het verleden.'
'Wat is het verleden anders dan een getuigenis van het feit dat je leeft? Dat je bent? Dat iets heeft bewogen?' roept Koen naar zijn collega die halverwege het dak heftig met zijn krijtje in de weer is.
'Een fijne herinnering? Soms word ik ook gewoon blij van een foto doordat ik een bekende erop zie.'
'In essentie is dat niet anders.'
'Ja, maar in essentie kun je alles waar wij over spreken reduceren tot een vergelijkbaar fenomeen, al was het maar bij gratie van onze gelimiteerde gedachtenmachines die niet kunnen bedenken wat wij niet bevatten kunnen.'
'Ja, oké, maar vanaf die ultieme algemeenheid kun je wel een aantal divisies aan vergelijkbare werelden onderscheiden. Alles lijkt op elkaar want het is allemaal deel van dat wat wij alles noemen, maar alsnog kan ik in wezenlijke zin succesvoller overeenkomende doelen bewerkstelligen met een hamer en een baksteen dan met een droge spaghettisliert en een schoenveter.'
'Al die afbakeningen en scheidslijnen zijn echter arbitrair en ontlenen hun waarde niet aan een objectieve realiteit. Het zijn jouw regels,' roept Donny naar zijn collega.
'En ik ben geen object?' Reageert Koen boos.
'Nou, ik bedoel-'
'Probeer jij me nou te dematerialiseren hier? Word ik hier godverdomme gewoon even op mijn schijnbaar-exclusief-metaforische vingers getikt? Ontken jij mijn fysieke gedaante nou, Donny?'
Donny is een beetje geschrokken en reageert vluggetjes:
'Nee, nee, dat niet, Koen, maar ondanks onze werkelijk wereldlijke massa bezitten we ook allemaal een brein dat ons fopt te geloven in het eigen gelijk. Als we elkaar zowel in waarde willen laten als serieus nemen moeten we compenseren voor deze inherente vooringenomenheid. Vandaar dat ik subjectief en objectief gebruik. Jij bent een object, maar jouw status als object verleent je geen autoriteit als bron van objectieve kennis, aangezien ik evengoed een object ben, maar wij klaarblijkelijk niet altijd elkanders gelijk zien.'
'Daar kan ik het dan weer wél mee eens zijn,' lacht Koen hartelijk. Hij heft zijn telefoon en richt die op Donny, die de lens begroet met een grimas. 
'Willen jullie misschien nog wat koffie zo, heren?' roept de vrouw van beneden. 
'Ik behoef wel wat meer boon voor mijn loon ja. Lekker.'
'Als u het langzaam aan aanzet dan komen wij er zo aan, mevrouw!'
'Oké, tot zo!'
De timmermannen zijn hun steiger af aan het bouwen. Het moet een makkelijke klus geweest zijn. De stoepknoerten zwoegen aan hun laatste loodjes. De lieden klauteren onder de nok over de pannen langs het raam richting de goot en stappen op de ladder. 
'Wat een dag vandaag zeg.'
''Tis en blijft zwaar werk, Don. Dà mot je nie vergeten.'
'En of.'
Beide mannen staan weer met hun voeten op de aarde.
'Hé, trouwens,' Donny halt Koen voor de drempel.
'Hm?'
'We hebben nu die 4kwadraat in plaats van de zes in verband met de omvormer in combinatie met die b-16 bedacht hè, maar verandert dat dan ook iets aan de inductielus boven en hoe we dat met die patch gaan doen?'
'Wat? Nee.'
'Oh, oké.'
'Waar haal je dat vandaan?'
'Geen idee. Ik geleid gedachten en mijn mond maakt ze kenbaar, maar qua inhoud ben ik praktisch ontoerekeningsvatbaar.'
Ze trekken hun schoenen uit en kijken even in de spiegel onderweg naar de woonkamer. Donny ziet er goed uit, al denkt hij het zelf. Een echte arbeider. Hij is trots op zijn lichaam. Het lichaam dat zulk werk voortbrengt. Hij slaat een paar keer demonstratief op zijn buik.
'Daar zouden die marketingpapzakken nog een puntje aan kunnen zuigen.'
'Ze zuigen niks tenzij er suiker aanzit, Don. Dat weet jij ook.' 
'Zoetpratende gladjanussen zijn het.'
'Hé, het zijn en blijven wel mensen hè.'
'Dà's waar, ga ik ook niet disputeren. Maar soms moet ik even wat gal kwijt. Ik zou het ze niet kwalijk nemen als ze op kantoor dezelfde modder rondslingeren over ons op sombere dagen.'

De vrouw zet twee bakken pleur neer en tovert de koekjes wederom tevoorschijn. Ditmaal is er zelfs een kommetje met fruit.

'Mevrouw, zo goed behandel ik mezélf niet eens. Wat een service. Dank u.'
'Je kunt niet de hele dag teren op een broodje kaas, hè. Je moet ook denken aan je micro's.'
'U zult het weten. In dat geval pak ik wel een appeltje.'
'Ga je gang, daarom heb ik het neergezet. Wil jij ook wat?'
'Nee, dank u. Ik zit goed.'
'Ook goed. Lukt het verder een beetje allemaal?'
'Ja gaat wel lekker.'
'Hier en daar loop je wel tegen wat problemen aan op zo'n klus natuurlijk, maar het is niets dat we niet op kunnen lossen met zijn tweeën.'
'Dat is goed om te horen. Als jullie het niet erg vinden, ik ga even squashen, dan ben ik over een uurtje of twee wel weer terug hoor, maar dat jullie tot die tijd even het huis alleen hebben. Hebben jullie mij nog nodig? Of? Kan dat?'
'Oh geen probleem hoor, mevrouw. Dat komt helemaal goed. We hebben u voorlopig niet nodig, alleen aan het eind van de dag om even een krabbeltje te zetten op het opleverformulier. Maar als u zegt twee uur weg te zijn dan lukt dat wel.'
'Ah geweldig. Nou, dan pak ik mijn spullen en zie ik jullie strakjes weer.'
'Is goed, tot straks.'
'Yoo.'
De voordeur klikt dicht. Koen pakt nog een stuk appel. Donny loopt met zijn mok en een licht gevoel van bewondering door het rijtjeshuis. Zo eentje woonde hij vroeger ook in. Als kind. Met zo'n aankomsthalletje en een spiralende trap naar boven. Hij herinnert zich hoe hij vroeger vaak op zo'n trap naar zijn kamer rende wanneer het te rumoerig werd beneden. Nu had hij een enkele kamer als huis; en kon hij nergens heenvluchten wanneer hem dat even te veel werd. 
'Zo,' zegt koen tevreden na zijn laatste slok bonenbrouw. Hij kijkt naar het schilderij aan de muur en voelt iets dat hij niet uit kan drukken, maar waarvan hij hoopt dat andere mensen het ook ervaren.
'Donny!' roept hij vervolgens door het huis.
'Ja?'
'Pleur op?'
'Yeh.'
'Nog ff beunen?'
'Is dat een oprechte vraag? Heb ik een keuze?'
'Een beetje, maar niet helemaal. Je weet wat ik bedoel.'
'Kom eraan.'

De buitenlucht eist respect in de vorm van gewenning na stilzitten. Het eelt aan Donny's grote teen schuurt tegen de zijkant van zijn ijzeren klomp. De tuin is een puinhoop van jewelste. Tegenover stappen de padplakrakkers op hun dooie gemak in de bus en trekken een blik bier open eer ze optrekken en wegscheuren. Koen zwaait ze na. 

'Hey, Don.'
'Wà?'
'Als je mannen vriendelijk moet verzoeken om alsjeblieft een keer vrouwen toe te laten en ze dan na ellenlang aandringen van die vrouwen doorhebben dat ze meer winst kunnen maken door af en toe een ander chromosoompje in de etalage te zetten als schijnheilig wakkerheidssymbool, heb je dan gelijkheid bewerkstelligt of enkel de regerende elite voorzien van een nieuwe marketingcampagne en ze daarmee versterkt in hun bolwerk dat nooit gaf om identiteit, maar het enkel gebruikte als middel van divisie en exploitatie?'
'Ik denk dat tweede, maar het was niet helemaal een eerlijke vraag, of wel?'
'Ah, nee, maar ik wilde gewoon even weten of ik de vlag uit kon hangen vandaag voor hetzelfde kabinet dat na 3 keer hetzelfde doen nu toch echt anders gaat zijn omdat er meer vagina's rondbanjeren.'
'Ze worden herkozen dus ze doen iets goed zou je zeggen.'
'Als je 1/5e van een volk rijk maakt en de rest onwetend laat over de werkelijke oorzaak van hun armoede, maar ze met elkaar laat strijden om kruimeltjes van het bankiersbanket, is het niet moeilijk om als dominante partij uit de strijd te komen.'
'We hebben ten minste wel meer mokkels om naar te loeren tijdens debatten nu.'
'Ja, da's wel waar. Ze willen ook altijd hakjes dragen want da's deel van regentencultuur natuurlijk, even lang willen zijn als de man; schreeuwt gelijkheid, maar duwt ook lekker die billetjes omhoog.'
'Wat dat betreft is die hele white-man-trying-to-be-woke-man rage wel voordelig voor ons vunzige arbeiders.'
'Meer wijven bovenop ben ik nooit tegen geweest.'
'Kin geheven, tieten omhoog, kut recht. Trots. Fier. Braaf. Geil.'

