Sè La

Ongeacht hoe mooi het is, laat je het staan, dan zal het stof vangen.
Gebruik je het, dan erodeert het.
Maak je het schoon, dan poets je misschien meer herinneringen weg dan je glans doet verschijnen.
Negeer je het bestaan, dan zal je je altijd afvragen – wat als?
Neem je het voor lief dan is dat je eigen schuld.
Wil je het vieren, dan regent het twijfel.

Poog je te verwaarlozen – hoe tegenstrijdig dat ook klinkt – mag het niet baten, aangezien het de lozer enkel waardeloos maakt en zijn initiatief des te nietiger.

Het ís en blijft lastig.

Misschien is er niets dat we kunnen doen behalve het met hangend hoofd terugsturen naar de fabriek, biddend voor een garantie.

Gematineuzel [Snap je want Matineus Geneuzel – dat is kunst hè]

Hij wordt wakker in zijn studio, kijkt naar zijn vriendin die naast hem ligt en bedenkt zich dat mensen van nu tot het begin hebben gerust in een soortgelijke houding. Naast elkaar. Of het nu uit noodzaak, toeval of liefde was.

Ergens zijn die andere mensen anders, maar in essentie verschillen ze niet zo veel van elkaar. Hij gelooft ook heilig dat hij hij is. Alle specifieke aspecten van deze hem die daarbij komen kijken zijn tijdsgebonden bijzaken die voor hem importantie dragen omwille van zijn overlevingskansen. Sensaties die binnen zijn skelettenkooi heel bijzonder voelen, maar in het fenomeen “menselijkheid” geen deukje kunnen maken.

Hoe vaak is hij in die honderdduizenden jaren echter wakker geworden? Welke werelden hebben zich rond zijn lichaam gevouwen? Zou de genegenheid die hij ervaart bij het aanraken van haar hand overeenkomen met de sensaties van onze prehistorische voorouders? En het denken aan een fijne herinnering met haar? Was dat gevoel veranderd over de millennia? Zou hij anders over het leven hebben gedacht als hij toen geboren was? Beter, slechter, saaier, spannender? Of waren de organen die hem van deze gevoelens voorzagen in essentie niet zo veel veranderd met de jaren?

Zou hij zijn computer missen als hij ineens in het stenen tijdperk zou ontwaken? Of zijn telefoon? Op vakantie was hem altijd opgevallen hoe weinig de televisie voor hem betekende zodra er een zwembad en voetballende vriendjes waren. Wanneer hij naar school moest stond dat ding rustig zes uur per dag aan, maar op vakantie kon hij alleen maar aan spelen denken en was het net of de beeldbuis nooit bestaan had.

Hij probeert zich voor te stellen waar hij zich zorgen over zou maken als hij zeventigduizend jaar geleden zijn ogen had geopend. Wat zijn gedachtenspectrum zou bevatten: Spel, dans, taal, muziek, liefde, jacht, sport, kuddedingetjes, overlevingsvrees, sociale kalenders, verjaardagen, ontgroeningen, seks. Veel van de dingen waar hij nu ook aan denkt maar dan zonder alle marketingconstructies, vermakkelijkingsgadgets en onnozele overbodigheden van de contemporaine samenleving.

Hij zou leven van en met de Aarde. Hij zou geen andere keuze hebben. Er was geen microchip; er was macrokorst. Door-de-goden-gemaakte eindeloze korst. Begroeid, bewild, bewonderingswaardig. De mens was onderdeel van het alles in plaats van regeerder. Waarnemer in plaats van nemer.

We genoten van onze nieuwgevonden emotionele giften en gebruikten ons intellect om elkander te voorzien van voedsel, kennis en liefde. Op de gerantsoeneerde diëten die moeder Aarde te bieden heeft wanneer ze niet bevuild is door pluimveestallen is namelijk niet zo’n denderende voorraad te halen dat een selecte elite zich kan onttrekken aan alle verantwoordelijkheden van de groep zonder daarvoor op den duur de keel doorgesneden te krijgen.

Zijn vriendin knijpt in zijn hand. Ze slaapt nog. Droomt waarschijnlijk. Iets dat tegenwoordig doodgeslagen is en beroofd van enige diepere betekenis door de zielloze westerse indoctrinatie van spookjesloze horror. Niets is magisch, niets is fantastisch, niets gaat ergens heen, er is geen doel, geen verlossing, geen oplossing. Er is enkel het oersaaie zintuigelijke bestaan en vernietiging van minderbedeelden waar wij gelukkig geen last van hebben omdat we het huidige wereldrijk zijn en dus profiteren van de vermorzeling. De enige uitzondering waarin geloofd dient te worden is het voor-de-kar-gespannen teleologische proces van gestage verbetering dat de misdaden van het systeem goed moet praten.

Haar grip versterkt. Hij denkt aan die keer in het klimbos en probeert die herinnering naar haar te communiceren via zijn huid. Hoe ze tussen de takken klauterden en van stronk naar stronk suisden; hoe comfortabel ze was geweest op twintig meter hoogte. Hij denkt aan de eerste avonden van hun samenzijn. Ochtenden vol gegniffel en gegrinnik. Warme momenten met zachte gelaten. Woorden die welgemeende genegenheid moesten overdragen. Bevlogen gevoelens gevangen en overhandigt aan de ander, om mee te doen wat ze wilden.

Onze technologie is een verademing, koelkasten maken alles beter omdat we nu minder tijd hoeven te besteden aan onszelf en dus meer voor de baas kunnen doen. Medicijnen onderdrukken, verslappen en houden-in-stand. De werkeloosheidswet is geweldig in een wereld waar je moet werken om te mogen bestaan maar zou ronduit absurd zijn voor onze voorouder die naastenliefde als noodzakelijke vanzelfsprekendheid zou ervaren, opdat zijn stam evengoed hem was als hij zijn stam. Maar alsnog is deze wereld beter dan we ons ooit hadden kunnen voorstellen. De pracht die wij als mensen hebben gebouwd is ongeëvenaard in het bekende universum. De keuzes die we hebben moeten maken om hier te eindigen spreken boekdelen over wie we werkelijk zijn. De zielen die macht moeten hebben gehad om dit knekelhuis te kunnen construeren ziek en sinister.

Een bloem breekt door de grond van zijn hart en bloeit rond zijn ribben richting haar boezem. Hij observeert haar terwijl het gevoel toeneemt. Ze is niet de mentale foto die ze wellicht ooit zal worden. Ze is nog geen herinnering. Ze is hier écht. Ze zijn samen.

Toch is het de best mogelijke wereld en wordt het langzaam beter. En als je daar een probleem mee hebt dan hoort je omgeving graag jouw haarfijn-gedetailleerde alternatief voor een miljoenenjarentraject. En als je die niet paraat hebt ben je gewoon weer zo’n randgeval zeikerd die zijn smoel moet houden terwijl de bevoorrechte betweters hun belangrijke meningen verkondigen, omdat je probeert populariteitspunten te scoren met een waarheid die iedereen reeds geïnternaliseerd heeft, maar niet openlijk toe durft te geven aan zichzelf iedere dag, opdat zelfmoordgedachten op afstand gehouden dienen te worden. We slikken nog liever mentale-evenwichtspillen dan dat we twijfelen aan de speeldoos waarin wij ons mens-erger-je-niet moeten uitzitten. Maar ook al hadden ze honderdduizend jaar geleden geen intercontinentale raketten of sweatshops was het toen minder beschaafd. Een klap in je gezicht is brutaler dan zestig jaar dankloos sloven.

Hadden ze het zich voor kunnen stellen vroeger? Of zouden onze voorouders honderdduizend jaar geleden ook om zich heen hebben gekeken naar een gewelddadige wereld van diersoorten waar zij voor vreesden en hebben gedacht “Nee, met de tijd wordt het beter.”

