De Week van Mama Meerkoet

Riet Race

‘Kom op! Je bent er bijna!’

Mama Meerkoet dobbert achter het riet dat de eindstreep vormt en kijkt naar haar kuikentjes die één voor één aan komen zwemmen. Nauwkeurig bestudeert ze de donzige kopjes die hoopvol naar haar kijken en wild heen en weer waggelen door het heftige getrappel onderwater. De vitaliteit van de kleintjes is iets dat Mama Meerkoet vervult van een innige vreugde, ongeëvenaard in de rest van haar bestaan.

Shanbeh, de eerstgeborene, ligt voorop. Ze lijkt met een kleine marge te gaan winnen van Al-Ahad, die ver voor de anderen ligt. Mama Meerkoet had verwacht dat de eerste twee uit het ei ook de eerste twee zouden zijn bij deze race, dus is ze meer geïnteresseerd in wat haar andere kindjes doen. Toch vergeet ze het niet om Shanbeh en Ahad te belonen met snavelaaitjes wanneer ze de eindstreep gepasseerd zijn. De twee dartelen verzot door het water en kruipen zo dicht mogelijk tegen hun moeder aan, wachtend op de rest.

‘Zag je dat, mama! Zag je hoe snel ik ging?!’
‘Pòòòhh, maar ik ging nog véél snéller!’
‘Maar jij bent ouder!’
‘Dus?’
‘Dus jij bent groter, dat is niet eerlijk!’
‘Je bent gewoon jaloers dat ik sneller ben en mama mij liever vindt.’
‘Niettes!’
‘Welles!’
‘Mama! Mama vindt je mij lief?’
‘Natuurlijk vind ik jou lief, Ahad.’
‘Liever dan Shanbeh?’
‘Niet liever dan Shanbeh. Ik vindt jullie allemaal éven lief.’

Ahad werpt een blik naar zijn zus:

‘Zie je wel.’
‘Hmpf.’ doet Shanbeh.

Tegen al het betere weten in passeert Mokuyoubi zijn grote zus. Hij komt als derde over de streep, volledig buiten adem. De kleine strijder had minstens twee keer zoveel moeite moeten doen om dezelfde snelheid als Lundi te behalen. Mama Meerkoet ziet het aan en knikt tevreden.

De anderen komen één voor één het riet binnen en beginnen enthousiast te kwekken en kwakken over de resultaten en wat ze hierna voor leuke spelletjes gaan doen.

‘Eerst gaan we even lekker wat lunchen, hebben jullie daar zin in?’

Een vol- en veelmondig:

‘Jaaaa!!!’
‘Mooi, mooi. Kom, dan gaan we nu terug naar het nest voor een klein feestmaal!’

Mama Meerkoet leidt de weg en alle broertjes en zusjes volgen netjes in een rijtje. Ze houden de volgorde aan van de vorige wedstrijd. Dus Ahad mag eerst, dan Shanbeh en achter haar volgt Mokuyoubi. Dan komen Lundi, Pingajuat, Dinsdag en tot slot Shukra Vaar.

‘Je weet dat je te jong bent om ons bij te houden, toch?’

Mokuyoubi kijkt omhoog naar zijn zus Shanbeh die haar nek over zijn hoofdje heeft hangen.

‘Ik… Ik doe, ik probeer het. En net ging ik héél hard!’
‘Je moet niet te hard willen zwemmen.’
‘Hm?’
‘Dat is niet goed voor je.’
‘Waarom?’
‘Geloof me maar gewoon. Ik was hier als eerste. Mama heeft mij geheimen verteld hoe ik het beste kan winnen.’
‘Niettes!’
‘Je gaat het nog wel merken.’

Shanbeh knijpt haar ogen samen en versnelt haar pas om haar kleine broertje achter te laten.

‘Laat haar je niet plagen, Moku. Je bent mijn grote broer en ik houd van je.’
‘Dankje, Shukra. Dat is fijn om te horen. En jij bent mijn kleine zusje’

Bij het nestje aangekomen deelt Mama Meerkoet slakjes, plantjes en kleine visjes uit. Ze probeert iedereen even veel te geven, maar ziet dat Mokuyoubi het erg lastig heeft na de zware inspanning van vanochtend, dus scheurt ze een paar stukken van Shukra Vaars portie af om het aan haar hongerige broertje te geven.

‘Eet maar gauw op. Je moet er nog groot en sterk van worden.’ zegt ze tegen het smikkelende kuikentje.
‘Maar mijn zusje dan?’
‘Maak je daar maar geen zorgen over, Moku. Daar bedenk ik wel iets voor.’

Shukra Vaar kijkt wat vragend naar haar moeder terwijl ze dit zegt, maar ontvangt geen antwoord. Ze is het kleinste van al haar broers en zussen en kwam laatste bij de rietrace. Sipjes observeert ze de blaadjes en het stukje slak dat voor haar ligt. Ze hoopt maar dat het genoeg zal zijn.

Pak de Tak

De eenzame boom staat in bloei en heeft her en der wat takken laten vallen op de sompige grond. Mama Meerkoet marcheert het land op en inspecteert de omgeving. Achter haar zes kleintjes. Aan de voet van de bladerreus draait ze zich om en legt de regels van het volgende spel uit.

‘De regels zijn simpel. Jullie zullen werken in teams van twee. Het team dat de grootste tak naar mij brengt wint. De takken mogen overal gevonden worden. Jullie mogen lopen, zwemmen, duiken, vliegen, wat je maar wilt. Zolang je maar met een goede tak terugkomt.’
‘Vliegen?’ vraagt Lundi.
‘Niemand van ons kan nog vliegen, mama.’ zegt Pingajuat.
‘Iemand moet echter de eerste zijn, nee?’ antwoord Mama Meerkoet.

De kleinen staan beduusd toe te kijken en schieten blikken naar elkaar om teams te vormen. Maar Mama Meerkoet komt ertussen.

‘Het is denk ik het eerlijkst als we de oudsten met de jongsten laten samenwerken. Dus de teams zijn als volgt:

Shanbeh en Mokuyoubi.
Al-Ahad en Pingajuat.
Lundi en Dinsdag.

De tweetallen schuifelen naar elkaar. Mokuyoubi heeft zijn hoofdje laag hangen. Shanbeh blaast geïrriteerd lucht door haas neus en trekt haar snavel op.

‘Geweldig. Zit ík natuurlijk weer met de zwakste opgescheept.’

Mokuyoubi’s hartje klopt in galop.

‘Ik… Ik ben niet, ik kan… Ik ben sterk.’
‘Leuk voor je. Alle anderen zijn op zijn minst een dag ouder dan jij. Je gaat ze niet inhalen.’
‘Houd op.’
‘Kleine Mokuyoubiboubi.’
‘Houd op!’
‘Ach, jonge, ik plaag je toch ook alleen maar,’ zegt zijn grote zus terwijl ze opzij kijkt.
‘Ik vind het niet leuk geplaag. Je maakt me verdrietig.’
‘Nou oké dan, grote baby. We zijn een team ten slotte, dus laten we de anderen een poepie ruiken of wat?’

De jongste weet niet waar hij zijn ogen plaatsen moet, maar kan weinig anders dan instemmen met zijn zus. Ze sprokkelen stelselmatig, maar vinden niets indrukwekkend genoeg om Mama Meerkoet versteld te doen staan.

‘Moku, kijk daar eens,’ Shanbeh knikt naar een tak die half uit het water steekt iets verderop.
‘Wow…’
‘Ja. Als we díé zouden kunnen bemachtigen zouden we zéker winnen, of niet?’
‘Ja!’

Shanbeh richt haar snavel naar de wolken, Mokuyoubi volgt haar, maar ziet niet waar ze naar kijkt.

‘Ik denk dat jij eerst moet gaan kijken hoe ver de tak onderwater zit, Moku.’
‘Hoezo ik?’
‘Omdat jij kleiner bent.’
‘Maar jij kunt beter duiken.’
‘En jij moet nog het meeste leren. Dus ga. Anders verliezen we sowieso. En dan zal het niet aan mij liggen.’

Mokuyoubi beseft dat hij de discussie niet gaat winnen en zet een stap richting de plas waar de stok in begraven ligt. Voorzichtig waggelt hij naar de rand van het water. Achteromkijkend ziet hij de dwingende ogen van zijn grote zus. Hij wordt er nerveus van. Omdraaien is onmogelijk. Bij de oever aangekomen stapt hij van het zand op een vreemde soort rots met symmetrische vormen erop. Zoiets heeft hij nog nooit gezien. Het lijkt wel alsof er een pad van magische onderwaterstenen ligt dat hem gaat begeleiden naar de prijs. In zijn hoofd ziet hij de trotste blik van Mama Meerkoet wanneer hij aan komt zetten met de meest indrukwekkende vondst.

Het beweegt. De kleine schrikt en verliest haast zijn balans, maar behoud op het nipt zijn grip.

Hij kijkt naar beneden. Er is nog iets anders in het water. Voor hem ziet hij een soort modderklont omhoogkomen. Het stijgt gestaag, maar vastberaden.

‘Sh-Shanbeh?’
‘Niet bang zijn, knul, gewoon gaan.’
‘Ik. Ik wil niet.’

Het wezen kantelt en Mokuyoubi kan zich niet meer staande houden. Hij plonst in het water en begint paniekerig naar de kant te flipperen. Achter hem komt de steen tot leven. Een robuuste kop met een tandengrot drie maal de grootte van het kuikentje spert zich voor zijn ogen en probeert hem te vermorzelen.

Met zijn gehele lijf probeert Mokuyoubi vrij te komen. Zijn zus bekijkt het afgrijselijke spektakel met onverschilligheid. Hoewel het beest haar de stuipen of het lijf jaagt, is ze niet in gevaar, dus kan het haar niet zo veel schelen. Maar voor haar jongere broertje is dat een heel ander verhaal. Iedere spier in zijn lichaampje wilt wegbewegen van het beest. Hij trapt met zijn voeten de aarde naar beneden en wappert met zoveel kracht aan zijn kleine vleugeltjes dat hij een meter van de grond komt. Onder hem ziet hij de bek, het schild en de poten die er uitsteken. Alle energie die hij bezit is gericht op het wegduwen van lucht terwijl hij bidt voor een acute wind die hem naar veiligheid woeit.

Al-Ahad en Pingajuat flaneren borst aan borst op hun speurtocht naar een goede roede. De twee grappen over hun aparte teenflappen en nemen zo nu en dan een klein takje mee in hun snaveltje, voor het geval het de laatste is die ze tegenkomen. Voorheen hadden ze weinig tijd met elkaar doorgebracht, aangezien Ahad vier dagen eerder geboren was en dus veelal met zijn grotere en kleinere zussen Shanbeh en Lundi in de weer was, terwijl Pingajuat meer met Mokuyoubi en Dinsdag optrok.

‘Ping, sssht, kijk daar,’ fluistert Ahad opzij.

Pingajuat draait zijn ogen naar de plaats die Ahad aanwijst en ziet twee baby eendjes zwemmen met een geweldige stok in de bek.

‘Laten we ze pakken.’
‘Wat, hén? Maar ze zijn misschien wel bezig met hun eigen wedstrijd.’
‘Dus? Weet je wel niet hoe roekeloos die beesten zijn?’
‘Nee? Wat doen ze dan?’
‘Ze eten andermans eieren op en leggen dan hun eigen in het nestje. En ze verdrinken hun mama’s om eitjes te maken.’
‘Ze verdrinken hun mama?’
‘De papa doet dat, ja. Niet de kleintjes. Die zijn niet sterk genoeg. Maar ze zouden het doen als ze het konden. Geloof me.’
‘Wat erg.’
‘Soms hebben ze zelfs seks met dode dieren.’
‘Wat is seks?’
‘Dat is vies wanneer je het met dode dieren doet.’
‘Oh, oké.’
‘Ja. Dus wat maakt het uit als wij een tak van hun pakken?’
‘Als wij iets slechts doen, maar het is bij iemand die slecht is, dan is het goed?’
‘Precies, Ping. Jij snapt het.’

Ook al weet ze niet helemaal zeker of dit wel het juiste is om te doen, voelt ze zich speciaal nu een grote broer haar onder zijn hoede neemt. Het geeft haar nieuwe energie.

‘Hoe wil je het doen, Ahad?’
‘Ik cirkel om ze heen en maak me klaar voor de hinderlaag. Jij moet ze afleiden in de tussentijd.’
‘Hoe doe ik dat?’
‘Gewoon jezelf kenbaar maken.’
‘Wat als ze me pijn willen doen?’
‘Dan zorg ik ervoor dat ze dat niet lukt.’
‘Beloofd?’
‘Beloofd, zus.’
‘Dankje,’ zegt Pingajuat met een zachte stem. ‘Je bent een goede oude broer.’
‘En jij een goed klein zusje.’

Ping knikt en voelt warmte onder haar ogen.

‘Wacht op mijn signaal. Ik zal ritselen aan het struikje daar, dat is wanneer we beginnen.’
‘Oké.’

Ahad cirkelt om de eendjes heen en verschuilt zich in de struik. Pingajuat ziet de bladeren bewegen en begint te kwaken naar de kuikens. Ze draaien zich om en laten bijna de stok in het water vallen. Ping staat op de kant en roept de meeste gemene dingen die ze bedenken kan in een poging de twee naar haar toe te paaien.

‘Stomme mallerd! Jullie zijn sukkels! Een stelletje takkensukkels!’
‘HHouw Jhe Bhwek Bhwek Bhwek Digt!’ kwekken ze terug.
‘Kom dan! Kom hier dan!’

De twee drijven op haar af met baldadige blikken. De stok houden ze hoog door middel van hun geheven hoofden. Ahad sluipt de struik uit en duikt het water in. Ping wordt zenuwachtig en zet een stap achteruit. Haar broer nadert de eenden sneller dan de eenden haar. Ze zet haar poot in het zand en wrikt zichzelf vast in de aarde. Ze mag niet bang worden en in paniek raken. Hoe dichtbij de belagers ook komen. Ahad heeft het haar beloofd.

‘Kwàk kwàk kutkoet kutkoet kwàk kwàk’
‘Eendje meer of minder maakt niet uit!’

De eerste eend is uit het water en zijn compagnon volgt direct daarnaast. Ze chargeren Pingajuat met de stok op nekhoogte, maar bewegen ietswat ongemakkelijk door de onhandige tak. Kleine Ping houdt stand. Ze zet zich schrap en wacht geduldig op haar broer die achter de twee aanvallers uit het water komt en het op een rennen zet, met zijn vleugeltjes wapperend voor extra vaart.

De eendjes zijn een tiental stappen verwijderd van hun doelwit wanneer Al-Ahad tussenbeide komt en zijn snaveltje rond de stok klemt. Hij wrikt hem los van de nietsvermoedende jonkies, rent naar voren en werpt hem door de lucht naar zijn zusje.

‘Ping, pak hem en ren! Ik handel dit hier af.’
‘Ahad, weet je dat z-‘
‘Ja! Nu!’

Pingajuat pakt de stok, draait zich om en zet het op een waggelen. Achter zich hoort ze het furieuze gekwik, kwek en kwak van de eendjes en het schreeuwen van haar broer.

Lundi en Dinsdag zitten op een omgevallen boom uit te kijken over het drassige landschap.

‘Er is niet zo heel veel eten hier, weet je dat, broer?’
‘Hm?’
‘Shukra Vaar, Dins. Mama gaf haar portie aan Mokuyoubi. En nu is ze er niet meer.’
‘Echt waar? Dat heb ik helemaal niet gezien. Ik was te druk bezig met eten.’
‘Ik denk dat we onze energie moeten sparen.’
‘Vanwaar?’
‘Van een tak kun je niet leven.’
‘Maar misschien wel meer eten verdienen. Ik kan nog niet jagen.’
‘Het is het risico niet waard. Alles dat we nu besparen kunnen we vanavond missen bij het diner.’
‘Oké. Als jij het zegt, Lundi. Maar wil je dan met lege snavels aankomen daar zometeen?’
‘Nee, nee, we vinden vast wel ergens een leuke stok onderweg, maar laten we onszelf er niet te druk over maken.’
‘Ik hoop maar dat mama niet boos wordt.’
‘Dat komt wel goed. Plus, de anderen moeten ook nog maar met iets indrukwekkends aan komen zetten.’
‘Ja, dat is waar.’
‘En mama houdt van ons. Waarom zou ze boos worden?’
‘Weet ik niet. Maar waarom zou ze Shukra geen eten hebben gegeven?’
‘Weet ik niet…’

De twee ademen en praten zo nu en dan, maar zijn voornamelijk bezig de wereld om hen heen in zich op te nemen. Ze zijn er nog niet zo lang, dus alles heeft een oprechte charme, onaangetast door gewenning.

Op de terugweg vinden ze, zoals verwacht, een prima tak die half achter een struik verstopt ligt. Dinsdag biedt aan om hem te gaan halen, Lundi gunt het hem. Hij grist de stok van de grond en wilt zich omdraaien terug naar zijn zus, maar dan hoort hij stemmen. En ze komen van dichtbij. Hij duikt snel achter het bosje in de hoop zich schuil te kunnen houden.

‘Maar dan hebben we zo dus helemaal niets voor mama…’
‘En wiens schuld is dat?’
‘Waarom hielp je mij niet?’
‘Ik hielp je wel…’
‘Niettes!’
‘Je leeft toch nog, of niet?’
‘Ja, maar niet door jou.’
‘Je gaat je mond houden tegen mama. Want dit was allemaal jouw schuld. Zonder jou had ik makkelijk gewonnen.’

Een korte stite.

‘Zal ik anders een klein takje meenemen?’
‘En dan?’
‘Dan kunnen we laten zien dat we het op zijn minst geprobeerd hebben.’
‘Met zo’n lullig twijgje aan komen zetten is eerder een belediging dan een soelaas. Wat een stom idee.’
‘Ik wilde alleen maar helpen.’

Zonder de struik verder aan te raken en een hoorbaar geritsel te maken sluipt Dinsdag terug naar zijn zus.

‘Wat was er? Je leek iets te horen of zien.’
‘Volgens mij waren het Shanbeh en Mokuyoubi.’
‘Ah, dan zijn zij ook al klaar en onderweg terug naar mama. Klonk het alsof ze een grote stok hadden?’
‘Nee… Nee niet bepaald.’
‘Mooi. Dat komt goed uit.’

Mama Meerkoet ziet een paar tweetallen terugkomen en is verblijd door de tak, maar vraagt zich af waarom het andere team met lege snaveltjes komt opdagen.

‘Goed gedaan Lundi en Dinsdag. En wat is er met jullie tak gebeurd, jongens?’

Shanbeh kijkt venijnig opzij. Moku zwijgt.

‘We hadden de mooiste tak van allemaal binnen flipperbereik, mams, maar Mokuyoubi mopperde iets over vermoeidheid of jeuk aan zijn dons of iets. Je weet hoe hij is. Ik verloor mijn concentratie erdoor. En toen kwam er vlak voor onze neus een vogel en die pakte de stok zomaar weg. Echt waar.’

Mama Meerkoet kijkt twijfelend naar kleine Mokuyoubi.

‘Is dat waar, Mo?’

Mo’s oogjes dartelen van hoek naar hoek

‘Ja, mama.’
‘En jullie hebben geen andere tak meegenomen daarvoor in de plaats?’
‘Deze ene tak was zo mooi, dat al het andere als een belediging zou voelen, moeder.’
‘Toch heb ik de volgende keer liever dat je wat meeneemt. Iets is beter dan niets.’

Mokuyoubi wilt zijn eer herstellen, maar zijn zus overstemt hem.

‘Ja, zullen we doen, mama. De enige reden dat ik er niet nog even eentje heb gepakt was omdat Moku zei dat hij zo moe was. En ik geef om ál mijn kleine broertjes en zusjes.’
‘Mokuyoubi wat wilde je zeggen?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Niks, mama. Het is al goed.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja…’

Ze kijkt naar het ineengekrompen donsballetje dat haar jongste zoontje Mokuyoubi voor moet stellen en vervolgens naar Shanbeh, haar oudste dochter.

‘Het klonk anders alsof je Mokuyoubi al het harde werk hebt laten toen terwijl je zelf niets deed.’

Alle ogen draaien naar hem in verbazing.

‘Waar heb je het over, Dinsdag?’
‘Ik hoorde jullie toen ik onze tak ging pakken. Jullie liepen achter een boom. En Shanbeh was heel gemeen aan het doen tegen Moku, ze zei dat hij niets aan Mama mocht vertellen, en dat het allemaal zijn schuld was dat het fout was gegaan.’

Mama Meerkoets felrode ogen vernauwen en schieten naar haar dochter.

‘Is dat waar, Shanbeh?’
‘Pfff, mama wat denk je zelf? Dat zou ik toch nooit doen.’

Dinsdag gaat verder

‘Jij was degene die tegen Moku zei dat jullie niets mee moesten nemen, ook al wilde hij dat wel. En dat had mama beter gevonden zei ze net zelf.’

Shanbeh wilt het liefst door haar bemoeizuchtige broertje heenrennen, maar kan zich geen gewelddadige uitbarsting veroorloven als ze haar vermeende onschuld wilt behouden.

‘Ik weet niet waar je het over hebt. En hoe weet je überhaupt dat je ons hoorde daar? En waarom zouden we jou moeten geloven maar kunnen we mij in eens niet meer vertrouwen dan? En waarom-‘
‘MAMA! MAMA! HELP!’

Mama Meerkoet stijgt zonder een seconde twijfel op en suist op haar kuikens af die de noodkreet slaken. Ze ziet Pingajuat heen en weer zwaaien met een stok van jewelste in zijn mond. Daarachter is een vechtpartij gaande tussen de eenden en Ahad. Het lijkt alsof haar kindje het zwaar heeft.

‘Ahad!’
‘Mama!’
‘Spring! Hoog!’

Ahad ontsnapt de eenden en lanceert zichzelf de lucht in. Hij flappert met zijn donswaaiertjes in de hoop wat te kunnen zweven. Onder hem sjeest zijn moeder dwars door de kuikens heen. Ze klapt het tweetal knock-out met haar vleugels en laat ze daar liggen om zich meteen te ontfermen over haar eigen kleintjes, die overigens de meest indrukwekkende tak te pakken hebben gekregen zo te zien.

‘Bij de grote Vijver, jullie zijn oké. Wat ontzettend fijn om jullie allebei heelhuids terug te zien. En met zó’n stok ook, overigens! Doe maar ruig, wat een vondst. Wát een vondst. Het heeft vast een hele hoop teamwork gevergd om dit te vergaren.’
‘Absoluut, mama, maar dat is wat goede broers en zussen doen! Ahad en ik klaren iedere klus!’
‘Ik had het nooit alleen gekund. Alléén met Ping samen. Ze is erg dapper geweest.’

Ahad kijkt naar zijn kleine zusje terwijl hij de woorden spreekt en knikt vriendelijk, waarop Ping schichtig haar lichaampje schudt en verlegen wegkijkt.

‘Dat is goed om te horen. Jullie winnen deze opdracht. En jullie hebben aan mij bewezen dat jullie niet alleen doorzettingsvermogen hebben, maar ook moed, en vertrouwen. Dat zijn waardevolle eigenschappen voor iedere meerkoet. Onthoud dat.’

Eend Ontkoeting

‘Mama, waar gaan we heen?’
‘Dat zien jullie strakjes wel. We zijn er bijna.’

De familie meerkoet trappelt gezellig de waterspiegel af. Mama voorop en zes kleintjes daarachteraan. Geen van de kinders heeft ooit gezien waar ze nu zijn. Er wordt geroezemoest over waar ze naartoe gaan en wat het volgende spel is, tot er uit een inkeping in de vijver twee lange zwarte nekken komen steken die de kuikens doen huiveren. Ze worden ondersteund door plompe lichamen minstens drie keer zou groot als die van hun moeder.