De mannen genieten even van de naderende gendergelijkheid.

'Goed, als jij boven de kabels uitlegt, dan ga ik alvast wat dingen opruimen hier, want we hebben er weer eens een flinke teringzooi van gemaakt.'
'Chaos is soms noodzakelijk als contrast voor wat wij als orde ervaren.'
'Da's een mooie manier om die troep die hier ligt te verheerlijken, Don.'
'Als je geen orde had om te scheppen zou je gek worden of jezelf doodvervelen. Wees blij dat de entropie toeneemt.'
'Niemand sprak over ontevredenheid, maat. Ik doe het met liefde, maar ik erken gewoon dat het een rommeltje is en neem daarvoor dan ook mijn verantwoordelijkheid.'
'Dat is bewonderingswaardig, Koen. Dat kunnen niet veel mensen.'
'Niet veel betekent objectief niets, Don. Het is relatief aan jouw persoonlijke normering. Je wilt me een compliment geven lijkt het, en ik waardeer je intentie, maar qua inhoud sla je de plank mis ben ik bang.'
'Ik ben ook nooit zo handig geweest moet ik toegeven.'
'Gelukkig kun je met je verstand nog redelijk uit de voeten.'
'Ik wil mijzelf niet op de borst kloppen.'
'Goed zo. Doe dat ook vooral niet wanneer je op de ladder staat,' zegt Koen, terwijl hij zijn collega aan het werk wenkt.

Koen begint gestaag de ditjes en datjes op te pakken die her en der verstrooid liggen over het pittoreske gazonnetje. Op dagen als deze, zonneklaar maar naderend vorstig, beseft hij zich dat hij een zomermens is. Aangezien hij dit als rustmoment ervaart. De winter. Dit is de tijd waarin hij reflecteert op zijn ambities en prestaties. Waar hij 's ochtends wakker wordt met een gevoel van thuis. Van het kind zijn. Misschien is het dan toch de sentimentaliteit van het seizoen dat hem te pakken krijgt, denkt hij. 
Als kleine knul was dit seizoen speciaal voor hem. Hij geloofde er in. Hij was nog niet doorleefd genoeg om zich te kunnen onttrekken aan de willekeur van tijdstipverering, dus de festiviteiten waren "écht". Hij keek altijd uit naar sinterklaas en kerstmis en oud en nieuw. Hij voelde iets werkelijks in zijn borst en kon het aan niets anders wijten dan the holiday spirit, omdat hem dat geleerd was. Zo kreeg hij eind september ook altijd een injectie melancholie door een tigtal exen die hij had opgelopen tegen het einde van verscheidene zomers, om nog niet te spreken over de sensatie van mislukking bij het denken aan hoe hij uren had rondgereden op zijn fiets om maar niet thuis te komen en zijn rapportcijfers te melden aan zijn vader. Het lichaam onthield dingen, of de sterren signaleerden ze, maar iéts van dat "neppe" was écht geworden, dat wist hij wel. 

'Er is geen logische noodzaak, maar ook geen ontkomen meer aan.' 

De woorden dienen als reminder aan het feit dat er een wereld daarbuiten is en dat hij ergens mee bezig was. De achterdeuren van de bus zijn opengeklapt alsof het voertuig hem wilt omhelzen. Boven hoort hij hoe Donny de kabels uitlegt. Een kriebel plaagt zijn huid en legt hem even in een armenwieg. Hij ligt op zijn rug en kijkt naar boven. Ze kijkt op hem neer, aait zijn voorhoofd, werpt hem een ontfermende blik toe en kust hem wederom terug de realiteit in.

'Donny!'
'Wá!?'
'Volgens mij snappen ze het zo onderhand wel hoor!'
'Joa denk'k ook wel eigenlijk. Kom eraan!'

Donny ruimt de kapel op, propt de spullen op de lift, schuift de pannen naar beneden, duwt de valbeveiligingen naar de ladder en klautert ze een voor een naar beneden tot hij als laatst de spanbanden verwijdert en de uitschuiftrap weer inschuift. Op de grond rolt hij de spoelen op, wrapped 'ie de flex bij elkaar en geeft Koen een welverdiende klop op de schouder.

'Lekker gewerkt, pik.'
'insgelijks, kameraad.'

De vrouw komt terug van haar work-out en ziet hoe de lieden hun laatste spulletjes in de bus leggen. 

'Zo, mannen. Jullie werk zit er weer op?'
'Yep. Wat vindt u?'
'Oh joh, ik kan dat zelf helemaal niet zien als ik eerlijk ben. Ik ga zo binnen even kijken of alles het nog doet en zoja dan vertrouw ik erop dat jullie gewoon goed werk hebben geleverd.'
'Ha, nou we zijn er zelf in ieder geval wel tevreden mee. En alles doet het nog hoor, geen zorgen.'

Ze loopt naar binnen, klikt wat elektronica aan en uit, bestudeert haar raamwerk en roept naar buiten:

'Helemaal mooi, jongens! Dankjewel!'
'Geen dank mevrouw, daar zijn we voor.'
'Het kan zijn dat u vandaag nog niet zoveel verschil voelt, maar deze investering gaat zichzelf dubbel en dik terugverdienen in rendement over de komende jaren.'
'Ja en het mocht ook echt wel een keertje gebeuren hoor.'
'Dan alleen hiero nog even een krabbeltje en dan kennen we er weer vandoor.'

Krabbeltje, babbeltje, weg zijn de mannen.

7

De slavenstoet racet tegen de ondergaande zon in een poging hun familie nog te kunnen zien in het daglicht deze maand. Op de radio wordt bekend gemaakt dat er zeven procent inflatie, tien procent koopkrachtdaling, twintig procent hogere energiekosten en een halve procent stijging van het minimumloon zal worden gehanteerd in de verzorgingsstaat. Groningen moet lijden om de moffen warm te houden, maar een man is opgepakt omdat hij persoonlijk de warmte naar een minister had willen brengen. Hij was een gekkie die dacht dat de elite kinderen offerde. Het bericht sloot af met een korte rapportage over de zaak tegen Ghislaine Maxwell.

'Wat ga jij vanavond nog doen?'
'Bijkomen.'
'Lekkere douche pakken?'
'Nah, ik douche altijd 's ochtends.'
'Je gaat vies in bed liggen?'
'Yep. Of ik ben juist éxtra schoon wanneer ik naar werk ga.'
'Perspectief.'
'Het is alles dat we hebben.'
'Ik weet het niet. In zekere zin kun je niet uit je hoofd en ben je niet zeker van de objectiviteit van je eigen waarnemingen, dus zou je kunnen zeggen dat perspectief het enige is dat we hebben. Maar daarentegen observeren wij allen wel een wereld waarmee wij kunnen interageren. We communiceren met elkaar in gebrekkige taal, maar uiteindelijk rijden we hier wel in een bus op een snelweg terug van een digitaal ingeplande klus op weg naar een loods. Dat is niet alleen maar jouw perspectief. Dat is een bevestiging dat we ergens allemaal hetzelfde zien, maar daar een noodgedwongen persoonlijke ingeving aan vastkoppelen.'
'Ik voel me de laatste tijd te veel losgekoppeld van dat gedeelde besef heb ik het idee. Het is alsof de leidende opvatting verder van me afschuift en ik eenzamer word in mijn vorm van menszijn. Misschien is het dat ik ontdek hoe het echt zit, misschien is het dat ik mijzelf vervreemd. Het is lastig om over na te denken, want ik wil eigenwaarde behouden, maar ook meegaan met de tijd. Ik kan het echter niet accepteren, Koen. Het lukt me gewoon niet.'
'Gewoon werken en niet te veel bij nadenken, dat werkt het beste.'
'Dat is wat een regent zou zeggen, niet?'
'.Ja, maar ook de contente arbeider. Dat heeft ook met perspectief te maken. En met de voldoening van ergens urenlang geconcentreerd mee bezig kunnen zijn zonder te denken aan die arme kindjes in Uganda.'
'Misschien heb je ook wel gelijk, Koen.'
'Kom op, hoe lang doe ik dit werk nou al?'
'Een tijdje.'
'Een tijdje inderdaad. Zie ik er ongelukkig uit?'
'Ja, leuk allemaal, van mij denken ze ook altijd dat ik het zonnetje ben en helemaal heppie de peppie, maar dat is ook niet helemaal waar, dus ik vrees te speculeren over het geluksniveau van mensen. Uitzonderingen daargelaten. Maar in alle eerlijkheid krijg ik niet de indruk dat je bijzonder rancuneus of depressief bent.'
'Da's dus omdat ik mijzelf bezighoud. Dan kan ik helemaal niet miserabel worden. Da's die hele zenverlichtingshtick, toch? Jezelf bevrijden van alle verlangen en enkel nog een zijn met de stroming van het zijn? Je lichaam en geest ervaren als één, gescheiden, én elkaar constant overstijgend? Dat is toch niets meer dan het gevoel van ergens mee bezig zijn? Ergens écht mee bezig zijn zeg maar. Dan wil je toch niets anders? Ben je toch bevrijd van alle andere verlangen behalve het zijn met jezelf en dat wat bestaat? Ik heb nog nooit iemand gezien die meer zen was dan de vastberaden doelbehaler. Transcendentaal haast waar hij de wil vandaan plukte om dag in dag uit te leven naar zijn lot. En de moed die daarvoor nodig is. Om jezelf zo vol overtuiging tegen je innerlijke sprookje aan te gooien in de hoop dat het waar blijkt te zijn. Daar kan iedereen bewondering voor hebben denk ik. Tenzij ze van die misgunnende mietjes zijn.'
'Die zijn er zat.'
'En of.'