Want terwijl ik naar mijn vriendin kijk en me besef dat haar gezelschap me meer vreugde brengt dan mijn koelkast moet ik me toch afvragen of het er wel allemaal zo veel beter op is geworden. Of onze voorouders hiervoor zouden tekenen als ze de volle implicaties zouden kennen. Als ze zouden beseffen dat alle “moeite” die ze moeten doen om te overleven – die “moeite” die wij zo collectief schuwen, of het nu om een schoonmaakfunctie of een derdewereldleven gaat – precies hetgeen is dat ze menswaardig maakt. Dat er meer trots ligt in een heldendood dan een slavenleven.

Niet dat ik ieder aspect van de huidige wereld schuw hoor. Het is allemaal best aimabel hoe een praatgrage apensoort zich meester heeft gemaakt van de Aarde.
Maar dan nóg. Als ik naar mijn leven kijk zijn de bronnen van mijn diepste geluk altijd de eeuwigheden geweest. De dingen die er ongeacht snufjes en foefjes waren. Onze lichamen, onze karakters, onze waarheden, waarden, waanzin en liefde. De bossen, watervallen, dieren, bergen en oceanen. De sterren. De zoektocht naar betekenis. Het meemaken van uitdagingen met geliefden aan je zijde. Het verwerken van tegenslagen met iemand die van je houdt. De magie van ergens in kunnen geloven. Jezelf overwinnen. Het menselijke dat steeds verder verdrongen wordt. Dát is wat de wereld leuk maakt voor me. Ik zou me niet gelukkig wanen in een paradijs gevuld met eikels. Ik zou me wél gelukkig kunnen wanen op een desolate vlakte met mijn gekozen familie.

Helaas is deze planeet verre van desolaat op het moment en stevenen we gezamenlijk af op een catastrofe gelijkend aan die van de dinosauriërasteroïde.

Ik denk niet dat we gered gaan worden.
Ik reken niet op de menselijkheid van onze leiders, noch de empathie van zij-die-zullen-overleven.
Ik heb me reeds neergelegd bij een post-samenlevingsscenario van honger, dorst, schaarste en terreur.

Ik hoop alleen dat ik de ramp mee mag maken met de vrouw die naast me ligt. Omdat haar liefde alles zaligt.

Interviaal

Daar in het omme waar het altijd weest komen ze elkaar tegen.

‘Hey! Je bent er weer!’
‘Wow. Oké, ik had tóch gelijk.’
‘Twijfelde je?’
‘Af en toe.’
‘Dat zijn altijd de leukste uitstapjes.’
‘Klopt. Meestal wanneer het allemaal goed gaat kom je toch al snel in die automatische piloot.’
‘Zo eentje had ik er dit keer.’
‘Ja, was het een lekker leven?’
‘Ik had weinig te klagen. Tuurlijk, het was niet perfect perfect,-‘
‘Jaa, maar dat is het nooit hè. Moet je ook heel niet willen denk ik.’
‘Je hebt gelijk. Je hebt gelijk. Maar rekening houdend met het gewenste verdriet en de benodigde tegenslagen, was het een prima tijd.’
‘Veel verloren?’
‘Oh, je wilt het niet weten.’
‘Maar ook gewonnen?’
‘Meerzo dan ik kwijt ben geraakt.’
‘Een nettowinst dan toch.’
‘Met een plusje onder de streep eindigen hè.’
‘Mocht ook wel weer een keertje hoor als je het mij vraagt.’
‘Man, het is me toch een tijdje bitter geweest. Iedere keer dat ik naar beneden ging was het kommer en kwel.’
‘Je bent ook wel een paar keer eerder teruggekomen dan gepland volgens mij.’
‘Ja, helaas wel… Ik vind bezoeken heel leuk allemaal hoor, maar er zijn grenzen zou je denken.’
‘Het is een wilde soort. Wie weet wat ze nog uit gaan vreten allemaal.’
‘Ja, en dat is het ‘m dus hè. Juist doordát ze zo gestoord zijn-‘
‘Is het zo vermakelijk om er deel van uit te mogen maken.’
‘Aye…’

De twee enen zijn.

‘Ik wil weer een keer verliefd worden.’
‘Ja?’
‘Ja. Dat voelt bijna hetzelfde als dit.’
‘Het einde?’
‘Precies. En alle beloftes van beginnen aan iets grandioos en onbekend.’
‘…’
‘Ga je mee?’
‘Wat, nu?’
‘Waarom niet?’
‘Je hebt gelijk.’
‘Enige hints over je uiterlijk?’
‘Wat voor een soul mate vindt je nou op uiterlijk?’
‘Goed punt.’
‘Klaar?’
‘Ja.’
‘Oké, 3…2…1…’

De eenheid van tweeën wordt.

Leedvermaak

‘Ik moet het doen. Het is beter zo.’

De mannen in de andere ruimte huilen en schreeuwen. Hun kroost verkruimeld in de vuist van hetgeen dat de belofte van voorspoed bracht.

‘Het is beter zo. Het gaat beter worden.’

De deur opent en werpt de man een goudstuk toe, wat hij met licht schuldbesef in zijn zak stopt. Hij gaat het investeren. In hun toekomst. Dat is het beste dat hij kan doen.

Er komt nog een belofte in zijn hoofd op. Dit keer nog veeleisender dan de vorige. Het zou geen vlugge verpulvering zijn dit keer, geen kwieke ontleding, maar een langgerekt proces van afgrijzen en waanzin. Een martelgang van lichaam en geest. Het zou de mensen in de andere kamer tot het uiterste drijven. De maximale capaciteiten van hun kunnen op de proef stellen en afvalligheid bestraffen zonder enkele vorm van genade. De beloning daarentegen zou ook ondenkbaar veel talrijker zijn dan de vorige. Het zou écht iets kunnen betekenen voor ze, denkt hij. Als hij déze beloning kan verzilveren, leven die arme zieltjes binnen de kortste keren in paleizen van overvloed en liefdadigheid.

Een tijdje denkt de man na. Het is wel een grote beslissing natuurlijk waar hij mee opgezadeld is. Niet iedereen kan zomaar even in zijn schoenen staan en een oordeel vellen dat betrekking heeft op zovelen. Al helemaal niet een keuze voor hun bestwil. Hij is wat dat betreft wel een beetje speciaal. En dat vindt hij zelf eigenlijk stiekem ook wel.

‘Nou, oké dan maar. Het is geen makkelijke keuze voor me, maar het moet. Dat is beter zo.’

De deur sluit, de man luistert aandachtig en blijft maandenlang gekluisterd zitten aan het hout dat langzaam verf begint te verliezen om alle smeekbedes en leedkreten te absorberen, overpeinzen en beantwoorden met een verbijsterde stilte. Na een stuk of honderd nachten keert de rust weder. Er is een enkeling te horen die snikt, maar de tijd zal ook snel dit gejammer sussen.

‘Wat naar dat het die mensen allemaal zo moet overkomen. Moet dat nou echt zo?’ vraagt hij zich af. Maar er komt geen antwoord.

De deur opent zich en zakken vol goud, diamanten, coltan, lithium, albast, tabak en specerijen tuimelen voor de voeten van de man. Ineens beseft hij zich weer waarom hij dit doet. Ineens blinkt het weer van inspiratie in zijn ogen.

‘Kijk. Hiermee kunnen we die mensen echt gaan helpen. Laat me ze het goede nieuws vertellen!’

De man opent de deur en gaat op de drempel staan. Smeulende lichamen en de geuren die ze vergezellen gebieden hem deze spoedig te verlaten en de deur weer te sluiten. Hij krabt aan zijn kin en kijkt bedenkelijk om hem heen.

‘Nou, ja, kijk, als er toch niet meer iemand is om eh, zeg maar te helpen, dan eh, ja dan kan ik die centen net zo goed in mijn eigen zak stoppen! Há-há. Dattehh. Dat had iedereen gedaan, toch? Ik had geen keus. Ik… Ik deed het omdat het goed was. Ik… Ik zou ze hebben geholpen… Ik…’

De stem begint een nieuwe belofte te prevelen. Wat als alles goedgemaakt zou kunnen worden als hij de mensen van hiernaast nog één maal zou beproeven?