Geen van de kleintjes durft iets te zeggen of doen. De zwanen buigen naar beneden en ontmoeten de bloedrode ogen van Mama Meerkoet. Zodra de twee partijen contact maken steekt ze haar nek uit, dipt ze haar snavel richting het water en maakt ze zich breed met haar vleugels. De zwanen merken het op, maar lijken niet op zoek naar een confrontatie. Dat is echter iets waar mama Meerkoet weinig waarde aan hecht. Ze flappert gewelddadig uit het water en trapt wild met haar voeten in de richting van een zwarte hals. Ze landt in het water en ontwijkt de nekslag die als gevolg van haar aanval komt. Niet uit het veld noch de vijver geslagen slaat mama Meerkoet nogmaals met haar vleugels om zich uit het water te hijsen en een van de zwanen op het hoofd te trappen. Het donkere tweetal beseft zich dat ze wellicht zouden kunnen winnen in een lang gevecht, maar dat het de moeite niet waard zou zijn. Ze blazen nog een paar keer vies naar de familie en draaien zich dan om.

‘Wòòòòòòòoooooaaaauw!!’
‘Mama!! Mama!!’
‘Wauw zagen jullie dat? Ze waren echt bang zeg!’
‘Je moet dat soort natnekken niet te dicht in de buurt laten. Je weet niet waar ze toe in staat zijn, kinders.’
‘Gaan wij ook zo leren vechten, mama?’
‘Als jullie dat zouden willen.’
‘Jaaaa!’ komt er in koor terug.
‘Dat komt goed uit.’

Mama Meerkoet stapt het droge op en de jongen volgen haar. Hun kopjes geheven en hun borstjes vooruit. Ze paraderen standvastig in een bepaalde richting tot ze plots een geritsel horen door de struiken. De kuikentjes reageren verschillend, maar de minderverzekerden vinden hun moed bijeengeraapt door de uitstraling van hun broers en zussen. Ze kijken naar hun moeder, die kalm blijft en zetten zich schrap.

De familie Meerkoet luistert aandachtig. Een kikker, ver weg. Een stuk hout dat ondergaat en bubbels naar boven blaast. Een hongerig nestje boomvogels aan de andere kant van de vijver. De wind die door de takken blaast.

En dan.

Dan gaat een van de struiken open en komen er acht kleine eendjes uitgerend. Een kwakofonie van dreigend gesnater schalt rond de belaagde meerkoetbaby’s. De aanvallers maken een halve cirkel. Achter hen stapt een volwassen eend het veldje op. Mama Meerkoet knikt naar de eend, stapt opzij en zegt:

‘Succes, mijn lieverds. Ik ben trots op jullie, ongeacht wat er gebeurt.’
‘Wat moeten we doen, mama?’
‘Overleven, Moku.’

De twee groepen observeren elkaar. Ahad ziet de lui met wie hij laatst in de veren lag. Ze staan er nog wat gehavend bij van Mama’s klap. Hij had ze vrij lang van zich af kunnen houden, maar uiteindelijk waren twee van die krengen hem toch te veel geworden. Hij hoopt dat hij met zijn hele familie erbij sterk genoeg is om dit zootje ongeregeld in bedwang te krijgen.

‘Kwak ze!’

De pluizige eendjes stuiteren op de donzige koetjes af. Ahad, Lundi en Dinsdag springen voor de rest en maken zich breed. Ze drukken hun tengels in het zand en laten de frontlinie op hen klappen.

‘Pik, pek en een pak veren!’

Mokuyoubi en Pingajuat beginnen over de schouders van hun zus en broers te pikken en pekken naar de eendjes. Een van de mallerds probeert de verdedigers te overrompelen om bij de kleintjes te komen. Maar de achterlinie slaat wild met hun vleugels rond de gezichten van de belagers. Shanbeh staat luid de blaten, zonder al te veel resultaat. Het lijkt alsof ze bozer is op haar moeder voor het gebrek aan hulp dan ze woedend is op de bedreigers van haar bloedeigen kameraden.

Toch heeft ze geen andere keuze wanneer de eerste eend de linie flankeert en op haar af komt denderen. Ze kijkt naast zich, ziet kleine Mokuyoubi en Pingajuat staan en besluit een stap achteruit te zetten. Mama Meerkoet had na dat hele takkengebeuren die twee ukkies meer voedsel gegeven dan haar, “omdat zij al groot en sterk genoeg was”, maar nu voelde ze zich helemaal niet sterk. Eerder hongerig en verzwakt. Door die laatgeboren oelewappers. Ze bekeken het maar.

‘Moku!’

De jongen zijn vleugeltjes zijn hoog geheven terwijl hij langs het hoofd van zijn zus naar voren schiet en zijn snavel gebruikt als een lans. Hij hoort het gekwikker niet door het tumult in zijn gedachtenplek. De eendjes bereiken hem en pikken hem in zijn zij, waardoor Mokuyoubi zijn balans verliest en ten aarde tuimelt.

‘Dinsdag! Lundi! Houd ze!’

Ahad springt weg uit de frontlinie en begint als een bezeten beest om zich heen te zwiepen en zwaaien, als zwanen zouden doen met hun nek. Hij trapt zijn flipperpoten op en wervelt gewelddadig met zijn waaiers op de stormlopende kuikens. Pingajuat staat aan zijn zijde en duwt de donsgolf terug. Weg van haar kleine broertje.

‘Shanbeh!’

De gil is gehoord door de oudste, maar wordt genegeerd.

‘Shanbeh!!! Wat doe je!? Help!’

Ze blaast geïrriteerd lucht door haar neusgaten, maar geeft gehoor. Mama kijkt ten slotte toe. Ze bestudeert vluggetjes het slagveld: Lundi en Dinsdag lijken het zwaar te hebben. Ze kunnen maar met moeite de bres dichten die Ahads reddingsactie heeft achtergelaten. Ze staan nu ineens twee tegen vier. Ahad is nog drukker met drie tegen één en kleine Ping doet ook nog haar beetje door de laatste eend bezig te houden. Mokuyoubi ligt er stilletjes naast.

Dus Moku is uitgeteld. Ahad redt zich wel en is ten slotte mijn grootste competitie. Die twee vooraan stellen niet zo veel voor, maar die bemoeizuchtige Dinsdag heeft toen wél zijn grote waffel opengetrokken en me verklikt bij mama… Hmm… Ik help Ping wel dan.

Het grootste en oudste kind van Mama Meerkoet waggelt vol zelfvertrouwen naar voren en duwt het kuiken weg dat Pingajuat aan het bevechten is. Ze kijkt naar haar kleinste zusje en instrueert haar om Lundi en Dinsdag te helpen terwijl zij naar Ahad gaat. Onderweg klampt ze haar snavel om een van Dinsdags benen. Hij schrikt en draait zich om, maar kan niemand achter zich vinden behalve de half bewusteloze Moku en het zojuist neergeslagen eendje. Een tik op zijn achterhoofd. Hij wilt zich omdraaien en ziet ineens zijn kleinste zusje naast hem staan. Hij stopt zijn rotatie en vangt nog een vijandelijke tik op zijn hoofdje.

‘Ping! Wat doe je hier, ga achter me staan!’
‘Nee, ik bescherm je, Dins!’
‘Er is hier geen tijd voor!’
‘Maar Shanbeh zei…’
‘Shanbeh zei!?’

Hij draait nogmaals en ziet zijn oudste zus prinsesheerlijk op Ahad afwandelen, die met drie dolle eendjes aan het worstelen is.

‘Dins kijk uit!’

Drie van de vier eendjes nemen een korte aanloop en dreunen zo hard ze kunnen met hun schedels op het snaveltje. Dinsdags hoofdje trilt na. Alles voelt ineens een stuk zwaarder. En dichterbij. Het kwaken klinkt van alle kanten. Hij moet… Hij moet Ping helpen. Hij moet vechten, hij moet. Hij moet echt één seconde héél even gewoon rustig zitten, een slokje adem nemen en zijn ogen sluiten. En dan. En dan kan hij…

Ahad is zijn vergelding aan het verwezenlijken op de desbetreffende eendjes van eerder. En nog een derde om het af te maken. Hij heeft er één neer, één op het randje en de ander fris als een hoentje zo lijkt het. Shanbeh sprint naar voren en maait de kuikens weg.

‘Eindelijk.’
‘Pak ze nou maar gewoon, ik ben er.’

De twee nestoudsten douwen al gauw de eendenkopjes in de modder om er met hun flippertengels op te trappen met trots. Dan kijken ze om naar de rest. Dinsdag ligt op de grond. Moku ligt op de grond. Lundi en Ping hebben nog vier aanvallers om hen heen. De eendjes realiseren hun numerieke meerderheid en razen op de kleinste af. Ping ziet ze aankomen, maar is te laat om te ontkomen. Ze zet zich schrap, zoals ze eerder deed, maar dit keer is Ahad er niet op tijd om te helpen en krijgt ze de klap waarvan ze eerder ontkwam op de zijkant van haar hoofdje.

Ze valt.

Lundi ziet het gebeuren, dunkt op haar tegenstander en schiet op haar kleine zusje af. Moku spartelt omhoog, kijkt om zich heen en doet hetzelfde. Achter hem hoort hij hoe Ahad op hen af komt stevenen met een moordlustig geschrei. Ze knokken met al het wrok dat ze in zich hebben. Maar hoe hard ze ook schoppen en slaan op de laatst-overgebleven eendjes, het mag niet baten. Want voor kleine Ping, is het te laat.

Met de slag gewonnen door de familie Meerkoet komen de moeders tussenbeide om hun kroost veilig te stellen. Mama Eend druipt snel af met haar resterende kleintjes nauwvolgend.

De hele familie Meerkoet staat nu om het levenloze lichaampje van hun dierbare. Ze kunnen het niet geloven. De dappere Pingajuat. Fier, vindingrijk en vriendelijk. Hier. De dood ingetrapt. Voor wat?

‘Arme Ping. Als ik niet zo snel was geraakt, of zo lang op de grond had gelegen had ik haar wel kunnen redden denk ik. Het spijt me, jongens.’ zegt Mokuyoubi hijgend, met zijn hoofdje naar beneden gehangen.
‘Nee, je hoeft geen sorry te zeggen. Wat denk je van mij dan… Ik heb zoveel tijd verspild aan die drie gekken dat ik meer dan de helft van jullie gevecht heb gemist. Als ik het maar op tijd had geweten…’
‘Het is mijn schuld. Ik was de oudste aan deze kant van de schermutseling en ik heb ze Dins en Ping omver laten rennen. Ik ben geen goede oude zus geweest.’ verzucht Lundi.
‘Nee, Lun. Jij hebt ze mij niet omver laten rennen,’ bromt Dinsdag. ‘Jullie hebben geen van allen schuld hier. Er is er maar één die het doelbewust allemaal heeft zitten verzieken voor ons deze hele tijd. En dat is Shanbeh!’
‘Oh, wat, nu ben ík ineens de slechterik? Ik heb toch geholpen of niet?’
‘Geholpen!? Je stond de helft van de tijd uit je veren te eten, trut! Je kwam me pas helpen toen het al een verloren zaak was! Jij zorgde ervoor dat Moku werd geraakt! Hoe kun je naast je kleine broertje staan en hem níét verdedigen!?’
‘Hij verdiende het.’
‘Wat!?’
‘Net als Dinsdag.’
‘Huh, dus jij beet me…’ bedenkt Dinsdag hardop.
‘Shanbeh, verdomme IK ZAL JE-
‘Stop.’ roept Mama Meerkoet resoluut. En alle kuikens vallen stil. ‘Er is genoeg gevochten vandaag. Jullie hebben het goed gedaan. En ik ben trots dat jullie jezelf op zo’n dappere wijze hebben weten te verdedigen. We gaan terug naar het nest voor eten en rust. Kom mee.’

De vijf kuikens sjokken bedroefd en woedend achter hun moeder aan. Mokuyoubi kan ze maar nét bijhouden met zijn gewonde lichaampje.

Borst-flap-sprong

‘Kinders. Jullie hebben al veel meegemaakt en zijn nu bijna volwassen. Vandaar dat ik voor vandaag jullie laatste beproeving heb voorbereid. Ik verwacht niet dat jullie allemaal zullen slagen. Het is de inzet waarop je beoordeeld zult worden. Kijk naar boven.’

De jonge meerkoeten kijken naar boven en zien dat er twee takken, elk van een andere boom, in elkaar gevlochten zijn om een soort lat te maken. De lat is vele malen hoger dan zij zijn, en het zal een wonder vereisen om erbovenuit te stijgen. Hoewel alle kuikens wel eens met hun vleugels hebben gefladderd, is het nog niemand gelukt om een propere vlucht vol te houden. Laat staan het boven deze grens halen.

‘Wie durft?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Ik ga wel.’ zegt Ahad.

De jongeman mikt zijn spierwitte bles omhoog, neemt een paar diepe teugen adem, sluit zijn ogen voor een moment en zet vervolgens af met zijn flippers om met zijn vleugels te flapperen zoals hij nog nooit heeft gedaan. Hij voelt het stromen van de lucht en beseft zich dat het overeenkomsten heeft met het water waar hij in zwemt. Hij kan erop drijven. Er in duiken en verder naar boven stijgen dan de bomen doen. Hij kan vluchten, verkennen, zelfs spelen in de lucht. Hij voelt een overweldigende vrijheid; en hulp van iets, of iemand, wanneer een spontane woei hem moeiteloos naar boven blaast. De lat komt in zicht. Nog een paar slagen.

‘Wauw, Alahad! Dat was geweldig!’ roept Mokuyoubi fanatiek.
‘Echt heel knap, jongen.’ beaamt Mama Meerkoet.
‘Dankje, dankje. Ik had een beetje hulp van de wind.’
‘Dat is een teken dat de hemel je verwelkomt.’
‘Echt waar, mama?’

Mama Meerkoet knikt.

‘Wie wilt nu?’
‘Ik wil het wel proberen. Hoewel ik het denk ik niet zo goed ga doen als Ahad.’
‘Dat is niet erg.’
‘Oké. Wel, hier ga ik.’

Lundi gaat een aantal stappen van de lat staan en zet het op een zwaaien. Ze komt vlakbij, misschien nét drie keer haar eigen hoogte. Maar ze bedenkt zich dat er ook nog een terugweg is en daalt daarna sierlijk af tot ze keurig netjes op de grond landt. Ook zij wordt voorzien van een warm onthaal door de familie.

‘Wie volgt?’
‘Ikke! Ikke wil!’

Kleine Moku waggelt naar de open plek, kijkt omhoog en doet een poging, maar komt niet bijzonder ver. Hij landt en kijkt wat verlegen terug naar zijn familie. Iedereen kijkt hem lieflijk aan, behalve Shanbeh. Ze schudt haar hoofd ontmoedigend, wat Moku doet denken aan haar woorden van eerder, en hoe ze zei dat hij niets goeds kon doen.

‘Mama, mag ik nog één keer proberen? Alstublieft…’
‘Dat is goed hoor, Moku. Als je denkt dat je het nog beter kunt dan net.’
‘Ja!’

Moku keert terug naar zijn startplek en stelt zich vervolgens voor dat het monster zijn gigantische bek opent en op het punt staat om hem heelhuids te verslinden.

Hij schiet omhoog, vecht met alles dat hij heeft tegen de hemel en opent zijn ogen pas weer wanneer hij al ver boven de gevlochten takken hangt. Hij kijkt naar beneden en wordt duizelig. De klappen van het gevecht laatst, de schrik van de takkenjacht, het álles geven tijdens de race. Het begint zijn tol te eisen. Zijn veren voelen zwaar en zijn vleugels zwak. Hoe gaat hij beneden komen? De lucht begint in tegengestelde richting langs hem heen te suizen. De lat? Hij kan er op landen. Als hij goed mikt, en de wind meezit. Hij heeft nog nooit gezweefd. De eerste keer moet perfect zijn. Hij is er bijna. Nog een klein klein stukje. Hij steekt zijn voetjes naar voren voordat hij landt, en probeert zichzelf vast te haken aan de armen van de boom, maar glijdt uit en belandt in een vrije val naar de aarde.

‘Mama!’

Mama Meerkoet haast zich naar haar kleintje die spartelt in zijn duikvlucht, maar voor ze hem beet kan pakken of zijn val kan breken klapt Mokuyoubi met zijn lichaam in het zand. Ahad, Lundi en Dinsdag rennen naar hem toe. Ze schrikken zich rot en rillen van angst bij het zien van hun kleine broertje. Mokuyoubi begint met een hoge toon te piepen en janken en krijsen. Zijn snaveltje lijkt gebroken en zijn pootjes zijn omgebogen.

‘Aaauw! MAMA! MAMA!!!’
‘Moku! Nee, arme Moku!’ Lundi schudt wild met haar hoofd
‘Broertje! NEE! Oh je snaveltje…’

Mama Meerkoet gaat naast het lichaam van haar jongste kindje staan.

‘Mokuyoubi. Je hebt geweldig gevlogen. En het spijt me dat ik het je nogmaals liet proberen. Vergeef me alsjeblieft. Ik houd van je, en ik zal altijd van je blijven houden.’

De rest begint vreemde blikken naar hun moeder te werpen.

‘Jongens, ik wil dat jullie afscheid nemen van jullie broertje. Hij gaat het niet overleven.’

Moku’s gezichtje verstijft en zijn pijnkreten krijgen een hint van geschrokken gehuil. De rest van de familie durft haast niet naar hun broertje te kijken en geloven hun moeder op haar woord.

‘Moku… Je was altijd een kleine strijder. In hart en nieren. Maar, helaas… Was je hart uiteindelijk te groot voor je veren. Ik… Ik kan dit niet… Ik houd van je, Moku.’
‘Klein broertje. Ik weet niet wat er gebeurt als je doodgaat. Maar misschien is het wel een betere plek. Een hele grote vijver. Met overal lekker eten. En vlieglucht, maar dan met een bed van veren in plaats van zand. Ik houd van je.’
‘Mootje. Ik ga het niet beter kunnen zeggen dan deze twee. En ik zie hoeveel pijn je hebt. Ik wil alleen nog benadrukken dat ik ook van je houd. En dat ik je ga missen, knul.’

De drie koetjes knikken.

‘Shanbeh? Wil jij niet nog wat zeggen?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Ik hoop dat je pijn snel eindigt, Moku.’

Mama Meerkoet knijpt haar ogen samen richting haar oudste dochter. Dan pakt ze de nek van Moku tussen haar snavel en wandelt ze op het water af. Te water zwemt ze naar een centraal punt, waar ze haar kleintje nog een paar liefkozende en geruststellende woorden toefluistert, eer ze hem voorzichtig onderdompelt en verdrinkt. Wanneer ze er zeker van is dat het kindje is overleden en geen leed meer hoeft te voelen, keert ze terug naar de rest van haar kroost.

‘Wil… Iemand het nog proberen… Met de lat en het vliegen?’ zegt ze verslagen.
‘Ja, ik wel.’ zegt Dinsdag. ‘Dat is wat hij leuk had gevonden. Hij was altijd fan van deze spelletjes. Laten we het in zijn naam afmaken.’
‘Oké. Dan doen we dat.’

Dinsdag loopt naar de startplek, kijkt omhoog, springt, wappert wat halfbakken en landt niet lang daarna.

‘Sorry…’
‘Dat is helemaal oké, Dins. Met jou komt het wel goed. Ik geloof in je.’
‘Dankje, mama.’

Shanbeh marcheert naar de plek onder de lat.

‘Oké. Wat zeggen ze ook alweer, het beste voor het laatste bewaren, toch?’

De rest kijkt haar wat verbijsterd aan.

‘Let op!’

Ze spreidt haar vleugels, waait wat takjes weg om een schone landingsplaats te maken, kijkt naar haar broers en enige overgebleven zus en schiet omhoog, nog sneller dan Mokuyoubi was gegaan. Ze komt boven de lat en lijkt het record van haar kleine broertje te gaan breken. Ze heeft zich nog nooit zo zelfverzekerd gevoeld.

Onder haar staan de andere kuikens en haar moeder te kijken. Ze zien een donkere vlek in de lucht, afgetekend tegen het felle zonlicht van de vroege middag. Dan horen ze iets. En raast er een andere donkere vlek over hun netvlies. Nog geen seconde later zijn beide vlekken verdwenen. Mama Meerkoet neemt haar kinderen snel mee naar het nest voor een goede maaltijd en geknuffel. Blij dat haar derde nest van het jaar dan toch nog drie koeten meer heeft opgeleverd dan degenen die ze voorheen had.

Adeya tot Ziyed

Boek 1

1 De vloek van Moenimbé​

Een reusachtig standbeeld van een jonge krijger staat fier op zijn rots en kijkt uit over de baai van Moenimbe. Donkergroene planten doen de terrassen die het moedergebergte bekleden bruisen en bloeien met leven.

Hij maakt zich klaar voor zijn grote moment.

De zonovergoten ligtbeige muren ondersteunen zachtblauw getinte daken en omringen marmeren pleinen waar jonge mannen en vrouwen in wildwapperende kleden met hypnotiserende draaibewegingen dansen op ritmisch snaargepluk. Ze dragen asters en zonnebloemen in hun tulband of haren. De smalle straten die als mineraalwaterstroompjes van de berg naar de grote haven kronkelen zijn volgestouwd met uitgedoste feestvierders in licht violet en okergele gewaden.

Dit is de belangrijkste dag van het jaar.

Slingers met het stadswapen zijn boven de hoofden geregen en ratelen hun eolische ritmes boven het geroezemoes van de mensenmassa’s. Collages van fruit sieren de hoeden van vrouwen en alle mannen gordelen een decoratief kromzwaard gemaakt van ebbenhout. Iedereen is in een vrolijke rep en roer en veert van hot naar her op lichte voeten. Er is extase alom. Mannen reiken naar bananen en vrouwen naar schedes in een poging elkaar af te troeven, ze lachen vriendelijk naar elkaar, ongeacht de resultaten. Er zijn sjamanen die zegens uitdelen, kinderen die kattenkwaad uithalen, dieven die stelen en mensen die leven voor deze dag. Allemaal buiten, allemaal in hun eigen festiviteiten en een gezamenlijke trance.​

Hij voelt nog een keer aan zijn doek en vult langzaam zijn longen met wind. Dit lied was bijna ten einde, en de volgende zou voor hém zijn.

In een kleine slaapkamer boven de apotheker staat een jonge vrouw aan de rand van een bed te kijken naar een man die met gemoedelijke ogen zijn laatste adem uitblaast en vredig sterft. Het gepluk op de pleinen beeïndigt abrupt. Een aster valt ten aarde van een voorovergebogen hoofd en de straten zijn stil. Niemand weet van het overlijden, maar alsnog lijkt iedereen het te voelen. Langzaam maar zeker gaan de eerste mensen terug naar hun huizen en sluiten de ramen en deuren. Zonder veel te zeggen volgt de rest. De levenslust lijkt weggetoverd en iedereen weet dat de feestdag over is. Er gaat een nacht voorbij van onheilspellende spanning, algemene somberheid en in sommige huizen af en toe een kort gesnik.​

Hij heeft zijn benen in kleermakerszit gevouwen en zit in gedachten verzonken op het strand.

De volgende ochtend komen de mensen weer naar buiten en kijken om zich heen. Alle gebouwen staan nog en de slingers brengen ze met elkaar in verbinding. De winkels en warenhuizen liggen vol met eten en Moenimbé houdt zich, zoals altijd, veilig schuil tussen de bergen en de zee.

De meeste mensen zijn opgestaan met hetzelfde gevoel in hun borst dat ze gister overviel. Maar hij niet. Hij maakt zich in zijn hoofd klaar voor iets waarvan hij weet dat hij het moet doen, maar waarvan hij niet weet wat het precies is. Tot nu toe vertaalt het zich alleen tot een nerveus popelen en een vreemde energie in zijn lichaam, maar er is een grote bijeenkomst georganiseerd voor drie uur vanmiddag waar hij meer zou kunnen leren. Hij pakt zijn spullen en gaat erheen.​

Het plein staat vol met de rumoerige afgevaardigden van iedere groep die zich vertegenwoordigd wilt zien. In het midden is het ontmoetingspunt van de besluitvormers, wat iets wegheeft van een amfitheater in een steengroeve. Er is een centraal en cilindervormig dieptepunt met in-de-rotsen-gehouwen banken waar het publiek plaatsneemt en een cirkelvormige vlakte onderin voor de spreker van het moment.