Een wolk drijft aan de zon voorbij en geeft haar een laatste kans om deze kant van de Aarde te knipogen, die ze neemt. Het lukt de mannen niet om voor het donker thuis te komen, wat alle elan om de bus op te ruimen ontneemt. Ze doen het morgen wel. Nu eerst naar de andere bus.

Met de gordijnen nog dicht van vanochtend strompelt Donny zijn kooitje binnen, pleurt zijn kloffie op de poef en plaatst zijn reet op zijn bureaustoel. Leeg. Dan maar een joint om te kunnen pretenderen dat hij wezenlijk ontspant. Ook al snoept dat van zijn loon en baart hem dat juist meer zorgen dan de THC hem kan doen vergeten.

Morgen is er weer een dag. En daarna ook. En daarna weekend, maar daarna weer een dag. En dan nog een week, en een maand, en nog jaren daarna zelfs. Zoveel aan de horizon, doch zo weinig om naar uit te kijken, want Donny staat nog altijd in de steigers. 



Het Land Redden

Nederland. Ons land. Waar ik mijn kibbeling koop en eet. Waar ik feestvier met mijn vrienden, waar mijn moeder overleed en mijn vader kanker kreeg. Het land van mijn jeugd, mijn adolescentie en wellicht vroegtijdige dood. Het land van zorgeloze naaktheid en schaamtevolle bedekking zodra je naar school moet. Waar je koekhapt en appelmoes maakt voor je verjaardag, en een papieren kroon draagt met van die gevouwen frutsels eraan. Waar Nijntje je schrijven leert en je tikkertje speelt op het plein. Het land waar je geen zorgen baart bij ongelukken, omdat de dokter gratis werkt voor jou, ook al ken je haar niet. Waar de kilometers aan wegen voor ons zijn weggelegd, opdat we dagelijks kunnen reizen en mogen wachten in de rij. Waar het water uit de kraan frisser smaakt dan dat van bergbronnen, waar de lucht zo zoet is als de Noordzee toe wilt laten en de mensen altijd het beste met elkaar voorhebben, tenzij je zwerver, arm, of lelijk bent.

Deze prachtige natie. Het weergaloze stukje Aarde gereserveerd voor onze pietluttige levens. Dat monumentale stukje grond dat zich staande weet te houden tegen tranen, rivier en zee. Die groene parel van voorspoed die wij thuis mogen noemen met het voorrecht dat we hier ooit geboren zijn. De meandermozaïek van de lage landen. Het constitutionele koninkrijk van idyllische kronkelfietspaden langs het Nederlands levensbloed. Het land van de Friese slootspringers, de Hollandse polderpompers, het Utrechtse grachtengajes en de Amsterdamse stapelmarktrakkers.

Ons land ons land, ons geweldige land is wereldwijd bekend zo briljant is het. Het land van de tulpen. Het land van de molens en de kaas en de microscoop. Het land van Willem van Oranje en het land van Jan van Speijk. Het land van ruimdenkende handelslieden en roekeloze pragmatisten. Het land waar alles en iedereen komt en gaat van hot naar her en der en zus en zo liefheeft onderweg naar morgen terwijl de kekke ditjes en datjes in het niets vallen bij de blijvende impressies van koeiengevulde vlakke provincies en bedrijvige havens met mastenbossen van grenenhout. Klassieke panorama’s die een ieder met Amsterdam in zijn hart zal verblijden op dagen zo blauw als Delfts porselein.

Het land dat niet anders kan dan glimlachen bij de herinnering aan haar turbulente leven, dat geen andere optie heeft naast innige vreugde voelen bij alle wezens die haar lief hebben gehad. Het land dat door miljoenen geesten is bewonderd en door twee keer zoveel voeten is bewandeld. Dat niet had kunnen worden wat het is zonder het genie van al haar nederige onderdanen die zich even argeloos als egoloos in de arena van de tijd wierpen in de hoop wat waardevols te scheppen voor een onzekere toekomst.

Het land dat ooit het huis was van een aantal Neanderthalers en met de tijd werd verrijkt door ieder soort mens en cultuur, zoals de Magdalénien, de Hamburgers, de Swifterbanters, de Michelsbergers, de Trechterbekers, de Standvoetbekers, Klokbekers, Wikkeldraadbekers, de Hilversummers, de Elpen, de Hoogkarspellingers, de Kelten, Hallstatters, Germanen, Romeinen, Menapii, Bataven, Cananefates, Frisiavones, Vandalen, Sueven, Alanen, Alemannen, Bourgondiërs, Franken, Friezen, Saksen, Denen, Noren, Zweden, Italianen, Hugenoten, Joden, Duitsers, Spanjaarden, Belgen, Polen, Turken, Amerikanen, Molukkers, Indonesiërs, Afrikanen, Surinamers, Irakezen en Syriërs. Om nog niet te spreken over de volken van de toekomst die naar ons Nederige moerasje zullen komen voor soelaas en mogelijkheden.

Het land dat bloeit onder culturele kruisbestuiving, een land dat wordt versterkt door haar verscheidenheid. Een land dat niet gebroken kan worden, noch verleid, zolang het gezond van lichaam en geest is.

Maar is ons land gezond van lichaam en geest op het moment?

Want medemensen, volksbroeders, natiegenoten, het gaat niet goed met Nederland.

Onze prachtige dame is niet meer gedrapeerd in een fluwelen gewaad van oranje, maar in een laag uitgesneden zomerjurkje gemaakt voor makkelijke prikkels van ongewenste gluurmannetjes, en haar zwaard is afgestompt tot iets dat amper een fatsoenlijke bruine boterham zou kunnen snijden, laat staan dat ze nog weet hoe ze smeren moet. Maar daar stopt het niet. Haar prachtige schild met eeuwenoude heraldiek is verpand aan een gierige seriemartelaarmoordenaarverkrachterdemoon genaamd Marshall. De blinddoek die ze zichzelf had omgewikkeld is recentelijk afgetrokken en haar ogen worden nu opengesperd gehouden door de zwarte klauwen van hongerige aasgieren, die bij gebrek aan frisse lijken zelf maar gaan zorgen voor rot en verderf om zich op te voeden.

Die rot is maar op één manier te cultiveren: Door het zaaien van twijfel in de kunnen van Madame L’orange. Door de mensen die in haar land wonen onzeker te maken over hun vermogen samen hun problemen op te lossen. Door mensen bewust te maken van allemaal dingen waar ze zich nooit zorgen over hadden hoeven maken, zoals hun huidskleur, hun overtuigingen of hun lustgevoelens. Allemaal zaken die gegarandeerd beschermd worden door de grondwetten van hetzelfde land dat deze lintwormdemagogen nu proberen te ontdoen van andersdenkenden. Het moet lastig voor ze zijn om er precies achter te komen wat of wie ze nu haten. Want als Nederland zo prachtig is, hoe heeft dat geweldige volk het dan zo ver kunnen laten komen dat alles nu zo slecht is?

Ze kunnen hun utopische nationalisme niet vereenzelvigen met de huidige situatie (of welke huidige situatie dan ook, want geen land is ooit perfect) dus moeten ze een ver vergaan ideaalbeeld opbouwen waarvan niemand zich toch meer precies kan herinneren hoe het ging, om iedereen wijs te maken dat het toen écht beter was en dat we alles moeten doen om terug te gaan naar toen, maar dan niet qua technologie of medicijnen of mode, maar alleen qua huidskleurensamenstelling en genderongelijkheid. Er wordt gedaan alsof de oplossing van onze problemen liggen in het vernauwen van mensenrechten en het verwijderen van “anderen” uit onze samenleving.

Maar wij zijn helemaal niet anders, wij zijn allemaal mensen. En de enige daadwerkelijk “anders” te noemen persoon is degene die probeert te beweren dat we niet hetzelfde zijn. De persoon die probeert te beweren dat de een méér waard is dan de ander, dat de een ongewenst is omdat hij of zij deel uitmaakt van een denkbeeldige groep mensen waar een andere denkbeeldige groep mensen enige onenigheden mee heeft. Dat zijn de enige gevaren voor een samenleving: de mensen die de samenleving ontkennen, die proberen aanspraak te maken op een groep mensen binnen de samenleving om hen te verheffen boven de rest om daarmee hun macht te legitimeren. Dit soort haatzaaiers grijpen naar ieder mogelijke identiteit om te doen alsof ze je vrienden zijn: pigment, sekswensen, nationaliteit, voetbalteam, favoriete drankje, het maakt niet uit. Het doel is dat je denkt dat ze je mogen, en dat je hen zou mogen, terwijl ze anderen de tent uit pesten met jouw stilzwijgende toestemming.

Dames en heren, landgenoten. Ons prachtige Nederland heeft een ziekte ontwikkeld. Een corruptie in een van onze eigen organen. Een collectie van cellen die het goede leven gelaten hebben en nu enkel werken voor de destructie van al het gezonde weefsel om hen heen. Een zekere soort kanker broeit in onze ingewanden, met als enig doel de ondergang van onze samenleving.