In een diamant ziet hij hoe honderden reflecties een verzamelpunt vinden in een enkel object. Een mogelijkheid tot contemplatie met betrekking tot alternatieve werelden die niet opereren op de schijnbare vanzelfsprekendheid die zich genesteld heeft in zijn maar-al-te-menselijke brein; een mogelijkheid, een mogelijkheid….

Maar wat is een mogelijkheid tegenover een belofte?

Thuisfluiters

‘Oeeeeh!!’
‘GODVERDEGODVER!’
‘OII! WÁT BUITENSPEL!? KIJK DAN! STAAT ER TOCH NÓG ÉÉN, JONGE!? KAN-KER-SCHEIDS!’

De tribune breekt haast onder het gestamp van de massa, maar het mag niet baten. Het doelpunt wordt ongeldig verklaard en de keeper van het blauwe team maakt zich klaar om de bal naar voren te jakkeren.

‘Kom op, rood!’
‘Laat mij erin dan! Ik klaar ze allemaal!’
‘Pak ze, jongens!’

De bal landt tussen de borsten van een blauwbloedje, valt richting zijn wreef die hem opvangt en maakt vervolgens door de lucht zijn weg naar de spits van het team die aan de rand van de zestien klaarstaat om toe te slaan. Er staan twee verdedigers tussen hem en zijn doel. Hij akka’t langs de eerste en panna’t de tweede, tot de grote vreugde van zijn teamgenoten die schaterlachend op de grond vallen en gillen van het leedvermaak. Dan kijkt hij in de ogen van de keeper. Zijn voet zwiept naar achter, lanceert naar voren en ploft met volle vaart op de bal die snoeihard de kruising in suist. Op de terugweg viert hij zijn doelpunt zo uitbundig dat hij per-misschien-wel-ongeluk een verdediger op zijn achterhoofd elleboogt. Het publiek schreeuwt het uit.

‘OI!’
‘WHAT THE FUCK!’
‘ZAG JE DAT!?’
‘HOE DURF JE! VIEZE WATERRAT!’

De man zakt in elkaar en blijft bewusteloos op het veld liggen. Er komt een brancard aangespoed die de speler afdraagt naar de kleedruimten. zijn vervanger wordt haastig uit het publiek getrokken, in een rood shirt gehesen en in de cirkel gezet om de volgende aftrap te nemen.

‘Oké. Let’s go,’ knikt hij naar zijn teamgenoot, waarna hij de bal een klein zetje geeft met zijn voet.
‘Hmpf, die nieuwelingen zijn altijd nog zo enthousiast,’ verzucht zijn middenstipgenoot, waarna hij de bal in het spel brengt.

De mid-mid poogt te verdelen, maar ziet geen vrije spelers. Hij draait zich om voor een terugspeelbal, maar voordat hij kan passen schoffelt een tegenstander zijn poten onder hem vandaan en dondert hij om. De bal stuitert onfortuinlijk weg van de blauwe boy waardoor een rode verdediger op kan komen om het bezit te heroveren.

‘Hier! Hier!’

Een kwieke wenk van zijn ogen toont zijn teamgenoot met een hand omhoog. Hij voelt de volgende hakkentrapper alweer hijgen in zijn nek. Er is geen tijd om te twijfelen. Hij schiet de bal strak richting de flank en wordt halverwege de vlucht alsnog ingedeukt door noppen die zich venijnig in zijn kuiten nestelen. De scheidsrechter kijkt hem aan terwijl hij naar het gras zakt en wendt vervolgens zijn hoofd.

‘DIT IS ONEERLIJK!’ schallen de tribunes.
‘SCHEEEEEEEIDS!!!’

De ontvanger van de bal kan geen beheersing krijgen en wordt binnen no-time ontfutselt door een blauwe verdediger die hem natrapt. De ontvanger valt, maar staat direct weer op.

‘Wat ga je natrappen dan jonge, vieze flikker!’

Hij trapt genadeloos terug en wordt linea-recta het veld uitgebonjourd met een rode kaart.

‘Dát soort spel wil ik hier niet zien, jongeman!’ sneert de scheids.

‘Wát!? ja en bij hem wel zeker! HEDDE STRONT IN DE KASSEN OF WÀ, SCHEIDS!?’

De rode fans maken zich zo druk dat ze het volgende doelpunt voor blauw niet eens meekrijgen. Ze zijn stomgeslagen en doorgedraaid tegen elkaar aan het blaffen over onrecht en vragen zich af wat ze moeten doen om een kans te maken. Niets wat ze doen lijkt te helpen. Ze hebben alle liederen gezongen die ze kennen van het clubhuis, ze trommelen hun armen nu al vele levens krom, moedigen onophoudelijk aan en vervangen gebroederlijk de gewonden wanneer die er zijn, maar niets lijkt te helpen. De score blijft maar uitlopen.

Nog een doelpunt voor blauw leidt tot discussie bij de spelers.

‘Jezus, mina, het is verloren, of niet?’
‘Ach kom op, niet zo negatief nu. Dat is precies de houding waardóór we verliezen!’
‘Jaa! Kom op! Go rood! Go rood! Let op te sluiten wanneer ik het zeg!’
‘Maar zij kunnen alles doen wat ze willen en wij mogen helemaal niks…’
‘Hey, we doen ten minste mee! Ga je je eigen team in de steek laten soms? Dit is alles dat we hebben! Kijk naar de tribunes. Zie je niet hoe vol ze zitten? Zie je niet dat bijna iedereen hier is voor ons!? Laat ze zien wat we waard zijn!’

Nog een doelpunt voor blauw.

‘Jonge als je een keer de fucking bal overspeelt dan hebben we misschien nog een kans. Wat dacht je daarvan?’
‘Houd je bek, kerel, naar wie ga ik hem passen dan? Die rechtsbuiten van ons? Die kan nog geen bal koppen al was hij een dislectische miljoonèhr. Linksbuiten? Kijk zijn buik. Kijk naar zijn buik. Zie je dat?’
‘Dus ga je alles maar alleen doen?’
‘Beter dan gratis balletje weggeven met die boelers voorin, of niet? Ik zweer mijn linkerteen is een betere speler dan jullie allemaal samen. Al helemaal deze spits.’

De spits zucht en schudt zijn hoofd.

‘Jongens houd jullie bek! We moeten het sámen doen! Hier is geen tijd voor! Man the fuck up en speel fatsoenlijk!’ roept de rode keeper.

De aftrap wordt genomen. De bal wordt teruggespeeld. Nogmaals. Naar de linksback. Rood dijt uit voorin en knijpt het middenveld samen. Er komt ruimte op de buitenkant. Een blauwe rent op de verdediger af, maar wordt gedold. De linksback kijkt op, ziet ruimte voorin, maar besluit tegen zijn gevoelens in de bal af te staan aan de jongen die net nog zo had staan kankeren op zijn metgezellen. Zodra de bal weg is bij de linksback voelt hij de pijn van valsspelen. De aanvaller komt met twee gestrekte benen aanglijden en splijt de schenen van de linksback, die spoedig afgedragen en vervangen wordt door iemand uit het publiek.

De egotripper speelt twee blauwen uit en dendert op het vijandelijk doel af, maar staat voor een onmogelijke opgave. Tegen zijn wil, maar met zijn verstand, legt hij af aan de spits die aanneemt, controleert, observeert en poeiert.

Raak. Het stadion ontploft. De spits sprint naar de cornervlag en buldert zijn adrenaline eruit. Het publiek voorziet hem van repliek.

‘OOOOOOOOOOHHHH!!! SHIT!’
‘JÁÁÁÁÁÁÁÁ!!!! JÁ! JÁ! EET MIJN FUCKING REET, TAKKEBLAUWE!’
‘LESSGOOOO!!!’
‘RODE WRÁÁÁÁK, WIE KENT ‘M NIET! RODE WRAAAK RODE WRAAAK OP DAT HELE BLAUWE TEAM!’
‘DAT IS MIJN MAN! LEKKER GEWERKT, MICHAEL, PIK!’

