DébüS

Twintig gedwongen sollicitaties en vijf maanden ww later is het zover. Een uitnodiging voor een gesprek. Dit keer voor een baan die me niet eens zo afschuwelijk lijkt. Best leuk eigenlijk zelfs. Een baan in de stad. Ik verzamel het meest presentabele setje kleren dat ik heb hangen in de kleine kast van mijn bescheiden studio in een oud bejaardenhuis waar het altijd ruikt naar huidplooidampen en iemands laatste adem en ga erop uit.

Het is ongeveer een half uur naar de halte, dan twintig minuten met de bus en dan nog vijf minuten lopen om bij het kantoor van Willem Klokhuis te komen. Ik heb niets gezegd over zijn achternaam in mijn sollicitatiebrief, ook al had ik dat wel gewild. Ik was bang dat hij zou denken dat ik overvriendelijk was en daarmee een slijmbal.

Het digitale reclamebord in het hokje hapert tussen twee advertenties en flikkert en flitst steeds in mijn ooghoek. Het uithangbord met de aankomsttijden leest acht minuten tot mijn bus er is. Ik doe mijn koptelefoon op en zink in de muziek.

Twee tracks later en het valt me op dat het bord aan de overkant van de straat is uitgevallen, of misschien had hij het de hele dag niet gedaan. Er zijn geen bustijden te zien, maar de klok daarboven leest kwart voor twaalf. Uit interesse kijk ik naar mijn eigen bord om te zien hoe lang het nog gaat duren voor mijn bus er is.

Acht minuten.

De tijden worden tegenwoordig digitaal en via satelliet gps wifi-tooth doorgegeven dus het is waarschijnlijk dat er een driftkikker was bij de vorige halte of een rolstoelgebruiker die de uitschuifhelling nodig had en dat het verkeer wellicht iets chaotischer was geweest vandaag dan het normaal gesproken was. Zo lang hadden de nummers ook niet geduurd en volgens mij was de echte tijd op de borden wel vooruitgegaan. Niet dat ik nog zeker wist hoe laat ik hier kwam staan, maar dat het nu kwart voor twaalf was leek redelijk te passen bij mijn inschatting. Ik besluit nog een nummer op te zetten en expres niet naar de tijd te kijken totdat het lied is afgelopen.

Na het tweede refrein komt er iemand aanlopen die aan de overkant gaat staan, bij de andere bushalte. Door de opbouw van de bridge heen hoor ik zodra ze in het hokje plaatsneemt een geronk opkomen van rechts. Ik kijk op en zie een bus aankomen. De dame kijkt naar links, glimlacht bij de toevalligheid van haar timing en stapt de bus in wanneer die nog geen tien seconden na haar aankomst arriveert. Alsof hij tot bestaan was gecommandeerd door haar aanwezigheid.

Het is nu minstens een kwartier sinds ik hier aankwam. Ik heb geen appjes, maar ik kijk alsnog een paar keer en veeg wat door de lijst, ik klad wat zinnen in een memo, lees het screenshot dat ik heb gemaakt met het adres van mijn contactpersoon, kijk naar een foto die me ooit blij maakte en nu hoogstens bitterzoet en vervolgens kijk ik weer naar het aankomsttijdenbord.

Acht minuten.

Maar dit is onmogelijk. Dit kán niet. En ik kan nu ook niet meer weg. Wat als alleen de tijden verkeerd zijn, maar de bus wel echt onderweg is? Het is tien minuten lopen tot de volgende halte en als ik halverwege ben en hij dan langskomt sla ik mijzelf voor mijn kop. Dat kan ik niet riskeren. Als ik iets anders had willen doen dan had ik dat tien minuten geleden moeten doen, toen ik nog niet wist hoe groot het probleem was. Nu is het te laat. Te laat, te laat, te laat. De woorden echoën nog door mijn hoofd terwijl ik de spanning en schaamte begin te voelen van te laat komen bij een belangrijke afspraak.

Ik zou ze kunnen bellen, maar wat zeg ik? Ik sta al een kwartier op twee minuten te wachten? De bus komt niet? Ik heb blijkbaar ook geen idee wanneer hij wel zou moeten komen, dus ik kan ze helemaal niets vertellen behalve dat ik misschien te laat ga komen voor onbepaalde tijd. Ik wil niet als besluiteloos of onwetend overkomen op mijn nieuwe geldschieter. Beter te wachten tot ik meer zekerheid heb voordat ik bel.

Zes minuten.

Oké, hij kómt dus wel! denk ik met een gevoel van opluchting. Dat moet wel, anders was het getal niet omgeslagen. Mijn telefoon geeft aan dat het zojuist twaalf uur is geworden. Het gesprek begint over een half uur. Als het bord nu klopt ben ik één minuut te laat, wat het niet waard is om voor te bellen, dat laat een grotere indruk achter dan die enkele minuut te laat binnenwandelen. Als ik doorloop zijn het waarschijnlijk zelfs maar een paar seconden. Dat zou ze niet eens opvallen. In plaats van te laat zou ik juist perfect op tijd zijn. Punctueel. Niet te vroeg, zoals nerveuze mensen, niet te laat zoals lakse mensen, maar gecalculeerd precies op tijd. Zoals de beste mensen.

Er komt weer iemand aangelopen die plaatsneemt op het bankje tegenover mij en zodra hij dit doet hoor ik hetzelfde geronk opdoemen van rechts, wat leidt tot dezelfde aangenaam verraste blik op het gezicht van de man als die ik eerder had gezien op het gezicht van de dame.

Voor de bus kan stoppen ren ik naar de overkant en ga klaarstaan waar de man staat. De deur schuift open en een oude man achter het stuur knikt de man goedendag.

‘Meneer,’ vraag ik met voelbare stress in mijn stem.
‘Wat kan ik voor u doen?’ Komt er terug.
‘Weet u iets over de andere bus? Wanneer komt de bus aan de overkant? Ik sta al een half uur te wachten.’
‘Ah, de andere bus? Nee, geen idee. Dat is een terugwegbus. Ik ben een heenwegbuschauffeur.’
‘Ehh, dus u weet er niets van?’
‘Nope, dat is niet mijn afdeling, sorry. De andere kant van de weg is een heel ander departement.’
‘Maar ik moet ergens heen… Hoe moet ik dan…’
‘Oh, je moet ergens heen?’
‘Ja.’
‘Maar weet je wel zeker dat je die bus moet hebben en niet deze? Dit is de heenwegbus.’
‘Gaat de terugwegbus niet ook ergens heen dan?’
‘Jazeker, maar het is wel de terugweg, dat je het weet.’
‘Oké, maar ik moet echt die kant op, dus…’
‘Wat jij wilt,’ glimlacht hij me toe, waarna hij me met zijn ogen verzoekt een stap naar achter te doen zodat hij de deuren weer kan sluiten en weg kan rijden.

Vijfentwintig minuten later resteren er schijnbaar nog drie minuten voordat de bus er is en gaat mijn telefoon.

‘Goedemiddag, meneer Remora?’
‘Ja, daar spreek je mee. Meneer Klokhuis?’
‘Ja. Meneer Remora, wij hadden u eigenlijk vijf minuten geleden hier verwacht.’
‘Ik begrijp het, en mijn excuses. Ik wacht nu al een uur op de bus en hij komt maar niet en ik snap het niet, er staat nu al zo lang acht minuten, zes minuten, nu is het eindelijk drie minuten, maar ik weet niet wat dat betekent, het kan zomaar nog een halfuur zijn en ik wist niet precies wat er aan de hand was dus ik-‘
‘Meneer, was er geen andere manier waarop u had kunnen reizen?’
‘Ik bedoel, nu ik dit weet had ik liever een taxi genomen, maar het geld groeit me niet op de rug.’
‘Maar je hebt niet het initiatief genomen om naar een andere oplossing te zoeken, of om ons even te bellen?’
‘Ik… Ik ben naar de halte gegaan, dat is initiatief… Ik heb gesolliciteerd…’
‘Ja en dan vervolgens kom je niet opdagen.’
‘Maar ik kan er niets-‘ Ik stop mijzelf halverwege de gedachte, want dit was een werkgever, er was altijd iets dat ik eraan had kunnen doen. ‘Kunnen we anders het gesprek nu telefonisch doen?’
‘Ik weet niet of dat nog nodig zal zijn. We zijn niet op zoek naar iemand die afwacht, we zoeken naar een hands-on proactieve touwtjespakker. Ik zal het je zo zeggen, meneer Remora: Als de andere kandidaten het allemaal laten afweten dan hoor je nog van ons.’
‘Goed,’ zei ik met meer verheuging op die minieme kans dan ik had gewild op dat moment.