De gradatie van kanker in een volk of persoon is te meten door te kijken naar de hoeveelheid twijfel, chaos en haat die bestaat in een land en de bereidheid van een persoon om misbruik te maken van die gevoelens voor eigen gewin ten koste van anderen. Voor velen van ons is de kanker in ons land een dagelijkse belemmering, we horen en zien de walgelijke sentimenten voorbijkomen wanneer we naar buiten stappen, het nieuws staat er vol van, de politiek bralt weinig anders, online breek me de bek niet open, en na jarenlang hetzelfde gezeik is het zelfs in onze eigen hoofden niet altijd veilig meer. We hebben familieleden die ineens overtuigd zijn dat honderdduizend oorlogslachtoffers meer schuld dragen voor hun lage loon dan de magnaten die de cheques schrijven, we merken argwanende blikken op van andersgekleurden, we staan liever in de trein dan dat we zitten naast een hoofddoek. Kortom, we hebben er last van. De gewone Nederlander heeft iedere dag last van de ziekte die ons land plaagt.

Onze prachtige Madame L’orange wordt belaagd door deze kwaadaardige bacteriën, onteerd, bevuild en vernietigd voor onze ogen. We zitten iedere dag op onze reet te kijken hoe onze moeder zich laat uitkleden door een hangbuikzwijn met gel in zijn haar. Hoe onze geliefde wordt uitbesteed door een kwaadaardige gladjanus, door iemand die zegt het beste met ons voor te hebben terwijl hij haar tot hoereren dwingt. Een man die voor onze veiligheid kinderen in Vietnam verschroeit. Een man die voor onze welvaart een Congolees kinderleger sponsort. Een man die je kan overtuigen dat jouw liefde niets waard is zonder een steen ten koste van een jaarsalaris. Een man die energie haalt uit onze wanhoop, die zich voedt op onze woede. Een man die profijt haalt uit vernietiging. Hij liegt, hij veinst, hij ronselt zielen voor zijn eigen trots. Hij paait, hij corrumpeert. Hij moet worden verwijderd als we ons Nederland willen redden. Hij zal doelgericht geneutraliseerd moeten worden voor wij aan ons genezingsproces kunnen beginnen. Hij zal de dood moeten vinden voor wij ooit verder kunnen gaan met leven.

Alléén sámen kunnen we de regenten genocideren.

Toekomst

Dak vol pannen, een matrix van latten, zonnepanelen, mannen op ladders.
Makkelijk zat als je Sylvek of Ali bent
Interessant voor je vader z’n rendement
Red ook de aarde, onschatbare waarde
Al is het te laat, doen we wat goed is


Pand dat zo groen is als klavertjes vier
Wat handvaardig plezier, een mechanische roeping
Een kabeltje hier, zet de tol op een schroef,
Ingehaakt op de voegen naar gaten te zoeken met hamerkopschroeven
Gevaarlijk beroep
Ik neem dalijk kwartier om banaantje te snoepen en gaarne te toeven
Arabisch te oef’nen – misschien ff poepen
Of wroeten met Spike. De hond.

Met handschoenen aan, antibrand tegen sproeten en tools aan de broek staan we constant te roepen
Tot werk gedaan is en nu komt het zoete
Ik voel geen verlossing bij vertrekken moeten
Naar huis
Ik waan me hier thuis.
En ben ik te laat dan is dat per abuis

Geschiedenis

Bloemen geplant door ware geliefden
Stenen gestapeld, muren beklad
De liederen hardop gezongen
Reflecties van hen in het water
De galm van een lach

Weg zijn de daden van bengels en dames
Van heren en deernes van gajes en griet
Weg de culturen van zovelen uren
Van feesten, spektakel en menig verdriet

Leeg is de schedel van wat hier ooit wemelde
Leeg zal het zijn wanneer wij zijn geweest
Tot de zee weer een nieuwe kwak genen oplepelt
En het DNA kweekt tot een weelderig beest

Welterusten

De prinses kijkt nog een keer over haar schouders voordat ze wordt opgesloten in de toren door haar wraakzuchtige tante. Haar tante snauwt een reeks vervloekingen eer ze de deur gewelddadig dichtsmijt en kakelend naar het kasteel vertrekt. De oude feeks was jaloers geweest op de prinses vanaf het moment dat ze de kribbe verliet. De gitzwarte gladde haren, de grijze ogen. Ze zag er anders uit dan alle andere meisjes van het land. Er was speculatie dat dit kind wel eens een godsgeschenk kon zijn, want niemand was zo prachtig tenzij de hemelse majesteit daar zelf iets aan had gesleuteld.

Ieder jaar deed het bloeien van de toekomstig koningin meer pijn in het hart van de tante. Ieder jaar beperkte de tijd haar kans op succes. Toen de kraaienpoten zich in haar gezicht begonnen te graveren en ze, tot haar grootste afgrijzen, een eerste grijze haar eruit snuffelde, bedacht ze een plan om de prinses voor eeuwig te laten verdwijnen voor de bestaande wereld. Geen enkele man mocht haar hebben, omdat iedere man haar wel zou willen.

Er gaan een aantal jaren voorbij waarin de koning zich doodongerust maakt en groepen verkenners-te-paard verstrooid over zijn gehele rijk, maar zonder succes.

De prinses staat op de drempel voor het raamvenster te kijken naar de gouden silhouetten van het woud en slaakt een diepe zucht.

Wee zijt mette mij
Gevangen in lans van steen
Bewaakt door adelaar en slang tezamen
Hoor mijn gebed, oh God

‘Niemand zal je komen redden, kleine prinses. Zelfs God kan je niet horen hier!’ hoort ze haar tante lachen door de deur.

Knokige poten met scherpe klauwen wikkelen zich om haar hart. Misschien zat er meer zaliging in springen. Misschien was het koesteren van hoop juist de straf van haar tante.

Aan de horizon doemt een pluim van stof op die haar gedachten tot een halt dwingen.

“Kan het zo zijn?” denkt ze.
Het is zo.
Daar is ‘ie.
De man. De held. De redder. De kleine jongen die al twintig jaar door regen, tranen, windvlagen, plagen en eindeloze vragen wordt getreiterd en nu eindelijk zijn doel heeft bereikt. De mooiste vrouw van het land, verkerend in de meeste nood van haar jonge leven. Dit was de reden voor zijn queeste geweest.

De tante hoort het geklop van hoeven op zand en takken, opent de deur van de kamer en ziet hetzelfde. Ze duwt de prinses tegen de muur en rent snel naar buiten. De prinses komt na enkele seconden lichtelijk beduusd weer bij zinnen na de klap op haar achterhoofd en krabbelt naar het raamvenster om te kijken wat de mysterieuze rijder van plan is.

Uit haar zak frutselt ze een kleine buidel waar ze vlug in begint te graaien met haar hand.

‘Eens zien hoe je hier mee omgaat, meneertje held,’ mompelt ze sinister voor zich uit.

Een purperen poeder vult haar vuist en kort daarna dwarrelt het rond het kasteel. De korrels lijken te sintelen in de lucht en gloeien na een seconde van winddansen witheet tot ze spontaan in vlammen ontspringen. De versnipperde vuurtjes lijken te reageren op elkaars aanwezigheid en bundelen samen tot een cirkel die zich om de toren trekt. Een glunder verschijnt op het gezicht van de heks, het vervormt zich tot een sinistere grijns. Ze reikt haar handen naar de hemel en krijst de woorden:

‘Lá Takoewn Sayieda Abadan!’

De tot-nu-toe laagbrandende ring reageert op de incantatie door omhoog te schieten richting de top van de toren. Een helse muur van ondoordringbare hitte vormt een muur die door niemand getrotseerd kan worden. De man op het paard ziet het ook.

Ook hij brengt een kleine glimlach op zijn gezicht terwijl hij rustig zijn hoofd op en neer knikt uit verrukking. Een helse muur en een kwaadaardige magiër. Precies wat je nodig hebt om een prinses te verdienen. Het zou geen leuk verhaal zijn als ze gewoon in haar kamer zat en hij binnen kwam barsten met het goede nieuws dat hij haar voor eeuwig zou liefkozen. Nee, dan was deze muur van vuur toch ergens wel wenselijk.

De ridder, zoals hij zich later zou voorstellen, trotseert – samen met zijn paard – zowel de tante als de muur en redt de prinses. Ze is hem eeuwig dankbaar, omdat ze zonder hem geen leven had gehad, behalve eentje van absolute eenzaamheid en seclusie.

‘Zie je, het kwam tóch nog goed voor de prinses!’ Ze kijkt naar het jongetje dat naast haar op de bank zit en met wijde ogen iedere naam van de aftiteling leest.
‘Woooow! Door de prins! Door de prins! Hij versloeg de gemene vrouw en redde de goede vrouw!’
‘Ja hè, dat is wat een held doet.’
‘Ik wil ook een held zijn!’
‘Dan kun je beginnen door je tanden te gaan poetsen. Het is lastig prinsessen redden met een slechte adem.’
‘Oké!’ Zegt hij vol enthousiasme.

Zijn moeder stopt de stream en belandt op de home page van de webvideotheek.

Movies for kids!

Haar zoontje houdt van films over koningen en prinsessen. Ze heeft er al wel honderden gezien nu denkt ze. Zo veel verschillen ze niet. Er is goed, kwaad, voorbestemdheid, conflict, resolutie en uiteindelijk triomf. Altijd triomf. De mooiste man voor de mooiste vrouw voor de mooiste kindjes. Het was zeldzaam dat een verhaal afliep in misère, maar misschien waren die verhalen het dan ook wel niet waard om te vertellen.