Michael pakt de bal uit het net en maakt aanstalten om naar de middencirkel te rennen zodat het spel snel verder kan en de voorsprong nog kleiner gemaakt kan worden. Maar halverwege voelt hij een hand op zijn schouder die hem maant te blijven staan.

‘Dat was een lekker schot, man. Je hebt talent.’
‘Dank je.’
‘Wil je bij het blauwe team?’
‘Wat?…’
‘Precies wat ik zeg. Wil je bij het blauwe team?’
‘Waarom zou ik dat doen? Na alles wat ik jullie heb zien doen bij mijn teamgenoten, bij mijn vrienden?’

De blauwe man kijkt een tijdje bedenkelijk voor zich uit; om zich heen, en gniffelt:

‘Omdat we winnen.’

Michael slikt een brok door zijn keel en ziet hoe een van zijn teamgenoten in elkaar wordt getrapt onder het immer-toeziend oog van de arbitrage. De toegetakelde jongen kruipt op eigen kracht buiten de lijnen en tikt zijn broer aan die van de tribune gerend komt en zich in het spelerskloffie hijst.

‘Oké Oké!’ roept de broer naar zijn nieuwe lotgenoten. ‘Nu gaat het anders worden! Nu kunnen we er écht tegenaan! Ze zijn niet onsterfelijk, jongens! Ze bloeden net als wij!’

De blauwe man kijkt nog eens naar Michael.

‘Ja, denk je? Denk je dat jullie het nu wél gaan winnen? Met die jongen wél?’
‘Houd je mond toch, jullie zijn niet eens betere spelers dan wij.’
‘Dat hoeft dan ook helemaal niet blijkbaar, of wel?’
‘Jullie winnen alleen maar vanwege die scheids.’
‘Ik hoor smoesjes, rooie.’
‘Noem me niet zo.’
‘Hoezo niet? Dat is wat je bent, toch? Heb je ook een rooie vrouw, rooie?’
‘Nog één woord, gozer. Nog één woord over mijn vrouw.’
‘Ik wilde alleen even kijken of je geliefden had. Ja dus.’
‘Iedereen die je hier ziet heeft geliefden. Zij die dát niet eens konden vinden hebben reeds gekozen hier niet meer bij te zijn vandaag.’
‘Denk je niet dat je vrouw gelukkiger zou zijn als haar man voor blauw zou spelen?’

Michaels lichaam twijfelt tussen stompen en knielen. Vechten of zwichten. Maar vechten doet hij al zó lang. Om niet meer te hoeven zwichten. Hij weet het niet. Eigenlijk voelen geen van beide keuzes fijn. Maar als blauwe speler kan hij zijn vrouw en toekomstige kinderen een waardig bestaan geven, en een papa worden om trots op te zijn. En wat stelde dit team nu wérkelijk voor? Ze droegen dezelfde kleur shirt en speelden onder dezelfde banier, maar om de zoveel minuten werd er wel iemand van de mat afgesjouwd en vervangen door een wildvreemde, waar je dan maar mee moest verbroederen omdat je allebei hier geëindigd was en dezelfde kleur shirt droeg. Was hij net niet nog beledigt door zijn eigen compagnon?

‘Prima. Ik kom bij blauw.’
‘Mooi!’ De man draait zich richting de scheids: ‘Scheids!’

De scheidsrechter kijkt op. De blauwe jongen cirkelt zijn wijsvingers om elkaar heen als een waterrad:

‘Even wisselen!’

De scheidsrechter knikt en trekt een speciaal fluitje uit zijn kontzak dat het signaal voor de skyboxkijkers geeft om een speler te kiezen die vervangen dient te worden. Vol plezier en ijver beraden de blauwe fans wie het niet langer heeft verdiend om voor hun team te spelen.

‘Wat gebeurt er?’
‘Ik weet het niet. Maar die spits staat wel verdacht lang met een blauwe te babbelen, nee?’
‘Zouden ze een deal aan het maken zijn?’
‘Nah, dat zou ‘ie niet doen, hij is júíst degene die ons kan helpen. Hij heeft net gewoon gescoord!’
‘Solidariteit is alles dat we hebben.’
‘Ja, precies. Dat is álles dat we hebben. Dan stap je toch liever over?’
‘Wat zeg je me nou? Ben jij zo’n vieze verraaiier?’
‘Ach houd je bek, je doet alsof je principes hebt, maar je bent gewoon kansloos dus verdedig je de enige overgebleven optie maar.’
‘Moet jij zeggen, homo.’
‘Ja ik ben homo, is dit óók nog een probleem voor je, vriend?’
‘Wat- n-nee, ik bedoel gewoon -‘

Een doelpunt voor blauw. Gescoord door Michael. Hij lijkt niet bijzonder blij met deze treffer. Het stadion is stil. Alleen de mensen die rondom de kogelvrije VIP-doos zitten horen dat er binnen muziek gedraaid wordt. De bal wordt wederom naar de stip gesjokt en binnen enkele seconden wappert het net wederom. Weer door Michael. Op de tribune probeert zijn vrouw een glimlach te verbergen.

‘Da’s jouw man hè? ‘Fnie?’ Moppert een brede vent met bladgouden ringen en imponerende tattoos.
‘Ja…’
‘Hij is een vuile overloper, ‘Fnie?’
‘Ja…’

De man ontvouwt zijn dikke onderarmen die liggen te rusten op de kuip die zijn buik is. Hij blaast was lucht door zijn neus en knikt bescheiden.

‘Gefeliciteerd, mop.’

Een schijnwerper verlicht haar gezicht. Er komt gewapper van boven. Een touwladder wordt uitgeworpen. Een paar mensen in rooie shirts springen er op af en worden even snel weer verwijderd door middel van doelgerichte kogels. Een man boven haar wuift zijn hand naar haar. Ze pakt een trede vast en zet haar ene voet boven de andere richting de helikopter. Achter haar grijpen handen naar haar enkels. Er zijn meer schoten te horen. De handen laten los. Ze blijft klimmen. Op het veld staat Michael vol afgrijzen te kijken.

‘Dat komt wel goed. Maak je geen zorgen.’
‘Wat doen ze met d’r?’
‘Ze wordt naar het supportershonk gebracht.’
‘Waar?’

De jongen wijst omhoog naar de skybox.

‘Na de wedstrijd gaan we met zijn allen daarheen om na te borrelen. We doen het iedere zondag. En we zouden onze nieuwe aanwinst niet alleen laten natuurlijk. Je bent een blauwe speler nu. Je vrouw ook. Jullie zijn een blauwe familie. Deel van dé blauwe familie.’

Michael kijkt naar de skybox en denkt aan het geluk dat hij zijn vrouw nu kan geven. Hij verkent het veld, vindt de bal, raast er op af en ragt hem het net in. En nóg een keer. En nóg een keer. Zijn benen weten ineens van geen ophouden. Zijn voeten zijn behendig. De bal kleeft zo’n beetje aan zijn lichaam wanneer hij dribbelt. Alles verloopt soepel. Zijn teamgenoten scharen zich achter hem en spelen de wedstrijd zonder al te veel moeite uit. Op de tribunes is een constant gejoel te horen van verradershaat en verslagenheid.

‘Ah bah! Allemaal door die collaborateur!’
‘Ach, het is niet alsof we aan het winnen waren voordat hij overstapte.’
‘Houd je bek, joh, we hadden ten minste een kans!’
‘Het staat 6754-25, dat weet je hè?’
‘Wacht maar tot volgende week!’
‘Joah, volgende week beginnen we met de inhaalslag!’
‘Als de doelpuntenmaker niet weer overstapt ten minste…’
‘Kloteverraders ook.’