In tijden van voorspoed zijn er vaak meerdere meningen, aangezien iedereen verzekerd is van eten en tijd heeft voor idealen, maar vandaag lijkt er weinig verdeeldheid te zijn. Niet omdat iedereen het eens is met elkaar, maar omdat niemand echt de motivatie kan verzamelen om een standpunt in te nemen. Iedereen worstelt met de vraag waar het gevoel vandaan komt. Halfslappe pleidooien worden over en weer geslingerd zonder resultaat. Een enkeling wordt wat boos, maar het heeft niet echt zin.

Na een tijdje observeren stapt Ziyed naar de bodem van het plein. Hij draagt een lichtgrijs gewaad en een kromzwaard met damasten kling hangt aan zijn heup. Een gele tulband windt zich om zijn hoofd.

Met een ademteug en een blik aan de bijeengekomen mensen begint hij te vertellen:

‘Iets is niet zoals het zou moeten zijn. Het is alsof ik vaster raak naar mate ik meer worstel. Een mentaal drijfzand dat me terugtrekt wanneer ik streven wil. Dit grijze gewaad dient ter contrast voor innerlijke fleur, het is geen reflectie van onze persoonlijkheden. We horen het grauwe te absorberen en om te zetten in beweging, in positieve energie.’

Hij speurt de gezichten af en leest verlangen en hopeloosheid.

‘Zo ook nu, mensen. Zo ook nu zal ik proberen jullie waardigheid te waarborgen. Ik zal jullie helpen met alles dat ik heb!’

Met de zonnestralen van het staal afkaatsend en zijn wapen in de hand van een gestrekte arm ten hemel geheven zweert Ziyed zijn lijf te geven voor Moenimbé. Het bedroefde publiek weet er een applaus uit de krijgen en een vonkje van hoop lijkt over te slaan van hem op hen en weer terug.​​​

Ziyed sluit zijn ogen onder het geklap en wanneer ze open gaan staat er een meisje voor hem. Een jongedame zelfs. Ze is volledig in het zwart gekleed, heeft blauwe ogen, donkere wenkbrauwen en geen zin in grapjes zo te zien. Ze draait langzaam rond terwijl ze spreekt, kijkend naar de leden van de vergadering, en zegt evengoed overvallen te zijn door gevoelens van gemis en radeloosheid. Net als Ziyed last te hebben van de drang iets drastisch te willen veranderen. Want dit voelde als iets heftigs. Iets dat sluimert in vergetelheid en toeslaat wanneer je er het meest kwetsbaar voor bent. Maar ze heeft een oplossing. Over de zee, in Anderland. Als het volk en Ziyed haar in vertrouwen nemen en ze provisies kunnen krijgen om het tot de stad Khalizia te halen kunnen ze vanaf daar verder.

Geroezemoes en gefluister ontstaan instantaan. Een vrouw in het publiek merkt op:​​​

‘In Anderland? Er is al meer dan honderd jaar geen schip meer die kant opgevaren. Ik weet dat het merkwaardig is wat hier gister is gebeurd, maar de wereld overzeilen vanwege een slecht gevoel, klinkt dat niet een beetje extreem?’
‘We hebben hier niet zomaar met een gevoel te maken. Dit is anders,’ legt het meisje uit. ‘En het begon met mijn opa, Adaneos.’​​​
‘Wat is er met Adaneos gebeurd, Adeya?’ Vraagt een oudere man die vooraan zit bezorgd.​​​
‘Gistermiddag is hij overleden.’​​​

Een serie aan verbaasde ademhalingen en een zacht gemurmer steken de kop op. “Natuurlijk.” “Zie je wel” en “Adaneos, moge de Hakiem zijn ziel behoeden.”​​​

‘Direct daarna hoorden we het stiller worden op straat tot ineens iedereen weg was,’ gaat Adeya verder.​​​
‘Wat denk je dat er is gebeurd? Heeft hij iets gezegd voor hij ging?’ Blijft de man aanhouden.​​​
‘Ik durf het niet te zeggen. Ik weet niet wat er is gebeurd, maar ik weet dat ik het moet terugdraaien. Het zit in mijn bloed,’ spreekt Adeya half tegen de oude man, half tegen Ziyed. ‘Mijn opa vertelde me dat er een dag zou komen waarop ik de zee over moest. Dat ik zou weten wanneer die tijd gekomen was. Die tijd is nu. Nu weet ik het.’​​​
‘Adaneos was een van de meest wijze mannen van de stad. Het horen van zijn overlijden treurt mijn hart en dat van Moenimbé. We zullen zorgen dat de benodigde maatregelen getroffen worden voor een eervolle processie en begrafenis. En je hebt hierbij mijn zegen voor je missie, wat het ook is.’​​​
‘Dank u, spreker,’ antwoord Adeya met een kleine buiging. Ze draait half en kijkt naar Ziyed om te zien of hij haar wilt hebben. Ziyed glimlacht en knikt toestemmend.​​​

Het lijkt beslist te zijn, maar dan komen twee figuren aangewaggeld om plaats te nemen in het middelpunt van de zitting. Een jongen en een meisje. Ze zeggen Kato en Riya te heten. Sinds gistermiddag voelen zij ook een soort onbeantwoorde tinteling door hun lichaam razen vergelijkbaar met de andere twee zeggen ze. Ze maken een korte speech die vaak onderbroken wordt door wat onderling geplaag en kijken dan naar Ziyed en Adeya, die twijfelende blikken wisselen.​​​

‘We willen graag mee,’ begint Kato.
‘Echt heel heel graag,’ zegt Riya er kinderlijk bij.​​​

… Ziyed en Adeya fronsen​​​

‘Ik kan mijn luit meenemen voor vermaak.’
‘Hij speelt gé-wél-díg, gelovertrouw.’​​​

… Ziyed en Adeya fronseren​​​

‘We kennen gezamenlijk vijf talen. Vijf!’
Mubaya tantam igwezi ida. Ida!’​​​

… Ziyed en Adeya fronsenonderonseren​​​

‘We hebben een boot.’​​​
‘Hij heeft een boot…’

…​

2 ​​​

Het schip drijft langzaam van de Aarde tot het volledig is opgeslokt door de horizon. Aan de rand van het dek zitten Riya en Kato met hun voeten overboord geworpen te lachen over iets. Adeya banjert met een gebogen hoofd heen en weer in gedachten verzonken, maar kijkt ineens op en loopt naar Ziyed.​​​

‘Hey, Ziyed. Dat gevoel waar je het op het plein over had, wanneer begon dat?’​​​
‘Gistermiddag, op het hoogtepunt van het feest.’​​​
‘Wat gebeurde er precies?’​​​
‘Weet ik nog niet zeker, het is lastig onder woorden te brengen.’​​​
‘Doe een poging.’​​​
‘Goed. Ik was me klaar aan het maken voordat ik moest optreden op het plein en ergens in de laatste minuut verloor ik ineens alle zin in alles.​​​
‘Zomaar? Uit het niets?’​​​
‘Ja echt ineens. Eerst dacht ik dat ik gewoon erg zenuwachtig was, maar toen ik doorhad dat niet alleen ik, maar het hele plein, zelfs de hele stad stil was wist ik dat er iets goed fout zat. Ik vroeg wat mensen om me heen wat er aan de hand was, maar niemand wilde me spreken. Ze hingen hun hoofd over hun sleutelbenen en gingen naar huis. Toen ik iedereen zo zag kwamen de anticipatie en de spanning terug, zoals ik ze zou voelen voor een optreden, maar er was geen optreden. Ik voelde mijn hart in het midden van mijn borst kloppen. Met iedere ademstoot of teug was het alsof ik steeds dichter bij iets kwam, alsof iets me erheen aan het duwen was, maar waar ik heenging en wat ik zou moeten doen wanneer ik aankwam wist en weet ik niet. Alsof mijn ziel voorloopt op mijn lichaam.’​​​
‘Alsof het voorbestemd is?’ Vraagt Adeya, niet wetend of ze het ironisch of gemeend wilt vragen.​​​
‘Ja.’ Antwoord Ziyed zonder twijfel.​​​
‘Dus je voelde je eerst even net als de rest en daarna niet meer? Want niemand anders praatte zei je, alleen jij?’​​​
‘Ja.’​​​
‘En in die momenten voordat je weer spanning voelde, wat was er toen?’​​​
‘Weet ik niet meer zo goed, ik kan het me niet meer voorstellen gelukkig, alleen dat alles grauw was en flets. Ik wilde helemaal niet meer dansen en mijn kleding verloor zijn betekenis. Maar het vreemdste was, en dit is waar de spreuk of wat het dan ook is zijn kracht vandaan haalt denk ik: Ik dacht dat ik eindelijk de waarheid zag.’​​​
‘Hoe bedoel je?’​​​
‘Ik voelde me alsof niets van wat ik ooit gevoeld had echt was geweest, maar een leugen. Een belachelijke leugen.’​​​
‘De rest moet zich vast nog steeds zo voelen,’ zegt Adeya bezorgd.​​​
‘Ik denk het ook. Dat ik gespaard ben en me juist sterker voel dan ooit is daarom genoeg reden om te weten dat dit mijn lot is. En ik denk dat het ook die van jou is. We moeten ze helpen,’ zegt Ziyed vriendelijk en aanmoedigend.​​​
‘We zullen zien of het het lot is, maar helpen kan nooit kwaad.’ Adeya glimlacht en de twee delen een korte stilte.​​​
‘Maar jij, je zei iets over je opa, Adaneos, toch? Wat is er precies gebeurd?’​​​
‘Hij was al een tijd ziek. last van zijn longen en ouderdom voornamelijk. Zijn laatste weken heeft hij op de zolderkamer gelegen, wat ik aan de ene kant zielig vond, want dat is niet hoe ik hem ken, maar het gaf ons wel meer tijd om te praten dus ik kwam vaak direct na mijn dagelijkse taken aan zijn bed zitten. Hij kon de beste verhalen vertellen die je ooit hebt gehoord. Toen ik gistermiddag tijdens het feest op bezoek kwam om te kijken hoe het met hem ging zag ik dat hij weinig tijd meer had en hij wist het ook. Hij keek me aan met zijn rustgevende ogen, zei dat hij van ons hield en toen was het voorbij.’​​​
‘En toen werd het buiten ineens stil?’​​​
‘Ja, het viel mijn oma als eerste op. Alsof iedereen het voelde.’​​​
‘Denk je dat het door je opa komt?’​​​
‘Het kan haast niet anders. Heb jij een ander idee?’​​​
‘Ik heb geen idee, maar het klinkt allemaal wel heel toevallig. Heeft hij ooit nog iets anders gezegd dat hiermee te maken kan hebben?’​​​

Adeya kijkt vlug om zich heen en leunt iets dichter naar Ziyed:​​​

‘Vlak voordat hij ging, ik denk dat hij zelf ook wist dat het zijn laatste secondes waren, zei hij tegen me: Als de vloek terugkeert, zoek de nieuwe Artenos en ga de zee over.’​​​
‘Áls de vloek terugkeert? Dus hij wist het zelf ook niet zeker?’​​​​​​
‘Ik denk het niet.’​​​
‘Maar het bestaat dus wel echt. Wat bedoelde hij met de nieuwe Artenos vinden?’​​​
‘Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat iets de vloek veroorzaakt en iets de vloek tegenhoudt. Mijn opa’s leven hield de vloek tegen, dat is duidelijk. Misschien dat Artenos iets heeft gedaan dat de vloek stopte en heeft hij dat aan mijn opa verteld? En moet ik nu iemand vinden die hetzelfde kan doen als Artenos toen? Maar dat is meer dan honderd jaar geleden, ik heb geen flauw idee wat ze toen deden.’​​​
‘Ik ook niet. Alle verhalen gaan over hoe sterk, dapper, slim en eervol Artenos was, dat niemand hem aankon en dat ieder mens in zijn aanwezigheid zich groter voelde, maar hoe hij zo geworden is geen idee.’​​​
‘Hij was een groot krijger, dus hij zal vast het een en ander gedood hebben. Mannen, legers, monsters of iets.’​​​
‘Monsters?’ Ziyed kijkt vragend naar Adeya.​​​
‘Je weet maar nooit, ben je ooit van Oerindi afgeweest?’​​​
‘Nee.’​​​
‘Dan zou het zomaar kunnen, toch?’​​​
‘Laten we hopen van niet. Ik ben niet klaar voor monsters. Maar over de nieuwe Artenos en niemand die weet waar we moeten beginnen gesproken, ken je iemand die ons kan helpen aan de andere kant?’​​​
‘Niet persoonlijk, maar via via ken ik iemand in Khalizia die mijn opa ook heeft gekend.’​​​
‘Mooi, dan richten we ons eerst op daar aankomen en zien we dan wel verder. Wat doen we tot dan met die andere twee?’ Vraag Ziyed grappend terwijl hij naar het stelletje aan de rand wenkt.​​​
‘Ze zien er niet bepaald uit als vechters en ik vraag me af of ze mee willen tot het eind, maar het is hun boot en die jongen ziet er rijk genoeg uit om voor zichzelf te kunnen zorgen, dus laat ze lekker gaan zou ik zeggen.’​​​

De golven knuffelen en kletsen week op week tegen het schip. Ziyed staat bovenaan de mast om te zien wat er voor de boeg ligt terwijl de Moenimbische zee zich langzaam uitstrekt en weer aanspant voor zijn ogen. Open water is nieuw voor hem. Hij vindt het lastig te bevatten, zo breed, zo eindeloos groot, zo diep. Op het dek zijn Riya en Kato Adeya verhalen aan het vertellen van oude zeevaarders en ontdekkingsreizigers terwijl de zeilen bol staan met een behulpzame wind.​​​

‘Voel je je al een beetje als een echte ontdekkingsreiziger nu we zo over de zee gaan?’ Vraagt Kato aan Adeya.​​​
‘Nee, niet echt nee,’ antwoordt ze kalmpjes.​​​
‘Hmmm,’ Riya kijkt diagnostiserend naar Adeya.​​​
‘Meer schapenvlees eten,’ Adviseert Kato.​​​
‘Dankje. Ik zal het onthouden.’​​​
‘Oh!’ Schrikt Riya: ‘Heb je wel je schedelmeters meegenomen, Kaat?’​​​
‘Schedelmeters?’ onderbreekt Adeya met een stem zonder levenslust. ‘Jullie zijn zo gek als een deur.’​​​
‘O ja? Nou we zijn ten minste niet zo gek als Zeepoot Patrick,’ zegt Riya mysterieus.​​​
‘Zeepoot Patrick?’​​​ Vraagt Adeya, stiekem toch een beetje geïnteresseerd.
‘Zeepoot Patrick. De beroemde piraat die voor een weddenschap bezopen en met zijn houten been hinkstapspringend de loopplank van zijn schip op probeerde te komen in een regenbui.’​​​
‘Waar ging de weddenschap om?’​​​
‘Een been.’​​​
‘Een been?’​​​
‘Eraf.’​​​
‘Oooh… Wacht, maar Patrick had toch al een houten…?’​​​
‘Ja, maar de ander nog niet.’​​​
‘Waarom hadden ze eigenlijk een probleem met elkaar?’​​​
‘Barry Zout, zo heette de uitdager, had hem beledigd tijdens het drinken. Iets over dat Patricks geest even scherp was als zijn versplinterde scheenbeenstomp.’​​​
‘Ik snap hoe dat verkeerd kan vallen, maar je enige overgebleven been riskeren om een beschonken belediging te wreken, is dat niet een tikje té?’​​​
‘Het is alles of niets wanneer het om eer gaat, Adeya.’​​​
‘Is het hem gelukt?’​​​
‘Nouja, ze noemen hem niet voor niets Zeepoot Patrick natuurlijk he,’ Riya knipoogt naar Adeya en glimlacht dan breed zonder verder iets te zeggen.​​​
‘Wat? maar dat zegt nog steeds niks ove…r-‘​​​

Adeya wordt in haar zin gestopt door een steeds sneller en steeds harder borrelend gegrom dat gepaard gaat met een heen en weer schommelen van het schip. Het water klotst gewelddadig van het hout. Rechts voor de bemanning barst de waterspiegel in miljarden doorzichtige splinters die de lucht in worden geslagen en als zoute regen op het dek druppelen. Wat te zien is door de regenboog die spontaan is ontstaan is een diep donkergroen tot zwarte creatie van kwallige aanhangsels, krioelende tentakels en glimmende schubben.​​​

Het monster schiet zo’n acht meter boven het water uit, zonder teken van een romp of staart en buldert dan een toon zo laag dat iedereens hart ervan trilt. In het ruim zijn schreeuwen van paniek te horen, Ziyed klampt zich vast aan de mast in een angstige anticipatie. Hij legt zijn hand op het gevest van zijn zwaard en beseft zodra hij het aanraakt wat een belachelijk gebaar dat is. Hij zou met al zijn macht nog geen tentakel van dat ding kunnen doorklieven. Het monster kijkt rond in zijn sprong, maar lijkt niet door te hebben dat er een schip in de buurt is. De bek opent nogmaals voor een diepteschreeuw en scheurt daarna door de golven weer de afgrond in. Een hagedissenlichaam met een staart van minstens tien meter zijn net boven het oppervlak te zien terwijl het monster verdwijnt. De zee heeft een minuut nodig om te kalmeren, maar dan lijkt het gevaar geweken te zijn en komt iedereen uit zijn schuilplaats terug het dek op.​​​

‘Nja, zó dik dus,’ zegt Riya met een grijns tegen Kato.​​​
‘Pff, is dat zo ja? Ik weet niet eens hoe dik jouw moeder precies is, want ik kan nooit voorbij de eerste rol buikvet kijken vanaf daar beneden.’​​​
‘Pffff, jouw moeder heeft meer rollen dan de bibliotheek van Moenimbé.’​​​​
‘Hmm, jouw hoofd komt uit een bil, vriend. Dat kan niet anders. Riya de kontkop.’​​​
‘Kom dan, jonge!’ Roept Riya. Ze springt naar voren en slaat haar arm om het hoofd van Kato om hem naar beneden te worstelen terwijl ze haar gewicht over hem heengooit. Ze pakt hem in een houdgreep en drukt zijn hoofd tegen haar aan terwijl ze een klem zet op zijn nek.​​​

Door een filter van Riya’s kleding is Kato’s gemoffelde stem te horen ‘Dat is wat je moeder gisteravond zei.’​​​

‘Excuses, kinderen,’ zegt Adeya uit het veld geslagen. ‘Kunnen we even stoppen met het geouwehoer over bilkindjes en moederrollen en ons richten op wat er in de godsetyfusnaam net uit het water kwam zetten? En of het terugkomt? Hey!, Ziyed!, jij enig idee wat dat ding was?’ roept ze naar boven.​​​
‘Nee, bij de hemel en alles ertussen, ik heb zoiets nog nooit eerder gezien en hopelijk zie ik het ook nooit meer terug. Je had gelijk over de monsters, Adeya, we zijn ver van huis nu.’ komt er vanaf de mast.​​
‘We hebben geluk dat hij niet direct onder ons opdook, Dan waren we er direct geweest.’​​​
‘En niet zo’n beetje ook. Zag je die tanden? Die waren groter dan ik ben,’ Ziyeds aanvankelijke schrik maakt plaats voor wat enthousiasme.​​​
‘Ai, Gelukkig zag het ons niet.’​​​
‘Ik weet niet, het zou niet makkelijk gelukt zijn, maar als ik hem goed in zijn oog had geraakt hadden we wel een kans gehad,’ schept Ziyed op.​​
‘En als hij jou nog niet had gezien, dan je ego wel.’​​
‘Over dingen zien gesproken, volgens mij zie ik de toppen van een bergketen aan de horizon. We zijn er over niet al te lange tijd! Anderland ahoy!’

Iedereen aan boord maakt zich klaar om aan wal te gaan. Kato schuift de matrozen die hij heeft meegenomen uit de haven een aantal goudstukken toe en instrueert ze uiterlijk een week reizen van de haven weg te gaan in hun tijd aan land, zodat ze elkaar weer kunnen vinden voor de terugtocht.

3​​​​​​

‘Sorry,’ Zei de bebrilde barman van Mo’s Baaikroeg met een verbijsterde blik en een stem vol achterdochtigheid, ‘jullie zijn helemaal vanuit Anderland hierheen gekomen omdat een soort spook jullie stad sip heeft gemaakt?’ Hij poetst een glas met zijn bekladde schoonmaakdoekje terwijl hij rustig rond zijn havenkroegje kijkt en zich afvraagt of hij gelukkig is met wat hij heeft opgebouwd.​​​
‘Niet een spook, maar meer een – Wacht, vanuit Anderland? Dit is Anderland, toch?’ Zegt Ziyed met een vleugje paniek.​​​
‘… Nee?’ Zegt de barman langzaam.​​​
‘Nee?… Neeee, toch, zijn we verkeerd gevaren!?’​​​
‘Dat kan haast niet anders, want dit is geen Anderland, ik ben hier geboren en ik denk toch dat had ik echt wel geweten had of ik in Anderland geboren was.’​​​
‘Dus we zijn weer terug op Oerindi?​​​
‘S-s-s-s-s-s-ssukkel-el-el-els,’ fluisteren Kato en Riya​​.