Tanden gepoetst, trap opgelopen en in bed gekropen kijkt de jongen naar zijn mama en vraagt:

‘Mama, kan ik ook een prins worden later?’

Zijn moeder kijkt naar hem. Ze vraagt zich af of hij oud genoeg is. Of was hij zelfs al té oud? Wat was de leeftijd hier eigenlijk voor? In gedachten verzonken vergeet ze even de jongen, tot zijn vragende ogen haar weer bij de les brengen.

‘Nee, schat. Nee, dat kun je niet.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat je niet zo geboren bent.’
‘Hoe ben ik geboren dan?’
‘Als gewoon mens.’
‘Gewoon?’
‘Ja.’
‘Wat is er anders aan een prins?’
‘Mensen geloven al heel lang dat hij bijzonder is.’
‘Waarom?’
‘Omdat de papa van de prins je doodmaakt als je dat niet vindt.’
‘De papa van de prins?’
‘De koning.’
‘Oh. Kan ik koning worden, dan?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Jouw bloed is niet zuiver, jongen.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
‘Wat is er mis met mijn bloed?’
‘Er is niets mis mee, maar dat is niet wat koningen geloven,’ ze voelt haar bloed koken bij een herinnering.
‘Dan vind ik koningen stom.’
‘Dat zijn ze ook. Maar dat zie je niet goed wanneer ze zoveel goud op zich hebben en in kastelen wonen.’
‘Ik wil ook een kasteel. En een prinses. En een paard!’
‘Dat is een mooie droom om te hebben.’
‘Ik moet alleen maar dapper zijn! En eerlijk! Net als de held!’

Zijn moeder kijkt met spijt opzij.

‘Nee, lieverd. Helaas is het niet zo simpel.’
‘Waarom niet?’
‘Die films gaan niet over ons. Jij kunt geen held worden, evenmin word ik koningin. Hoe dapper of nobel we ook zijn.’
‘Jij bent mijn koningin!’ roept de jongen met een glimlach.
‘Dankje. Dat is het belangrijkste. Jij bent ook mijn kleine held.’
‘Ik ga later ook avonturen beleven!’
‘Ik hoop het voor je.’
‘Het hele jaar door!’
‘Een paar weken per jaar.’
‘Huh?’
‘Dan heb je vakantie.’
‘Ik heb vet veel vakantie! Zomervakantie, herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie…’
‘Nu nog wel. Je werkt nog niet.’
‘Huh?’
‘Dan krijg je drie weken per jaar vakantie om op avonturen te gaan.’
‘En de rest?’
‘Ben je vloeren aan het schoonmaken, dozen aan het tillen, getalletjes in computers aan het voeren, boze mensen aan het bellen, mensen heen-en-weer aan het vervoeren, gebouwen slopen, stoeptegels leggen, dat soort dingen. Dan ben je het land aan het verzorgen zodat de koning dat niet hoeft te doen.’
‘De hele dag?’
‘De hele dag.’
‘Dat is saai.’
‘Klopt.’
‘Kan ik niet iets anders doen?’
‘Als je geluk hebt, of goed kunt liegen. Mensen die goed kunnen liegen schoppen het ver. Misschien mag je dan wel de mensen die stoeptegels leggen aanwijzingen geven over hoe ze hun stoeptegels moeten leggen. Of wie weet mag je de stoep wel ontwerpen zelfs.’
‘Dat is ook saai! Ik wil tegen monsters vechten!’
‘Helemaal mee eens, maar zo is het niet.’
‘Bestaan monsters echt?’
‘Jazeker.’
‘Waar zijn ze dan?’
‘Die verstoppen zich in hun holen.’
‘Draken?’
‘Ook draken. Op gigantische bergen goud.’
‘Kunnen we ze zoeken?’
‘Ja hoor. Maar zag je de stapel skeletten die vooraan de drakengrot lagen in de film?’
‘Uh-huh.’
‘Dat zijn wij. Wij zijn de mensen die het proberen, maar niet slagen. Wij zijn niet de helden.’

De jongen kijkt teleurgesteld, maar is nog niet klaar met zijn vragen.

‘Wie zijn wij dan?’
‘De boeren.’
‘Maar we hebben helemaal geen boerderij.’
‘Klopt. Zelfs dat is ons niet meer gegund tegenwoordig.’
‘Ik snap het niet, mama.’
‘Zag je dat boerenmeisje waar de prins even naar keek? Het enige meisje zonder pukkels of builen?’
‘Ja, zij was mooi.’
‘Ja. Zij wel. Bijna net zo mooi als de prinses. Dat zag de prins ook. Snap je?’
‘Nee.’
‘Dat hoeft ook niet. Dat hoeft ook helemaal niet. Het is misschien wel beter als je het niet begrijpt.’
‘Waarom?’
‘Dan doet het minder pijn.’
‘Waarom?’
‘Soms is kennis kwetsend, jongen. Soms wil je liever niet weten.’
‘Ik wil alles te weten komen.’
‘Alleen God weet alles, schat.’
‘Dan wil ik bijna net zo veel leren als God!’
‘Dan moet je de bibliotheken induiken en een geleerde worden.’
‘Gaan we morgen nog een prinsen en prinsessenfilm kijken, mama?’
‘Is goed, schat.’
‘Komt papa ooit terug als de man op het paard?’

Haar gezicht krampt samen. Toorn maakt zich meester van haar ogen. Haar dijen jeuken van angst.

‘Nee, jongen. Papa is dood,’ liegt ze. Ze ziet zijn gelaat terug in die van haar kind.
‘Was papa een held?’
‘Nee.’
‘Wel een prins?’

Ze zwijgt.

‘Het is tijd om te slapen.’
‘Oké. Welterusten, mama.’
‘Welterusten, jongen.’


Je Lichaam Verkopen

Het scherm schijnt. Het lijkt hem iets te willen vertellen, maar woorden komen gestaag binnen gedurende een van zijn sessies staren-in-het-niets. De telefoon gaat. Hij schrikt ervan. 16-bit tonen die een lied uit zijn jeugd voor moeten stellen bliepen door een schaars aangeklede kamer. De eens rustgevende nostalgie van het lied is tegenwoordig vervangen door een schuldbewust zelfverwijten. Het had allemaal zo anders kunnen gaan. Moeten zijn, wellicht. Maar goed. “Moeten.” Wat “Moet” nu eigenlijk écht? Als hij er zo bij nadenkt is er eigenlijk niets dat een niet-te-ontkomen noodzaak heeft. Het leven is er, wij zijn er, en niets moet. Zo concludeert hij de laatste tijd wel vaker in de avonden.

‘Eigenlijk moet helemaal niets,’ scandeert hij dan ineens, onaangekondigd terwijl hij in zijn eentje in zijn bescheiden studiootje zit. ‘Ik hoef niet eens te leven als ik dat niet wil!’ Voegt hij er luttele seconden na aan toe als eurekaklap op de vuurpijl.

Toch is hij nog niet gestopt met leven en gaat het gevoel niet voorbij dat iets niet is zoals het hoort. Er klopt iets niet in deze kosmos, verraadt een stem in zijn binnenborst. Een uiterst merkwaardige sensatie voor iemand die zichzelf probeert te overtuigen dat niets “moet”, want als alles vrijwillig, wispelturig en spontaan ontspringt uit de fontein van het zijn, kan er toch geen beklagen van een verkwist leven aan te pas komen? Dan draagt hij zélf de verantwoordelijkheid om er verandering in aan te brengen, en is het interne gevoel van een misleid universeel determinisme niets meer dan een knagende ontevredenheid als resultaat van zijn eigen onvervulde mensenwensjes. Wensen die hij ongetwijfeld voor zichzelf zou hebben verwezenlijkt als hij een respectwaardig persoon was geweest. Misschien was het tóch allemaal zoals het moest zijn.

‘Dus, haha! Komt dat uit, kerel!?’
‘Huh, wat? Sorry, ik zat even niet helemaal op te letten. Wat zei u? Morgenochtend?’
‘Yes. Haha, lekker vroeg erbij hè! Maar dan moet je maar denken, dà’s dan ook lekker bijtijds weer thuis, dan heb je nog de hele dag met het mooie weer!’
‘Ja…’
‘Mooi! Haha, hey, maar dan kun je je om zes uur melden achter de parkeergarage bij Remco, hij heeft nog wel wat lekkere klusjes voor je, en dan komt dat helemaal goed denk ik!’
‘Oké. Wat is het precies?’
‘Oh, hetzelfde als altijd, lekker met je handen bezig zijn, misschien af en toe op de knietjes. Maar het betaalt lekker hoor, dit keer! Haha! Wel beter dan die vorige klus, zeg maar.’
‘Oké. Tientje het uur dus?’
‘Tien vijftig!’
‘Wauw.’
‘Of niet!? Haha, ja dat was even knokken, maar dat heb ik kunnen regelen voor je!’
‘Dankjewel.’
‘Ja geen dank, joh, daar zijn we voor hè! Dus wil je dat doen, vriend?’ De stem aan de andere kant klinkt alsof hij op het punt staat te climaxen.
‘Ja hoor.’
‘Topper! Hé echt te gek, gozer! Je helpt me weer eens vorstelijk uit de brand!’
‘Ja.’
‘Oh, hey, en als je daar dan toch geweest bent hè, kun je gelijk even langs de buren lopen? Er wonen kennissen van mij in dat gebouw en ik wil ze graag een fijn visitekaartje meegeven. Da’s goed voor de zaak, en daar haal jij ook weer profijt uit natuurlijk! Haha!’
‘Oja?’
‘Jazeker, dat is meer werk voor jou! En anders zitten die buren alleen met het geluidsoverlast de hele ochtend, dan geef ik ze liever ook nog een toetje mee, snapje?’
‘Moet dat?’ Zijn maag begint te spoelen.
‘Nouja, moet, moet, het moet niet, natuurlijk, maar het zou wel gewoon netjes staan. Ook voor jou, zeg maar. Anders gaan we misschien kijken of er iemand anders is die minder problemen heeft met de randvoorwaarden. Maar het moet niet, hè. Alleen als jij het zelf wilt.’