Meneer Klokhuis hangt op met de tegenwoordig spreekwoordelijke klik van de hoorn en zodra het gesprek plaatsmaakt voor stilte hoor ik van links een geronk opkomen.

De druïde

Het bospad is gehuld in een vroege ochtendnevel die een spookachtig laken spreidt over het zand dat tussen de wazige stokken loopt. Hier en daar kleeft het spook van de dageraad aan een stuk blad en valt het na enkele seconden druppelvorming naar beneden als frisse dauw. Een tjiftjaf fladdert vluggetjes door de takken en tsjirpt haar naam. Ze dartelt van plek naar plek in een rap tempo op zoek naar kleine beestjes en hun baby’s die op de bladeren chillen. In de verre verte is het geroezemoes van een dorp met een marktplein en een ijzersmid te horen, maar op de afgelegen geluiden en de vroege vogel na is het ijzig stil.

Te stil.

Een druppel zweet sijpelt langzaam door de donkere sprietjes van haar wenkbrauwen richting haar ogen. Haar ogen die opengesperd zijn en spanning verraden. De struiken waar ze zich in heeft verstopt ritselen af en toe iets mee met de wind en zwijgen dan weer. Kleine takjes schrapen zachtjes langs haar benen en gezicht, maar ze ervaart het meer als ge-aai dan getreiter. Ze kijkt de verte in en wacht geduldig op haar doelwit. Hij kan ieder moment aankomen.

Er is een hert met kalf op een kilometer afstand aan het grazen, een mol kruipt onder de grond, een familie van eekhoorns kraken enkele bomen verderop wat nootjes en de planten lijken allemaal héél zachtjes te zingen. Haar ademhaling is ritmisch en beheerst ondanks de cortisol die door haar aderen stroomt.

Een klein guichelheiltje bloeit in de neep van de bocht, zijn zacht roze bloemetjes voorzichtig uitgevouwen met gele stampers die lijken op voelsprieten in het midden. Het blijft droog voorlopig, weet ze nu, want de geniepige plantjes kunnen voelen wanneer de buien aan het vormen zijn en slaan dan hun kleurenkrans dicht.

Ze pulkt wat aan de handgreep met haar vingers, een gewoonte van de zenuwen. Ze spitst haar oren, krabt haar schoenzool met haar teennagels, maar blijft ten aller tijden voor zich uit kijken naar de plek waar hij de hoek om zal komen.

Wat een prachtig fenomeen eigenlijk, denkt ze. Hoe lang duurt het voor een plantensoort leert hoe de regen ruikt? Hoeveel tijd is er al voorbijgegaan op deze wereld om alles in zo’n schijnbaar onfeilbare staat van symbiose te brengen? Generatie op generatie van dieren kijkt af bij hun ouders en modderen dan aan tot ze zelf kleintjes krijgen en zo gaat het stap voor stap stukje bij beetje al honderden miljoenen jaren. Maar planten kunnen niet eens afkijken, die evolueren met de kleinst mogelijke zintuiglijke aandrijving. Die kunnen niet ruiken. Of misschien ook wel, want wat is reuk behalve een hypergespecialiseerde manier om stofjes te laten reageren op andere stofjes voor het vergaren van informatie en een lichamelijke reactie? Stofjes laten reageren op stofjes kunnen planten ook, dus misschien is het kunnen ruiken van regen wel helemaal niet zo indrukwekkend voor een plant als dat het voor een mens zou zijn. Net zoals “blindheid” voor een mol of slang helemaal niet hinderlijk is zolang het dier een accuraat beeld van de omgeving kan maken gebaseerd op trillingen of geur. “Blindheid” heeft niets te maken met hoeveel je ziet, het heeft te maken met de mate waarin je de ruimte om je heen kunt bevatten en gebruiken. Dát is zicht, besluit ze, onderhand diep in gedachten verzonken.

Wat een dagpasjeshouders zijn wij vergeleken met de onmetelijke reikwijdte van het gecreëerde, of het bestaande, of het passerende, hoe je het ook noemen wilt. De hartslag van de natuur, het onzijdige gegons dat door alle micro en macrokosmossen pulseert en de dingen tot beweging dwingt, tot groei, tot procreatie, tot voltooiing van iets ongrijpbaars. Ze voelde het als haar eigen hart, wat op zichzelf het centrum was van het weerzinwekkende universum dat haar lichaam moest voorstellen.

De natuur is prachtig, realiseert ze zich innig. Het bestaat om te bestaan en alles is altijd in balans, niemand heeft schuld want alles gebeurt uit een haast geautomatiseerde noodzaak. De Aarde produceert lukraak voedingsstoffen en het wezenlijke schikt zich ernaar in de zin dat het optimaal kan oogsten met zo min mogelijk gevaar voor eigen leven. Een onzichtbare stuwkracht maakt op die wijze in honderdduizenden jaren van een klein diertje een langnek als het nodig is en iedere soort en ieder individu bezit hetgeen dat dit proces mogelijk maakt, dat ongrijpbare elementje dat van een doelloze zak genen een handelend schepsel maakt, een handhaver van een ongeschreven wet die het wezen zelf constant constitueert; want de natuur kent wetten, maar die waren er niet altijd, evenals de natuur zelf, en ze hoeven ook niet eeuwig te zijn. Ze zijn tijdsgebonden en vloeibaar, maar de meeste wezens leven niet lang genoeg om een grip te krijgen op dit principe. Ze kennen de cycli die plaatsvinden in hun gemiddelde levensduur en meer denken ze niet aan, want dat hebben ze ook niet nodig.

Maar als je de eerste paar millennia van je leven een boom bent geweest is dit meer voor de hand liggend, denkt ze. Dat het roofdier moet snoepen van de grazers is doorberekend in de bevolkingsgrootte van de prooi, en hoe gruwelijk het verliezen van een kuddegenoot ook is, je weet dat het roofdier enkel pakt wat hij verorberen kan en niet meer. Op die manier is de leeuw een soort beschermheilige van het savannegras dat anderzijds wellicht uitgeroeid zou worden door onbegrensde antilopen en andere hongerige herbivoren. Alles is op die manier in een constante strijd voor de eigen bevordering en door de gewaagdheid van alle deelnemers aan elkaar ontstaat een zichzelf-optimaliserend-equilibrium dat enkel verstoord kan worden door acute veranderingen in het klimaat, en anders rustig voort blijft dobberen op de melodie van Gods cadens.

Kl-klak K-klok K-klak Kl-klok
kgh . kgh . kgh . kgh .

Een brandend gevoel, als een vurige zweepslag, snijdt door haar torso en beëindigt haar dagdroom. Er is een geknars te horen op het pad.

Daar is ‘ie.

Ze hurkt, leunt achterover in het struikgewas dat haar lijkt te dragen alsof ze even licht is als de wind, heft haar armen en begint haar rechter elleboog naar achter te bewegen terwijl ze met haar hand aandachtig de bevedering van haar pijl vingert. De andere arm hangt strakgespannen voor haar borst. Haar lichaam voelt wat onwennig, ze heeft nog niet bijster veel ervaring opgedaan als mens. En met goede reden. Ze schuwde de mensen een beetje. Mensen waren balansbrekers, egoïsten, een soort die niet leek aan te sluiten bij de harmonieuze commune van het dierenrijk. Van alle vormen die ze aan kon nemen vond ze die van het menselijk ras het meest oncomfortabel en ze merkte ook op dat de andere dieren terugdeinsden in haar aanwezigheid wanneer ze deze vorm aannam.