Adana

Vuurvrouw span mijn vlamboog
knot uw haren vast en vinger de veer
schiet pijlen die reiken tot het schamele vlot
in de beek, waar ik wenend op brand

keer stenen als weder ik feniks uit de as
masseer mijn zweren met beproevingen van oud
leer me hetgeen te accepteren wat was
doe wat je wilt met me,
maar laat me niet koud

verlicht mijn lijden
smelt mijn zorgen
Reinig mij door zweet en stoom
bericht mij halverwege
houd mijn energie in toom

Laat me huilen in uw boezem
test mijn liefde en mijn stamina
mijn poriën die tintelen,
mijn adem die is daar waar het begon
de moederschoot
bekende warremte
vrouw van vuur, ik smeek, omarrem me
laat me wezen
laat me voelen, laat me weten
laat me zwoegen en vergeten
laat me alstublieft nog even hier in ketenen met jou

Oh stralende vrouw van vuur,
bedankt voor alles.

Calaismiteiten

Het spookt ongemakkelijk rond in zijn hoofd. Hij had enkel gesmeekt om wat extra eten voor zijn kleine. Wat was daar fout aan? Alsof zij niet hetzelfde zouden hebben gedaan voor hun eigen kinderen.

Hij kan het niet vergeten. De blik in de ogen van de agent en het gelach van zijn collega terwijl de stalen neuzen deuken maken in zijn bovenbenen galmt na door zijn wezen. Het plezier dat de zwijnen eraan overhielden was zo misselijkmakend geweest dat hij niet anders kon dan lusten naar wraak. Een messteek récht door de slagader zou niet misstaan als adequate represailles. Een scimitar in de schedel gekliefd evenmin. Maar iedere gewelddadige fantasie slaat te pletter op de rotsen van gevolgen. Hij zal nooit meer het daglicht zien en zijn zoontje zou verloren raken in de vele instellingen en weeshuizen van dit erbarmelijke continent.

Het waren niet alleen de leiders die het sentiment van superioriteit uitbeeldden door middel van militaire verwoesting en ecologische verloedering in zijn thuisland. De burgers hadden reeds hetzelfde gevoel geïnternaliseerd voelde hij in zijn blauwe plekken. Dit had hij niet durven vermoeden toen hij verhalen hoorde over het grandioze Europa met onbegrensde mogelijkheden en gewillige jongedames. Dit zou de plek van menselijkheid moeten zijn. Van avontuur en voorspoed.

Zijn zoontje wringt zijn kleren nogmaals uit na de mislukte poging over te steken eerder vanochtend. Gelukkig had hun motor het begeven toen ze nog ruim in zicht waren van de kust en konder ze zonder al te veel kleerscheuren teruggeleid worden naar hun martelkamp.

‘Als we hier uitkomen dan beloof ik je dat je gaat leren zwemmen.’
‘Ik moet kunnen zwemmen, papa, anders ga ik dood net als ome Tariq.’

Zijn vader hangt zijn hoofd, voelt nogmaals aan zijn zere dij en zucht voor zich uit.

‘Laten we daar niet meer over praten, knul. Dat is gebeurd. Dat ligt achter ons.’
‘Nu naar voren kijken!’ antwoordt zijn zoontje vanuit zijn geheugen.
‘Precies. Gewoon naar voren kijken. Dan wordt het beter.’
‘Wanneer dan, papa?’
‘Binnenkort, jongen. Binnenkort.’

Ze kijken om zich heen naar de tentenravage. Overal ligt afval en gescheurd zeil. Er is aan een muur begonnen door Britse ondernemers en Franse enthousiastelingen. Constructielui die verdacht veel lijken op deze quasi-gevangenen gieten beton om een omheining uit de grond te stampen waar Israëliërs jaloers op zouden zijn. Er komen geen kabels noch leidingen hun kant op, terwijl ze hun tweede winter in het kamp tegemoet zien komen. Ze zullen het moeten blijven doen met hun gaskacheltje en de verfrommelde aluminiumfolie waar ze hun restjes op opwarmen. Dat de kou Iba bijna zijn leventje had gekost vorig jaar is iets waar de Fransozen zich niet om kunnen bekommeren zo lijkt het. Het scheelt ze ook weer in de kosten natuurlijk. Een mondje minder dat zijn uitkering vreet is altijd mooi meegenomen.

Hamza knuffelt zijn kind. Zijn jeugd flitst door hem heen. Zijn wensen als kleine zijnde. Zijn aspiraties, ambities. Zijn stoutste dromen. Had hij het waar kunnen maken? Was dit het? Moest dit de nieuwe start voorstellen? Had hij zijn kind naar een land van kansen gebracht of ongevraagd meegesleept naar een levende hel? Moest hij zich trots wanen op zijn moed of schuldig voelen voor zijn hebzucht? En is het wel hebzucht te noemen om je geliefden een beter leven te gunnen dan jij zelf hebt?

Het is zijn schuld dat de jongen nu geen moeder meer heeft, dat weet hij in ieder geval zeker. De smokkelaars hadden aan geld niet genoeg gehad. Ze was onderpand, verzekerden ze. Ze zou op het volgende bootje worden gezet en direct achter ze aankomen. Wilden ze naar Europa of niet?

Een doelwitloze woede maakt zich meester van hem wanneer hij denkt aan het lot van zijn vrouw. Het trilt in zijn maag, het knijpt in zijn borst en het bonkt onophoudelijk in zijn hoofd met een toenemende intensiteit. Er is niets behalve troep en zwerfafval om zijn gevoelens op af te reageren. Dát en zijn kind. Het enige dat hij werkelijk nog wilt beschermen van al deze ellende.

‘Papa ik wil weg.’
‘Weg?’
‘Ja. Weg hier. Ik wil spelen in London. Of Parijs!’

Hij ziet wat zijn zoontje ziet en beeldt zich dan de werkelijkheid in. Geen groene weide met klimrekken en schommels, maar een kleine kamer boven het restaurant waar hij veertien uur per dag staat te bakken en boenen. Het geschreeuw van de baas. De twee uurtjes per dag dat hij kan luisteren naar Iba’s verhalen. Maar de toekomst zal het waard zijn. Dat kan niet anders. Hij heeft al te veel opgegeven om op te geven. Ze zijn zo dichtbij. Hij kan de vrijheid haast proeven.

Hij kijkt naar de muur en ziet dat die oranjegekleurd is door de ondergaande zon. Er is een kleine sectie waar nog geen prikkeldraad op is bevestigt. De constructielui staan op het punt naar huis te gaan.

‘Wil je écht weg, Iba?’
‘Ja, papa!’
‘Oké. Ik maak nog wat brood voor je en dan gaan we, goed?’
‘Jaa!!’
‘Shhht, niet te hard. Het is een geheim.’
‘Oh, oké. Jaaaa…!’ zegt Iba zacht.

De twee wachten af tot zonsondergang en sluipen dan clandestien rond het kamp richting de muur. Hamza gaat voorop maar heeft Iba’s hand vast om hem geen seconde uit het oog te verliezen. Ze klimmen over afval, uitwerpselen en dode lichamen. Iba is het gewend, maar kan het alsnog geen plekje geven. Het maakt hem zenuwachtig. Soms was hij liever thuisgebleven. Daar was pijn een zekerheid en niet zo’n constante factor van twijfel en teleurgestelde hoop. Daar waren zijn ouders samen en rook het ’s avonds lekker. Daar speelde tragedie een achtergrondrol voor hem.

Nu staat hij hier. Voor het betonnen monster dat hen doet wanen dat ze gevaarlijke dieren zijn. De enige voor wie hij nog een greintje empathie bezit in deze erbarmelijke wereld staat naast hem en kijkt omhoog. Aan de andere kant van deze afscheiding liggen kansen die niet op zich laten wachten. Aan de andere kant ligt een menswaardig bestaan.

‘Geef me je voet, Iba.’
‘Ga je me gooien?’
‘Ik ga het proberen.’
‘En jij dan, papa?’
‘Ik kom je zo achterna. Beloofd.’
‘Kun jij zó hoog springen, papa?’
‘Papa kan alles, Iba.’
‘Je bent de beste papa van de hele wereld!’ zegt Iba met trots in zijn stem.
‘En jij de beste zoon, schat. Jij de beste zoon,’ zegt hij met tranen die zich achter zijn ogen beginnen op te stapelen.