Adeya drinkt.​​​

‘Oerindi?’ Zegt de barman vragend. Hij loopt wat heen en weer met glazen achter de bar en converseert af en toe over zijn schouder.​​​
‘De naam van het continent,’ Zegt Ziyed droog.​​​
‘Dit is Verenigd Moravië, vriend,’ antwoordt de barman lacherig.​​​
‘Wat?’​​​
‘Verenigd Mó-rá-vie-jè.’​​​
‘Waar ligt dat?’ Ziyed is met stomheid geslagen.​​​
‘Hoe bedoel je?’ Vraagt de barman. ‘Je staat er.’​​​
‘Maar aan welke kant van de oceaan ligt het?’​​​
‘Wij geloven hier dat de Aarde rond is, dus die vraag kan ik niet beantwoorden.’​​​
‘Ugh. Hoe ver is het naar Moenimbé vanaf hier?’​​​
‘Moe ním bay?’​​​
‘Heb je ooit van Moenimbé gehoord?’​​​
‘Nee, moet ik weten wat dat is?’​​​
‘Het is de grootste, meest prachtige stad van het land.’​​​
‘De grootste en meest prachtige stad van het land ken ik wel.’​​​
‘Dus je hebt wel van Moenimbé gehoord?’​​​
‘Wat heb je het toch de hele tijd over je Moenimbay, de grootste en meest prachtige stad van het land is Khalizia.’​​​
‘Huh, ben je nou een Anderlander of niet?’ Zegt Ziyed steeds brutaler wordend door de zenuwen en de angst een halve wereld mis te zitten.​​​
‘Houd nou eens op met je anderlander, je bent zelf een Anderlander!’ Roept de barman nu ligt geïrriteerd. Een man in de hoek van het café kijkt op van zijn bord eten.​​​

Ziyeds vingertoppen kietelen de pommel van zijn kromzwaard terwijl hij zijn blik verscherpt.​​​

‘Kalm, Ziyed.’ zegt Adeya, die het gesprek nauwkeurig aan het volgen is. ‘Excuses voor mijn vrienden, het is hun eerste keer in het buitenland. Hoe ver is het vanaf hier tot Khalizia, beste man?’​​​
‘Zooi vreemde lui heb je meegenomen,’ zegt de Barman die blij is met iemand anders te praten. ‘Van hier naar Khalizia is een kleine twee weken te voet als je doorloopt.’​​​
‘En is er een makkelijke manier om de bergen heen of zullen we eroverheen moeten?’​​​
‘Vanaf hier is er een pas die je alleen door een paar valleien leidt, kleine klimmetjes.’​​​
‘Dankje,’ Zegt Adeya beleefd.​​​
‘Geen probleem.’ De barman werpt een blik op Ziyed en kijkt dan weer naar haar.​​​
‘Wat moeten jullie eigenlijk in Khalizia?’ Gaat de man verder.​​​
‘Ik ben op zoek naar een oude vriend van de familie.’ Antwoordt Adeya. ‘Ziyed hier helpt me mee. En deze andere twee… Deze andere twee zijn ook mee.’ Ze werpt een blik op Riya en Kato die op het moment gefascineerd zijn door elkaars handen.​​​
‘Ha, nou daar heb je dan je handen vol aan!’ Lacht de barman.​​​
‘Zo zou je het kunnen stellen ja. Is er nog iets waar we op moeten letten of voor uit moeten kijken onderweg?’​​​
‘Nee niet echt, het is best veilig in deze streken. Ik zou alleen die donkere daar zijn mond laten houden als je wat verder landinwaarts gaat.’ De barman knikt naar Ziyed terwijl hij het zegt, Ziyeds ogen flikkeren een moment.​​​
‘Ehm, oké. Hoezo dat precies?’ Vraagt Adeya.​​​
‘Grijs is de kleur van de geestelijken en ze zijn aardig gesteld op hun religie in Khalizia. Het is voor jullie eigen veiligheid. Plus hij had mij net al half op de kast zitten en ik ben maar een barman.’​​​
‘Kunnen we dan niet beter gewoon een nieuw gewaad voor hem halen? Als dat het probleem is.’​​​
‘Dat zou ook een mogelijkheid zijn ja.’​​​
‘Welke kleuren zijn toegestaan?’​​​
‘Alles behalve grijs en wit is voor normale mensen.’​​​
‘Wie draagt wit?’​​​
‘Tempelmaagden en prinsessen, maar die zul je weinig zien.’​​​
‘En dorpjes onderweg, of water? Is dat te vinden en te drinken?’​​​
‘Tussen Khalizia en hier liggen een paar kleine dorpjes, de eerste is hier vijf dagen vandaan, maar daarna wordt het steeds dichter bevolkt.’​​​
‘Ah, prima. Dan nemen we lichte bepakking mee en watervoorraad voor een week.’​​​
‘Dat moet voldoende zijn.’​​​
‘Hartelijk bedankt.’​​​
‘Geen probleem, en een goede reis gewenst. En jullie kwamen uit Monímbay dat ligt op…?’​​​
‘Oerindi.’​​​
‘Monímbay op Oerindi. Zo maak je nog eens wat mee.’​​​

De vier drinken hun pullen leeg, plempen ze op de bar en vertrekken richting Khalizia, maar niet voordat ze voorraden hebben ingeslagen en een nieuw pastelblauw gekleurd gewaad voor Ziyed hebben gekocht.​​​​​​

4​​​​​​

Verenigd Moravië verschilt niet veel van de zee behalve in kleur. Waar de afgelopen weken bestonden uit bescheiden deinende watermassa’s is nu een scala aan gouden granen en gewassen de eindeloze compagnon van de vier. Boven de golvende heuvels vliegen vogels over die lijken op die van thuis, maar met andere kleuren. Ze lopen over een goed onderhouden zandpad om zich heen te kijken en trappen tegen steentjes op de weg. Er zijn al twee dagen geen tegenliggers te bekennen geweest en nieuw of niet, tien uur lopen per dag is tergend in iedere wereld. Iedere keer dat ze bovenop een heuvel aankomen ligt voor hen weer een identieke vlakte als die daarvoor, met een nieuwe top aan de horizon te zien en een nieuwe tocht die nergens toe lijkt te leiden.​​​

Aan het eind van de vierde dag, bovenop een grote heuvel die een kilometersver uitzicht biedt op meer heuvels zitten de vier zich klaar te maken voor de nacht. Adeya kijkt naar de watervoorraad die nog goed is voor een dag of twee en vanaf dan gerantsoeneerd zal moeten worden. Ze heeft geen idee hoe ver ze nog moeten tot het dichtstbijzijnde dorp, hoe betrouwbaar een willekeurige barman aan de andere kant van de wereld is en waar ze in hemelsnaam precies zijn. Ze werpt een blik op Ziyed die een van zijn voeten aan het masseren is en wat moeilijk kijkt. Riya en Kato zitten op de grond en frutselen met wat sprieten die ze geplukt hebben. Wat als dit een absurde dodenmars is denkt Adeya? Wat als ze hier helemaal geen vreemden willen en de man ze klakkeloos het onbegaanbare achterland in heeft gestuurd?​​​

‘Wil je wat water?’​​​
‘Ja, graag.’​​​
‘Hoe ver is het nog denk je?’​​​
‘Geen idee.’​​​
‘Het kan niet ver meer zijn tot een dorpje, de man zei vijf dagen.’
‘Ik vertrouw die man niet. Hij zat ook al zo vies te kijken naar Ziyed.’
‘We moeten ervan uitgaan dat hij de waarheid sprak.’​​​
‘Maar we hebben nog niemand gezien.’​​​
‘Wie zegt dat we goed lopen?’​​​
‘Er is maar één weg.’​​​
‘Des te vreemder dat we niemand zijn tegengekomen.’​​​
‘We kunnen letterlijk overal zijn.’​​​
‘Behalve thuis, in bed.’​​​
‘Morgen is dag vijf, dan vinden we een bed.’
‘Beloofd?’
‘Nee.’​​​
‘Oh.’​​​
‘Maar wel waarschijnlijk.’
‘Jongens, wat als we verkeerd gaan?’
‘Dan hebben we pech.’
‘Maar dan is het mijn schuld.’
‘Hoezo?’
‘Omdat ik die barman om de weg heb gevraagd en ons hierheen heb gesleurd.’
‘Nee, joh. Dat is niet meer jouw schuld.’
‘Niet meer?’
‘Nee, we zijn hier toch samen? Vanaf het moment dat we op de boot stapten werden de consequenties van ons, niet meer van één persoon. We vertrouwen je, Adeya.’

Adeya slaakt een zucht, glimlacht naar de drie en kijkt naar het landschap.​​​

‘Gaat het nog een beetje met jullie?’​​​
‘Jawel, maar ik heb de heuvels wel gezien. Het wordt tijd voor een herberg.’​​​
‘En met jou, Kato?’​​​
‘We hadden een bal mee moeten nemen.’​​​

​​​

Nog een heuvel

​​​

Nog een heuvel

​​​

Nog een heuvel

​​​​

Als ze bij het hoogtepunt van de volgende heuvel aankomen, zien ze daar in de verte nog een heuvel. Maar daarná, daarna zijn er zachte trillingen te voelen in de lucht en als de wind meewerkt is er zelfs een heel zacht geluid te horen. Een geroezemoes, zo lijkt het. Riya en Kato rennen voor de anderen uit de laatste paar honderd meter en beginnen tot het plezier van Ziyed en Adeya te dansen van vreugde wanneer ze kunnen zien wat er aan de andere kant ligt. Het eerste dorp.​​​

Riya en Kato zijn als eerste beneden en wandelen op het pad dat nu de hoofdstraat is geworden. De bouwstijl is iets hoekiger dan in Moenimbe en de gebouwen zijn gemaakt van een soort rode stenen met donkerbruine daken. ‘Het is minder zonnig dan thuis,’ denken en zeggen Riya en Kato tegelijkertijd. Ze draaien zich om en wachten tot de groep weer compleet is.​​​

‘Waar zullen we heengaan?’ Vraagt Ziyed.​​​
‘De herberg om onze spullen kwijt te kunnen en daarna een bar om te zien of ze hier iets beters hebben dan dat gedrocht van een bier in de haven?’ Stelt Adeya voor.​​​
‘Ja,’ keer drie.​​​
‘Dan gaan we daarna wel kijken wat er hier in de omgeving is, we moeten ook wel wat bezichtigingen doen nu we hier toch zijn natuurlijk,’ concludeert Ziyed.​​​
‘Prima.’​​​

Vanaf de voordeur kijk je een brede soort kantine in waar een aantal picknicktafels over de breedte staan opgesteld met één gigantische bar aan het eind die bediend wordt door een enkele bebakkebaarde barman. De beste barman ter wereld als je het ingelijste, maar handgeschreven certificaat mag geloven. Daarvoor zitten ongeveer twaalf mensen te drinken aan de rij tafels die het dichtst bij de bar staan. Het wordt stil in de kroeg wanneer ze binnenkomen. Een paar hoofden draaien die andere hoofden aansteken ook te draaien. Ziyed, in zijn felle kleuren, vangt de meeste blikken, maar Adeya die nog steeds in haar honderd dagen van rauw zit en exclusief zwart draagt wordt evengoed begluurd. Ze nemen plaats aan de bar en bestellen het beste dat het huis te bieden heeft. ​​​

Na een aantal slokken van precies tweevingerige tevredenheid komt er een man in deftige kleedracht wat denigrerend achter de kruk van Ziyed staan, tikt hem twee keer net iets te prikkerig in zijn schouder met zijn vinger en begint dan in een door alcohol moedig gestemd humeur te praten:​​​

‘Hey, mooie jongen. Hoe kom je aan die kleedjes?’ Zegt hij met een stem die onderbuikgevoelens oplevert. Ziyed kijkt de man beheerst, maar ongemakkelijk aan.​​​
‘Gekocht in dat havendorpje hier dichtbij, hoe heette het ook alweer? Mobaai?’​​​
‘Oh, Mobaai! hier vlakbij! Zijn jullie van een handelskaravaan die een grote ronde maakt of iets? Normaal komen hier niet zo veel mensen langs.’ De man vraagt het alsof hij op zoek is naar iets specifieks.​​​
‘Zo iets, ja. We maken een tour rond Moravië.’​​​
‘Ah, dan ben jij zeker opgestapt bij de Noordelijke Territoria?’​​​
‘De Noordelijke Territoria? Hoezo?’​​​
‘Nou… Dat is toch, ehh, Waar jullie vandaan komen?’​​​
‘Wo, wo, wo. Hey dat is niet cool, broeder. Eigenlijk leefden we vroeger over een veel groter gebied natuurlijk. We komen niet allemaal uit die Territoria.’ Bluft Ziyed.​​​
‘Oh, oh mijn excuses mijnheer. Dat kon ik natuurlijk niet weten,’ zegt de man terwijl hij kijkt naar wat van zijn vrienden om te zien of hij dat had kunnen weten, maar al zijn vrienden knikken en gebaren naar hem dat hij dat natuurlijk niet had kunnen weten.
‘Maar waar mogen jullie toevallig dan wel vandaan komen?’​​​ Gaat de man verder met zijn blik weer op Ziyed gericht.
‘Ik zelf ben geboren in Khalizia.’​​​
‘Khalizia!?’ Zegt de man even verbaasd als brutaal. Wauw, dan heb je vast een erg rijke vader of niet?​​​
‘Ik kan niet zeggen dat ik ooit iets te klagen heb gehad.’​​​
‘Wat is je achternaam als ik vragen mag?’​​​

Ziyed kijkt even naar Adeya, die meeluisterend voor zich uitkijkt en nog niet heeft besloten hoe ze zich hierin kan mengen. Riya en Kato hebben onderhand opgemerkt dat er een paar andere mannen naar het groepje zitten te kijken die aandachtig meeluisteren.​​​

‘Ik zie niet hoe dat jouw zaken zijn, mijn beste man. Mag ik verder met mijn drankje?’​​​ Vraagt Ziyed, zich nog steeds naar de man toegekeerd.
‘Nee nee, dat gaat niet zo makkelijk. Er komt hier niet zomaar een assoe binnen die dan maar even gaat zitten drinken en geheimzinnig doen. Kom op, knaap. Hoe is je naam?’ De man rochelt een keer en tuft met een harde “Th” klank een klont slijm in de voegen van de vloerplanken. Hij kijkt terug naar Ziyed en vraagt in een bedreigende stem:​​​
‘Wie is je papa, knul?’​​​
‘…’​​​

Ziyed wilt zich weer omdraaien naar de bar, maar hij wordt bij zijn schouder gepakt en teruggedraaid door de man, wat hij toelaat.​​​

‘Niet zo snel, mijn vriend, ik heb nog vragen. Hoe kom je aan dat ding daar?’ De man kijkt naar Ziyeds zwaard, dat op het moment in zijn ebbenhouten hoes aan zijn heup hangt.​​​
‘Erfstuk,’ zegt Ziyed droog.​​​
‘Een érfstuk…’ Zegt de man sarcastisch.​​​
‘Erfstuk, ja.’​​​
‘Jaa, ja. God, nou dan ben je wel de meest fortuinlijke assoe die ik ooit heb gezien. Grote stad wonen, erfstukken hebben, onterecht arrogant zijn. Normaal hebben jullie lui maar één van die eigenschappen!’ De man maakt de grap extra hard en er is wat gegrinnik te horen om de bar heen.

Riya en Kato raken een tikje zenuwachtig en kruipen dichter bij elkaar.​​​

Adeya inventariseert vlug de ruimte over haar schouder, draait zich dan weer om en neemt nog een paar goede slokken.​​​

Ziyed kijkt de man recht in zijn ogen aan en gebruikt de aandacht van de hele kroeg die nu op hun gevestigd is:​​​

‘Luister. Ik zal dit kort houden voor je, mijn goede vriend. Er zijn twee dingen die je kunt doen: Je kunt nu sorry tegen me zeggen en weer gewoon gaan zitten, of je gaat betalen voor dat woord dat je me net noemde. En je hoeft het nu niet nog een keer extra hard te gaan herhalen als teken van dominantie, ik ken jouw type, je hoeft er geen grapjes meer over te maken terwijl je wegloopt, je hoeft er verder niets meer over te zeggen. Helemaal niets. Je loopt nu gewoon weg, óf ik ga ervan uit dat je voor het tweede kiest. Ga verder met je leven. Kies niet voor het tweede.’​​​

…​​​

Doodstil.​​​

Dan een gebulder van een gelach.​​​

De man heeft zijn handpalm op zijn gezicht en buigt voorover om met zijn andere hand op zijn knie te slaan. Hij komt weer overeind en kijkt de kroeg rond om alle aanwezige gezichten te controleren. Af en toe proest hij er tussen het lachen wat uit als ‘Haha, alsof deze…’ ‘En hij dacht echt dat ‘ie!’ ‘Hahahaha – Wh-hahahaha alsof je een verdomde ASSOE!’​​​

En op die schreeuw schiet zijn vuist naar voren, recht richting het gezicht van Ziyed. Tegelijkertijd springen minstens zes man op van hun tafels en bestormen de vier. Een man en een vrouw die naast elkaar zitten zetten nogal boos hun bier neer, leggen twee munten ernaast en lopen schuddend met hun hoofd naar buiten. De rest bekijkt de scene. Riya en Kato springen direct over de bar en kunnen schuilen bij de beste barman ter wereld.​​​

Adeya draait zich om.​​​

Ziyed weet de verassingsvuist te ontwijken en de man valt door de kracht van zijn stoot voorover tegen Zijn schouder aan. Hij duwt hem hard van zich af en de man pleurt achterover tegen twee andere mannen. Hij springt op van zijn kruk en pakt zijn zwaard, maar laat hem in zijn hoes zodat het meer wegheeft van een kromme wapenstok. Met vloeiende elegantie draait Ziyed om de belagers heen en af en toe onderbreekt hij een van zijn pasjes voor een soejang met zijn scimitar. De twee mannen die hij raakt donderen bewusteloos neer inclusief de aanstichter van het gevecht.

Van links hoort Ziyed een geluid komen dat harder wordt en harder wordt en harder wordt totdat een doffe stomp de opmars abrupt eindigt en de man van wie het gevaar kwam op de vloer ligt. Het enige dat Ziyed ziet is een razendsnelle zwarte voetveeg door de lucht en daarna Adeya die naast hem komt staan.​​​

‘Eindelijk!’ Zegt ze vol gewelddadige verrukking.

Ze sprint met volle vaart naar voren op het eerste beste doelwit af en begraaft haar vuist waar eens een neus zat, werpt de man terzijde en kopstoot dan volop de volgende. Daarna pakt ze met één hand zijn schouder, met de andere hand zijn kraag en schoffelt zijn voeten onder hem vandaan. De man hangt half bewusteloos in haar hand en het lijkt of hij op het punt staat te gaan huilen. Ze kijkt hem aan en begint te lachen.​​​

‘Oh nú komen de tranen? Zo zielig ben je ook. Let op. We gaan verder het land in voorlopig, maar we komen hier langs op de terugweg. En als ik ooit in de toekomst er achterkom dat je de woede van deze nederlaag op welke manier dan ook op een ander hebt afgereageerd, al is het maar een nare opmerking naar een voorbijganger, dan kom ik persoonlijk kebab van je ballen maken. En niet op een romantische manier, maar op een mentaal instabiele chirurgische manier. Oké?’​​​

Ze ziet iets in de man zijn nu rollende tranen verschijnen en laat hem als een hopeloze homp vlees in elkaar zakken op de grond.​​​

Er staat nog één ander iemand in het midden van het gangpad met zijn vuisten omhoog naar de twee te kijken.​​​

‘Ga naar huis,’ zegt Ziyed.​​​

Hij laat zijn handen vallen en gaat.​​​

Adeya reikt naar de man op de grond en vist een buideltje met geld uit zijn zakken.​​​

‘Mijn vriend hier stond erop dat we dit drankje deden op zijn kosten,’ zegt ze terwijl ze het geld op de bar uitstrooit. ‘En pak wat voor jezelf, voor de moeite.’ Ze leunt naar Riya en Kato aan de andere kant van de bar.
‘Kom op, jongens. We gaan.’​​​
‘Yep,’ zegt Kato met een licht bevende stem.​​​
‘Oké, Adje, wat jij zegt.’

Ze klimmen snel over de bar en staan klaar om te gaan, ze beven een beetje.​​​

‘Fijne dag nog, sorry voor de overlast,’ zegt Adeya​​​.
‘Ja, dankje dat je ons liet schuilen, meneer de barman.’​​​
‘Ik heb wat flessen daaronder netjes gezet voor je.’​​​
‘Ha, nou bedankt hoor. En ehm, jullie ook een fijne dag.’ De beste barman ter wereld blijft achter met een bewusteloos geslagen klandizie en een hoofd vol vragen.​​​
‘Waar gaan we nu heen?’ Vraagt Riya wanneer ze buiten zijn.​​​
‘Jij wilde de omgeving nog verkennen toch, Ziyed?’ vraagt Adeya​​​
‘We zien de omgeving morgen wel wanneer we weer verder moeten. Laten we gewoon nog een drankje doen in de herberg. Ik ben een beetje klaar voor vandaag.’​​​
‘Snap ik wel. Oké, op naar de herberg dan maar.’​​​

In de herberg pakken ze een tafel aan de wand, drinken wat, bestellen wat te eten bij de gezette brunette vrouw die hen bedient en praten na over het gevecht van vanmiddag en de vordering van de reis. Adeya kijkt naar Ziyed en zegt:​​​

‘Van jou weet ik het.’​​​

Ze kijkt naar Riya en Kato​​​

‘En jullie? Hoe lang zijn jullie van plan nog bij ons te blijven?’​​​
‘Hoe bedoel je?’ zegt Riya geschrokken.
‘Willen jullie ons weg?’ Voegt Kato toe.
‘Sorry dat we niet hielpen eerder tegen die mannen, we kunnen gewoon niet echt goed vechten,’ zegt Riya, klaar voor meer verontschuldigingen.​​​
‘Maak je geen zorgen, dat is niet waarom ik het vraag,’ komt Adeya ertussen. ‘Ik weet gewoon nog niet waarom jullie eigenlijk alles hebben opgegeven om hierheen te komen dus kan ik niet inschatten hoe lang jullie nog van plan zijn hetzelfde pad te volgen als Ziyed en ik.’​​​
‘Tot het einde.’ Zeggen de twee in koor.​​​
‘Weten jullie wel wat het einde voor ons is?’​​​
‘Geen idee, maar tot nu toe is het goed gegaan. Waarom zou het dat niet blijven gaan?’ vraagt Kato.
‘Ik dacht gewoon dat jullie in Khalizia jullie eigen weg in zouden slaan, waarom zijn jullie eigenlijk meegekomen?’​​​
‘De oude wereld zuigt. Ik heb geen zin om daar te moeten zitten tot ik grijs ben en doodval. Ik wil dingen zien. Ik wil op zijn minst het idee hebben dat ik een keuze te maken heb in mijn leven,’ zegt Kato​​​.
‘Dat je niet alleen maar ergens doodgaat omdat je er toevallig geboren bent,’ draagt Riya bij​​​.
‘Ja precies, dat ik een klein beetje zeggenschap heb over mijn lot.’​​​
‘Daarom wilden we graag mee.’​​​
‘En de boot?’​​​
‘Die is van mijn vader,’ zegt Kato. ‘Op de dag van het festival werd hij zo somber dat hij de hele volgende ochtend niet uit zijn bed is gekomen. Toen de bijeenkomst op het plein was lag hij nog steeds een beetje naar het plafond te staren, dus besloot ik zelf te gaan en Riya op te halen onderweg. We waren eigenlijk gewoon benieuwd naar wat er gezegd werd op het plein, maar toen we jou hoorde praten over de zee en Anderland, of Moravië, zelfde verschil, kon ik haast niets anders bedenken dan zo snel mogelijk op mijn vaders schip te stappen en te vertrekken. Gelukkig ken ik wat mensen in de haven die voor een kleine betaling best een geheimpje kunnen bewaren en gelukkig heeft mijn vader zoveel geld dat hij het overal rond laat slingeren, dus zo heb ik nog wat matrozen kunnen vinden.’​​​
‘Je hebt zomaar je vader in de steek gelaten?’ Ziyed kijkt voornamelijk verbaasd, maar ook een klein beetje angstig.​​​
‘Mijn vader is een dwaas. Hij heeft al het geld dat hij wensen kan, maar is nog nooit verhuisd. En hij wilt dat ik zijn zaak overneem mocht hij de pijp uitgaan. Nee bedankt.’​​​
‘Wat doet je vader?’ vraagt Adeya.​​​
‘Continentale handel.’ antwoordt Kato.​​​
‘Misschien heeft hij gewoon zijn plek gevonden in Moenimbe,’ oppert Ziyed.​​​
‘En dat gun ik hem dan van harte. Maar het is niet de plek waar ik mijzelf wil vinden later.’​​​
‘Waar wil jij jezelf vinden later?’​​​
‘Eerlijk, ik heb geen idee. Ik wil gewoon een beetje rondreizen met Riya en zien waar we uitkomen,’

Kato voelt een warmte zachtjes zijn been aanraken.