Het struikgewas waar ze zich in verstopt krioelt en begint zich om haar ledematen te wikkelen, het strekt zichzelf uit langs haar spieren en begeleid haar bewegingen. Haar blik volgt de punt van de pijl die geruisloos klaarligt in de gespannen omhelzing van haar ebbenhouten compositieboog. Het gekletter van hoeven op kiezelsteentjes wordt luider, duidelijker en komt stap voor stap steeds iets dichterbij. Het paard is te ruiken, evenals het mens dat erop zit. Dat mens dat het noodzakelijk had gevonden om een van haar zussen van het leven te beroven en te verkopen aan een man die haar vacht afsneed, haar ontdeed van haar huid en haar vervolgens aan een metalen haak had gehangen voor het hele dorp om naar te kijken.

Ze komen de hoek om.

Hij draagt een hoed, een bruine hoed, donkerbruin, met vlekken. En een lange donkergroene jas die tot zijn knieën komt en deftig over de flanken van het paard hangt. Om zijn schouder gevouwen zit een leren riem en naast zijn ongeschoren bruinbebaarde hoofd ziet ze twee glanzende tubes die aan zijn rug vast lijken te zitten. Zijn ogen zijn licht en onbezorgd en ze schijnen met een zekere speelsheid waar ze wel iets van zou willen lenen. De man kijkt rond en wijst haast instructief naar iets op de grond. Dan kijkt hij voor zich uit, recht in de richting van haar struik.

Ze schrikt wanneer zijn blik precies in die van haar valt. Hij is niet hetzelfde als de vorige keer dat ze hem zag. Hij heeft iets aandoenlijks haast, maar dat durft ze niet helemaal toe te geven aan zichzelf. Voor een héél klein momentje twijfelt ze.

Haar twijfelende gedachten gaan echter gepaard met het razen van de pijl richting het hart van de man en zodra hij die bereikt heeft stort hij met een luidkeelse kreun van het paard richting de grond. Hij probeert zich nog overeind te houden door zijn hielen in de zij van het paard te drukken, maar het lukt hem niet en wanneer hij eenmaal op de grond geworpen is door de kracht van de pijl en de pijn van de wond ziet ze tot haar grote schrik dat de man niet alleen is, en dat hij niet voor niets naar dingen op de grond aan het wijzen was geweest.

De cortisol wordt weggespoeld door een deluge van adrenaline en zakt naar haar onderbuik. Alle spieren die ze bezit spannen zich aan om te vechten tegen haar vluchtinstinct en zelfs de struik die haar omarmt lijkt haar te willen duwen in de richting van het kindje dat vol verbijstering en horror naar de grond aan het staren is. Het paard is wat radeloos in het rond aan het draaien en ze stopt voorzichtig de boog weg voor ze het pad oploopt en op het mensje afstapt.

‘Hoe heet je?’ Vraagt ze star aan het huilende jochie dat troosteloos kijkt naar het lichaam van de jager op de grond.
‘Wat is er met papa!?’ roept hij in paniek naar haar, als het enige andere mens in de omgeving en dus de bezitster van de antwoorden op al zijn vragen.
Ze heeft geen idee wat ze moet zeggen.
‘Ik weet het niet,’ liegt ze.
‘Papa!  Papa sta op! We moeten een hertje vangen, papa!’
‘Papa is aan het slapen, ben ik bang, jongen,’ probeert ze hem te troosten.
‘Wakker worden, papa!’ krijst hij met een beginnend besef van wat er aan de hand is.
Ze staat verstijfd en leeg van binnen te kijken naar de knul. Zijn onderlip trilt terwijl hij kijkt naar het ding dat ooit zijn vader was geweest. Plots begint het jongetje al snikkend door zijn tranen te zingen:
‘Waarom lig je in de dons
de dag is oh zo mooi
spring in de vijver
met een plons
kom op, kom uit de hooi…’ Verder komt hij niet voor de tranen weer meester van hem worden.
‘Het- Het spijt me…’
‘Laat me eraf! LAAT ME ERAF!’ Schreeuwt de jongen nu vol woede en verwijt, en hij steekt zijn armen vooruit zodat een volwassen iemand hem bij zijn oksels van het paard kan tillen.
Ze gehoorzaamt eerbiedig en probeert grip te krijgen op haar rondtollende maag. De jongen begint zijn vader heen en weer te schudden en luidkeels te huilen.
‘Wat is je naam, jongen?’ Vraagt ze voorzichtig terwijl ze tegen haar eigen oogvocht vecht.
‘F-Felix,’ snottert hij door zijn radeloze kreten heen.
‘Waar is je moeder, Felix?’ Hij heeft niet gezien waar de pijlen vandaan kwamen, bedenkt ze.
‘D-die… Ik, ik heb geen moeder, ik ben met mijn papa. We zijn alleen.’
‘…’

Een paar jaar later loopt ze met Felix over de markt. Een slagersvrouw is bezig het lokale wild op te hangen voor de verkoop. Ze kijkt naar de dieren aan de haken en vervolgens in de glinsterende ogen van de knul die haar doen denken aan zijn vader. Voor haar ogen flitst een beeld van de herinnering aan die dag. Wat er allemaal wel niet verandert is sinds die dag… Haar manier van lopen, haar gedachten, haar gevoel voor mode, ze zijn allemaal steeds menselijker geworden. Ze vangt haar reflectie op in plassen op straat en herkent zichzelf vaak pas na een seconde of twee.

Om voor de jongen te zorgen is ze meubelmaakster geworden, aangezien hout zich lijkt te buigen en vormen naar haar aanraking. Ze verlangt terug naar het leven hiervoor, het ongebonden bestaan in het wild waar ze haar geest met ieder wezen kon versmelten, maar ze is met de tijd ook van Felix gaan houden.

Af en toe neemt ze hem nog wel eens mee de wildernis in, waar ze met de jongen op haar rug door het bosbaldakijn klautert of tussen de bomen slalomt in de vorm van een panter of gorilla. Felix vouwt zijn armen stevig om haar nek en klampt zich met man en macht vast terwijl ze hem de behendigheid van de bosbewoners toont. Hij kan het goed vinden met de andere dieren, die hem niet als een bedreiging zien zonder zijn vader, en hij vertelt niemand in het dorp over de speciale krachten van zijn mama, want die titel heeft ze inmiddels verdient.

Een paar keer had hij aan haar gevraagd of ze hem wilde leren boogschieten, maar dat was iets dat ze niet over haar hart kon verkrijgen. Ze leerde hem voornamelijk omgaan met dieren van alle soorten en maten in de hoop dat Felix zou zien wat zij zag en met de tijd een wijs man zou worden die de wereld mooier achter zou laten dan hij hem aangetroffen had, want dat was de verantwoordelijkheid van de mens vond ze.

De jongen zit doorgaans vol energie en enthousiasme en praat alleen bij uitzonderlijke vlagen nog over zijn vader, hoewel hij minstens een avond in de paar maanden uitbreekt in de meest bittere tranen. Maar op die momenten voelt ze zich vreemd genoeg het meest met hem verbonden en huilt ze in een liefdevolle omhelzing met hem mee om de levens die ze verloren hebben. En bij elkaar vinden ze net genoeg moed en rust om de volgende dag met een lach tegemoet te zien.

Riet dù passaazj

In sommige culturen is achttien een belangrijke leeftijd. Het heeft een of andere symbolische betekenis als overgang van de jeugd naar de volwassenheid en gaat vaak gepaard met een indrukwekkend ritueel waar je vuurmieren om je ballen heengewikkeld krijgt of een liter regenwoudLSD moet consumeren om zo door een overweldigende ervaring in de tweede fase van het leven te belanden. De volwassenheid. Vrouwen hebben al iets van zichzelf om ze te vertellen dat ze vrouwen zijn, maar mannen niet echt tenzij het hele dorp om een masturberend jochie gaat staan om te zien of er aan het eind al spul uitkomt, maar dat is niet echt praktisch, dus er moest iets stoms voor verzonnen worden blijkbaar.