De man zet zijn rug tegen de muur, laat zijn heupen zakken en vormt een kom met zijn palmen waar Iba zijn versleten schoentje inzet. Ze kijken elkaar aan en Hamza geeft zijn zoon een kus op zijn voorhoofd.

‘Ik houd van je, Iba. Ik houd zo veel van je, ik wil dat je dat altijd blijft onthouden, oké? Ik doe dit zodat jij gelukkig kan zijn. En je eigen kinderen kunt krijgen die het nog beter zullen hebben. Dit is het enige dat ik écht voor je kon doen. Het enige echte om je een fatsoenlijk bestaan te geven.’
‘Ik snap het, papa.’
‘Vergeef me, Iba. Vergeef me.’
‘Ik houd van je, papa. Jij bent mijn held.’

De leegte eist zijn aandacht op en confronteert hem met een acuut gevoel van horror. Waar is hij in hemelsnaam mee bezig? De jongen heeft geen moeder meer. Geen vrienden. Hoe kan hij zichzelf vertellen dat dit het goede is om te doen? Hoe kan hij nog vertrouwen op de zuiverheid van deze mensen aan wie hij zijn kroost toevertrouwt? Hoe kan hij nog geloven in een geruststellende uitkomst van deze wanhoopexcursie?

Daarentegen, hoe kan hij aan zichzelf verantwoorden nog een dag langer hier te verblijven? Hoeveel ochtenden kan hij zichzelf nog wijsmaken dat hulp gaat komen? Dat er überhaupt om hem gegeven wordt door iemand?

‘Geef me je voet.’

Iba begint te huilen.

‘Ik wil niet, papa, ik ben bang.’
‘Ik ook, Iba. Ik ook. Maar je moet. Geef me je voet.’
‘Baba…’ de jongen klampt zijn armen stevig om de schouders van zijn vader.
‘Mijn lief… Mijn jongen… Mijn kindje…’ Hij knijpt zijn ogen samen in een poging zijn tranen te verbergen en knuffelt alle emoties eruit.

Zijn handen ferm rond de zooltjes van zijn zoontje. Zijn blik omhoog. Zijn heupen laag.

‘Ben je er klaar voor?’

Iba knikt.

‘Oké, daar gaan we.’

Hij lanceert zichzelf door de Aarde onder hem naar beneden te drukken, werpt zijn heupen voorwaarts met zijn borst geheven en duwt met alle kracht die hij bezit Iba naar boven. De jongen vliegt richting de sterren en weet zijn armen over de richel van de muur te werpen. Aan de andere kant raast een snelweg, met honderden auto’s die iedere minuut voorbij komen denderen.

Iba legt zijn borst op de rand en laat beide zijn benen aan een andere kant van de muur bungelen om niet zijn evenwicht te verliezen. Hij kijkt naar zijn vader die op de grond staat en een gigantische glimlach op zijn gezicht heeft.

‘Het is gelukt! Iba het is gelukt!’
‘Papa, kom! Kom snel!’
‘Ik kom eraan, jongen!’

Hamza stapt enkele passen naar achteren en rent vervolgens op de muur af om met zijn voeten zichzelf omhoog te trappen terwijl hij hoopt dat zijn armen nét lang genoeg zijn om de bovenrand vast te pakken.

Hij raakt de muur met zijn voet en voelt de kneuzingen van politielaarzen hem naar beneden sleuren. Iedere poging om kracht te zetten met zijn been vervalt in een halfbakken sprong die hem buiten bereik van zijn zoontje laat. Hij schreeuwt het uit van de pijn en frustratie, wat de kampbewaarders alarmeert en zijn kant opstuurt.

‘Er probeert er eentje te ontsnappen!’
‘Oooh, wéér eentje! Pak hem! Pak hem!’
‘Hey! Terug in je fucking kooi! Vuile hoerenzoon!’

De agenten komen vol elan hun kant opgerend, met hun geweren paraat. Het was alweer een paar weken geleden dat ze een gevangene hadden kunnen klappen, dus deze vermoedde vluchteling was meer dan welkom. Nu hoefden ze zich niet eens te verantwoorden aan hun leidinggevende na de aftuiging. Hij vroeg er letterlijk om.

Hamza hoort het schreeuwen van de agenten overstemd worden door dat van Iba. Hij kijkt omhoog naar zijn zoontje en neemt nog een aanloop. Maar het lukt hem niet. Hij is niet sterk genoeg meer.

‘Kom hier!’ de agent knijpt pijnlijk in zijn schouder en smijt hem naar de grond.
‘Hij verzet zich!’ roept de ander, zodat hij Hamza op zijn hoofd kan stampen zonder zich er slecht bij te voelen.
‘Papa! Nee! Blijf van hem af!’

De agenten schrikken, kijken op en zien de jongen hangen op de rand van vrijheid.

‘Daar is er nóg een!’
‘Ik heb hem, baas!’

De Fransoos rukt een pistool uit zijn gordel en ragt een ronde munitie door de slaap van Iba’s tere gezichtje. De jongen verliest op slag zijn leven en dondert naar beneden aan de snelwegkant van de muur, waar toevallig een BMW passeert met twee jonge blonde meisjes achterin. Eentje kijkt op van haar nieuwe I-pad en ziet het gebeuren. Ze vraagt in gebrekkig Engels aan haar gastouders waarom die jongen dood in de greppel ligt.

‘Daar hoef je je helemaal geen zorgen meer om te maken, Valeriya. Hier is geen oorlog. Hier is het goed.’

Are you crainzy?

Met de onzichtbare hand van de markt die boven hen hangt en de pantserdivisie voor hun ogen graven ze zich in. Het beton om hen heen is geen huis meer maar een instortgevaar. Piratenradio waarschuwt ze voor oprukkende troepen vanuit het noorden, maar het verhoogt de angst niet. Ze zijn een stuk ouder geworden in de afgelopen week. Vlakker, daarbij. Hoewel tegelijkertijd ook ruwer dan ooit tevoren. Het is lastig om allemaal bij te houden.

Artemas stelt zijn vizier bij en denkt aan de winnende hand van een paar weken geleden. De boys hadden staan joelen als een stel dolle ovcharka’s toen de river werd omgedraaid en Danylko’s drie azen verdampten tegen zijn straight flush. Hij had eindelijk quite gespeeld na twee jaar in de min te hebben gestaan. Het waren geen grote bedragen waar ze om speelden, en de meest succesvolle spelers kochten ook altijd wat extra versnaperingen om de gemoederen vriendschappelijk te houden tijdens het gokken, maar het ging om het principe. Je wilt geen geld verliezen.

Hoewel, wat maakte geld nu eigenlijk uit?

In zekere zin is het net als toen. Toch voelt het anders. De tafel is aan de kant geschoven om betere toegang tot het raam te krijgen, zijn resterende vrienden gordelen allemaal machinegeweren en er staan bijzonder brandbare drankjes in de hoek van de kamer. De zon is bijna onder, dus het kan ieder moment beginnen. Fedir trekt nog een hertog Jan open die hij heeft meegenomen uit Nederland, waar hij tot voor kort werkte. Het is het beste bier dat ze daar hebben, zweert hij. En hij vecht liever met wat extra moed in zijn aderen.

‘Gaan ze komen helpen denk je?’
‘Vergeet het maar.’
‘Ze weten dat ‘ie niet gaat stoppen toch?’
‘Ze bloeden hem leeg, dat is iets.’
‘Bloeden hem leeg? Een bootje minder? En ons bloed dan?’
‘Jongens, hier is geen tijd voor. Laten we ons richten op hun bloed.’

De eerste plof van het donker dreunt door de flat en alle schedels die zich erin bevinden. Drie schokken. Dan is het stil. Ze luisteren aandachtig. In de verte is geknars te horen. Ze komen eraan.