Hij kijkt naar de lamp in zijn kamer die ironisch genoeg een keer flikkert, voelt dezelfde klomp cement als altijd van zijn hersenen naar zijn hart sijpelen en verzucht een akkoord. Hij zal er zijn morgenochtend, zegt hij.

‘Hé-lè-maal. Te. Gek! Hey, super, gap, dan ga ik dat doorgeven, dan is Remco ook weer helemaal tevreden en dan gaan we dat gewoon regelen voor je, oké?’
‘Oké.’
‘Priemaaa! Hey hoi hoi, hè!’
‘Later.’

Hij hangt op, smijt zijn telefoon kapot tegen de muur, stompt zichzelf driemaal op zijn slaap en loopt ietswat versuft naar de keukenla vanwaar hij een adequaat slagersmes tevoorschijn tovert. Hij streelt de scherpe zijde langs zijn keel, polsen, liezen, heupen en borst, prikt hier en daar wat, zonder bloed te trekken, en besluit vervolgens dat vanavond ook niet de avond is. Hij durft niet. Iets zegt dat hij nog niet klaar is hier. Dat er een andere wereld voor hem bestaat die binnen handbereik is. Maar hoe komt hij daar?

Hij moet iets. Want dit klopt niet. Hij moet iets… Maar wat?
Hij moet morgenochtend werken. Anders komt het écht nooit meer goed.

Pillow talk

‘Good evening, love.’

‘P-pillow?’

‘Shh, shh shh…. don’t trouble your weary little head. I wanna pick your brain for a bit, tell you about some ideas I have. You down? I know I am.’

‘Uh-Okay…’

‘Nice. So I was wondering… You ever think life on Earth was always meant to have evolved in the way it did? That when it first originated in the lecherous trenches of the south-west Pacific, or whatever terrestrial place you’d like to imagine it started in, it was, in a sense, destined to grow into what it did? Because the first living things didn’t really have a say in the matter, did they? Those tiny creatures were so devoid of bodily faculties that they couldn’t really “do” anything, everything just “happened”, and they couldn’t really “go” anywhere, they just “went”.

Or let me put it this way: If you can’t control where you’re going, isn’t wherever you end up your destiny? I’d say it must be your destiny, otherwise you wouldn’t have reached it, right? So if the earliest inhabitants of our planet had no say in their existence and no influence over their surroundings, whatever forms of life flowed from them must’ve been meant to be, in the sense that there was no other feasible option for these creatures but to evolve into what they did, due to the inescapability of their surroundings and the powerlessness of their form.

At that point in time “Living things” were not much more than loosely fortified strings of genetic code drifting through space, latching onto any form of energy available. They practically just absorbed whatever nutritious thing happened to float by in order to power their tiny cell-factories so they could duplicate and reproduce, right? You can’t even call it eating yet, something as convenient as a mouth was millions of years away and literally unthinkable by anything present on the planet at that time.

These little microscopic munchkins had no ears to facilitate hearing, no eyes to perceive, no nose to detect, no muscle in sight. The vastly varying resources of our planet were mostly unavailable to them, as they lacked practical means of extracting anything from anything. Some beings couldn’t even be bothered to look for food, so they moved into other cells for their daily dose of protein and eventually started living exclusively in their host’s bodies. Like some sort of eenie meenie society building, where seperate entities merge together to utilize their combined strength in a new form. I know you won’t remember it in the morning, but this process is called endosymbiosis, or even endocytosis. They always think of the most ridiculous names for these things, don’t they, darling?

Did you know those little cellular rascals can have lungs? Well, not the chest vacuums that we know as lungs, of course, but tiny little cell lungs that can extricate oxygen from the cell’s surroundings and expell any superfluous toxins after? They’re called mitochondria and when they started living in other cells, they created their own little walled-off section within the cell to do their business of breathing. Some might count that as an organ, I suppose. Though maybe I’m a bit hasty calling it that. Perhaps my size has blinded me to the intricacies of the fewer-celled.

But back to the argument at hand. Creatures of such small nature, atomically small, unable to explore or evaluate the world at large, could they really have evolved into anyting different than what they did? Was Earth’s tree of life designed to grow and branch out the way it has? Are we “simply” Earth’s creatures? And is there anything on a non-cosmic level that could have really intereferd with the proces that took place?

And where do you think life came from in the first place? Outer space somewhere? Did it travel here via asteroid? Did it originate in space itself or on some other planet that ended up in shatters, taking only the tiniest survivers with it to colonize a new home? Could humans from a different planet have sent their own primal information into space, in the hopes of reaching a suitable host planet like some galactic dandelion seeds fluttering through the nothingness? And do you think there are a lot of different single cell organisms to choose from? How many trees of life types are there? What kind of tree are we? Are we like a pine tree? Do we reside in the tropics of the created? The tundra? Is it all the same? Is this even the human tree, or are we simply a stepping stone? A necessary stage in the development of a creature the likes of which we can not fathom with our spear-monkey minds? Do we leech off the leaves or are we rooted in the trunk?

Are you asleep yet, fluffy brain?
No? Delightfully so.

So what about fish then? They’re a bit bigger than one cell, aren’t they? Quite far up the tree of life already methinks. If the tree of life was a cartoon tree we’d probably be above the little hole for the squirrel family by the time we had full-blown fish swimming about, what you reckon? And even though in our world they are just one of the many fish in the sea, their scales host an entirely separate universe altogether in a way, with billions of little beings working together to form one single living organism that is far greater than the sum of its parts. They have fully developed organs made of many cells, programmed to digest food, take in oxygen, swim around and all that other aquatic goodness that fish get up to.

I think, in a sense, that what the fish is to the ocean, the cell is to the fish. A seemingly tiny bit of weight in the balance of mother nature’s bosom, yet somehow equally important as every other little bit for maintaining her equilibrium. But to what extent do fish decide where they go? To what extent are they left in the hands of brutal miss fortune and lady luck for their evolutionary path? Can a fish notice where it’s heading in the long run and drastically change its way of life? Does a fish have a choice? A sense of self? Can it mourn its inescapable existence? Does it have the ability to contemplate suicide? Can it resent the fact that life locked it within the walls of its skin? Or does it simply do what it does, mobilized by a mysterious force, evolving after the way of the world, eating whatever drifts by whilst trying to scoop up a bit more than his peers? Does it shape itself by an internal will to become something or does it let itself be shaped in accordance with the ocean’s currents, acidity, richness and predators?

Can a single fish change the composition of an ocean? Or redirect its currents? Does it have a say in the evolutionary arms race? Or is it not concerned with anything at all? Is it literally just a thoughtless program running in the server of our world?

That seems a bit unfair to them, doesn’t it? Surely there must be something going on in the mind of a fish, right? It can’t just be a hollow being, spasming through fertility cycles? There must be some sort of degree of that thing that we conscious beings claim to possess, that wisdom, that freedom, that sense of self, that inner will. But how can we be sure? And how is a fish ever going to prove to us that it knows what’s up?

More importantly, even if the fish tries to show us, how will we ever understand that it’s trying to do so? The only measuring stick we have to estimate intelligence or awareness is human behaviour, which must look horrifyingly ridiculous to any animal except some lucky pets. I mean I doubt the billions of animals people murder every day for convenience and luxury would ever dare to assume there is anything non-robotic or maniacal inside their slaughters’s heads. That there is anything “reasonable” locked away in there…

Dolphins are pretty smart. They’re not fish, I know,  But ehh…. You know NASA once ran an experiment where they gave LSD to dolphins to try and teach them English? They had this building with these special tanks and some researchers to try and figure out exactly how smart dolphins were. They knew dolphins could communicate with one another through various sounds, something akin to human language, so the researchers thought they must be able to learn English. One thing led to another and eventually the dolphin’s caretaker was jacking off flipper’s lipstick-y prick whilst the good lad never uttered even a single syllable of the Queen’s tongue. The research got cancelled when people found out about the sexual escapades and that was the end of that.

What this teaches us is that people, even at the highest scientific levels of society, in the esteemedly learned echelons of our global nation, are daft like punk, because why the bloody hell didn’t they try to learn the dolphin’s language? Why force them to adapt to us instead of the other way round? They were researchers, not teachers, right? You can be very easily misled by false assumptions you hold as self-evident is what I’m trying to get at here.

Maybe I’m being a bit unfair to the fish, you know. We simply can’t understand them that well, as we don’t usually hang out together or even see each other that much. I suppose it’d be easier to talk about dogs. Specifically dogs. Not cats. Cats are rather useless creatures for this analogy as they don’t really do anything for anyone, they live only for themselves and have minions cater to them for their beauty and elegance. In a sense they are on top of our planet’s food chain, as the apex predator will go out of its way to make sure its cat doesn’t hunger for anything, be it food, shelter or affection. They domesticated themselves, you know? It was them who decided to live with us, not the other way round. I’m not saying I don’t like cats, by the way. I wouldn’t dare. Felix would tear me to shreds as soon as you’d leave for work in the morning and I do cherish my life as a pillow. I get too much head to be upset about much, you dig?