In onze cultuur is het ook wel een ding. Je mag vanaf je achttiende autorijden, je mag de nationale drugs nuttigen, het leger in, alle films kijken, stemmen op je volksvertegenwoordiger, seks hebben met alle andere mensen boven de achttien, dat soort dingen.

Toen ik zelf achttien was ontving ik ook mijn lading aan volwassenheidstraining. Het was zelfs netjes verwikkeld in één gebeurtenis. Iets dat me niet zozeer direct het besef gaf van mijn ontluikende mannelijkheid, maar me wel overtuigde dat deze wereld écht was, en dat mijn voorstellingen en zorgen en angsten echt waren. Dat ik niet in een jarenlange koortsdroom verkeerde waar geen einde aan kwam, maar dat het leven zelf de nachtmerrie was. En dat het allemaal nog véél erger kon dan ik voor mogelijk hield. Ik dacht tot dan dat de show bekend was, de acteurs gevestigd en het script bepaald, maar ik had geen rekening gehouden met de wispelturige regie die schaamteloos dood en verderf zaait en ellende regent op dagen waar het eerst enkel licht bewolkt was geweest.

Ik vind het moeilijk om hierover te schrijven. Zelfs nu probeer ik krampachtig metaforen te verzinnen om de banale bedroefdheid van mijn gemoedstoestand te verdoezelen in een hooghartige woordenschat. En ergens moet dat ook wel, want de zinnen: Ik ben zo ontzettend verdrietig en de leegte die ik aan mijn zij voel kan enkel gevuld worden door iemand die niet meer bestaat, ik voel me schuldig en zoek obsessief naar geruststelling, maar ik kan dit amper accepteren van mensen die niet jou zijn, of: Ik durf niet meer te dansen in dezelfde wereld die jou van mij afnam, klinken allemaal zo belachelijk simpel en niet-sympathiek-zielig wanneer ze op zichzelf staan. Alle oprechte jammerklachten klinken eigenlijk als aanstellerij van een zeurpiet vind ik, mijn eigen incluis. Voor de meest zielige waarheden heb je soms zelfs een heel boek nodig om geen gay ass faggot ass pussy ass whiny ass lame ass cliché ass supine ass protoplasmic ass invertebrate ass jelly ass candy ass dough boy te zijn, of je moet net genoeg roem hebben om het tot een memequote te halen.

Ik ben een paradijsvogel die tientallen jaren zijn veren heeft gepoetst om vervolgens te moeten optreden voor een afgebrand regenwoud.

Goed, mijn ontgroeningsritueel, mijn riet dù passaazj, was een paradox. Want hetgeen dat mij leven gegeven had besloot het leven niet meer waard te vinden. En dat is best wel een lastige. De persoon die me uit bed moest praten, die mijn tranen moest stoppen, die mijn problemen moest aanhoren, die mijn tienertemperament moest temmen, die persoon die het leven gaf en voorzag van liefde en soms ook verwaarlozing, die persoon dacht op een gegeven moment dat de dood beter was dan nog een dag in haar lichaam ontwaken. Die dacht dat de dood beter was dan al het andere. Al die kutargumenten en schuldgevoelens en citaten en grapjes en onzekerheden en angsten en nervositeit ging ze tegenin toen ze besloot: Nee. De dood is beter. Ik hoef niet meer te hopen op betere dagen. Ik wil niet meer zien wat er nog te vinden is. Ik erken dat ik van jullie houd, maar dit is wat ik wil. Ik stel me niet aan, ik hoef geen aandacht, ik reageer niets af, ik weet dat de Aarde ook mooi kan zijn, ik weet wat voor schatten er begraven liggen in de dieptes van menselijke ondernemingen, ik ben geboren en ik heb gebaard, ik ben geslagen en gezoend, ik heb gelachen en gehuild. Ik ken het leven, ik heb er meer dan veertig jaar aan meegedaan, maar nu is het klaar.

Best verwarrend. Geen brief ook. Niets. Ze ging van een afstandelijke aanwezigheid (want mijn ouders waren gescheiden) naar een mysterieuze absentie. En daar was ik dan. Zonder moeder, ruzie met mijn vader, broer in het slaaphuis, geen diploma, dikkig en depressief. Ik werd nooit geslagen vroeger, of misbruikt, dus ik dacht altijd dat mijn gezin prima was, dat er misschien wel iets hier en daar niet helemaal klopte, maar dat het over het algemeen net als de andere huizen was bij mij thuis. Maar nu besefte ik me dat er iets anders was. Dat ik misschien wel een van die zielige kinderen van tv was.

Weet je wat kut voelt? Vroeger als kind te horen krijgen dat je talent hebt voor taal en komedie en acteren en muziek en schrijven en expressie en alles dat je persoon met de wereld deelt door middel van creaties en dan naar de tv kijken en zien dat alle andere “artiesten” altijd pijn hebben en over pijn schrijven en beroemd worden met dat ene nummer of dat ene gedicht dat ze speciaal voor een overledene geschreven hebben en dan heel graag een beroemd artiest willen worden en bij jezelf stiekem wensen dat je pijn krijgt om over te schrijven en dan een van je ouders verliezen aan zelfmoord en tot de realisatie komen dat dát hetgeen is waar je zo onwetend op zat te hopen en je vervolgens schuldig voelen bij alles dat je creëert omdat ieder werk een traptrede moet zijn naar dat grandioze tribuut aan haar, je schuldig voelen omdat een tekst meerwaarde zou moeten dragen doordat ik getraumatiseerd ben ook al weet de lezer daar niets van, je achterbaks voelen omdat je de meest misselijkmakende ervaringen moet gaan uitbuiten voor andermans plezier, je hopeloos voelen omdat geen woord of collectie aan woorden ooit kan overbrengen hoe ik me voel wanneer mijn wezen huilt bij de herinnering aan haar en tot slot je compleet verpulverd wanen wanneer je beseft dat je kunt maken wat je wilt, maar je moeder het toch niet zal zien. Dat degene voor wie je het maakt “niet meer bestaat” wat dat dan ook mag betekenen.

Mijn voedingsbodem werd een moeras.

Ik weet niet wat ik ervan geleerd moet hebben. Ze zeggen alles heeft wijsheid en tijd heelt alle wonden blablabla, leuk allemaal. Ik kan prima nadenken, de voor de hand liggende lessen zijn dat het leven soms écht te veel kan worden, dat ik niet heilig ben, noch speciaal, noch “normaal”, dat ik maar gewoon een kind ben van een stel mensen, dat die mensen niet onaanraakbaar zijn, dat ze een hele hoop verkeerde keuzes hebben gemaakt in hun leven, dat ze allebei van elkaar afhankelijk leken te zijn omdat ze te zwak waren om op eigen benen verder te gaan, dat ik niet de goede kant op zal groeien als ik ambieer zoals mijn ouders te worden, dat er een aantal kernelementen van mijn persoonlijkheid zijn die ik zal moeten veranderen om de erfelijkheidszonde van me af te schudden, dat het écht fout kan gaan, dat niet iedere vorm van liefde goed is voor degene waar je van houdt, dat ik het probleem kan zijn, dat ik misschien vervloekt ben met een hersenspinsel waar ik pas over twintig jaar grip op krijg, nadat alles ineengestort is.

Ik heb nu bijna tien jaar gehad om erover na te denken en lessen te trekken, maar iedere les die ik eruit haal is als een schimmel op mijn ziel. Er is niets dat ik heb geleerd van haar dood dat me inspireert, dat me vreugde geeft, dat me geruststelt. Het is een probleem dat nooit zal worden opgelost. De enige manier om het gestaag te verwerken is door te gaan met leven in een wereld die ik überhaupt niet altijd even leuk vond, maar dan zonder de enige persoon die onvoorwaardelijk van me hield. Het is erop vertrouwen dat opstaan, tanden poetsen, eten naar binnen douwen, werken, werken, pauze, werken, werken, werken, chillen, slapen en weer opstaan “leuk” gaat worden uiteindelijk. Dat ik na vijftien jaar werken erachter kom dat werken zo slecht nog niet is. Dat ik over de jaren zoveel spullen zal kopen dat ik genoegen neem met het apathisch in stand houden van mijn overbodige bezit. Het is blindelings aannemen dat de vreugde van het bestaan in de buitenwereld ligt in plaats van in mijn hoofd, waar vaak geen vreugde meer mag bestaan.