‘Mocht er een plek zijn die het waard is dan zien we het dan wel en kunnen we altijd nog besluiten te blijven.’​​​
‘Maar wat wil je hier verder doen, in de nieuwe wereld? Jullie moeten verlangens hebben toch?’ vraagt Ziyed geïntrigeerd.​​​
‘Nee, niet echt.’​​​
‘Hoezo niet?’​​​
‘Omdat we niet weten wat er allemaal is of wat we kunnen verwachten.’​​​
‘Ja, hoe kun je weten wat je wilt als je niet eens weet wat er allemaal te willen valt weet je wel?’ zegt Riya.​​​
‘Dat. Dus verlangens? Nee, wij zien het wel gebeuren.’​​​
‘Ik zou willen dat ik zo kon leven.’ zegt Adeya.​​​
‘Kun je dat niet dan?’ Kato klinkt vriendelijk.​​​
‘Nee, ik plan alles, ik denk overal over na tot in de detail voordat ik begin.’​​​
‘Maar deze reis dan? Dat lijkt me redelijk spontaan.’​​​
‘De enige reden dat ik ben weggegaan was omdat mijn opa zei dat ik moest gaan en ik toevallig Ziyed zag. Je denkt toch niet dat ik zo iets in mijn eentje bedenk?’​​​
‘Waarom zei je opa dat je moest gaan?’​​​
‘Er is iets op dit werelddeel dat ik moet doen om de vloek terug te draaien. Mijn opa zei het me. Ik weet nog niet wat, daarvoor moeten we eerst naar Khalizia. Maar er is iets dat ik hier moet doen.’​​​
‘Omdat je opa het zei?’​​​
‘Ja.’​​​
‘Sinds wanneer zijn opa’s zulke waarzeggers?’​​​
‘Mijn opa was niet zomaar iemand.’​​​
‘Oh?’​​​
‘Wie was het dan?’ Vraagt Riya tussendoor, te nieuwsgierig om op de vraag van Kato te wachten.​​​
‘Adaneos.’​​​
‘Zegt me niks.’​​​
‘Hij werd soms ook wel Adaneos de Bezinnende genoemd?’ ​​​
‘Nee, nog steeds niets.’​​​
‘Hij zat een lange tijd in de hoogste adviesraad van Moenimbé en heeft drie beroemde filosofische werken geschreven over de psyche van volken en culturele betekenisgeving?​​​
‘Nope.’​​​
‘Ooit gehoord van Artenos?’​​​
‘Natuurlijk.’​​​
‘Dat is Adaneos zijn opa,’ zegt Adeya droog.​​​

Ziyed en Riya kijken perplex.​​​

‘Ah en dat was,’ de betekenis van Adeya’s woorden komen nu pas binnen bij Kato en hij valt stil.​​​
‘Je bent de klein kleindochter van Artenos van Moenimbé?’ Zegt Ziyed huiverig.​​​
‘Yep. Maar haal die blik maar weer van je gezicht, want meer dan dat is het ook niet waard. Het is niet of ik hem ooit gekend heb of iets.’​​​
‘Maar dan nog. Dat is best bijzonder.’ ​​​
‘Ja, dan zou ik ook de hele dag nadenken over hoe ik het best de held uit kan hangen,’ plaagt Kato.​​​
‘Ik snap dat het allemaal heel indrukwekkend klinkt, maar ik ben voor zover ik weet precies als jullie. Dus het is alleen maar meer druk waar ik niet op zit te wachten.’
‘Ik kon niet alles zien, maar als ik de mannelijk klinkende oefs en hmpf en auws in de kroeg van net mag geloven kun je aardig vechten in ieder geval. Dat doen wij je niet na.’
‘Dankje, maar dat is niets vergeleken bij wat mijn familie heeft gedaan.’
‘Het is niet jouw schuld dat je jouw familie hebt, daar hoef je je helemaal geen zorgen om te maken. Doe gewoon wat jij wilt. Het is uiteindelijk maar een mooi verhaal voor ons, niemand weet hoe het is om Artenos te zijn of om bij hem in de buurt te zijn. Wie weet leken jullie heel veel op elkaar qua karakter.’

terwijl ze deze woorden tot haar door laat dringen en met haar knokkels haar jukbeen ondersteunt kijk Adeya van  de bodem naar de schuimkraag van haar glas, het raam, de deur van de herberg en dan naar de mensen aan een tafel achter hen. Er staan twee kannen drank en een kaalgeplukte kip op de tafel tussen de uitbuikende dorpelingen. Ze zien er tevreden uit. Adeya vraagt zich af of zij zich ooit zorgen maken om niet de held te worden die hun lichaam zegt dat ze kunnen zijn. Of ze wakker liggen ’s nachts, te piekeren of het beeld dat ze van zichzelf gemaakt hebben niet een ziekelijk zelfbedrog is. Of zij evengoed schommelen tussen de rollen van hoopgever en hopeloze. Kunnen ze dat wel? Ze wonen waarschijnlijk al hun hele leven in dit dorp. Ze kijkt vervolgens weer terug naar Kato’s ogen.

Hoe blijf jij zo kalm om het leven maar te laten gebeuren om je heen?’​​​

‘Het is niet altijd zo geweest hoor. Toen ik klein was, als in klein klein was, panikeerde ik al als er een schilderijtje scheef hing bij iemand thuis of als ik mijn boterham niet perfect symmetrisch gesneden kreeg. Als iets niet precies ging zoals ik het voor me zag dan werd ik al snel geïrriteerd. Ik was een best wel springerig kind zeiden mijn ouders.’​​​

Kato neemt adem en krabt even aan zijn kin. ​​​

‘Tot ik deze hier leerde kennen.’ Hij gebaart met zijn hoofd naar Riya. ​​​
‘Hmm?’
‘Sinds ik Riya ken denk ik eigenlijk helemaal niet aan wat er van me moet worden, alleen maar aan wat we samen kunnen gaan doen. Wat ik uiteindelijk ga worden interesseert me niet zo, zolang ze er maar bij is voor de reis.’
‘Maar je nalatenschap dan?’
‘Mijn nalatenschap?’
‘Je naam, die van je familie. Je plaats in de geschiedenis.’
‘Dat maakt me allemaal niets uit.’
‘Wat?’ Zegt Adeya geschrokken.
‘Ik geef niets om het succes van mijn familie of mijn plaats in de geschiedenis.’
‘Maar wil je niet een groot persoon worden dan?’
‘Waarom zou ik dat willen? Mijn vader is bijvoorbeeld een groot persoon. De eerste in onze familie. Op jonge leeftijd heeft hij zichzelf omhooggewerkt in een bazaar en op zijn vijfentwintigste erfde hij het zeggenschap over een van Moenimbe’s grootste warenhuizen omdat hij jarenlang had aangepapt met de voormalige voorman, wiens zoon zwak begaafd was, of in ieder geval die reputatie kreeg door mijn vaders achterbakse opruiing. Maar in zijn eerste tien jaar als leidinggevende verviervoudigde mijn vader de winst en breidde hij het bedrijf uit tot de grootste leverancier en doorverkoper van het continent, dus hij gaat de geschiedenis in als groot man. Iemand die Moenimbe veel geld heeft opgeleverd. Maakt dat hem een goed mens? Is de berekende manipulatie van zijn baas hiermee goedgepraat? En het zwartmaken van zijn zoontje die mijn vader maar een paar keer had gezien? Heeft mijn vader iets goeds gedaan voor de wereld of alleen maar voor zichzelf en een klein groepje mensen om hem heen die hem liefkozen omdat ze gezamenlijk rijk worden? En belangrijker nog, wat betekenen zijn woorden en zijn liefde voor mij? Houdt hij van mij of moet hij van zijn zoon houden? En als ik het zoontje van zijn oude baas was geweest, had hij dan even makkelijk mij afgedankt als zwakzinnige idioot om zichzelf verder te helpen?  Het antwoord is ja. Als ik het andere zoontje was geweest had mijn vader mijn volledige kans op nalatenschap van me afgenomen, hij had me uitgelachen. Hij had me afgedankt als mongool. Mijn vader is geen groot man, hij is mentaal kleinzerig en bang, ook al gaat dat later niet in de boeken staan. Hij geeft niet om mij, of om de familie, maar om zijn naam. De enige reden dat hij zoveel macht probeert te vergaren is zodat niemand hem meer een sukkeltje kan noemen, want dat is hoe hij zichzelf ziet. En terecht. Zolang ik tevreden sterf en niemand zonder goede reden bewust kwaad heb aangedaan mogen ze hun boeken houden, ik voel me groot genoeg.’

Riya heeft haar hand nog op zijn been en knijpt er twee keer speels in onder de tafel. Er verschijnt een diepgewortelde glimlach van oprecht geluk en een open blik op Kato’s gezicht en Adeya betrapt zichzelf op het denken aan een ander soort nalatenschap.​​​

Ze praten nog wat verder onder het genot van hun drankje die er twee worden en zelfs drie. Dan gaan ze allemaal slapen.​​​

De volgende ochtend begint met een uitgebreid ontbijt in de herberg. Ze laten het eerste dorp achter zich en trekken via de hoofdstraat die weer het pad geworden is verder het continent in richting Khalizia. Het heuvellandschap neemt af en het pad loopt evenredig aan een rivier die de andere kant op stroomt. In de verte zijn zowel links als rechts besneeuwde bergpassen te zien waar de rivier tussendoor loopt. De vier wandelen gestaag en praten wat over koetjes, kalfjes, uiers en hoorns wanneer er in de verte, tussen de twee bergketens in, iets lijkt te bewegen op de weg. Het komt heel langzaam dichterbij. Er zijn silhouetten van karren en paarden met mensen erop te zien. Een goed uur later ontmoeten de twee partijen elkaar. Het is een kleine karavaan met goederen die op weg is naar de kustgebieden. De bestuurder van de eerste kar kijkt lang en aandachtig naar Ziyed en Ziyed naar hem. Dan geven ze elkaar een knikje van wederzijds begrip. Riya bekijkt snel alle spullen, ziet een felgekleurd kleed dat ze mooi vindt en onderhandelt hem uit de wagen haar armen in. Beide groepen hebben genoeg voedsel en water bij zich en niemand is gewond, dus gaan ze snel weer verder naar hun respectievelijke bestemmingen. Bij de lunch spreidt Riya het nieuwe kleed en het gezelschap neemt glimlachend plaats om te eten, het erover eens dat het een goede aankoop was.

Het volgende dorpje heeft een rustiek marktplein met deftige huizen eromheen gebouwd. De gevels zijn monochroom en uniform. Er werkt een verdomde blonde god van een man bij de perzikkraam als we Adeya mogen geloven. Ze is er zowel verbaasd, betoverd als beledigd door en kan er niet over ophouden die dag. Tot lichte ergernis van de rest. De herberg heeft bediening die je behandelt alsof er buiten vijftig man te wachten staan voor een zitplek terwijl er niemand anders is naast jullie, maar de bedden zijn zachter en de dekens donziger dan je zou verwachten. Het dorpje daarna is groter, maar doet ook meer zijn best waardoor veel verloren gaat. Het laatste dorp dat tussen de kust en Khalizia inligt gaan we het niet over hebben. Er was een hele scene met Riya en Kato in de kelder van een slager die leek te lijden aan een trilziekte, Ziyed zijn tulband werd bijna gejat en Adeya raakte betrokken bij een hanengevecht. Er is niets grappigs aan volgens sommigen en zulke dingen horen niet thuis in heldenverhalen als dit.​​

5 Khalizia en het hof van de dubbele appel​

Na een paar uur wandelen door een bos waar groepen herten met robuuste geweien tussen de bomen rennen komt Khalizia eindelijk in zicht. Het wordt duidelijk hoe de barman in de havenstad Ziyed verkeerd had kunnen begrijpen toen hij niet wist dat de mooiste stad van de wereld Moenimbe zou moeten zijn. Op een wijde weidevlakte bezaaid met akkers en zonnebloemen ligt een grote platte heuvel met een cilindervormige toren die als een tepel op de eenzame tiet de lucht penetreert. Daaromheen staan grote huizen en andere gebouwen, goud verlicht door gaten in het wolkendeken. Het is prachtig. Aan de voet van de heuvel staan kleine huisjes, boerderijtjes en marktkraampjes. Er is een constante stroom van verkeer die de stad betreedt en verlaat. ​​​Ze beklimmen de heuvel en lopen de stad binnen.

De drukke straat wordt bijgestaan door robuuste gebouwen en kleine trappetjes die naast de hoofdingangen naar beneden lopen de souterrains in. De stad lijkt in lagen gebouwd te zijn: kelders, twee verdiepingen en daken die allemaal een andere functie hebben. De vier lopen rond en kijken hun ogen uit naar de kledingdracht en decoraties op de gebouwen. Mensen uit heel Moravië komen hier, dus niemand valt ze meer lastig om hun uiterlijk. In een passerende etalage zien Riya en Kato een aantal instrumenten hangen waaronder een zeer fraai uitziende luit. Ze vragen Ziyed en Adeya of ze een uur of twee in de winkel mogen spelen en aangezien die op een makkelijk te herkennen straat zit, stemmen ze in en gaan ze met zijn tweeën verder. ​  ​

‘Oké, dus waar zijn we naar op zoek, Adeya?’​   ​
‘Mijn opa zei dat ik in Khalizia moest zoeken naar ene heer Konis in het hof van de dubbele appel. Hij zou me kunnen vertellen hoe we de vloek stoppen.’​   ​
‘Het hof van de wat? Hoe moeten we dat vinden?’​   ​
‘Let op alles dat appelleert aan je verwachtingen.’​   ​
‘Jouw opa had wel wat concreter mogen zijn met zijn wijsheden.’​   ​
‘Niemand houdt van concrete wijsheden, die voelen niet speciaal. Wacht even trouwens.’​  ​

Adeya blijft staan aan de rand van de straat en snuffelt de lucht af. Ze wordt uitgenodigd door de zoete geur van appels, kijkt naar boven en ziet “De Bongerd” op het uithangbord geschreven. Ze sleurt Ziyed direct mee de trap af naar de benedenverdieping van het pand waar de geur vandaan lijkt te komen. Een kleine smalle gang loopt uit op een kaal ondergronds koepeltje waar een oud tapijt als gordijn voor de ingang van de zaak hangt. Dampen komen door de kieren naar buiten drijven en een aantal stemmen weten boven de cacafonie van gesprekken uit te stijgen. Adeya duwt het gordijn weg en stapt door de walm een levendige lounge in.​​  ​

De bongerd is donker met dichte nevels, verlicht door kaarsen in gekleurde glazen houders die een regenboogkleurig pad onthullen dat volledig door de ruimte loopt. De atmosfeer is dromerig door het samensmelten van de duellerende kleuren in de geurige mist. Op de brede, met kussens gevulde open plateaus waar mensen op zitten wordt gegeten, gedronken en gebruik gemaakt van een glazen buis met een viertal slangen eraan vastgemaakt. Mensen van verschillende plateaus converseren vrijuit met elkaar en ademen een dikke rook uit. In het midden van de ruimte is een stuk uit de vloer gehaald en een vuurkorf neergezet waar drie vrouwen in witte gewaden omheen zitten te praten. Het ruikt onlosmakelijk zoet en fruitig. Een donkere man in zijdezachte grijze kledij en een lavendelkleurige tulband legt voorzichtig zijn hand op Adeya’s schouder en vraagt of hij haar met iets kan helpen. ​​   ​

‘Ik ben op zoek naar het hof van de dubbele appel. En meneer Konis?’​​   ​
‘En u bent?’​​   ​
‘Adeya. V-van Adaneos…?’ ​​   ​
‘Ah, Adeya. Meneer Konis verwacht u beneden.’ Zegt de man met een betoverende rustigheid. ‘Volg mij.’ De man gebaart naar Ziyed om boven te wachten en hij loopt met Adeya naar achter waar nog een trap verstopt zit achter een wandtapijt. Ze gaat de treden af en belandt in een nog dieper ondergrondse koepel. Het is minder donker en er hangt een stuk minder rook dan boven waardoor het licht vrijer spel heeft. Er staan een stuk of acht kaarsen rond de koepel die dezelfde kleuren geven als de kaarsen boven doen. Er staan er geen glazen omheen. Tegenover de ingang staat een bank beladen met kussens. Een oude bebaarde man zit in het midden met een ketting in zijn hand te spelen. Hij kijkt op zodra Adeya een stap binnenzet. Zijn ogen zijn gitzwart en tussen zijn dichte snor en volle sik beginnen lippen te openen die een bedaarde stem voortduwen. ​​   ​

‘Adeya van Adaneos.’​​   ​
‘Is dit het hof van de dubbele appel?’​   ​
‘Het is De Bongerd sinds een jaar of vijftig. Het hof van de dubbele appel is een naam van een andere tijd, hoewel de smaak nog steeds in de mode is natuurlijk.’​   ​
‘Dan bent u wel de heer Konis, niet?’​​   ​

Konis pakt een glazen buis met een enkele slang eraan en inhaleert. De rook die hij uitademt lijkt compacter dan wat Adeya eerder heeft gezien en in plaats van dubbel appel wordt ze overrompeld door de heerlijke geur van appelkruimel.​   ​

‘In levende lijve.’​   ​
‘Aangenaam. Ik ben Adeya.’​   ​
‘Het doet me goed je te mogen ontmoeten. Wat spijtig dat het om deze reden moest gebeuren echter.’​   ​
‘Helaas wel.’​   ​
‘Hij zat daar ooit eens, waar jij nu zit. Ik herinner het me alsof het gisteren was.’​   ​
‘Hoe oud bent u dan?’​   ​
‘Oud genoeg om die vraag te ontwijken. Wat kom je hier zoeken?’ Vraagt Konis aardig.​   ​

Adeya kijkt nog eens goed naar de man. Er gaan diepe rimpels over zijn voorhoofd. Met zijn duim is hij de kralen aan het tellen. Een ritmische meditatieoefening. Aan het eind van zijn ketting begint hij opnieuw. Zijn gewaad is zwart en pluizig waar het ooit strak was.​  ​

‘Mijn opa stuurde me hierheen om de vloek op te heffen die op mijn stad rust. Hij zei dat jij me verder kon helpen om de oorzaak ervan te vinden. Of me kon helpen bij het zoeken naar de nieuwe Artenos.’​   ​
‘Ah, je bent op zoek naar de nieuwe Artenos?’​   ​
‘Ja.’​   ​
‘En je denkt hem hier in Moravië te vinden?’​   ​
‘Is hij hier niet dan?’ Adeya verraad wat zenuwen.​   ​
‘Weet je dat niet?’​   ​
‘Nee.’​   ​
‘Weet je hoe hij eruit ziet?’​   ​
‘Nee.’​   ​
‘Heb je al iemand op het oog?’​   ​

Adeya denkt heel even aan iemand, maar zegt dan dat ze niemand op het oog heeft.​   ​

‘Wat weet je over Artenos?’​   ​
‘Dat hij. Hij is, of nouja, was, een held. En hij heeft Moenimbe gered.’​   ​
‘Hoe heeft hij dat gedaan?’​   ​
‘Weet ik ook niet eigenlijk, ik neem aan dat hij een monster heeft verslagen.’​   ​
‘Dus je bent op zoek naar een man die monsters kan verslaan?’​   ​
‘Ja, maar Artenos is denk ik meer dan dat zelfs nog.’​   ​

Adeya kijkt gedurende haar zin even weg van de man en naar de kaarsen. Het valt haar nu pas op dat er geen glazen om de vlammen staan. Ze schrikt en kijkt naar Konis wiens gezicht ineens meer beïnvloed lijkt te zijn door de flakkerende schaduwen van het vuur onder hem. Eén diepe rimpel die over de breedte van zijn hoofd loopt neemt het voortouw.​  ​

‘Ook niet iemand waarmee je reist?’​   ​
‘Hoe weet je dat ik met anderen reis?’​   ​
‘Ik nam niet aan dat je alleen zou komen.’​   ​
‘Maar dan bedoel je Ziyed?’​   ​
‘Ik ken nog geen namen. Zou Ziyed de nieuwe Artenos kunnen zijn volgens jou?’​   ​
‘Hij kan zeker vechten, maar hij is voornamelijk een danser volgens mij, hij zei een keer dat hij optrad op het plein in Moenimbe,’​   ​
‘Een danser?’ Konis klinkt verbaasd.​   ​
‘Ja, hij hoort bij de Azhari dansers dacht ik dat ze heetten, toch?’

Konis schrikt.

‘Hun dans komt van een traditionele karavaancultuur uit het noorden van Oerindi als ik het goed heb.’​   ​
‘Je hebt het fout,’ ​   ​

‘…’ Adeya weet zichzelf geen houding te geven tot Konis verder spreekt.​   ​

‘Weet je zeker dat hij een Azhari is?’​   ​
‘Dat heeft hij me wel verteld ja.’​   ​
‘De Azhari’s zijn verre van dansers namelijk.’
‘Namelijk?’
‘Het zijn krijgermonniken.’​   ​
‘Krijgermonniken?’​   ​
‘Ja. Lang geleden werd de orde van de Zahra opgericht om spiritualiteit te vereenzelvigen met gevechtstechnieken. Ze geloofden dat je door het harnassen van je ziel, wat je doet door je individualiteit over te geven aan de wil van het absolute, bovennatuurlijke krachten kon kweken. Van oudsher werden kinderen van over de hele wereld afgestaan aan het klooster om getraind te worden. Van vroeg in de ochtend tot laat in de avond deden ze lichamelijke oefeningen, wapentraining en meditaties. Ze verbouwden hun eigen eten en smeedden hun eigen wapens van grondstoffen uit de nabijgelegen mijnen. Binnen een paar honderd jaar was het voormalig klooster uitgegroeid tot een stad van tienduizend Azhari’s Ze zochten geen contact met de buitenwereld meer en werden van met rust gelaten door de rest van de mensen, omdat geen enkel volk zo wapenbekwaam was als de Azhari.’​   ​
‘En Ziyed is zo’n strijder?’​   ​
‘De orde is lang geleden verwaterd. Maar hij stamt ervan af.’​   ​
‘Wat is er gebeurd met de orde?’​   ​

Konis zijn ogen glinsteren een beetje terwijl hij zijn blik iets verlaagt.​   ​

‘Lang geleden was er een oorlog tussen de twee volken van de wereld. Het Westen, de huidige mensen van Moravië waren in een doodstrijd verwikkeld met het Oosten, de volken van Oerindi. Na een decennialange bloedtransfusie waren beide bevolkingsgroepen aan het eind van hun latijn en hadden constante militaire uitgaven de economieën in duigen gelaten. Er heerste honger, angst en haat. De generaals van beide partijen kwamen bijeen om te onderhandelen over een mogelijke vrede, maar kwamen daarentegen terug met een nieuwe oorlogsverklaring. Niet aan elkaar, maar aan de orde van de Zahra.’​   ​
‘Waarom dat?’​   ​
‘Angst. De twee partijen waren dusdanig verzwakt door hun toewijding aan het afslachten van de ander dat ze zichzelf volledig weerloos hadden gelaten tegen een aanval van de orde. Ze vreesden dat de monniken zaten te wachten tot de tijd rijp was om de winnaar van de grote oorlog in zijn rug te steken en de wereld voor zichzelf uit te roepen. Dus besloten ze voor even samen te werken en hun gezamenlijke legers richting de stad van de Azhari te sturen.’​   ​
‘Hoeveel man hadden ze?’​   ​
‘Zestigduizend.’​   ​
‘Dus toen is de stad vernietigd?’​   ​

‘Toen hebben de Azhari laten zien dat ze de wereld allang gehad konden hebben mocht het ze ook maar het kleinste beetje interesseren. Er kwam niets van de aanval. Er is geen soldaat binnen de tweede muur gekomen. Zo’n achtduizend monniken lokten de soldaten naar binnen om ze in afgesloten terrein één voor een neer te snijden. Ze hadden geen schijn van kans. Toen de staarten van de legers buiten geen enkele vordering zagen begonnen ze elkaar de schuld te geven. Het duurde niet lang voor irritaties veranderden in duwtjes en gescheld. Schermutselingen braken hier en daar uit in de rangen van de tijdelijke bondgenoten. Voor de generaals er erg in hadden hadden ze twee fronten om te overzien. De formaties vielen uiteen en de mensen die niet vluchtten bleven achter in een slachtpartij. Niemand won die dag.’​   ​
‘Behalve dan de Azhari’s.’​   ​
‘Aanvankelijk misschien, maar nee. Want de Azhari hadden zich nog nooit bemoeid met een conflict dat buiten hun muren plaatsvond, hun doel was autarkisch zijn. Maar overwinning met zulke getallen broedt hoogmoed in de borsten van sommige mensen. Het wegwuiven van de koninklijke troepen alsof ze tikkertje komen spelen in een zwaardgevecht is zelden goed voor de eerzuchtigen onder ons.’​   ​
‘Wat bedoel je?’​   ​
‘Er was een monnik, genaamd Nev. Hij was geboren en getogen in de stad, hij hield meer van de orde dan wat dan ook. Tijdens de slag keek hij om zich heen en bedacht zich dat de Azhari, wanneer deze twee legers verslagen waren, makkelijk de wereld konden overnemen en voor altijd hun heerschappij erover zouden kunnen uitspreken. Hij dacht dat de orde vredelievender was en beter zou zijn voor de wereld. Ze waren het enige volk dat niet afhankelijk was van moord om te blijven bestaan, ze waren beter voor de wereld dan de mensen die toen de dienst uitmaakten. Na tientallen jaren van constant geweld had hij misschien ook wel gelijk, maar wat hij deed was onvergefelijk en toont dat hij geen haar beter was dan zij die hij verachtte.’​   ​
‘Wat heeft hij gedaan?’ Adeya leunt iets naar voren.​   ​
‘Diezelfde avond nog. Toen er in de stad een feest was en een bijeenkomst waar Sélan, de leider van de orde, zou spreken sloop Nev rond het sprekersgedeelte op zoek naar een opening. Hij wist dat de orde nooit buiten haar muren zou treden onder het huidige leiderschap en hij wist ook dat hij nooit een leider zou worden door zijn eigen kennen en kunnen. Het moest met snelheid en kracht gebeuren. Hij duwde zijn weg naar voren tot er niemand meer tussen hem en haar stond.​   ​
‘Hem en haar?’​   ​
‘Tussen Nev en Sélan.’​   ​
‘De leider was een vrouw?’​   ​
‘Ja. Er zijn wel meerdere vrouwelijke leiders van de orde geweest over de jaren.’​   ​