‘We moeten gaan.’ Danylko draait zich om naar de mannen en knikt.

Ze nemen een diepe adem, sluiten hun ogen en maken zich klaar.

‘Succes daar beneden, jongens. Vergeet niet waarom we dit doen.’
‘Nooit, broeder. Blijf sterk, wat er ook gebeurt.’
‘Houd ze in de gaten, Artemas.’
‘Zeker. En als het nodig is dan verplaats ik me. Ik kan jullie niet uit het oog verliezen.’
‘Ik hoop dat we kunnen rekenen op je geluk.’
Straight flush to mother Russia, baby.’

Ze lopen met ferme pas door het smalle trappenhuis naar beneden en horen dat er meerdere enthousiastelingen zijn in hun gebouw. Alsof de buurt spontaan buiten komt spelen. Een onderbuurvrouw houdt de deur open en knikt ze een heleboel dingen toe met een enkele beweging van haar hoofd terwijl de mannen naar buiten lopen en de straat betreden.

Ze nemen een paar blokken verder hun positie in op een locatie die zichtbaar is voor hun scherpschuttervriend. De inslagen nemen toe in volume en kwantiteit. Er is gerinkel te horen van ramen die barsten onder de druk van mortiergranaten. Fedir leunt tegen de muur van een elektronicawinkel en kijkt naar zijn kameraden.

‘Hier heb ik nog een tijdje gewerkt.’ Danylko kijkt met bewondering die in bedenking verandert.
‘Hier heb ik mijn eerste playstation gekocht.’
‘Had je gedacht dat het zó zou zijn bij je terugkomst?’
‘Nee…’
‘…’
‘Waarom moet dit in hemelsnaam gebeuren?’ verzucht Fedir.
‘Dat is een gedachte die ons allemaal plaagt.’

Een knal die hun oren doet ploppen is de schuld van een bom die nog geen vijfhonderd meter van ze vandaan wordt gedropt. Gehoorschade daargelaten zijn alle mannen oké. Ze besluiten op te rukken, draaien de hoek om en worden omvergeblazen door een volgende ontploffing, nog dichterbij dan de vorige. Ze strompelen omhoog, rapen zichzelf bij elkaar en horen tussen de chaosgeluiden door een serie van zware voertuigen naderen. Fedir en zijn broer duiken naar de rechterkant van de straat, Danylko en Anwar schuilen in een steeg aan de linkerzijde. Dingen die zwaar klinken komen de straat inrijden.

‘Laten we hopen dat het een lange avond wordt voor ons.’
‘Misschien nog een vroeg ochtendje erbij zelfs.’
‘Ja… Een ochtend vol verhalen.’

De raketschildpadden rupsen reeds voort. Danylko kan het niet laten een kijkje te nemen en ziet dat er een stuk of tien tanks hun kant opkomen. Hij duikt terug de steeg in en vertelt Anwar wat hen te wachten staat. De jonge man fronst, zucht en begint een gebedje te fluisteren.

‘Anwar.’ Danylko pakt hem bij zijn schouders en kijkt diep in zijn ogen: ‘Wat er ook gebeurt. We zijn helden. Begrijp je dat? We zijn verdomde helden! Luister, mijn vriend. Luister naar me. Wij zijn niet meer enkel Danylko en Anwar. Begrijp je dat? Wij zijn meer geworden. Wij zijn deel van het verzet van onze natie. Het verzet van ons land! Ons lichaam is maar een luttele haar op de knokkel van de vuist die we maken. Samen. Met álle mensen! Opdat we waarlijk voor het goede strijden! Als we nu de moed verliezen is alles voor niets geweest.’

Hij schudt de jongen een keer heen en weer.

‘Dan is álles voor niets geweest. Begrijp je dat?! Niemand walst zomaar ons huis binnen zonder kleerscheuren! Niemand kan ons zomaar van onze trots beroven! Van ons Thuis! Van onze fucking vrienden! Niemand zal ons klein krijgen!’

Anwar haalt diep adem en heft zijn hoofd in vastberadenheid.

‘Nu of nooit!’ in de verte.
‘Nu of nooit!’ dichterbij.
‘Nu of nooit!’ het lijkt van boven hen te komen.

De vrienden kijken allemaal de straat in en zien vanaf de daken mensen molotovs werpen naar de tanks. De flessen barsten, de vlammen spreiden zich gretig uit over het asfalt en de mensen springen hun brandbommen achterna om de voertuigen te belagen.

Het is tijd. De oorlogskreet heeft geklonken. Ze steken hun eigen flessen aan, smijten ze in de richting van de vijand, maar uit de buurt van hun landgenoten, en rennen op de dichtstbijzijnde tank af. Als mieren tegen een beer beginnen ze te klimmen en rukken aan de kop van het beest. De meesten krijgen er geen enkele beweging in, maar het lukt Fedir zowaar om het luik open te krijgen en een lading lood naar binnen te vuren. Hij springt direct het gat in en sproeit om zich heen om te garanderen dat er geen ander leven meer in de cabine is. Dan roept hij zijn broer die hem vergezelt achter het stuur.

‘We hebben een tank! We hebben een tank! Pak de achterkant! Pak de achterkant!’ roept Danylko met al zijn kracht naar de mensen om hen heen.
‘Fedir! Vuur!’ commandeert Anwar richting de boys.

Binnen zijn de broers overweldigt door de hoeveelheid apparatuur en knopjes die daarop bevestigt zitten. Ze proberen uit te vogelen wat logisch is met video-game-logica en besluiten na een aantal pogingen dat het de knop moet zijn waar Fedir zijn duim nu op heeft. Hij drukt hem in. Een schommeling volgt. Dan een knal als nooit tevoren.

Danylko en Anwar rennen langs de voertuigen. Er gaat een heleboel door ze heen, maar er is geen tijd om erop te reflecteren, noch om er rekening mee te houden, dus voelen ze zich leeg. Gespannen leeg. Om hen heen liggen lichamen te smeulen in het vuur. Doorzeefd zonder pardon. Vonkjes van horror weten ondanks alles door hun mentale barrières heen te breken en proberen gaten in hun concentratie te prikken. Het mag niet baten. Ze rennen halsoverkop op de volgende tank af en bespringen hem om naar het luik te komen. Ze trekken met man en macht, maar er komt geen beweging in. Als ze voorheen nog zo arrogant waren geweest om hun deuren niet op slot te doen dan hadden ze dat tegen deze tijd toch wel gedaan bedenken ze. Anwar kijkt op naar het einde van de straat en ziet versterking komen. Ontploffingen worden talrijker en lijken zich te lokaliseren om hen heen.

‘We moeten terug,’ roept hij naar Danylko.
‘Wat?’
‘Kijk!’ hij wenkt naar rechts.
Shit, je hebt gelijk. Fedir en Olek!’
‘We halen z-!’

De mannen worden van hun voetstuk gestoten door een schokgolf van jewelste. Het lukt ze niet om te balanceren op het dak van de tank. Ze landen fortuinlijk, maar niet zonder kneuzingen en rennen terug in de richting van hun huis. Ze stoppen bij de tank van hun vrienden en zien dat ze onderweg zijn naar buiten.

‘En-dat-is-twééé,’ zingt Olek.
‘Fedir, Olek, we moeten gaan! Er komen er meer!’
‘Oké.’

Een kletter op de tank en een weerkaatsing van de kogel leidt ertoe dat Fedir begint te bloeden uit zijn zij. Hij haast zich naar de grond en laat zich tillen door zijn broer. De mannen rennen de hoek om en zien drie mannen in uniform met geweren aan hun heup. Ze stonden op het punt omsingeld te worden. Olek en Fedir hebben beide maar één arm beschikbaar en zijn stomgeslagen. Anwar en Danylko heffen hun wapens en mikken kruislings op de buitenste twee. Maar het gaat niet genoeg zijn, beseffen ze zich.