Wanneer ik aan je denk voel ik motten in mijn buik. Ik word in een psychische put getrokken door antiliefde en mijn vechtlust verandert in een gespannen ongerustheid. Je bent tegenwoordig een nucleus van leed dat in mijn midden pulseert zonder remedie. Je bent het gevoel van kramp in mijn hart, de erosie van mijn wil.

Het overstijgen van je pijn en het doorzetten ongeacht de mentale uitputting is wat je persoonlijke waarde bepaalt, maar het is ook iets dat je nooit precies kunt delen met iemand anders. Je kunt nooit aan iemand overbrengen hoe moeilijk iets precies was voor jou, je bent overgeleverd aan hun persoonlijke begrip van pijn en worsteling, wat zij op hun beurt ook niet helder aan jou kunnen laten zien of voelen. Pijn is daarom vaak heel eenzaam denk ik, omdat we mensen zoeken die onze pijn “waard zijn” voordat we haar delen. Je tranen worden niet gevoeld door een stalen gezicht en je gevoelens kunnen niet worden begrepen door onzekere hulpverleners, te druk bezig met vragen om te kunnen verstaan wat je zegt. We bewaken onze maladieën en laten ze broeien in de donkere nisjes van onze geest tot die ene persoon langskomt waarvan we allemaal weten dat hij/zij bestaat maar waarvan niemand precies weet wie hij/zij is. Dán geven we ons bloot en worden we óf even gekwetst, óf even gelukkig.

Om te weten dat iemand die minder eloquent is dan jij en minder intelligent dezelfde gevoelens heeft maar dat niet kan beschrijven op een manier waar jij trots op kunt zijn frustreert veel mensen denk ik en het zorgt ervoor dat ze elkaars gevoelens ondermijnen, en daarmee hun eigen. Maar taal is maar een krakkemikkig middel om gedachten over te brengen. Het is niet gemaakt voor iets als gevoelens, en dat maakt schrijven best wel een klotehobby als je hart zo vol zit als de mijne.

Nog één poging op iets zieligs dat door mijn hoofd spookt en waar ik me zorgen over maak dan: Ik denk al heel lang aan zelfmoord en de plusjes en de minnetjes en de waarom welles en nietes, en ik zet de gedachte altijd wel weer van me af doordat ik iets zie dat me blij maakt, iets als een boom of een persoon. Ik kijk ernaar, betrap mijzelf op het hebben van een niet-suïcidaal gevoel en dat is de reden waarom ik niet zo moet zeiken. Dat is het bewijs dat ik me aanstel. Ik voel me een aansteller en denk dat als ik ooit zou praten hierover dat mensen me dan een schooier zouden vinden, omdat ik toch niet echt zelfmoord zou plegen, omdat ik dat niet zou durven. Omdat ik lui ben en onder mijn verantwoordelijkheden uit wil komen door te doen alsof ik zielig ben.

Maar daarnaast is er ook altijd een ander argument dat ik gebruik tegen zelfdestructieve gedachten: Er gaat een moment komen dat het allemaal beter is. “Het gaat goedkomen.” Er komt een tijd waarin ik terugdenk aan deze dagen en kan lachen om de strijd, om de stress. Er komt een moment dat zal voelen als een volledig ander leven, een andere soort geest in een ander lichaam, met dezelfde identiteit. Maar ik bedacht me vroeg vanochtend iets dat me angst aanjoeg: De wereld waarin “het goedgekomen” is bestaat niet. Dat is een ijdele hoop. Een sprookje. Een ideaalbeeld. Al sinds ik klein ben maak ik dit soort plaatjes in mijn hoofd en telkens kom ik er jaren later weer achter dat ze niet echt waren, dat het net zo goed scènes uit een niet-bestaande-televisieserie hadden kunnen zijn.

Ik voel me al jaren alsof mijn leven verspeeld is en de wereld ellendig en mijn toekomst zonder vreugde, alsof ik niet zo bijster veel zou verliezen indien ik mijn eigen leven zou nemen. Wanneer ik ergens naar kijk en een geheugenflits van vroeger voel waan ik me direct miezerig en ik snap niet waarom. In luttele seconden besef ik me dat ik me “net zo voel als vroeger” en direct wil ik weg, treur ik om het feit dat ik een verleden heb, komt er een realisatie van verslagenheid over me heen en ga ik met mijzelf in debat over de “waarheid” van dit gevoel. Zoals vanochtend, toen ik het ijsrandje om een herfstblad zag. Ik besefte me ineens met die overweldigende overtuigingskracht van de herinnering dat ik in dezelfde wereld leefde als dat ene moment een aantal herfsten geleden en direct zonk mijn hoofd naar mijn borst, vertroebelde mijn gedachten tot een misèremelange en werd ik bang om verder te gaan met mijn dag. Daarna werd ik nerveus over het feit dat dit gebeurde en toen begon het debat weer.

Wat kan ik in vredesnaam zeggen om jou te laten voelen wat ik voel? Volgens mij ben ik verre van een man zolang ik dat niet weet.

De Eerste

‘Hoe kunnen jullie meters verwijderd zijn van een monster en niets doen!?’ Roept de vrouw met pijn in haar hart en een overslaande stem.
‘Houd je bek, bitch,’ lacht een metgezel van het monster naar haar. Hij oogde minder succesvol en moest daardoor waarschijnlijk beter zijn best doen om erbij te horen. Ik zeg hier moest, maar dat moest natuurlijk helemaal niet en eerlijk gezegd zat niemand er echt op te wachten.

De man aan het tafeltje, ook wel bekend als het monster, is omringd door twee siliconentillende cocktalejurkjes met pikante botoxbakkesen daarboven. Hij weet een lachje tevoorschijn te toveren eer hij zijn visitekaartje naar de hysterische vrouw werpt en in de ogen van zijn palmsnoepjes afleest dat dat de alfa-zet was.

‘Dit is een speciale uitvoering, hij werkt ook als sleutel voor mijn penthouse suite in the four seasons downtown,’ knipoogt hij.

De vrouw begint te beven van angst en woede en ontploft bijna uit haar schoenen nu ze de ongegeneerdheid van deze man ziet. Ze heeft geen woorden, enkel blikken en richt die overal om zich heen, niet wetend waar ze het zoeken moet. Ze probeert te achterhalen of er iets in haar handtas zit dat scherp genoeg is, maar niets schiet te binnen.

‘Hij heeft onze zusters verkracht!’ schreeuwt ze paniekerig en met alle ernst in de ogen van de vrouwen naast de man. Ze reageren niet.

‘Ik ben blij dat we in een land leven waar jij jouw mening zo vocaal mag uiten, meissie,’ zegt hij vaderlijk tegen de dame, terwijl hij eens goed in zich opneemt wat er onder haar kleding schuilgaat.

‘Hoe… Hoe durf je?…’ Stammert ze radeloos. Ze kende de man alleen van de logo’s en het nieuws, ze kende alleen de misdadiger, het monster, de volksvijand, ze had zich niet beseft dat al die verhalen geen fysieke duivel betroffen, maar een mens, net als zij. Net als alle anderen.

‘Wat dóén jullie nog met dit walgelijke wezen!? HIJ IS EEN MONSTER!’