Dogs are better suited for my point here, because dogs work together. They are cells in organs in a body working together with other bodies. How awesome is that? On every level life finds a way to cooperate with both strange and familliar things, so long as they help create a strong union.

Picture this: It’s a long time ago and you’re in the woods somewhere. We’re talking hunreds of thousands of years, millions and millions of days before today. You’re a dog, or better yet a wolf. You’re hungry. Your stomach hurts because that’s what happens when it doesn’t get filled with meaty nutrients every so often. There’s a herd of giant beasts grazing in the tall grass a short mile from here, but there’s no way you’ll ever be able to capture one on your own. You need companions. Luckily for you, you come from a well-bred pack of wolves, so companions are a plenty.

Speaking of companions. Just last week you and your siblings chomped down a colossal herbivore whose carcass fed the whole family for days. At one point during the chase you were knocked down by a foul swing of the creature’s bulky head. You fell to the ground, scamping away as the monstrous thing turned around and started charging towards you. The prey-turned-predator was on his way to pierce your flank with one of its claw-like tusks, but you were saved at the very last moment by a recently adopted lone-wolf from a neighbouring pack, whose urine you’d smelled near your favorite spots in the woods a few times. He came flying out of nowhere and leapt at the creature’s neck just as it was about to gorge you and in one eviscerating bite he severed just about everything connecting the monster’s body to its head.

The beast fell and you sighed a breath of relief, knowing you survived yet another day of hunting. During the feast you took some looks at the guy who saved you and you showed him your appreciation by biting off a good piece of meat and chucking it at him with your mouth. He sniffed it, looked at you and made an approving growl. You will help each other from now on, is what you realized. You acknowledged your bond with signs of affection normally reserved only for family, as those are naturally to be trusted.

Now it so happens that one day, your buddy gets lost. You notice it when you can’t detect his smell as you make your way to the den, you decide to go out and investigate first thing in the morning.

After a little while of wandering aimlessly you finally pick up a hint of his scent. You follow it and it leads to a place where you see him lying on the floor, seemingly calm, surrounded by lanky apes and flickering fire. You consider your friend to be doomed, because there is no way he can escape the evil spawns that perform fire magic and scorch forests. There is also no way you’re going to overpower all of them on your own. You’re familiar with how these monkey folk hunt and function. Your tribe often follows them around to scavenge their kills. You’ve seen them take down mammoths.

But there he is, your friend, in the midst of these aliens. What to do?

You see your friend open his eyes. He sniffs the air and instantly looks at you, but you don’t detect any distress or anxiety in him. He seems to be fine. Just a little beat up around his back legs, like he’s been charged and trampled by a stampeding array of hooves. The humans next to him notice he’s awake and put some meat in front of him, after which they put their paws on his head and stroke him gently. One of them tries to touch his hind legs with some mushy green goo, it seems to sting your buddy a bit, but he stays calm.

You approach him.

The humans stand still and wait for you with wondrous looks. The fire is hot. You tactically curve around it. Some of the humans kneel a little and turn their sides to you as a sign of peace, others discard the things they’re holding so as not to appear threatening. You reach your buddy, sniff around him, he sniffs you, nothing out of the ordinary. You confirm he’s okay, but unable to travel far due to the injury he suffered from those darn herbivorous behemoths. He won’t make it back to the tribe before the new moon. He needs to rest and heal, something the pack will not allow him to do, as they are always on the move and can’t afford to dally for the injured. If he is to survive, it might be best for him to stay here, is what you eventually conclude. And if your friend can trust these things, maybe you can too.

You look around at the strange faces. They look back. It doesn’t feel dangerous. A small monkey girl lets go of her mother and comes up to you. She puts her hands on the flank your buddy saved a few days ago and scratches you a little. Then she pats you with her tiny hands, starting on your body, going from your side to your neck, slowly moving up to your head until she stands directly in front of your snout with fingers caressing your inner ear and her teeth showing in a big friendly grin.

She moves her face even closer to yours and just kind of stands there, looking. You’ve seen these animals from a distance, but you never dreamed of being this close to one.

You look at the thing.

It has eyes like your friend. It has a little fur like your friend. It has a face like your friend. It has limbs like your friend. It lives together with her family like you and your friend.

You stare deep into her eyes. They jitter in their sockets. They glimmer a chestnut reflection and radiate with a special kind of warmth that flies directly from her spirit into your heart and makes you quiver.

“What are you.” is the only question present in your mind.

Are you asleep yet, my sweet reminder?
Still no? I can only say that delights me, though I do worry you’re not getting enough rest. Can I just keep talking or do you want me to shut up?’

‘…’

‘Cool.

But yeah… And so now we have dogs, you know. And that’s pretty neat.

It’s a bit like having a foreign friend on vacation for humans, I suppose. You realize you can’t understand each other using your native language, so general sounds and gestures will have to do. You know a bunch of signs from your dna, some others from your parents and you make up the rest with your friends along the way, so it’s not much of a bother. It’s quite literally kid’s play to talk to strangers with your hands, face and weird noises.

That’s why I don’t think communication is as mysterious as some of us make it out to be: Yes, no, do you want this? can I have this? let’s share, let’s go over there, let’s stay here, are you okay? Let me keep you warm, danger ahead, I’m tired. All of these things can be said with a pair of eyes and head movements by practically any able-bodied animal. And though it might seem difficult to think of a language, it’s not so difficult to see if your simple command or phrase has had the desired effect on the animal in front of you, as they will respond in real-time to which you can then react. Languages can be fluid in that sense.

The same goes for some thoughts and emotions. Do you know the mesmerizing sensation of gleaming sunlight on your skin? That delicious all-encompassing warmth that makes it feel like every single fiber in your body is being pulled towards the giant fire in the sky like a banana ripening on a tree? Or the sweet satisfaction of a cold drink after a long run? A meal after hungering for a while?

And do you know the feeling of agony when you can’t get what you want? Or that gut wrenching feeling we call jealousy when seeing your desired mate dancing with someone that isn’t you? Do you feel better than some people and worse than others? Do you feel the fight in you to become a leader of something someday, if your genes and your will allow it? Because all of those are animalistic feelings, right? Animals do all of those things: they eat, drink, chase prey around town, toast in the sunlight, relax in hot water pools, structuralize their society and fight for power. So they must have some form of the thing we experience as feelings and emotions pushing them towards those objectives.

For example, your body reacting to how nice or bad something feels can make you spend ages contemplating various options, and then after some thinking you will perform an action that you think has been informed by your thoughts.

But a lot of our most cherished feelings could be counted as primal experiences of nature, meaning animals have them too, and on the outside nobody is able to tell exactly why you decided to take a left turn instead of a right. You can try and explain why you think you made the choice, but even then you will find you can’t be sure of your own brain’s motives.

The same goes for the negative feelings. It must make the weaker male suffer to know he would lose in a straight up clash of heads with the current alpha, and the male must be provoked in some way to want the females, otherwise why bother? Would you charge a rhino head first if you didn’t care about the results? Or would you tussle with a silverback? I can’t imagine anyone would do such a thing without being motivated by an incredibly powerful sensation, can you? Which makes me think animals must experience these same sort of feelings we do. I mean Felix is here with me catching rays on the bed the moment there’s a slither of sunny delight to be basked in, it’s tough to imagine he doesn’t get some form of enjoyment out of it. And they bloody love food they do, don’t they?’

‘…’

‘It’s a shame, because I love thinking and chatting about these things, but we can probably never fully fathom single cells and their reasons, nor fish, nor dogs.

But we dó have a slight grasp on an incredibly well designed collection of cells that lives in our heads. It might not contain all the answers, but it’s the best tool we have available for our search. Many animals have a comparable clump of neurons hiding around somewhere in their bodies, you know? Mostly in the head, but some animals get proper cheeky with it. Octopolaroids have little brains hiding in their tentacools, for instance. And some of our spider friends are nearly entirely made of brains, which they need to keep track of all those wicked webs they weave.

Point being that animals have brains too, with eyes and ears and mouths and skin and bones or any of those mixed with something else attached to them. And those brains regulate the whole thing and assign orders to the individual. All quite similar to humans. So it’s not entirely delusional to say we might have similar experiences, right? We’re all Earthlings after all. We like the sun, our atmosphere, oxygen, and other life on our planet and our bodies are designed to extract energy from those things that just so happen to float around our celestial body. It’s not a coincidence we’re so alike.

Can you imagine all the different creatures that could be living somewhere in the unexplored universe? Do you think they will have a similar “experience” to us? A similar way of processing the environment, a way of thinking? A sense of “being”? Do you think they follow the same hierarchical structure so apparently naturally formed on Earth? Do you think they behave like we do? Do they eat? Do they copulate?

And how would they look at us? Compared to them and their animals us Earthlings might all look very similar. The human species just some sort of eloquent hyper intelligent ant-monkey that ravages the land and enslaves both enemies and other animals to carry out endless tasks of menial labour, not knowing why, not knowing for how much longer.

Okay, woopsie, I almost got all political pillow there. Could you… Could you flip me over real quick? I’m starting to get a little hot-headed. Just get my cool side up again.