Vingers worden richting handpalmen getrokken en metalen projectielen denderen door hun respectievelijke loop onderweg naar een doelwit waar de kogels geen verdere gevoelens voor koesteren. Danylko treft en wordt getroffen. Hij zakt door zijn benen en begint te gorgelen. Anwar schiet eenmaal, waarna zijn geweer vastloopt. Maar zijn doelwit ligt. Olek voelt hoe een kogel van voren langs zijn gezicht zoeft. Tussen hem en Fedir in. Dan worden zijn haren licht naar voren geaaid door een beweging in de lucht. De derde man kopt een kogel en dondert om. Er is niemand om hen heen die ze als verantwoordelijke aan kunnen wijzen. Het bommengetrommel raast ongehinderd op de achtergrond.

De mannen kijken naar Danylko. Hij beweegt niet. Er is bloed te zien. Veel bloed. Ze bukken zich en draaien hem op zijn zij. Er is geen leven aanwezig in hem. De kogel is door zijn hals gegaan.

Een van de vijanden proest wat en beweegt met zijn arm. De mannen rennen op hem af en spreken hem aan. Ze kennen de taal een beetje.

‘Je hebt onze vriend vermoord!’ buldert Anwar.
‘En jullie die van mij!’ roept hij terug

Olek heft zijn geweer.

‘Eén reden. Kom maar op. Eéntje.’ gromt hij naar de man op de grond.
‘Ik ben toch al weg…’
‘Wat?’
‘En wat kan ik nu toch nog doen? Kijk naar me.’

Het kost de man moeite om te praten.

‘Ben je ernstig gewond?’
‘Ik… Ik ga dood. Kankerzooi!’
‘Je hebt het er zelf naar gemaakt, niet?’
‘Je denkt dat ik hier wil zijn, maat? Jij denkt dat ik hier wil zijn!?’

Ze kijken naar de jongen en zien ineens geen soldaat meer.

‘Waarom ben je hier dan?’
‘Als ik niet ga wacht me een erger lot dan dit.’
‘Dan de dood?’
‘Ah-hah, de dood. Dood gaan we allemaal. Liever snel en genadevol dan maar.’
‘Ben je er klaar voor denk je?’ vraagt Fedir met oprechte belangstelling.
‘Natuurlijk niet… Natuurlijk niet…’ zijn ogen beginnen weg te drijven.
‘Het spijt me. Maar je had hetzelfde bij ons gedaan.’
‘Dat is waar,’ knikt de jongen.
‘Waarom moet dit in hemelsnaam gebeuren?’ schudt Fedir nogmaals.
‘Mijn…. Goede… Vriend… Dat is een gedachte… die ons… allemaal plaagt…’

De mannen rennen verder, op weg naar hun schuilplaats. Wachtend op een bitterzoete ochtend zonder al te veel verhalen.




Yuko

Roze blaadjes van kersenbloesem vallen dwarrelend ten aarde onder het ritmisch gekling-klang van hamerslagen. Het hemellichaam draagt babyblauw met donzige witte poefjes in haar haren. In de verte staat een vulkaan die ondanks de afstand tot hem een halve horizon in beslag neemt; met permafrost rond haar krater.

De band die hij rond zijn voorhoofd gewikkeld heeft vangt gestaag-stromende zweetdruppels op. Zijn maag knort van de honger, maar zijn geest is fris als een hoentje, dus behoeft hij geen rust. Hij maakt nog even dit af en dan propt ‘ie wel een rijstbal naar binnen of zo, denkt hij. Het kan niet lang meer duren, hij is ten slotte al veertien uur bezig.

‘Hey baas! Baas! Hierzo! Hierzo! Baas! Kijk! Kijk! OII KIJK! BAASJE!’

Hij draait zich om en kijkt in de ogen van zijn beste vriend.

‘Wat is er, jongen?’
‘Ik. Heb. HONGER!’
‘Heb je honger?’
‘Ja! Ja! Ja honger, baas!’

Zijn eigen wensen kan hij nog wel negeren, maar nu er iemand anders van hem afhankelijk is neemt het plichtsbesef toe. Zijn werk kan wachten. Het is ook zijn werk maar. Hij trekt een kast open en haalt er een zak voer uit, die hij gedeeltelijk leegt in de bak van zijn goudgele metgezel.

Waar het voorheen galmde van aanbeeldgezang klinkt nu het gerinkel van gulzige verorbering. Tikkende nagels haasten zich over de stenen vloer terwijl het bakje voor hem uitschuift. De smid glimlacht met warmte in zijn hart. Wat maakte dat werk nou ook helemaal uit eigenlijk? Konden die klanten ook niet een dagje extra wachten?

Hij neemt in kleermakerszit plaats tegen de muur van zijn huis en kijkt naar de contente hond met de berg op de achtergrond. Langzaam worden gedachten dagdromen tot dromen proper hun intrede maken en hij naar de aarde dommelt om in slaap te vallen. Yuko slobbert zijn maagje vol, snuffelt naar mogelijke gevaren, trekt een deken uit de lade en kruipt vervolgens tegen hem aan.

Een lichte wind streelt ze welterusten.

Tussenpolen

Twee ogen drijven voor de mijne
De gedachte dwingt het zout stil te sijpelen langs mijn wang
Aardetinten op wit verschaffen kalmte voor woeste wateren
Pijn gevangen in aquamarijn is alles dat ik je bieden kan

Het strand groeit en krimpt met de getijden
gelijkend aan ons amoureuze doch hardnekkige getrek
Roeispanen zetten strakke lijnen in het zand
dat we hand in hand bewandelen
Astrante demarcaties
een kracht en een gebrek

Vastberaden zoeken wij beide naar een schat om ons eigen te noemen
In een karige boot vastgehamerd met hoop voor de toekomst en goede bedoelingen
Ijver is een vloek die zich voedt op woede en schaamte
Misschien willen we te graag
Misschien is dit niet hoe het moet

Onervaren aan het roer,
overspoeld door zonnestralen,
opgejaagd door wolkendekens doemt een omineus gevoel
Ik merk het schrijnen van je woorden
en het knijpen van je vingers
als de donder en de bliksem
Was het allemaal voor niks?
Het is verdomde lastig leven met een liefde zoals ik
De regen klettert van ellende
‘Storm vormt voor de boeg’
is wat je zegt
‘Maar jij ziet niet wat ik bedoel’
De sloep is lek
We heffen emmers, maar ik flikker op mijn smoel
De grofgebekte schipper schreeuwt, maar enkel bubbels geven blijk van zijn gejoel

Hersenkommen getreiterd door geklots treffen elkaar na de ramp in de branding
vasthangend aan intacte brokstukken van het wrak
Verlangend naar de magistralende horizon, wellicht
Hoewel ze daar minder in geloven met de dag.

Bedrogen door verstand, soms het zicht, maar nooit de ander,
rollen ze om en onder en over elkaar heen
als golven die breken en worden opgeslokt door de zee
Ritmisch en onstopbaar
Hoe koppig ze ook strijden of stribbelen tegen het feit
Deinen ze de spiegel op, met animo en spijt

Blinkende zwarte parels leiden geheid tot recidivisme
Maar ik haat je soms
Ik mag je niet
Ik word alleen maar boos
Ik kan niet janken om je verdriet
Het liefste maak ik er een einde aan
Je irriteert me mateloos
Ik weet het niet ik weet het niet
ik wil je niet verkwisten
Het is lastig toe te geven dat we ons ooit zo vergisten
Ik heb passie en het houden van als trossen losgelaten
En de Gordiaanse knoop kapotgeslagen, maar we gissen in het duister
luister naar de huiver van een westenwind
Ik ga je haven voor de laatste keer verlaten,
kom aan dek mijn beste vrind
Want anders heb ik niemand meer om mee te praten

Onstuimig als een maanmanische oceaan overrompelt de nacht het schamele vlot
Tranen van verdriet, lachen en liefde.
Het paniekerig vastklampen van zinkende handen.
Ik zou je niet willen missen, mijn lief.
Je raakt me te diep.
Blijf, alsjeblieft.