‘Haha, right? Dat hoorde ik ook inderdaad een keertje, hihi,’ doet de linker.
‘Mensen praten zo veel shit wanneer ze jaloers zijn, ugh,’ rolt de rechter met haar ogen
‘Right?’ doet ze weer.
‘Ja, hij is ten minste iemand, wie ben jij?’ vraagt de rechter met gefronste wenkbrauwen.
‘Ja, wat stel jij eigenlijk voor? Horen wij jou te kennen?’ gaat de linker verder.
‘Ik denk dat als je respect hebt voor jezelf dat er dan niets ergs kan gebeuren,’ besluit de rechter met een goedkeurende blik van haar leverancier.
‘Ja, en er zijn echt wel van die sletjes die het allemaal doen om geld. Ze moeten niet zoveel aandacht naar zichzelf trekken dat is wat ik denk, maar goed dat is gewoon mijn mening en zo begrijp je?’
‘HOE KUNNEN JULLIE IN GODSNAAM ZO ACHTERLIJK ZIJN DAT JU-‘
‘Sorry hoor, maar kan iemand deze vrouw verwijderen? Ze schreeuwt zo. Dat is niet netjes,’ roept de man vervolgens.

De vrouw ziet drie kasten van mannen aan komen wandelen die haar eerst vriendelijk verzoeken te gaan, tot ze haar onder de oksels pakken en meesleuren de tent uit. De man in het midden heeft een blik in zijn ogen waar ze meer in leest dan hij mogelijkerwijs gevoeld kon hebben op dat moment. Alsof ze een boodschap van hem af kon lezen die in zijn gezicht geschreven stond. Het emotionele manifest van zijn gelaat:

Ik zal toch nooit verantwoordelijk worden gehouden en ik ben te belangrijk om niet te krijgen wat ik wil. De wet is niet van toepassing op mij. Honderdduizend vrouwenstemmen zijn minder waard dan mijn fortuin. Ik ga straks deze trut naast me verscheuren voor dit grofgebekte kutwijf die mijn avond zomaar komt verstoren. Ze weten hoe het gaat, ze doen er zelf aan mee, ze komen niet voor niets bij me, misschien is dit haar fantasie wel, misschien betaal ik dezelfde kleerkasten om je even een rondje om te laten maken met ons. Je bent vuil. Weet je dat? Je bent absoluut onomstotelijk onmiskenbaar onlosmakelijk vuil voor mij, want ik heb meer dan jij en je hele loederfamilie in vijf generaties kunnen verdienen. Dat betekent dat ik zelfs met je dochtertje zou mogen spelen zonder dat je daar iets aan kon doen. Misschien doe ik dat wel. Misschien laat ik je wel bezwangeren en zie ik daarna of ik je dochtertje mooi genoeg vindt wanneer ze die heerlijke leeftijd bereikt. Zó veel macht heb ik, lieve jonge sappige schat. Zó veel macht. Dus kóm dan. Wat wil je doen?

Eenmaal op straat hoort ze het geloei van sirenes en het zingen van kogels; een ongemakkelijke ladder van quasi-dissonante klanken, gevolgd door pijnkreten die enkel uit een uitgemergelde ziel kunnen komen. De jammerklacht van generaties die bezweken onder hetzelfde lood dat deze organen perforeert. Ze surveilleert de scène en ziet agenten overmand door gejuich en gefluister onderling. Een andere agent wijst ineens in de verte en roept
‘Daar is er nog een!’
Het korps besluit snel wie er achter moet blijven om aan de officier moet gaan uitleggen hoe de vorige doodging en rukt dan direct weer uit.
‘Het is net als GTA!’ Zegt een van de biggen enthousiast tegen zijn vriend terwijl hij de passagiersdeur van de auto opent.

Uit het veld geslagen door de kakofonie van leed dat zich overal om haar heen steeds sterker laat klinken besluit de vrouw zich naar huis te haasten, weg van de nachtelijke taferelen. Ze strompelt wat misselijk over de stenen paden en struikelt haast over de daklozen die om de twintig meter zitten te verleppen en hun ruggen tegen de eindeloze muren leunen. Ze vroegen eerst nog om wisselgeld aan de treurige voorbijgangers, maar niemand heeft wisselgeld.

Het weer is miserabel, het voelt als een halfgare versie van het seizoen dat het hoort te zijn, alsof zelfs de atmosfeer niet echt meer zijn best doet. De kou heeft geen beet en de warmte wakkert geen passie meer aan. Het temperamente toneelstuk dat zich ooit onder de zon afspeelde was een soort ijdel najagen van kunstmatige ideaalbeelden, bewerkte plaatjes en filmfragmenten geworden. De wereld van het spektakel, de wereld van het veredelde bekekene en het meedogenloze exhibitionisme. Het huis van de geprogrammeerde mens.

Er ligt een fijngestampt restant van een colablikje dat nu meer wegheeft van een hockey puck voor haar voeten en ze trapt ertegenaan. Het blik schraapt en ratelt en komt een meter of acht verder weer tot stilstand. En hoewel ze normaal gesproken altijd voor de tweede trap ging, en de derde, was de straat nu rustig genoeg om het blikje helemaal naar huis te trappen, maar had ze er geen zin in. Ze trapte tegen het ding aan en voelde niet wat ze normaal voelde.

Voorheen wanneer ze tegen een blikje trapte op straat sprong er een vonk van enthousiasme door haar hoofd. Met de eerste trap was het spelletje begonnen en kon ze stoeien met alle gedachten die horen bij het naar voren trappen van dingen op straat; hoe vaak kan ik hem raken, zitten er mensen in de weg, heb ik zin in cola, waar gaat het landen, hoe hard moet ik trappen, hoe hard kán ik trappen?
Maar dit keer trapte ze tegen het blikje aan en dat was het.
Ze had net tegen een oud blikje aangetrapt.
En nu lag het in plaats van hier daar.
En het had wel een geluid gemaakt, maar dat was toch ook wel te verwachten dacht ze. Wat dom eigenlijk. Waarom vond ze dit leuk? Ze zette een paar stappen en het blikje kwam dichterbij. Haar instinct wilde alweer de hak naar achter gooien en de punt tegen het aluminium rossen, maar er was geen ondersteunend gevoel dat de voet in beweging zette. Ze keek naar het blikje, was zich volledig bewust van de normale gang van zaken, maar kon niet de moeite opbrengen om daaraan mee te doen. Wat bereik je daar ook mee? Dacht ze tegen zichzelf. Ik ben geen kind meer…

Vanuit het zwart van de hemel begint het te regenen. Ze denkt aan een grap die iemand eerder had verteld in de comedy club, de verteller was even boos als bombastisch geweest:wat is het verschil tussen een Irakese moslim en een Chinese moslim? Chinese moslims bestaan niet. Wat is het verschil tussen Irakese moslims en Amerikaanse moslims? Irakese moslims krijgen wél geld van de Amerikaanse regering om hun leven structureel te veranderen. Wat is het verschil tussen een Sunni en een Shi’a moslim?

Ja precies, boeie… Who cares? 
En tot slot, na wat venijnige blikken het publiek in, had deze boze komediant geroepen: ‘Jullie denken allemaal dat je zo heilig bent. Maar als de chinezen organen oogsten van hun concentratiekampslachtoffers, wat doen ze dan met de doden in de ICE kampen denk je? Een persoon is 2 miljoen waard wanneer je zijn organen verkoopt, je denkt dat die kapitalistische jakhalzen geen nieren en levers verhandelen van kansarme migranten? Jullie worden allemaal voorgelogen! Wij zijn China! Wij zijn de monsters! Hitler leeft! Mao leeft! Mussolini leeft! Stalin leeft! FUCK JULLIE! FUCK AMERIKA! WIJ ZIJN DE KANKER!”
De mensen in de zaal hadden kostelijk gelachen.

Ze had als klein meisje altijd gedacht dat het leven magisch was en de mensen speciaal. Dat we allemaal een geweldige unie vormden van wezens die zich even bezeten voelden door dat prachtige sprookjesverhaal; een wereld in harmonie. Ze had gedacht dat haar leven te spelen zou zijn als de computerspelletjes. Dat ze een soort kriebels in haar borst zou voelen bij het beseffen dat ze leefde, vergelijkbaar met het verslaan van een eindbaas. Dat het behalen van haar doelen en het verwezenlijken van haar dromen iets zou uitrichten. Dat de wereld wijzer werd met haar. Dat ze er toe dééd. Dat ze iets wáárd was. Maar eigenlijk, nu ze in de verte weer een automatisch magazijn geleegd hoort worden en terugdenkt aan de man van eerder, maakt ze helemaal niet uit en kan ze helemaal niets. Ook al weet de hele wereld van de duivel, en sta je er letterlijk naast, met beide vingers te wijzen terwijl hij op rituele wijze een zooi maagden offert, het maakt niet uit. Het maakte allemaal gewoon niet uit. Alles ging door zoals het was en gerechtigheid kwam niet. De meest verwerpelijke mensen waren toevallig het meest machtig en jij was niet gelijk wanneer het hen niet uitkwam. Zo simpel was het.