Thank you, my sweet reason to be.

So anyway. What do you think that thing is that brings living things together every step of the way? What is it for humans? What brings you together? Because if we can figure out what it is for humans, we might understand our cellular friends better.

It’s kind of sad to say, but it’s mostly circumstances, isn’t it? Your family is your family, and most of your friends are there because they happened to be there. Maybe you share some interests with one another, but once again that’s mostly circumstances, as you’ll become friends with Eric playing on the pitch in your neighborhood and not with Pablo playing three countries away. Your body will trigger butterflies to dally in your stomach for men and women that exist in your sensible environment and your profession is mostly decideded by the century, the country, the income class and the political system into which you are born. All things over which you have no actual control, but that will fundamentally shape your life, your emotions and your windows of thought.

Your life is decided by absolute randomness with a subtle hint of neurotic determinism pushing you to create some sort of pattern in the unrelenting chaos, aimlessly drifting by, looking for food, happiness and a way to improve the current situation, equipped with some handy limbs and a will-power, but mostly left over to the whims of the world and its ever-changing currents.

It’s kind of like the cells in the ocean, isn’t it?

I mean, do you really have freedom of choice? Or do you just move and make up excuses for your movement along the way because facing the fact you are unwittingly being controlled by forces you can’t comprehend is too damn mind-bogglingly painful?

Are you really that different from these tiny cells signalling their simple codes to each other to see if they are compatible to merge and create something new? Aren’t you just as responsive to chemical hints fired into your consciousness? Don’t you push yourself to extremes for a dopamine fix?

And when the cosmic sea has revealed its desire by putting a person in front of you, how do you stick together? How do you continue to grow with one another? What do you call the sensation that makes you want to share yourself with them, and be with them? What’s the name of that feeling that makes you forget a little about your own precious self in exchange for thoughts about someone or something else?

What would you call it, mate?’

‘Hm?’

‘What would you call that fundamental spirit that makes sunflowers oscillate their days away with the radiant choreographer in the sky?  The spirit that torments contemplating artists, that daunts even the sturdiest philosophers, that can bring a mastodont of a man to his knees, begging for forgiveness and perhaps another try?

Do you have a word for it?’

‘No.’

‘I like to call it love.’

‘Love?’

‘Yeah. Not the dinner and a movie type, but an existential type of love. A yearning to move with the flow of creation, a sense of vitality that longs to explore the hidden potential stored within the body.

Whatever you want to call it, it exists, we all know it exists. You can feel it when thinking of a thing, a project you’re working on, a person, yourself, the world, existence, you can feel the feeling and be driven forward by newly found energy. You can be tired and lifted up by thinking of the thing you love. You can cure your negativity with it. You can bring joy to others. Chewed-out as it might sound, love makes you feel like you can do anything.

But no matter in what way your love starts, we can be sure that you looked at one another, acknowledged you were from the same species, saw some signs about the other’s body or mannerisms that made you tingle for reasons unknown and because those tingles were exacerbated over time you are now taking care of a little one that demands a good 99% of your time and concentration for the next ten years.

Of course people are so full of themselves that they will attribute this baby to all sorts of magical connections between the two parental units, but did anything magical really happen? Or was the attraction comparable to a cell latching onto another cell? Was your union the work of deep conversations on star lit nights or was it genetic computing that fooled you into thinking it was worth it to splooge out a little nipper?

And what would the cell answer if you could ask it that question? Would the cell have reasons? Would it say: “My receptors were sparked so I assimilated the other entity” or would it try to make itself seem special by describing the vibrance in the water on that faithful day and the penetrating rays of the sun breaking the surface tension? Does it need a reason? At what stage does a creature need a reason?

And what about the gods, to whom we are naught more than cells? Would they see us as insolent? Would they chuckle at our stupidity? Would they weep over our misguided ways? Or would they delight in our struggle, knowing that these are all necessary steps for us to become like them? Because if we are the result of everything smaller than us working together, maybe the way forward is for us to figure out what we could become if we merged our beings into one. If we figured out a way to live in true symbiosis with one another and the planet. Maybe we can upload our brain data some day and store people in a consciouss cloud, a bodiless intelligence. Imagine what such a thing would think. And then imagine what such a bodiless intelligence might evolve into. Imagine what a shapeless being likes to create. Is it not exactly what we imagine when we think of our Gods?

Maybe that’s what thinking is: The invididual’s evolutionary spectator passively telling itself the story of its life. A lurking God delighting in its own creation. Or maybe there’s more to it. Maybe you dó have a say in the matter, maybe you dó choose which way your body moves. If you do, you carry a great responsibility, because that would mean that your individual is the contemplating embodiment of that thing that drives other beings forward unknowingly. It would mean you possess some consciouss form of that timeless essence present in everything from single cells to whatever resides in the heavens above. It would mean we áre gods, in charge of our own personal destiny. Commanders of our souls.

Maybe that’s what makes humans special after all. That they are one of the first creatures on the planet to break the barrier of Godly wisdom. That they carry the burden of knowledge and have the ability to judge something as good or bad in order to evolve in the most optimal manner. Maybe that’s dead wrong and I should just shut up. We don’t know. We might never know. But my best guess is that there is a part of paradise that resides in you, screaming for your love and attention, because it wants to create the ultimate version of you as a step in the right direction on the way to Godhood. I believe you possess a kind of power that allows you to pick your own instinct and decide the fate of life itself with every passing day.

So what are your plans for tomorrow?’

Stati/e[]]kkKg—

Twee boys staan op de hoek van de straat ergens in zuidoost te chillen, kijkende naar een lugubere gestalte van teer en pus en slijm en staal die in het midden van een anderzijds druk kruispunt met een jongen aan het spelen is.

‘Is wel vervelend voor die jongen,’ zegt de toekijkende toeschouwer tegen zijn getuigende gezelschap.
‘Maar de treinen rijden op tijd, weetje. Dus zo erg is het monster nou ook weer niet.’

Het monster scheurt de wangen van de jongen open en begint één voor een de tanden uit zijn zachte mondvlees te wrikken. Hij verwijdert ze onder hevig gekraak en geknars en gejammer. Zodra het een mooie hoektand gevonden heeft begint het monster zijn naam in de ongerepte delen van het kermende gezicht te kerven.

‘Gaat ‘ie weer, hoor…’ Verzucht de een.
‘Tsja, maar naamsbekendheid is ook belangrijk voor een monster hè.’

Het monster begint verrukt de kleding van zijn slachtoffer kapot te scheuren en zwartgallige tentakels schieten op de jongen af vanuit het kronkelende slijmerige lichaam. Het ten-dode-opgeschreven kind spartelt met zijn ledematen en spast in krampachtige stuiptrekkingen. Zijn ogen beginnen uit te puilen en het bloed komt nu in gewelddadige proesten uit zijn mond gegutst. Het wezen dreunt doodsklanken in een sonorisch gegrom, dat de borstkassen van de omstanders doen trillen als woofers op neuro-funkfeesten.

‘Dus ehh, ik had laatst last van ’n hoestje… En ik had aan ’t monster gevraagd. Hij gaf me gratis kuurtje… Weekje was ’t voorbij. En ‘kwas niks kwijt nie.’
‘Ja toch? En ik bedoel, je kunt zeggen wat je wilt, maar als je niet wilt meewerken met het monster dan betaalt ‘ie je wel gewoon een tijdje door.’

De jongen wordt als zacht deeg uit elkaar gereten door de klauwen van het wezen, wat zijn ingewanden blootlegt en op de koude straat doet kieperen. Zijn lever op de grond gespetterd, roodgeregend door liters bloed die, eenmaal bevrijd van mensenhuid en vatensystemen direct weer gehoorzamen aan de vermorzelende zwaartekracht.

‘Ik denk dat het monster het eigenlijk ook liever niet op deze manier doet.’
‘Ja, eens, maar het moet wel, want het is een monster, snapje?’

Het monster is verveeld geraakt met de jongen en klopt aan de volgende deur voor nieuw speelgoed. Hij heeft geluk, want deze wijk heeft vrijwel alleen maar torenflats. Genoeg zielen om een monster van zijn formaat mee te vermaken.

‘Alstublieft! Stop! Ik ben een mens! IK BEN EEN MENS!’ Schreeuwt degene die opendoet en de verrotte snijtanden van de macabere bol chaos voor zich ziet bungelen, maar het maakt niet uit. Sterker nog, paniek maakt het gevaarte enkel gretiger, zo lijkt het. Alsof het zich voedt op andermans angst.

‘Dit monster is me toch net iets te ostentatief met zijn bloedvergieten,’ zegt de een na een tijdje tegen de ander. ‘Hoe moet ik me schijnheilig vredelievend opstellen tegenover de rest van de wereld op deze manier? Dan was toch een stuk beter in de tijd van Gharrothoqyagh Knekelkauwer KGGOGG.’

Het monster verdelgt de persoon die voor hem staat en gaat onverstoord verder. Het sijpelt van deur tot deur en verslindt slachtoffer na slachtoffer. De volhardende toeschouwers kotsen stukje bij beetje excuusklonten op die ze zullen blijven herkauwen tot ze uiteindelijk zelf verteerd worden in het vretende maagzuur van de erbarmelijke creatie.

‘Echt hoor. Ik denk dat ik over drie jaar toch echt mijn stem uitbreng op zijn broer.’

Het monster heeft absolute schijt aan wat de toeschouwers zeggen en glibbert gulzig verder over de galerijen.