Adeya kijkt geschrokken, dan bedenkelijk, dan weer naar Konis.​   ​

‘Is dat een vreemd idee voor je?’ ​   ​

Adeya trekt haar schouders op en kijkt opzij.​   ​

‘In ieder geval. Nev stond in de binnenste cirkel van het publiek te kijken naar Sélan. De vrouw die hen allemaal had getraind, hun spirituele moeder. Na een moment van misselijkmakende nervositeit rende hij met satijnen stappen op zijn doel af, want als hij te luid was in zijn charge had ze hem zeker gedood voor hij iets kon beginnen. Hij kwam ineens uit de menigte zetten en voor iemand er erg in had, reeg hij haar middenrif aan zijn zwaard en begon te schreeuwen om genade. Hij brulde uit volle borst dat de wereld van de Azhari was, dat hij niet de vijand, maar de verlosser was. De wereld is van ons! VAN ONS! Jakkerde hij als een bezetene de lucht in, met voor hem het bebloede lijk van zijn leider.’​

Konis zijn lip trilt iets bij die laatste woorden.​

‘Wat gebeurde er? Wat deden de andere monniken?’ ​   ​
‘Niks.’​   ​
‘Niks!?’​   ​
‘Later wel, maar eerst niet. Toen Sélans levenloze handen de grond raakten begon de aarde namelijk te trillen. Een kloof ontstond die door het hele continent trok. De wereld brak in tweeën. De kloof werd snel gevuld door water uit de oceaan en waar eerst één continent bestond waren er nu twee, gescheiden door een sloot. Maar die sloot werd een beekje, het beekje een rivier.’​  ​

Konis pakt nog een keer de slang en blaast een serie rookrondjes rond het koepeltje. Hij biedt Adeya een hijs aan die ze aanneemt. Ze inhaleert en blaast een rookpluim uit die in de bovenkant van de koepel blijft hangen en door het kaarslicht als een regenboogkleurige draaikolk circuleert in de ronding van de ondergrondse ruimte. Ze sluit haar ogen en ziet zichzelf hand in hand staan met een man, uitkijkend over een woestijn vol mensen. Haar hoofd dobbert enkele seconden eer ze zich herpakt. Konis zit sereen op zijn kussen. ​  ​

‘Maar wat is er met Nev gebeurd dan?’​   ​
‘Hij is niet meer gezien sinds die avond. Iedereen in de orde heeft direct zijn zwaard ingeleverd, zijn spullen gepakt en is vertrokken. Misschien is hij naar het noorden gegaan, maar het is lang geleden. Er is niets meer van hem terug te vinden.’​   ​
‘Ze hebben hem niet vermoord?’​   ​
‘Nee. Het had niets opgelost. De orde zou alleen maar verder verloederen na dat punt. Hoe graag een paar mensen het misschien ook hadden gewild.’​   ​
‘Waar zijn de mensen van de orde heengegaan?’​   ​
‘Ze hebben zich weer verspreid over de wereld. Sommigen zijn naar het oosten gegaan, anderen zijn hier gebleven en hebben afgezonderd geleefd. Vaak werden het handelaren die zich aansloten bij een karavaan, omdat ze ook direct bescherming konden bieden tegen rovers, waardoor ze goed verdienden en vroeg met pensioen gingen. Je kunt je voorstellen dat ze niet bijzonder geliefd waren aangezien beide volken ze de schuld gaven van de aardbeving en het verliezen van de oorlog.’​   ​
‘Is er nog iets over van hun stad?’​   ​
‘Er is een schamele ruïne en een kleine herdenkingsplaats ten noorden van hier, een week met goede paarden.’​   ​
‘Is er een manier om aan vier paarden te komen?’​   ​
‘Er is een stal waar wij een aantal paarden houden voor onze vaste gasten. Ik kan er een aantal voor je gereed laten maken. Met hoeveel zijn jullie?’​   ​
‘Met zijn vieren.’​   ​
‘Ik zal zorgen voor acht paarden. Ga de stad uit door de noordpoort en zoek naar het rode dak, daar kun je zeggen dat Konis je heeft gestuurd. Vanaf dat punt reis je richting de het noorden tot je een klein versleten bord tegenkomt waar “Oud klooster” opstaat. Volg het pad en je loopt ertegenaan.’​   ​
‘Hartelijk bedankt. We zullen goed voor ze zorgen. Maar, als ik zo direct mag zijn, denk je dat Ziyed de Artenos is?’​   ​

Konis neemt nog een hijs en blaast door zijn beide neusgaten en zijn mondhoeken de rook uit terwijl hij de slang tussen zijn lippen heeft.​   ​

‘Ik kan je niet vertellen wie de nieuwe Artenos is, daar kom je nog achter. Wat ik je wel kan vertellen is hoe je de vloek opheft.’​   ​

Het voelt alsof Adeya’s hart een sprong naar voren wilt maken, maar het dan direct door knokige vingers wordt teruggetrokken haar borstkas in.​   ​

‘Hoe dan?’ ze spreekt hoger dan normaal.​   ​
‘Naar het westen toe vanaf hier is “de holle berg”. Het ligt aan de uiteinden van ons continent en er woont niemand in de omgeving door alle aardbevingen en vulkaanuitbarstingen die er zijn. Daar zul je vinden wat je zoekt.’​   ​
‘Waarom heet het de holle berg?’​   ​
‘Dat is de officiële naam. Soms lijkt er echter een ijzingwekkend gehuil te razen door de berg, alsof er een gangensysteem in verstopt zit dat het ondergrondse schreien van de aarde versterkt en vervormt tot een diabolisch crescendo. De volksmond heeft de berg dan ook “de Duivelfluit” gedoopt.’​   ​

Adeya herinnert zicht een zekere dag op zee en vraagt dan:​   ​

‘Is.. Is er een monster daarbinnen?’​   ​
‘Ja.’​   ​
‘Wat voor een monster?’​   ​
‘Dat kan ik je niet vertellen. Je zult de gangen zelf moeten betreden om je antwoord te vinden helaas.’​   ​
‘Ik wil het nog één keer vragen: hoe kan ik de Artenos herkennen?’​   ​
‘Pas als hij de Artenos geworden is weet hij wat hij al die tijd al geweest had moeten zijn. Tot op dat moment zal hij verscheurd blijven door twijfel. Je kunt niet naar hem zoeken, je moet geloven dat hij zal komen. Dat is alles dat ik je kan vertellen.’​  ​

Konis neemt een diepe hijs uit de slang en blaast een enorme rookwolk uit recht op Adeya af. Voor een seconde of twee zit ze in de wolk. Wanneer de lucht geklaard is ziet ze dat de kaarsen een te verwachten kleur licht geven en dat de man verdwenen is. Er ligt alleen nog een ketting voor het kussen waar hij zojuist op gezeten had. Adeya voelt een opwellend gebons in haar borst en een ruis die door haar hoofd gaat. Ze blijft een minuut zitten in de stilte, met in de verte het rumoer van de lounge. Ze zucht, kijkt naar haar handen, staat op en gaat terug naar boven. Ziyed zit met de serveerder van eerder te praten, ziet Adeya, geeft de man een hand en wandelt naar haar toe. ​   ​

‘We moeten naar het noorden.’​  ​

Ze praten met elkaar over wat ze hebben geleerd en lopen terug de straten af naar de winkel waar ze Riya en Kato hebben achtergelaten. Wanneer ze aankomen staat er een grote groep rumoerige mensen buiten de winkel. ​  ​

‘Ah, nee, wat hebben ze nou weer uitgespookt?’ zegt Adeya. Ze komen dichterbij. Het publiek dat buiten aan de rand staat is heftig in discussie, dichter bij de deur zijn mensen stil. Dan horen ze vaag een paar hard aangeslagen afsluitende akkoorden en het publiek barst in kreten en joelen uit. Er is geen manier naar binnen te vinden. Ze wachten buiten. Een minuut gaat voorbij. Dan nog een. De winkel begint weer zijn oude vorm aan te nemen, de stoep is vrijgemaakt en er zijn weer individuele gestaltes te herkennen achter de ramen. Kato en Riya komen naar buiten gelopen, Kato met een luitgevormde hoes en Riya met een boekje. ​  ​
‘Wat gebeurde daar allemaal?’ Vraagt Adeya verbaasd aan de twee​   ​
‘Kato vond een luit die hij leuk vond, ik zei toch dat hij geweldig speelde,’ antwoordt Riya. ‘Hoe ging het bij jullie?’ gaat ze verder. ‘Gevonden wie je zocht?’​   ​
‘Jep. Wij allebei volgens mij.’ Adeya kijkt naar Ziyed. ‘En ik heb geleerd hoe we de vloek op kunnen heffen. We moeten eerst naar het noorden en dan naar het westen.’​   ​
‘Laten we morgenochtend zo snel mogelijk gaan dan.’​   ​
‘Precies. Oh, trouwens, kunnen jullie paardrijden?’​   ​
‘We hebben paarden nu!?’ Riya glundert en Ziyed kan het niet helpen haar brede glimlach over te nemen zo blij kijkt ze. ​   ​
‘We mogen een aantal paarden lenen van een vriend van ons.’ Zegt Ziyed tegen haar. ‘Ze zijn niet van ons dus wees er zuinig mee.’​   ​
‘Oké!’ ​   ​
‘En dan nog iets. Voordat je te enthousiast wordt. De tocht gaat vanaf dit punt echt gevaarlijk worden. Er is een monster dat op ons wacht daarginds, ik weet nog niet precies wat voor een monster, maar het woont in de ondergrondse gangen van een gigantische berg. We zullen het moeten verslaan als we onze stad willen redden. Zijn jullie hier klaar voor?’​   ​
‘Ik ben klaar geboren,’ zegt Riya vastberaden.​   ​
‘Ik ben klaar gekomen,’ zegt Kato nog serieuzer.​   ​
‘Dit is geen tijd voor grapjes, Kaat,’ stoot Riya eruit in woord en vuist.​   ​
‘Ik ben ook klaar.’ Zegt Kato dit keer oprecht.’​  ​

In de avond lopen ze door Khalizia. Mensen op straat praten rustig en lachen naar elkaar. Vanuit de kroegen zijn stampvoetende dansen te horen. Het gekraak van de vloerplanken vormt het ritme bij de jolige liederen die bombastisch eroverheen worden gescandeerd. De in-verschillende-kleuren-geschilderde houten kozijnen en deuren versieren de stad. Zonnebloemen staan in perkjes op straathoeken te wachten op hun dirigent terwijl de kinderen van Moravië liggen te slapen in bed. Ze lopen terug naar de herberg, drinken wat, praten over hun dag en ploffen dan op het dons de nacht in. ​  ​

De noordelijke poort komt in zicht en eenmaal buiten de muur kijkt Adeya om zich heen of ze het rode dak kan vinden. Ze ziet het opduiken wanneer ze een hoek omgaan en gebied de rest haar te volgen. Een vrouw ziet het gezelschap en vraagt of ze iets kan betekenen voor ze. Na Konis zijn naam genoemd te hebben worden er acht paarden voorgebracht en de vier stappen op. Ze maken een ronde door de de wijk onder aan de bult om voldoende voedsel en water voor een week in te slaan, bepakken de paarden die niet bereden worden en vertrekken richting het noorden. ​ ​​​

6 De Azhariruïne​

Op een stoffige zandvlakte staan een paar reusachtige kleurloze stenen sporadisch op elkaar gestapeld. Meer is er niet over van de stad. De akkers die hier vroeger lagen zijn verdord en verweerd. De mensen vertrokken, de gebouwen vergaan. Als je je oren spitst, je ogen aanscherpt en je geest openstelt kun je misschien nog voelen wat hier vroeger bestaan heeft denken ze allemaal, maar naast levendige fantasieën schiet niets te binnen. Ze lopen de vlakte op tot vlakbij de ruïne en stappen van hun paarden af. De wind waait en pikt een paar zandkorrels mee. Er hangt een tastbare absentie van iets in de lucht. Ziyed stapt naar voren en begint tussen de fragmenten van muren door te lopen. Solon heeft hem alles over de Azhari verteld toen Adeya met Konis aan het praten was. Hij weet wat hier gebeurd is, dat hij hier vandaan komt. Hij ontbloot zijn zwaard en voelt even of zijn tulband nog goed zit. Dan loopt hij naar voren en streelt de stenen met zijn vingertoppen.  ​

Zijn vader had hem nooit in detail verteld over deze plaats. Op heldere avonden gedurende hun reizen in Oerindi met de karavaan hielp hij de kleine slapen door verhalen van vroegere helden te vertellen. Geen helden van vele slachtoffers en doorkliefde rompen, want de Azhari voerden geen oorlog, maar verhalen die gingen over wat de menselijke wil kan bereiken met het lichaam. Over hoe monniken even wijs als sterk waren, over het verslaan van interne angsten door externe discipline, en over geduld. Waar Ziyed en hij vandaan kwamen bleef zijn vader altijd stil over. Nu hij hier staat begrijpt Ziyed zijn vaders wens om dit gedeelte van de nalatenschap van de Azhari te willen vergeten. Er is niets van over.​

​De wind gaat liggen en plots zoeft er iets over de vlakte door de lucht.

Nog iets,

nog iets en steeds meer golft er langs de oren van alle aanwezigen. Het bedwelmt ze. Riya en Adeya sluiten hun ogen en gaan op de grond zitten, maar Ziyed; Ziyed wordt overspoeld door emoties en ondergedompeld in een reverie. Hij sluit zijn ogen en begint te bewegen op de klanken die blijven komen. De opeenvolgende tonen lijken te corresponderen met de glinsteringen van het zonlicht op zijn kling. Als een bloem die meedanst met zijn bron van warmte op het ritme van de dag zoekt Ziyed de kern van zijn energie en beweegt met een natuurlijke precisie. Een schok schiet door zijn ledematen en zijn hart begint te tintelen. Hij lijkt dit te herkennen. Zijn hoofd voelt lichter. Beelden verschijnen voor zijn nu gesloten ogen met alle bijbehorende gevoelens. Een volk, kinderen, mannen, vrouwen van ieder deel van de wereld. Een plein, zang, dans, harmonie. Mensen in vrede. De markt, de mijn, het vuur. De bloemenkransen. De gebroken muur, de tsunami van manschappen die door de bres komen rennen en maar niet lijken te breken. De chaos en de overwinning. Een blonde vrouw in een wit gewaad, voetstappen die sneller worden, jaloezie, haat, liefde, vergiffenis en het zwaard dat sompig door organen geforceerd wordt. Het verlies, verdriet, het opgeven en het verlaten van alles dat ooit heilig was. Hij ziet het en voelt het en hoort de waarheid in iedere klank die voor eeuwig zal echoën in hem, maar in de realiteit al onbereikbaar ver is weggedreven en de vlakte verlaten heeft. Iedere slag die Ziyed maakt voelt ineens alsof bijgestaan door tienduizenden armen, iedere gedachte alsof tienduizenden keren overpeinsd. Hij opent zijn ogen en kijkt naar zijn zwaard. Hij ziet het nu. Het damasten motief is geen accessoire, het zijn de metalen vingerafdrukken van zijn voorouders die in de kling staan gegraveerd. Het is een zwaard gemaakt uit duizenden.​

Ziyeds bewegingen worden sneller. De dans lijkt op te bouwen tot een climax van acrobatische zwaardcombinaties. Overal waar het metaal gaat doet het de lucht gillen als piepers in een pan. Ziyed draait en springt en tuimelt en flikt en flakt heen en weer terwijl de druk van de golven om hen heen hoger wordt. Alle spieren werken alsof zijn opperste concentratie op dat specifieke deel van zijn lichaam is gericht. Zijn geest is helder, hij hoeft niet na te denken over zijn handelingen. Na een reuzensprong waarbij hij meerdere malen horizontaal om zijn as draait en zwiepend op de grond neerkomt met zijn zwaard in de aarde gestoken stopt het geluid abrupt. Riya en Adeya openen hun ogen weer en zien vol ontzag Ziyed geknield naast zijn zwaard zitten. Ze horen hem rustig weer op adem komen. Het lijkt alsof hij in een soort trance verkeert. Achter hen staat Kato verbluft over de vlakte te staren met zijn handen rond zijn luit. Dezelfde verwachtingsvolle stilte van eerder keert terug en het is alsof er niets gebeurd is. Naast Ziyed, waar het zwaard in de grond gestoken staat, komen twee kleine stengeltjes omhoog geklommen die allebei aan een andere kant van het wapen groeien. Aan het uiteinde beginnen gele en lavendelkleurige blaadjes te vormen. De bloemen knuffelen de kling en ook al houdt het zwaard de twee uit elkaar proberen de bladeren zich met elkaar te verstrengelen. Ziyed knikt, plukt de bloemen, geeft ze aan Riya en loopt naar Kato toe.​

‘Hoe wist je dat?’ vraagt hij.​
‘Ik weet het niet. Maar ik zag het, Ziyed, weet je dat? Ik hoorde iets in mijn hoofd en begon te spelen en ik kon ineens alles zien. Wat hier is gebeurd, bedoel ik… Ziyed… De muziek. Het begeleidde me.’​
‘Wat voelde je toen je speelde?’​

Kato denkt even na en kijkt naar zijn luit. Dan kijkt hij om zich heen de vlakte over en denkt aan hoe vol van volume alles zojuist had geleken.

‘Gezelschap. Alsof ik zat te oefenen in een huis vol mensen. Vol familie.’​
‘Waar heb je zo leren spelen?’ vraagt Adeya.​
‘We hadden een stapel instrumenten thuis liggen omdat mijn vader wilde dat ik wat cultuur zou kweken. Ongetalenteerde mensen zijn het ontdekken niet waard zei hij, niemand geeft om hun bestaan. Dus overspoelde hij mij en al mijn broertjes en zusjes met cadeaus en mogelijkheden zodat we iets op zouden pakken en het leren.’
‘Ugh.’
‘Breek me de bek niet open, Adje. De hele familie is een project voor die man. Maar ik moet toegeven dat ik ook dankbaar ben voor de kansen die ik kreeg.’
‘Zoals muziek maken.’
‘Precies, ja. Muziek was altijd iets mysterieus voor me, omdat ik nooit wist waar het precies bestond, wat het was. Het wordt gemaakt door dingen die “echt bestaan” in één plaats, maar het geluid is overal, tenzij iemand niet aan het luisteren is, dan bestaat het weer niet voor die persoon terwijl ik naast hem sta en mijn hele lichaam in extase voel zingen in hetzelfde moment. Ik snapte het niet, maar toch klopte goede muziek altijd. Sterker nog, ik denk dat muziek het enige is dat ik snap in deze wereld, waarvan ik zeker kan zeggen dat het klopt of niet. Er is zover ik weet niets anders waarmee ik dat kan. Dus ik wilde dolgraag muziek maken. Ik heb een aantal instrumenten geprobeerd, maar toen ik de eerste keer een luit aansloeg wist ik dat het de stem van mijn geest was. Sindsdien ga ik wanneer ik niets te doen heb de bergen of het bos in om de muziek van mijn omgeving te achterhalen en leren.
‘Het geluid van de omgeving?’ vraagt Ziyed.
‘Ja, iedere plaats heeft een ander geluid, soms veranderen de klanken zelfs aan de hand van welke hoek je iets bekijkt. Het geeft me iets meer het idee dat ik weet waar ik ben en wat ik doe. Klopt de muziek, dan klop ik ook nog wel.’​
‘Dat is geweldig dat je dat kan, Kaat. Je hebt écht talent!’
‘Dankje, Ziyed.’
‘Maar, wacht, even iets terug. Je vader zei dat ongetalenteerde mensen het ontdekken niet waard zijn?’ Vraagt Adeya met venijn.​
‘Ja, ze hebben niets te bieden zegt hij, ze leiden alleen maar af van wat belangrijk is in het leven: actie en prestaties.’ Kato zet een mopperende papastem op ‘Actie en prestatie, Kato murgromgrommur en niet alleen pulken aan die luit, gromgrom, je verdient het nog niet om herinnerd te worden.’​
‘Je vader klinkt als een nare man. Je speelt prachtig en ik hoop dat je nooit ophoudt met oefenen.’​
‘Dankje, Adeya.’​
‘En ik durf te wedden dat je vader nooit een ritueel muziekstuk heeft geïmproviseerd voor een mythische krijger in een tienduizend jaar oude verloren tempelstad gedurende zijn missie het land te redden van een magische vloek of wel?’   ​
‘Nee.’ Kato kijkt naar de grond en schuifelt wat met zijn voeten over elkaar.​
‘Sterker nog, ik denk dat er weinig luitspelers in de afgelopen paar duizend jaar zijn geweest die konden wat jij daar net deed. En dat allemaal omdat je toevallig een winkel tegenkwam in Khalizia met een mooi exemplaar. Als je geen luit had gehad en dit niet had kunnen doen vandaag, was je dan een minder persoon geweest? Denk je dat Ziyed, ik of laat staan Riya minder van je was gaan denken als je vandaag niets had gedaan, we hierheen gelopen waren, Ziyed tevergeefs had gedanst en we verder waren gegaan?’​

Kato kijkt bedenkelijk​

‘Nee, natuurlijk niet, Kato,’ Adeya lacht naar hem. ‘Als jij het niet had gedaan hadden we nooit geweten dat het kon en waren we zonder pardon verder gegaan. Iedereen is ergens goed in. Sommige mensen zijn alleen goed in niet heel veel dingen fout doen, zelfs dat is een vaardigheid om trots op te zijn. Je vader moet zijn mond houden. Je bent een muzikant.’

Kato’s oren worden bij elkaar gebracht door zijn mondhoeken.​

Riya heeft de twee bloemen in d’r haren gedaan en knuffelt Kato rond zijn middel met haar wang rustend tegen zijn schouderblad. Kato legt zijn hand over die van haar en kijkt naar Ziyed.​

‘Waar denken jullie dat de noordelijke Territoria beginnen?’ vraagt Riya terwijl ze over Kato’s schouder richting de horizon in het noorden kijkt.​
‘De wat? Oh, waar die man in de bar het over had? Geen idee, ik weet niet hoe groot dit continent precies is, maar het kan niet veel meer dan een paar weken te paard zijn lijkt me. Ik heb nog nooit van een land gehoord dat meer dan een paardenmaand groot is.’​
‘Wil je gaan kijken, Ziyed?’ vraagt Riya.​

Ziyed haalt zijn schouders op en zegt:​

‘Laten we ons eerst richten op het monster, dan zien we daarna wel verder.’   ​
‘Dus wat nu?’ Vraagt Kato.​
‘Nu kijken we naar Adeya, zij weet waar we heen moeten. Er is hier verder niets meer te halen denk ik.’   ​
‘We moeten de grote weg richting het westen vinden en die aflopen tot we niet meer verder westelijk kunnen, vanaf daar wordt het klimmen. Volgens mij liep er een pad vanaf het dorp waar we eergisteren doorheen kwamen. Dus laten we teruggaan daarheen.’​

De vier stappen op en laten de Azhariruïne achter hen.