Ze heeft honger, maar het enige voedsel dat de stad aanbied op dit tijdstip is verzadigd met reuzel en plastic en verspilling en het stillen van haar honger doet waarschijnlijk meer kwaad dan zij goed kan doen met de geabsorbeerde kilojoules, dus waarom zou ze eigenlijk? Het was haast arrogant om eten te halen. Je deed anderen pijn met het voeden van jezelf. Moest je het dan wel doen? Was je dat waard? Had jij dat verdiend? En hoe kon ze ooit een fatsoenlijke woning vinden voor die zonnige toekomst als ze dingen als snacks kocht? Ze moet sparen, want ze heeft een kind nodig en ze werkt voor een bedrag dat na honderden jaren protesteren en terreur en sluipmoord en samenzwering en massamoord en onderdrukking tot stand is gekomen en nu gehanteerd moet worden als het absolute menselijke minimum waar een werkgever mee weg kan komen. En meer gaan ze dan godverdomme ook niet geven ook, want rechtszaken zijn duur en mensen zwijgen niet voor niets. Haar maag knort door, maar ze besluit voor honger te kiezen.

Serieus?
Nee, nee, wacht even.
Ik heb honger.
Waarom zou ik niet eten?
Hoeveel erger kan ik zijn dan hij?
What the fuck doe ik eigenlijk fout?
Als ik eerder had gegeten had ik nergens last van gehad, maar dat kon niet want ik had geen brood of fruit meer thuis, maar ik was het gister vergeten te halen, maar ik was ook te druk bezig met het voorbereiden van mijn set, maar je hebt altijd problemen met werk en privé gescheiden houden en je zorgt niet goed voor jezelf, je kunt voor geen flikker plannen, maar de rest gaat eindelijk iets beter, maar als je het ene vertikt te doen heb je weer tijd voor de rest, dat is makkelijk praten, maar god, oh god wat ben ik moe. Hoe kom ik hierop? Waarom zit ik altijd mijzelf af te straffen? Ik denk zoveel klotedingen dat ik amper meer vooruitkom, maar los je problemen op dan, dan heb je er geen last meer van, maar ik los al jaren problemen op, het houdt niet op, het blijft stapelen en stapelen en het gaat nergens heen tot de dood me neemt, maar hoe lang nog? Hoe lang nog? Maar wacht hoe kom ik hier op? Oja ik heb honger. Ik heb écht zin in wat eten, gewoon iets lekkers. Net als vroeger… Ik ren morgen harder en weiger de komende vijf snoepjes van mensen, ik heb iets nodig. 

Ze neemt plaats in een pizzakebabzaak en bestelt een broodrol met groenten en vlees. Op de tafel ligt pizzabestek. Een vork en een scherp gekarteld mes. De regen buiten klettert nog wat tegen het raam en gaat vervolgens liggen. De man achter de toonbank schaaft wat korsten van de rondtollende schapenbout die smakelijk naar beneden vallen en zich ophopen in een bak daaronder. Op de televisie die bovenin een hoek hangt is een foto te zien van een man die zichzelf recentelijk van kant gemaakt heeft, of ten minste, dat is wat ze wilden dat we dachten. Hij had het mentale strafblad van een Dutroux gehad, maar geleefd als een Dagobert Duck. Bleek dat Dutroux zijn niet tegen de wet was, niet genoeg nullen achter je naam hebben was tegen de wet. Nog zo’n geweldige demonstratie van de zalige rechtvaardigheid en eerlijke balans in onze nobele samenleving. Wat werkten we toch allemaal voor aimabele doelen.

De dürüm wordt geserveerd en ze staat op het punt een hap te nemen wanneer ze buiten geschreeuw hoort. Niet zomaar geschreeuw, maar verwend wijvengeschreeuw. Een geluid uit duizenden. Het is een soort gejoel dat alleen afkomstig kan zijn van halfdronken spoedpoezen die voor het eerst uit een limousinedak hangen en de hele stad dat moeten laten weten.

Ze herkent de stem van eerder.
Ze kijkt naar buiten en ziet een stoplicht naast het raam op rood springen. Het nietsvermoedende meisje en de desbetreffende bolide komen in zicht. Ze verdwijnt even terug de auto in en komt tot slot weer boven met de man naast haar. Als een soldaat die  zijn hoofd een moment boven het loopgraf heft om de zoete buitenlucht te mogen proeven.
‘Wooooooooeeeee!!!! HOLLYWOODDD!!!’ Zeurt het centre fold model de nacht in.
‘Hahá! Yeah! Hollywood!’ Probeert de man met overtuiging te roepen, maar hij is veertig jaar ouder.

Het is nu of nooit. 

Ze bedenkt zich geen moment, legt haar broodje neer, wikkelt haar palm om het lemmet en wandelt vastberaden naar buiten. Het stoplicht schijnt dezelfde kleur rood als altijd, de gebouwen vernauwen de hemel, de brede stoep zakt vijftien centimeter naar beneden om plaats te maken voor de straat. Ze is nog geen paar meter verwijderd. Ze bedankt zichzelf dat ze sneakers draagt vandaag. Ze rent richting de auto, zet zich af, werpt zich op het dak nog geen halve meter bij de twee feestvierders vandaan, heft haar hand en voor iemand er erg in heeft dompelt ze het mes in de nek van het monster, die voor het eerst sinds ze hem kent een blik van oprechte angst en verbijstering draagt. Hij is verwilderd en paniekerig aan het sputteren en hij reikt naar zijn nek terwijl het gorgelen en de klonten haar concentratie opeisen. Ze rukt het mes eruit, trekt aan zijn haren zijn hoofd naar achter om een goede blik in haar ogen te bieden en ze steekt hem nogmaals terwijl ze hem aankijkt. Onder het genot van de doodsangst die uit de ogen geprojecteerd wordt stuwt ze de punt van haar pizzames door zijn hart. Ze kijkt hem aan:
‘Er is geen penthouse op de begane grond. Hier sterf je net als wij, zonder dat iemand er iets aan kan doen.’
‘Het.. Het spij… Het sp-,’ sterfstottert het monster
‘Dat boeit me niet. Niemand geeft meer om je spijt. Iedereen wilt dat je sterft. Dit is wat je verdient,’ zegt ze terwijl ze een laatste horizontale hap uit zijn strot neemt met de gekartelde tanden van het mes.

Het gekrijs van de golddiggers alarmeert de chauffeur en hij poekt hem over het kruispunt zonder medelijden. Verkeersboetes betekenden toch niks voor hem, daarmee veegde zijn baas zijn reet af. De vrouw op het dak raakt haast in shock, keldert weer terug de wagen in samen met het lekkende lichaam en gaat daar verder met traumaverwerking. De andere vrouw valt van het dak af en klapt neer op de natte straat. Ze staat snel op, ontwijkt een langsrijdende taxi en rent naar de kant, terug naar de pizzeria om het mes terug te brengen en haar dürüm op te eten. De man achter de toonbank kijkt naar haar, maar beweegt zijn lippen niet. Pas wanneer ze een paar happen van haar eten verder is en de sirenen zich beginnen te melden in de verte spreekt hij:

‘Was dat ‘m?’
‘Dat wás ‘m.’
‘Dat is erg dapper van je.’
‘Het lost het probleem niet op, maar het is er weer eentje minder.’