Onze solo
gedanst in de natuur
op melodieën
en het plukken van de snaren
tonen meer​ van onze aard
dan het geluid van onze woorden
kunnen doen

7​

‘Mama! schreeuwde ze in paniek. Ze wist niet wat haar overkwam, het land wilde hen niet meer zo leek het. Ze keek naar haar beste vriendin. Moest ze nu naar huis of wachten tot het gevaar voorbij was? Ze besloot het eerste en liep naar buiten een rode schemering in. Iedereen was in paniek. De akkers schudden, het einde van de wereld was daar. De hel zou over de mantel komen kruipen en de aardgiganten erachteraan. Maar daar in de verte stond ze, haar moeder. Te roepen naar haar. Ze wilde in haar armen springen en begon te rennen. Ze maakte een sprongetje over een sloot die ze niet herkende en ging snel met haar moeder naar binnen. De bodem onder hen schommelde met een onstuimig   gegrom. “Wat gebeurt er mama?” vroeg ze, maar haar moeder zat met handen in het haar te herhalen “Het is maar oorlog, het is maar oorlog, het is maar oorlog.” Ze vroeg zich af hoe het met papa ging. Hij had zich vast geen zorgen gemaakt, zelfs nu niet. Ze mistte hem ineens intens, trok aan de mouw van haar moeder en vroeg “Mama, wanneer komt papa weer thuis?” waarop haar moeder snotterde en begon te huilen. Ze maakte wat soep voor haar warm en ging slapen met een luid snurkende aarde onder haar.​

De volgende ochtend werd ze wakker en ging naar buiten. Ze woonde naast een rivier. Aan de overkant stond haar vriendinnetje te zwaaien. Mannen verderop waren bezig een brug te bouwen. Ze maakte haar moeder wakker die lijkbleek wegtrok bij het uitzicht. Groepen mensen stonden op beide oevers te kijken en riepen naar elkaar. Broers en zussen, geliefden, vrienden. Gescheiden. Sommige mensen, de enkelen die konden zwemmen probeerden naar de overkant te komen en een aantal haalden de oversteek. De rest wachtte tot de brug af zou zijn of verdronk.​

De volgende ochtend was de rivier twee keer zo breed geworden en het begin van de brug leek meer op een steiger dan iets om de overkant mee te bereiken. Ze raakte in paniek toen ze zich realiseerde dat haar vrienden aan de overkant misschien nog wel verder weg zouden drijven, tot ze van de wereld afgevallen waren. Of was zij het zelf die op de afgrond hing? De hele dag stonden mensen te kijken en te schreeuwen. De rivier leek met het uur groter te worden. Als je een laatste kans wilde wagen dan was het nu de tijd ervoor. Maar ze hadden al een paar mensen zien verdrinken. Niemand durfde meer. Op een avond zat een stelletje aan de oever, ze zagen een donkere vlek groter dan alles dat ze ooit hadden gezien onder het wateroppervlak voorbijschieten en zouden zweren dat het een gigantisch monster was dat alle overstekenden zou verslinden.

Een maand na de aardbeving lagen de twee bijna een kilometer van elkaar af. Communicatie bleef bij vlagen doorgaan in de vorm van hard schreeuwen, maar beide kanten schatten de situatie hopeloos in. Toen verschenen er vlaggen met het asterblad aan de westelijke zijde van het water. Het verslagen leger was teruggekeerd van hun expeditie naar de stad van de Azhari en stond stomgeslagen naar het met-water-gevulde ravijn te kijken dat midden in hun oude stad was ontstaan. Ze rende naar de oever om te kijken of haar vader erbij was. Tussen de menigte zag ze een man met zijn schild op het water slaan en zijn andere arm wild heen en weer zwaaien. Hij begon met zijn armen naar de zijkant uitgestoken door zijn knieën te buigen en zijn benen een voor een omhoog te gooien. Ze herkende het als de hete voeten dans. Daar was papa, hij leefde.’

Adeya neemt een slok water en een hap brood. Achter haar sterft langzaam de dag. ​

‘En toen? en toen!?’ De rest zit aandachtig te luisteren rond het vuur.​
‘Toen ze te ver uit elkaar waren om te kunnen praten met woorden begonnen beide kanten feesten te vieren en uitvoerig te zingen om elkaar een soort van gezelschap te houden. Geluid faalde uiteindelijk ook dus werden er brandstapels gemaakt. Er was geen rooksignaaltaal of iets, dus er kon niets gezegd worden. Het enige dat uiteindelijk overbleef was een kleine flikkerende oranje stip in de verte iedere avond.​ Iedere dag heeft ze daar gestaan. Het moet er van een afstand absoluut absurd uit hebben gezien. Een rivier, meer en toen zee, met een dorp aan iedere kant en de volledige bevolkingen die dag in dag uit op de oevers naar elkaar staan te staren, schreeuwen, feesten en huilen. Tot er niets meer over was van hun oude leven dan een pijnlijke herinnering aan een land vol vrienden en familie dat over de horizon verdwenen was.’​

Adeya ruimt een paar spullen op en sprokkelt nog wat hout om bij het vuur te gooien. De vier zitten achter een heuvel vlakbij de weg zich voor te bereiden op de nacht. Een beekje kabbelt zo’n twintig meter van hen vandaan en er is getjirp te horen van wat late vogels.​

‘Wat is er daarna gebeurd?’  
‘De voormalig westerlingen en nu uiterst oosterlingen konden de confrontatie met het water iedere dag niet meer aan. Ze trokken het land in op zoek naar een nieuwe start. Het leger doneerde al zijn wapens aan de hoofdstad van het rijk, Khalizia. Ze hadden geen keus, zonder bevoorrading of nieuwe rekruten waren ze gedoemd te falen. In ruil voor ontwapening mochten de mensen zich vestigen waar ze wilden mits ze niet de meerderheid van de bevolking zouden worden. De meeste eindigden in de opkomende dorpen waar ze zwaar arbeid verrichtten en met de generaties langzaam maar zeker deel werden van hun nieuwe samenleving.​ De voormalig oosterlingen en nu uiterst westerlingen zetten alles op alles om zich te herenigen met hun oude buren. Met de komst van het water verdween de eeuwenoude vijand en begon de vlottenbouw die de scheepsbouw werd. De handel nam toe, de economie groeide en het dorp breidde uit. Ze begonnen meer contact te zoeken met de perifere volken van Oerindi en tilde zichzelf naar de top van de politieke hiërarchie. Het verscheurde dorp werd het centrum van kennis, cultuur en macht en zou uitgroeien tot de mooiste stad van het continent. Ieder jaar sindsdien wordt er een feest gehouden zoals de twee volken deden aan hun oevers waar iedereen viert dat ze samen zijn en zo groot mochten worden ondanks een ramp die menig volk de das om had gedaan. Maar de eerste paar schepen die gingen zijn nooit teruggekeerd en de mythe van het zeemonster maakte de mensen te bang om nog over de zee te willen reizen. Ze zouden nooit meer herenigd worden.’
‘Wauw, is dat waar onze stad vandaan komt?’
‘Nouja, hij bestond dus al voor dit verhaal begon, maar praktisch gezien, ja.’
‘Hoe ken je dit verhaal?’
‘Mijn opa vertelde er vroeger veel, eentje ging over twee vriendinnen die langzaam uit elkaar groeien omdat ze minder met elkaar praten en druk met zichzelf bezig zijn. Er ontstaat een sloot tussen hun beide kamers, maar ze praten er niet over. Het wordt een beek, geen woord. Pas als de kloof al veel te breed is om te overbruggen beseffen ze wat er gebeurt is en schreeuwen ze sorry naar elkaar, maar het is te laat. Ze werpen zichzelf allebei het water in voor ze elkaar voor altijd uit het oog verliezen. Ik heb dat verhaaltje gemixt met de Moenimbische geschiedenis zoals ik hem laatst in Khalizia heb geleerd. Ik kan me voorstellen dat het ongeveer zo is gegaan.’
‘Ik vraag me af wat er is gebeurd met de mensen aan de andere kant,’ zegt Riya. ‘Zou oud-Moenimbe nog bestaan?’​​
‘Wie weet.’

8​​ De Holle Berg

‘Het is als een diamant bovenop de kroon.’​
‘Als de zetel van een vuurkoning.’​
‘Misschien is de berg wel gewoon de voordeur en gaat het huis onder alles door.’​
‘Maar dan staan we nu…’​
‘Op het dak.’​

Ze kijken vanaf de top van een kleine berg naar een reusachtige vallei die meer wegheeft van een krater, merkt Riya op. In het midden van de caldera schiet de Holle Berg de lucht in. Ze zijn stil en luisteren aandachtig naar een teken van leven, maar naast gebogen wind is het geruisloos. Het lijkt veilig. Ze stappen van hun paarden af en lopen door. Er is een geronk vanuit de berg die de grond doet trillen en met het gehinnik achter hen zijn de paarden op weg naar huis.​

‘Je weet zeker dat we hier moesten zijn, Adeya?’ Kato klinkt een tikje nerveus.​
‘Heel zeker.’​
‘Oké, laten we een weg naar binnen zoeken in dat geval.’​

Ze cirkelen de berg op zoek naar een ingang en vinden in de zuidelijke voet een kleine tunnel verstopt die al gauw blijk geeft van een netwerk van ondergrondse paden. Het ruikt merkwaardig in de berg, het is niet zo klam als ze hadden verwacht. Er moet een bron van warmte dichtbij zijn, of een soort hete luchtcirculatie die door de hele berg kan. Riya houdt een lantaarn vast. In vlagen komen walmen van stinkende dode dieren door de donkere gangen drijven, gepaard met bewegingsloze slierten rook die net zo goed al een eeuwigheid op deze exacte plaats kunnen hangen. Af en toe bereiken ze een centrale kamer waar meerdere gangen bij elkaar komen, ze bekijken al hun opties en kiezen de weg die het diepst naar beneden lijkt te gaan, want daar zal het monster zich waarschijnlijk schuilhouden. Zowel de geur als de warmte nemen toe.​

‘Hey, is Artenos eigenlijk ooit teruggekomen?’ Vraagt Kato. ​

Adeya haalt langzaam adem door haar neus met haar ogen dicht en zegt:​

‘Nee.’​
‘Dus hij is gestorven?’​
‘Uiteindelijk wel neem ik aan.’​
‘Maar daarvóór bedoel ik, hoe weten we dat hij het monster heeft verslagen?’​
‘Hij heeft de stad gered toch?’​
‘Ja, maar wat als de stad redden niets te maken heeft met het verslaan van het monster, maar een offer brengen aan het monster of zo?’​
‘Dan offeren we,’ zegt Adeya vastberaden.​
‘Ik weet niet of ik geofferd wil worden,’ zegt Riya​
‘Moenimbe is een mooie stad, begrijp me niet verkeerd, maar mij het leven niet waard.’ voegt Ziyed er aan toe. ​
‘Ja, ik heb net geleerd dat ik verloren samenlevingen tot leven kan wekken met mijn luit, dit is niet de beste tijd voor mij om te gaan.’​
‘Prima, dan doe ik het zelf wel.’​

De gang loopt dood, maar voor de muur zit er een gat in de grond. Riya schijnt haar lantaarn over de rand en zo’n vijf meter onder hen glinstert iets groots in het donker. Het beweegt. Het is water. Veel water.​

‘Wacht leeft hier het ding dat we op de boot zagen?’​
‘Het zou heel goed kunnen.’​

Ziyed voelt dezelfde machteloosheid als hij deed in de mast.​

‘Maar dan heeft het geen zin,’ zegt hij. ‘Dat ding kunnen we niet aan. Het is onmogelijk.’​
‘We moeten het proberen. Plus hij lijkt hier minder ruimte te hebben om meters uit het water te springen. Misschien is dit wel zijn huis en verwacht hij ons niet.’​
‘Maar hoe komen we veilig beneden? Als we in het water landen hoort hij ons.’ ​
‘Ziyed pak je touw,’ zegt Adeya.​
‘Wat wil je gaan doen?’ ​
‘Ik bind het om mijn middel, jullie houden met hier vast en ik ga met Riya’s lantaarn door het gat om te kijken wat er daar beneden te zien is.’​

Adeya hangt boven het water en kijkt de ruimte rond. Het water is een meter of tien in doorsnee en opmerkelijk rond, als een waterput. Als ze genoeg vaart maakt in het heen en weer gaan van het touw kan ze het tot op het zand redden. Ze roept naar boven om stevig vast te houden, gooit haar gewicht heen en weer en landt zachtjes naast de poel. Dan is Riya aan de beurt, ze slingert zonder moeite naast het water neer. Ziyed gaat daarna. Kato vraagt hem om zijn luit vast te houden, hij schommelt heen en weer en landt naast Adeya met Kato’s luit. Vervolgens duikt Kato het water in en zwemt snel naar de zijkant. Er gebeurt niks, de grot is bijna even stil als eerst.​

Bijna.​

Een licht flikkert schaduwen en vonkjes op de bocht van een tunnel aan de andere kant van de ruimte. Het lijkt van een vuur te komen. De vier sluipen stapvoets door het zand, het water is inmiddels weer tot volledige stilstand gekomen. Hoe dichter ze bij het licht komen des te luider wordt een knapperen van brandend hout.​

De hoek om staat een enorme stapel hout te branden. Er is een geblaker te horen in de verte, een geflapper en geschroei. Het water in de ruimte achter hen begint hevig te borrelen, dan stop het. Ze kijken de koepel rond waar ze zich in bevinden, rook begint naar binnen te komen. Een steentje tuimelt van het plafond naar beneden en tikt wat tegen de muur. Ze kijken om zich heen, maar zien weinig meer door de wolk die dichter wordt en kietelt aan hun hoofd.​

Een schim duikt op achter het vuur, Een monsterlijk silhouet begint ondenkbare vormen aan te nemen. Gigantische armen, nee, groter dan armen, er hangt van alles aan vast, komen langzaam omhoog. Bovenaan begint iets te blazen, de rook verplaatst zich chaotisch door de lucht en twee ogen glimmen in het donker. Twee naar achter gebogen ivoren hoorns maken plaats voor een gehemelte omringd door tanden groter dan hun ledematen. De vier staan volledig bevroren te wachten. Ziyed kijkt naar Adeya voor raad, maar ze is gefascineerd aan het staren. Riya en Kato houden elkaars hand vast. Het monster tilt een van zijn armen op en zwaait hem de kamer door, de rook klaart wat op en ze zien nu de vleugels, de schubben, het hoekige contour van het bepantserde lichaam en de met twee lange slierten besnorde snuit van een zwarte draak. Hij spreidt zijn beide vleugels en strekt zijn nek tot ze niet verder meer kunnen. Intussen dondert hij een lange grom door de kamer. Hij houdt zijn gestrekte positie een paar seconden aan, maakt oogcontact met de vier mensen voor hem, schrikt een beetje terug en zegt:​

‘Oh, hey.’​

Ze kijken verbijsterd naar elkaar.​

‘H-Halloo, D-Draak. Kun je, kun je ons verstaan?’ Begint Kato.​
‘Noem me Shakiem. En ja.’​
‘Shakiem. Is dat uw naam?’​
‘Mijn volledige naam is Shakiem Konis de Wereldsplijter, maar dat is zo’n mond vol. Shakiem is goed genoeg.’ ​
‘Ben jij verantwoordelijk voor de vloek in Moenimbe?’​
‘Nouja waar begint verantwoodelijkheid? Heb ik de vloek veroorzaakt? Ja. Is het mijn schuld dat de vloek er is? Niet echt.’ ​

Kato weet even niet meer hoe verder te gaan en kijkt naar Ziyed die het woord overneemt. ​

‘Wat moeten we doen om de vloek op te heffen?’​
Shakiem brengt zijn hoofd tot vlakbij die van Ziyed en kijkt hem aan. ​
‘Vechten,’ fluistert hij.​
‘Kato, nu,’ zegt Ziyed zachtjes met de zijkant van zijn mond.

Kato pakt zijn luit, concentreert zich op zijn omgeving en begint te spelen. Ziyed neemt diep adem met de eerste klanken die de ruimte vullen, hij trekt zijn zwaard dat glinstert door het vuur en voelt zijn voorouders hem bijstaan. Als een wervelwind raast hij op de draak af die alleen maar een aantal flitsen van het metaal ziet aankomen. Hij springt omhoog, haalt zijn arm naar achter voor een slag en wordt dan tegen de grond geblazen door een warme adem. Zonder aarzelen probeert hij het nog een keer, weer ziet de draak hem nauwelijks, maar hetzelfde gebeurt. Ziyed neemt een seconde rust en kijkt naar zijn zwaard dat iets lijkt te gloeien.  ​

‘Wacht, hoe kom je daaraan?’ Zegt Shakiem half paniekerig en half woedend, kijkend naar Ziyeds zwaard.​
‘Waarom zou ik jou dat vertellen?’​
‘Omdat het mijn zwaard is,’ zegt Shakiem met zijn ogen nog steeds op het wapen. ‘Ik heb hem gemaakt.’​
‘Wat? Mijn voorouders hebben dit zwaard gemaakt uit al hun wapens samen,’ zegt Ziyed geïrriteerd door dit soort trucjes.​
‘En in welk vuur denk je dat ze het gesmeden hebben?’ antwoordt Shakiem. ‘Van wie heb je het gekregen? Hebben ze je dit niet verteld?’​
‘Mijn vader. Het is een erfstuk.’​
‘Wat heeft je vader je verteld over de orde?’​
‘Hij vertelde niet veel over de geschiedenis. Meer meditatie en training. Het is lang geleden.’​
‘Je weet van de laatste dag? Sélan, Nev, de tragedie?’​

Ziyed knikt.​

‘Die avond hebben ze allemaal hun zwaard ingeleverd en in mijn adem dit exemplaar gesmeed uit de sterkste stukken. Dit is het enige zwaard dat ik ooit gemaakt heb.’​

Shakiems oog valt op Kato wiens kleren nog steeds doorweekt zijn, hij opent zijn mond en blaast hem droog met warme lucht. ‘Zie je, mijn adem is warm genoeg.’​

De vier ontspannen zich een beetje, Shakiem lijkt niet het bloeddorstige monster te zijn dat ze hadden verwacht.​

‘Waarom maakte je een zwaard voor de orde?’​
‘Omdat de orde de enige hoop was om de wereld weer bij elkaar te brengen.’​
‘Weer bij elkaar te brengen? hoe bedoel je?’​
‘Wacht even. De aardbeving. Was jij dat ook?’ Komt Adeya tussenbeide.​
‘Ja, maar Jij weet dat de aardbeving niet mijn schuld was, Adeya.’
‘Nee, die van Nev zeker?’ Wacht, hoe weet hij mijn naam?
‘Die van de mens zelf.’​
‘Er werd een moord gepleegd dus brak je de wereld maar in tweeën, de schuld van de mens zelf zeg je?’​
‘Het was niet zomaar een moord, het was een moord op de leider van de orde, de enige groep mensen die het ooit gelukt is om langdurige vrede en gelijkheid te behouden voor iedereen binnen hun muren zonder oorlogen te voeren met anderen. Nev slachtte niet een persoon, hij slachtte de mogelijkheid tot harmonie onder mensen voor duizenden jaren omdat hij het vertrouwen van een samenleving geschaad heeft. Een moord als dat is niet zomaar vergeven, het vereist een prijs. De Azhari wisten dit en deden niets, omdat een gewelddadige tegenprestatie onvermijdelijk meer verdeeldheid zou creëren. Het was verstandiger om de wapens neer te leggen en de generaties af te wachten. Ik wist ook dat de Azhari niets zouden doen, dus als straf heb ik Nevs geboortestad opgebroken en dit zwaard gemaakt om de kracht van de orde niet verloren te laten gaan, maar ze te bundelen voor een toekomstige krijger.’

Ziyed kijkt nogmaals naar zijn zwaard, de patronen van het damast glimmen in een gedimd goud. Hij voelt warme energie door hem heen kruipen en bestudeert het lichaam van Shakiem.​

‘En de vloek?’ Vraagt Adeya.​
‘De vloek is een lang verhaal, vinden jullie het erg als ik even ga liggen?’​

Zonder op een antwoord te wachten laat de draak zijn borst naar het zand zakken en vouwt hij zijn staart om hem heen. Hij legt zijn hoofd zacht op de poten waar meterlange klauwen aan vastzitten. en kijkt de vier met kwartgesloten ogen aan. ​

‘Ik moest de wereld wel opbreken omdat de cyclus niet verbroken leek te worden, al helemaal niet nadat Sélan was vermoord.’​
‘De cyclus?’​
‘Wij draken worden redelijk oud. Ik ben de mensheid al aan het volgens sinds ze voor het eerst in groepen uit de bomen kwamen. Vroeger, toen ik zelf ook nog jonger was, vloog ik nog wel eens wat rond, maar naar verloop van tijd ben ik meer waarde gaan hechten aan mijn privacy. Mensen werden iets te gretig om me neer te halen. Nu heb ik andere manieren om te weten wat er speelt in jullie wereld en daaruit blijkt dat er weinig is veranderd. Er was bij de mensen altijd één groep die alles uit wilde maken, die de macht wilde hebben, maar wat ze niet zagen was dat hun begrip van macht niet verder ging dat het vermogen om hun eigen belangen te behartigen door middel van andermans energie. Het stond nooit in dienst van de mensheid als geheel. Macht was het klakkeloos kunnen verrijken van jezelf zonder te hoeven geven om de tranen van je medemensen. Dat is geen macht, dat is zwakte tegenover de ego. Dat is niet de oplossing van jullie probleem. Zolang je denkt het recht op leven en dood te bezitten verlies je altijd en zet je de cyclus voort, want je doodt manifestaties van de wereld in de vorm van mensen, niet dat soort mens zelf. Zolang je de wereld niet positief verandert voor iedereen zullen je vijanden zich op die manier blijven vermenigvuldigen. En hoe meer je ze het doelwit maakt, hoe bewuster ze zich worden van hun doelwitstatus en hoe verder de conflicten escaleren. Dat is wat Nev niet doorhad. Voor Nev ging het niet om de wereld verbeteren, het ging om zijn rol in het proces. Hoe de wereld eruit zou komen te zien kon hem geen ruk interesseren zolang hij de eer en de roem maar kreeg. Hij was een slachtoffer van hetzelfde laffe verlangen dat de twee legers had gemobiliseerd, hetzelfde laffe verlangen dat mensen dingen doet begeren die ze niet hebben verdiend, omdat ze ontevreden zijn met hun locatie in het rad van de tijd. Ik zit hier al tienduizenden jaren te kijken naar het lot van de mensheid en telkens komt er weer een nieuwe groep op om wereldvrede te beloven nadat alle mensen die dat tegenhouden doodgemaakt zijn en wie de mensen zijn die “de vrede tegenhouden” verandert om de zoveel jaar zodat het onderdrukken van opstanden doorgaat tot het niet meer betaald kan worden en dan komt de volgende onderdrukte groep vechten voor wereldvrede, nadat alle mensen die wereldvrede tegengaan vermoord zijn natuurlijk. En na honderd jaar is iedereen iedere les ooit geleerd weer vergeten en beginnen ze weer opnieuw. Ik had oprecht mijn hoop gevestigd op de orde.’
‘Hoe heb je Nev gestraft?’
‘Ik heb hem op de meest toepasselijke manier die ik kon bedenken opgesloten. Hij is evenals ik gedoemd om eeuwig te leven en de wereld te zien vervallen in chaos. Alle hoop voor de toekomst ziet hij komen en gaan, en aan allemaal moet hij zijn misdaad bekennen. Tot er geen mensen meer over zijn om hem te bezoeken zal hij moeten vertellen van zijn walgelijke daad al die jaren geleden. Alle zielen die voor hem verschijnen zullen sterven zonder hun doel te bereiken, sommigen van ouderdom en anderen in afgrijselijke gevechten, maar hij weet dat hij ze de dood instuurt, hij weet dat hij verder niets kan doen om te helpen en hij weet dat het zijn schuld is.
‘Waarom stelde hij zich dan voor als Konis?’ vraagt Adeya.
‘Ja, dat doet hij nu al een paar honderd jaar merk ik. Er zijn een aantal helden boos op hem geworden over de jaren, ze hebben vrienden verloren op hun reis en kwamen er toen achter dat het allemaal aanvankelijk zijn schuld was. Hij schaamt zich tegenwoordig en dat kleine beetje gun ik hem wel. Het is een teken van berouw en hij zelf weet de waarheid goed genoeg.
‘Ik dacht echt even dat jij de Konis was die ik daar had gesproken.’
‘Kom op, je denkt toch niet dat als ik een mensenlichaam ter beschikking had ik de hele dag opgesloten in een ondergrondse kamer zou zitten of wel?’

Riya en Kato kijken rond.

Ziyed krabt aan zijn tulband.

Adeya kijkt Shakiem aan en gaat verder:

‘Maar waarom heb je onze stad dan laatst vervloekt?’
‘Jullie stad is al duizenden jaren vervloekt.’
‘…’
‘Zoals ik zei, mensen vergeten alles na drie generaties. Je kunt een heel volk uitmoorden en de wereld in een totale oorlog storten, maar ​drie kinderen later staan ze te popelen aan de grens om een nieuwe te starten. Imbecielen zijn het. Ik ben al vanaf het moment dat Moenimbe uit elkaar dreef bezig met helden rekruteren: Artenos, Brommae, Crylus, Dadalyx, Endorran, Finx, Gratian, Hoewiyya, Inaya, Joerna, noem maar op. Het is allemaal een pot nat. Ik heb de stad maar een magisch standbeeld gegund die mee veranderd met de held van de eeuw na een tijdje omdat de verhalen eromheen steeds gekker werden met de jaren.’
‘Dus hoe verslaan we je?’
‘Je verslaat me niet. Ik geef je een baan en dan gun ik je het heldendom.’
‘Wat?’
‘We kunnen ook vechten hoor, dan sterf je, maar wordt je wel een held. Je andere optie is terug de wereld in gaan en proberen te herstellen wat Nev al die jaren geleden vernietigd heeft, dat is wat een échte held doet. Het is ook nog nooit iemand gelukt. De meesten kiezen voor vechten, ironisch genoeg.’
‘Artenos…’ Zegt Adeya, ze kijkt naar de grond.
‘Artenos bijvoorbeeld ja. Dat was de vorige toch? Soms kun je zien aan iemand wanneer ze te erg bereid zijn om zichzelf te bewijzen. Echt een van de minderen. Je lijkt een beetje op hem. Hij wilde vechten inderdaad. Ik heb met deze nagel zijn hoofd eraf geplukt en daarna de rest van hem geroosterd volgens mij, het is lang geleden. Niet echt het visitekaartje dat je als held wilt achterlaten in ieder geval, maar ik had hem zijn zegen al gegeven dus hij was jullie held voor even.’
‘Je hebt hem vermoord!?’
‘Hij wilde vechten. Ik ben een draak. Wat dacht je dan?’

Adeya voelt een krimpen in haar schedel en balt haar vuisten.

Ziyed kijkt naar Adeya en ziet de aderen aan haar huidoppervlak pompen.

‘Heb je zin om nog een keertje te sparren, Shakiem?’ Vraagt hij vrijpostig.
‘Je wilt alsnog vechten?’
‘Er hoeven geen doden te vallen, ik wil gewoon even zien wat ik kan tegen een waardige vijand. Wil je niet weten wat je zwaard kan?’
‘Ik zou het ook spijtig vinden om een Azhari te moeten doden zoals je wellicht begrijpt, maar je kunt redelijk overweg met mijn wapen. Oké, doe wat je niet laten kunt.’ Shakiem staat op en maakt ruimte voor zichzelf.

Ziyed kijkt naar Kato die een solo loslaat en na een seconde meditatie flitst de gele tulband rond de kamer. Shakiem haalt een paar keer uit met zijn klauwen, maar Ziyed weet ze te ontwijken en ze te beklimmen voor wat vlugge nepsteken in de poten van het beest. Shakim blaast een vuurbal op hem af waar hij van weg kan rollen en het dooft zichzelf in het zand. Hij zoeft op het hoofd af en herinnert zich vlak voor Shakiem zijn bek opent om hem weg te blazen opzij te duiken en via een van de snorharen zichzelf bovenop de kop van de draak te slingeren. Hij ziet de gloed van het zwaard van zijn gewaad afkaatsen, voelt iets dat zijn arm wilt bewegen, maar tikt dan tweemaal met zijn handpalm op de schedel van Shakiem en klautert weer naar beneden. Hij kijkt naar Adeya die bedenkelijk staart, maar gekalmeerd lijkt te zijn. Ziyed zegt iets tegen haar met zijn ogen.

‘Dus wat moeten we voor je doen, oh Shakiem Konis de Wereldsplijter?’ Plaagt hij daarna.
‘Voordat ik je vertel wat jullie voor me kunnen doen moet ik weten of jullie het aan gaan nemen. Ik wil geen twijfel. Een held aarzelt niet te beginnen. En besef je dat deze keuze voor het leven is.’

Iedereen kijkt naar iedereen.

Adeya is de eerste die trouw zweert haar lot te aanvaarden. Ziyed volgt. Hij kijkt naar Kato die nu overtuigd is van zijn rol in het kwartet en instemt. Riya volgt tot slot. De vier staan voor Shakiem en uit het vuur tussen hen in schieten ineens steekvlammen de lucht in die door de bovenkant van de ondergrondse koepel razen als een demonische maalstroom. Ze kijken naar boven en zien visioenen in het brandende schouwspel. Er is een woestijnlandschap te zien met twee legers, de een donker en de ander licht van kleur. De vlammen schieten uit elkaar en vormen nieuwe patronen, de koepel is nu een oceaanbodem waar een reusachtige schaduw in cirkels overheen gaat. Als laatst schetsen de vlammen een baai met een afgebroken bronzen hoofd op het strand.

‘Jullie moeten naar de Noordelijke Territoria, daar zul je meer leren.’
‘Moet er ook niet iemand terug naar Moenimbe?’
‘Geen idee. Shakiem?’
‘Als hier niemand sterft, zal iemand die uit Moenimbe komt terug moeten gaan.’
‘Dan val ik af.’
‘Ik moet naar het noorden,’ zegt Adeya.
‘Ziyed heeft mijn luit nodig.’
‘…’

Kato en Riya staren een lange tijd naar elkaar.

Laat deze scheur in de aarde niet het pad zijn van onze verdeeldheid,

laat de continenten geen voorbode wezen voor onze liefde.

Neem me mee, neem me mee, neem me mee.

Alsjeblieft.

Je kunt altijd weer terugkomen?’
‘Het zeemonster.’
‘Ohja..’
‘En wat wil je dat ik doe, zeggen dat ik weer je vaders schip nodig heb om terug te gaan, omdat een draak jullie de wereld rond heeft gestuurd om zijn fouten goed te maken?’

Ziyed kijkt naar Shakiem en ziet dat de draak even niet weet waar hij kijken moet.

‘Wat als we eerst alles hier oplossen en dan met zijn allen teruggaan?’ Probeert Kato.
‘Het kan jaren duren voor we deze opdrachten hebben voltooid. We kunnen Moenimbe niet zo lang onder invloed van de vloek laten. Iemand moet terug,’ zegt Adeya.

Het is even stil.

‘Ik ga wel.’
‘Nee, alsjeblieft,’ Stottert Kato verslagen.
‘Ik ben de enige wiens lot niet ligt in de reis naar het noorden. Ik moet terug om de stad te redden.’
‘…’
‘Dat is mijn lot, lief.’
‘Wat als we niet…’
‘Zo mag je niet denken als held, Kaat. Vanaf dit punt is er geen twijfel meer. Alleen zonder twijfel en met geluk kunnen we elkaar terugvinden.’
‘Maar…’
‘We hebben het hier te vaak over gehad om terug te deinzen.’

Vier ogen beginnen te wateren.

‘Wat mijn muziek voor Ziyed is ben jij voor mij, Riya.’
‘Beloof me dat je terugkomt.’
‘Ik zweer het je. We komen terug.’

Ze vallen in elkaars armen en Shakiem vertelt Ziyed en Adeya dat hij de vier een stuk mee kan nemen op zijn rug en ze af kan zetten op een verlaten stuk land richting de Noordelijke Territoria. Hij kan Riya vlakbij haar schip brengen indien het bewolkt is. Ze nemen het aanbod aan, waarna Shakiem zich excuseert, de ruimte verlaat, het water doet borrelen en met een grijswitte walm weer terugkomt wandelen.

‘Oké, iedereen klaar om te gaan?’
‘Ja.’

Ze stappen op en vliegen binnen de kortste keren boven het wolkendeken van West Moravië op de rug van Shakiem Konis de Wereldsplijter.

Dit is precies wat ik altijd al had moeten doen. Denken ze allemaal.

Boek 2

Aan de straten kan het niet liggen. Noch treft de bomen enig blaam. Zelfs het water dat onophoudelijk klotst op de rotsen en wit-gelipt glibbert over het zand heeft geen schuld aan de staat van Moenimbé. Maar iets is anders.

‘WAAR IS ZE!?’

De man heeft ogen vol vuur, aangewakkerd door een verlangen dat zich diep in de haard van zijn hart heeft genesteld. Het niveau van blinde woede waarmee het figuur zijn armen heen-en-weer beweegt staat niet goed bij de kwaliteit van zijn gewaad, noch de bungelende sierraden rond zijn gelaat. Iemand zo deftig als hij zou zich niet mee moeten laten slepen door zoiets banaals als emoties. Al helemaal niet zo publiekelijk als dit. Maar de man kan zijn aandacht niet richten op iets anders dan het smeulen in zijn borst en de eenzaamheid van de dame die tegenover hem staat.

‘Wat heb je in vredesnaam met mijn jongen gedaan jij achterlijke trut!?’
‘Redouan, rustig alsjeblieft.’
‘Nee, niks rustig,’ zegt de man terwijl hij zijn vrouw van zich afduwt en zich weer richt op Riya: ‘je geeft me een antwoord! Nu! Waar is mijn zoon!?’

Ze krimpt iets ineen bij de man die boven haar uittorent.

‘Ik weet het niet,’ zegt ze zachtjes voor zich uit.
‘Je weet het niet!? Je wéét het niet!? Je hebt hem zo gek gemaakt om naar Anderland te reizen en dan raak je hem ook nog eens kwijt!? En mijn schip dan!?’
‘Uw schip maakt het prima. Het is gehavend in Mobaai.’

Er is een zichtbare opluchting die door de man trekt. Hij betrapt zichzelf erop en ziet de stille veroordeling in de ogen van Riya. Hij herpakt zich door zijn woede nog een tandje bij te zetten.

‘Heb je verdomme énig idee wat die jongen voor mij betekent!?’
‘Je nalatenschap,’ sneert ze tussen neus en lippen door.
‘Jij, kleine…’ Redouans onderarm trilt en zijn vingers kruipen krampachtig samen tot een vuist.
‘Manlief! Nee! Je laat haar met rust!’ roept de vrouw, die voorzichtig probeert het voortouw te nemen door een hand op zijn schouder te leggen.

Redouan voelt de begrenzing van zijn echtgenote en realiseert zich het publiek dat om hen heenstaat. Met de hand die zojuist had willen uithalen wrijft hij over zijn gezicht. Hij blaast lucht door zijn neus en schudt met zijn hoofd uit ongeloof.

‘Waarom ben jij teruggekomen?’
‘Dat moest.’
‘Van wie?’
‘Van Shakiem.’
‘Shakiem?’

Ze knikt.

‘En dat is?’

Riya kijkt naar de mensen om haar heen en ziet nog steeds tekenen van verslagenheid. Moedeloze ogen en teneergeslagen kinnen.

‘Ik moet gaan.’

Ze wilt zich omdraaien, maar voelt hoe ze halverwege wordt teruggetrokken door de man wiens speeksel haar gezicht bespettert tijdens zijn geblaf

‘Je gaat me NU vertellen waar mijn zóón is! Stom kutkind!’

Riya stoot een krijs uit ter afleiding, mept de hand weg en stormt de straat uit. De mensen die achterblijven kijken wat geschrokken naar Redouan die met verontschuldigende blikken verzoening zoekt. Het mag niet baten. De man tuft op de grond, draait zich om en gebied zijn vrouw hem te volgen, wat ze doet. De mensen druipen af en trekken zich terug naar hun huizen. De stad is stil. Het klotsen van zeewater op rotsen is te horen van halverwege de heuvel. Ze kijkt naar het westen en zwijgt in bezinning.

Al haar zenuwcellen komen samen onder haar ribben en beginnen daar heftig met elkaar te dansen. Een paar dagen geleden was ze dáár. In Anderland. Met Kato. De naam galmt nogmaals door haar hoofd en brengt weemoed met zich mee. Ze had eerder een grapje willen maken over de wolken en verheugd opzij gekeken, maar niets gevonden behalve leegte. Het gebrek aan antwoord verpletterde haar. Ze zag in dat Kato een vorm van haar expressie was. Een perfect uitgerust verwerkingscentrum van haar impulsen en emoties. Ze is een deeltje kwijt van hetgeen dat ze met de jaren “zichzelf” is gaan noemen.

Ze tuurt in het rond. De gebouwen om haar heen voelen beklemmend. De tegels spreken een andere boodschap dan normaal. De stad lijkt nieuw te zijn, maar ze verheugt zich niet. Thuis is niet meer hetzelfde nu ze weet wat elders ligt. Nu ze heeft gezien met eigen ogen wat duizenden vóór haar enkel als mythen beschouwden. 

Achter haar is geknisper van zandkorrels te horen die door sandalen op keien worden gedrukt. Ze keert zich en ziet een jongen staan. Hij lijkt wat angstig.

‘Jij…’
‘Ik?…’

Zijn ogen schieten over haar heen. Verbazing en ontzag dansen op zijn gezicht.

‘Je zat…’

Hij kijkt goed in het rond voor hij verder spreekt.

‘Je zat op een… Je, ik zag je, ik was aan het spelen, op de berg, het was, ik ben niet gek, toch? Was dat een dráák?’

Riya zakt door de grond, maar helaas niet letterlijk.

‘Maak je geen zorgen, ik zal het niemand vertellen. Ik denk toch niet dat ze het zouden geloven, komende van mij. En als ik De gegoede heer Redouan zo hoorde ratelen eerder denk ik dat hij het alleen maar zou gebruiken als een reden om je het leven zuur te maken.’

Ze kijkt nu ook nog maar eens om zich heen voor de zekerheid en leunt vervolgens iets naar de jongen toe.

‘Meen je dat?’ vraagt ze terwijl ze hem diep in zijn ogen kijkt.
‘Dat meen ik. Ik blijf stil.’ zegt hij, met betrouwbare blik.
‘Dankjewel.’
‘Maar mag ik je nog één ding vragen?’

Zijn ogen worden iets groter door de verheuging die hij poogt te verbergen. Riya wendt haar hoofd en observeert de tegels onder hun voeten.

‘Wat wil je weten?’
‘Wat… Of. Wie… was dat?’
‘Dat was Shakiem Konis. D-‘
‘D- wat?’ vraagt de jongen, geanimeerd door Riya’s ingeslikte woorden.
‘Shakiem Konis de Wereldsplijter,’ zegt ze met lichte spijt.
‘Wooow… De wéreldsplijter?’
‘Uh-huh.’
‘Hoe komt ‘ie aan díé naam?’
‘Dat is een lang verhaal.’
‘Is hij je vriend?’
‘Ik…’
‘Kan je hem oproepen? Is het een soort huisdier? Is het-‘
‘Alsjeblieft, geen verdere vragen meer. Ik voel me niet op mijn gemak. Sorry.’
‘Dat is oké, het spijt me, ik wilde je niet van slag maken. Het was gewoon, ik zag je, en het was geweldig dus ik moest je opzoeken en het vragen.’

Ze kan een glimlach vinden voor de knul, die hij beantwoord met het sluiten van zijn ogen en een knik van zijn kin.

‘Ik snap het, echt waar. En ik waardeer het dat je me opzoekt wanneer ik alléén ben, en niet een scène hebt gemaakt met die oelewapper net. Misschien dat we er een andere keer over kunnen praten. Kom je hier vandaan?’
‘Ja, ik woon hier al mijn hele leven.’
‘Dan gaan we elkaar de komende tijd vast nog wel een keer zien ergens.’
‘Oké!’ zegt de jongen, waarna hij aanstalten maakt om te vertrekken.
‘Wacht, wie ben jij eigenlijk?’ roept Riya hem na.
‘Mijn naam is Yian Jin!’ roept de jongen terug terwijl hij de hoek omrent.

Ze keert zich nogmaals naar de zee, met iéts meer energie dan eerst door het enthousiasme van de nieuwsgierige jongen. Ze had net even moeten lachen. Toch ging die vreugde alweer snel voorbij. De zon staart naar haar en laat zijn gouden tong glinsteren. Herinneringen smelten voor haar ogen samen met fantasieën en voor ze er erg in heeft is ze verzonken in een reverie.

Het is maar een paar maanden geleden dat we hier samen liepen. Grappend over gekke bekken of kekke stekjes. Hand in hand. Zonder ons te bekommeren om blikken die fronsten bij ons gefrunnik of stemmen die ons stom noemden achter onze ruggen om. Argeloos en hoopvol huppelend door de zandbak die deze stad was. 

Waarom is de kade nu zo kil? De trap van de bibliotheek zo koud? Waarom kan ik je soelaas niet vinden?

Waarom waan ik me zo beduidend alleen?

Voor hen zit de oude goeroe met verzorgde grijze haren, een klein neusje en een gehavend gelaat. Tussen de twee partijen in ligt een kleed met kleurrijke symbolische tekens erin geweven. Ze kijkt naar het midden wat bestaat uit kronkelende lijnen die vanaf de buitenkanten naar het midden groeien en bij elkaar komen in een hoekig symmetrisch patroon. Buiten is af en toe een geluid te horen wat voor Ziyed klinkt als een brute, haast stompende koeienloei. Windvlagen die over de steppe razen activeren kleine belletjes die op het dak van de tent zitten bevestigd. Kato zwijgt en luistert aandachtig naar het gerinkel.

‘Hmmm… Een monnik, een muse en een…’ Zijn blik blijft liggen op Adeya die in lichte spanning afwacht.
‘Een wat, oh ziener?’
‘Een… Een… Nee, ik kan het niet zeggen. Het is té lang geleden.’

Adeya voelt een zekere angst en merkt dat de andere twee naar haar kijken met een nieuw gevoel van mysterie.

‘Wat is te lang geleden? Kun je me níéts vertellen, oude man?’
‘Ik ben bang van niet. Verkeerde woorden doen meer schade dan goed. Al helemaal in zaken als deze.’
‘Maar het is niets ernstigs? Ik ben niet ernstig ziek of eigenlijk een demoon of iets?’

De man gniffelt en kijkt weg.

‘Nee, niets van die aard. Maak je daar geen zorgen over.’
‘Oké…’ zucht Adeya met opluchting.

Zijn ogen keren terug en verwarmen het gezelschap dat onder de donkere huiden bijeengeheuld zit.

‘Anders had Shakiem jullie niet aan mij toevertrouwd, me dunkt.’
‘Jullie kennen elkaar?’
‘Kennen is een groot woord. Ik weet van hem en hij van mij.’
‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’
‘Há, ik was in mijn jonge dagen iets te nieuwsgierig voor mijn eigen goed. Zo stuimel je op een verloren boek, zo sta je in een bos te zoeken naar heilig hout en zo donder je ineens in een krater.’
‘En hij vond het oké?’
‘Nou nee, niet bepaald, há, ik heb hem moeten beloven nooit iets over hem tegen iemand te zeggen. En dat heb ik ook nooit gedaan. Op mensen als jullie na dan, natuurlijk.’
‘Zijn er veel mensen die van hem afweten?’
‘Als ik er ooit met iemand over had gepraat dan had ik dat wellicht geweten.’
‘Goed punt.’

De man knikt en buigt zijn hoofd plechtig.

‘Jullie zijn hier gekomen om te leren,’ zegt hij nadat hij alle ogen rustig is langsgegaan.
‘Dat klopt.’ antwoordt Ziyed resoluut.
‘Ik denk dat ik je teleur moet stellen.’
‘Hoezo dat?’
‘Als ik je nu vertel dat je voorbestemd bent voor grootsheid, dat je de wereld redden kunt, zou je me dan geloven?’
‘Nou, ik. Bedoel, jij bent de ziener, nee?’
‘Heb je, ook al was het maar een moment, getwijfeld aan Konis?’

De drie kijken naar elkaar en moeten bekennen dat ze de draak nog niet honderd procent vertrouwen.

‘Waarom zou je mij dan moeten geloven?’
‘…’
‘Jullie hebben geen keus, of wel?’
‘We. Wat bedoelt u?’
‘Vreemdelingen zijn jullie. Onwetend van de gewoontes hier. Zonder kennis van het land dat jullie voeten ondersteunt. Verdwaald op een missie die halsoverkop is gestart. Radeloos en daardoor makkelijk te manipuleren. Ik kan zeggen wat ik wil, wie zijn jullie om te kunnen bepalen hoe waarheidsgetrouw ik ben geweest?’
‘Dat weten we niet,’ beaamt Adeya. ‘Maar we kennen onszelf.’
‘Jullie kennen jezelf, ja?’ De man draagt een speels lachje.
‘Hm.’
‘En toch sta je hier op een nieuw land. Als wereldreiziger. Iets dat je een paar maanden geleden nooit had kunnen voorstellen. Na het ontmoeten van een draak. Toch kwam je hierheen om iets te zoeken dat je begrip van de wereld zou verbreedden. Vertel me, hoe is het dat iemand zichzelf kan kennen wanneer ze de wereld niet begrijpen? Twijfel je niet con-stant over de paden die je moet bewandelen, omdat je geen idee hebt waar ze heenleiden?’

Adeya fronst met wat ongemak.

‘Oké. Dus misschien vertel je leugens en we kunnen je niet vertrouwen. Is dat het? Alsnog zou ik graag uw advies horen.’
‘Ik ben reeds begonnen u te adviseren, jongedame.’ knikt de man.
‘Oh…’
‘En já. De eerste les is, ik kan liegen. Iedereen kan liegen. Maar mensen liegen vaker wanneer er iets te halen valt en de kans van slagen hoger is. Als vreemden hebben jullie geen referentiekader, dus zijn jullie zwak in de ogen van zij die willen misbruiken. Onthoud dat goed, en neem niet zomaar iets van iemand aan. Vertrouw jezelf en elkaar terwijl je de omgeving aftast.’
‘U ziet gevaren voor ons?’
‘Há, ieder avontuur heeft zijn gevaren, lieve man. Dat is wat het avontuur maakt. De gradaties maken uit.’
‘U bent soms vrij letterlijk voor een ziener.’
‘Is het niet belangrijk om precies te zijn in onze vooruitzichten?’
‘Wat voor gevaren ziet u voor ons, ziener?’
‘Ik zie geen zwaard dat u raken kan, noch klauw die u deert. Ik zie Krampen en Steken en Spiezen van verdriet. Ik hoor zand zingen en wind huilen, ik proef zout op mijn tong en voel bloed aan mijn handen. Geesten zullen smeken om vergiffenis, dat jouw hart verschaffen moet. Ten koste van je onschuld, en met veel wrok tot gevolg. Dat is jouw gevaar.’

Perplext.

‘Is dit omdat ik je net te letterlijk noemde?’
‘Dit is wat ik heb gezien voor jou, Ziyed.’
‘En voor mij?’ vraagt Kato.
‘Ah, Kato. Wat betreft gevaren voor jou, die hebben te maken met je nieuwsgierigheid en betreffen aroma’s, percepties en sensaties van wellust. Feeën, schatkisten, adoratie en passievruchten zullen je wenken en doen wanen dat je zweeft. Maar houd vast aan jezelf, klamp je handen rond je anker en je zult gedirigeerd worden richting het goede.’

Kato knikt plechtig. De man richt zijn blik op Adeya.

‘En ik, ziener? Wat is mijn toekomst? Welke beproevingen ziet u voor mij?’

De man sluit zijn ogen en buigt zijn hoofd plechtig.

‘Jij zult roem vinden om wat je gegeven hebt, maar nooit bedankt worden. Jij zult de lasten moeten dragen en begraven. Jij zult in zwijgen moeten aanschouwen en in krijsen moeten vechten tegen giganten en titanen. Moed en braafheid zullen uw testament vormen. Als druppels op een berg, golven tegen een klif of een rivier door een delta zal jij moeten snijden. Jij zult moeten overhandigen zonder ooit vast te hebben gehouden. En jouw geheim zal voor altijd intiem bewaard en gekoesterd blijven.’

De drie kijken naar het figuur dat zijn hoofd weer optilt en ze ernstig aankijkt.

‘Zo luidt wat ik heb gezien op jullie paden. Maar onthoud: ik kan jullie enkel dingen vertellen. Het leren doe je zelf.’