Even later wordt ze opgepakt en overhoord. Ze legt haar verhaal uit en zegt dat ze zich nog nooit zo goed heeft gevoeld. Ze heeft eindelijk iets échts gedaan in de wereld. Ze heeft iets veranderd. Ze heeft honderden mensen gerustgesteld met haar daad. Ze heeft het kwaad vernietigd. Ze is een heldin. Ze heeft een onaanraakbaar monster ten val gebracht. Ze heeft iemand die boven de menselijke wet stond gereduceerd tot een slaaf van de natuurwetten. Ze roept mannen en vrouwen over de hele wereld op om hetzelfde te doen. Er is maar een gigantisch minieme elite die zich moet bewegen door de massa’s van het gepeupel. Ze zijn nooit veilig. Het volk is de ultieme terreur voor de gegoede burgerij en zij die ons willen bespelen, want al hun bewegingen vinden plaats in de zee van ons. Er is geen welvarend zwijn dat zonder zijn obers kan leven, zonder zijn huismeisjes, zijn chauffeurs, zonder buitenlucht. Als de wet deze mensen niet meer in toom kan houden is er geen andere optie dan ostentatieve moord als waarschuwingsmechanisme. Je hebt ons te respecteren. Wij laten ons niet misbruiken zonder weerwoord.

Ze heeft geen persmoment gekregen en doet nu levenslang voor monstermoord. Maar dat is wat een heldin doet, denkt ze, haar eigen leven geven voor de verbetering van anderen.

Geen Titel

Ik bekeek net wat videobeelden van mensen uit Hong Kong en ineens kreeg ik het brandende verlangen om de politie dood te schieten. Om de ME te mutileren, om met een scherpschutgeweer ergens in een toren te klimmen en langzaam maar zeker de mannen met schilden hun achterhoofden te laten ontploffen onder de druk van mijn kogels. Ik begon bijna te bidden voor een genocidale maniak die onaangeraakt door de massa’s van uniformen kon baggeren, ieder aan-de-staat-gehoorzaam wezen op zijn pad slachtend voor de ogen van zijn kameraden. Ik zou zo graag mierentactieken zien in de straten daar, waar de ledematen worden afgerukt terwijl het gezicht van de onderdrukker ondergetuft wordt met een vleesetend zuur. Ik zie een agent sprinten en een snoekduik maken voor een weerloze jongeman. Ik zie agenten met zijn achten inraggen op omstanders. Ik hoor het schreeuwen om hulp, maar welke andere hulp is hier mogelijk behalve een moordlustige eliminatieronde van de megalomane gummyknuppelzwijnen? Wat kun je doen tegen de staat behalve campagnes van terreur? Behalve brute slachtingen van hun best bewapende stukken tuig? Want is dat niet precies wat de tactiek is van willekeurige burgers in elkaar klappen? Angst? Afweren door middel van doodsvrees? Is terreur niet ook gewoon het laatste middel van de staat om gehoorzaamheid af te dwingen? Balanceren deze territoriale disputen niet allemaal op een worst-case-scenario slachtingsprognose en sterfecijferinschattingen en hoeveel doden te overzien zijn m.b.t. de economie en de positie op de globale competitieranglijst? Buigen we niet iedere dag voor de best georganiseerde misdaad op Aarde? Accepteren we niet iedere dag dat moord soms noodzakelijk is om te krijgen wat je wilt? Aanvaarden wij niet met iedere tank benzine die we volpompen dat mensen moeten sterven om beleid te veranderen? Kunnen we ooit van een droge revolutie spreken? En kun je op een internationale autoriteit vertrouwen om zichzelf gestaag te ontmantelen? Is dat reëel? Is het redelijk om aan de rijksten te vragen wat op te geven? Is het redelijk om aan politici de wensen voor te leggen van hen wiens stem niet uitmaakt? Of moeten de obstructies gewoon weggehaald worden? Moet er schoongemaakt worden in de hoogste echelons? Verdienen de aandrijvers niet een keer de zweep?

Maar goed, het is ook niet hún schuld natuurlijk. Zij doen ook hun werk maar. Misschien zijn ze zich wel helemaal van geen kwaad bewust.

Ik wel.

En ik kan niets anders voelen dan slachtingsijver bij het zien van dit erbarmelijke lot.

Egomongolen

NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
misschien is het verstandig om elkaar een kans te geven en
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
maar als iedereen zo hard aan het schreeuwen is dan
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
ja, jongens, het wordt er niet beter op op deze manier. zien jullie niet
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
dat jullie eigenlijk allemaal hetzelfde willen
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
maar te bang zijn gemaakt door de chaos
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
om ons heen om nog geciviliseerd te kunnen discussiëren?
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
heeft dit zin? luistert er iemand?
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
jongens, dit gaat gruwelijk fout op deze manier, houd op
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
het schreeuwen is deel van het probleem! Waarom luisteren jullie niet?!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
Verdomme, jongens, wat jullie op het punt staan te vergooien is meer waard
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
Dan jullie gelijk! Geloof me nou!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
GODVERDOMME LUISTER NAAR ME! WE MOETEN DOEN WAT IK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!
NEE, WAT WE MOETEN DOEN IS WAT ÍK ZEG!!!

En we stierven allemaal met onze eigen “ik zei het toch”, maar dat maakte niets meer uit.

Gefrustreerde Nerdjes

Hoofdstuk 1

Er is een wereld en er is de kelder waar dit verhaal over gaat. Tegen alle muren staan bureaus met monitoren erop en computers ernaast. Het ruikt naar zout, zweet en zaadresten. Er is een poging gedaan om dit te maskeren met deo, maar het zorgt alleen voor een smerige nevel van kleedkamermufheid. Om een kleine houten stoel gevouwen zit een hompige klomp vet met een hangnek en spekkige borsten. Zijn ongewassen haren heeft hij in een staartje geknoopt, de puspukkels rond z’n waffel staan op het punt van spuiten en rond zijn vingers zitten afgelebberde doritoresten en toetsenbordsmeer.

Hij is vandaag eindelijk toegelaten tot het familieaccount en kan niet wachten om een bepaald spel te downloaden en installeren. Al zijn grote broers en zussen spelen het en praten er nu al eeuwen over. Hij was de jongste van het gezin en hij is vandaag extra vroeg opgestaan om als enige stiekem in de kelder aanwezig te zijn waar zoveel computers staan, sommige nieuw, sommige oud, sommige verlaten, sommigen bijzonder populair, zelfs voor de buurtbewoners die wel eens komen kijken wat er zoal gebeurt in de spellen.

Hij kijkt naar het scherm, klikt op “profile”, “games” en ziet halverwege de lijst “The Division” staan. Hij klikt erop, drukt op download en gaat achterovergeleund de nieuwe haren tussen zijn navel en geslachtsdeel inspecteren terwijl de megabytes worden binnengehaald.

Dit was het béste spel ooit gemaakt zeiden zijn broers en zussen, het toppunt van technologie. de AI was volledig onvoorspelbaar en schijnbaar willekeurig, maar kon in grote lijnen geleid worden door de spelers. Vaak waren ze in de kelder tot laat in de nacht aan het spelen, stonden ze bij elkaars schermen te kijken en joelden ze luid om de dingen die daarop gebeurden. Tijdens het ontbijt discussieerden ze over de beste tactieken, op school schreeuwden ze memes van de vorige dag naar elkaar en bij thuiskomst doken ze allemaal direct de kelder in om verder te spelen. Nu was het eindelijk zijn beurt.

De download is klaar. Installeer. Ik accepteer. Ja dat weet ik zeker. Start.

The Division

Single Player

Multiplayer

Options

Leaderboards

Exit Game

Hij klikt op Single Player.

Tutorial

Campaign Mode

Scenario

Hmm, tutorial? Heb ik dat nodig? Wat kan er nou foutgaan op het begin? Als ik iets niet snap leer ik het spelenderwijs wel of vraag ik het aan iemand hier. Scenario klinkt leuk, maar de campaign is waar eer te winnen valt.

Dus hij klikt op campaign. Er verschijnt een groot menu met allemaal opties en voorkeuren die hij in moet vullen. Hij is een beetje overweldigd, maar hij durft nog niets aan zijn broers of zussen te vragen want die gaan hem sowieso uitlachen en allemaal vervelende settings instellen om hem te jennen. Daarom zit hij hier nu juist alleen. Hij kijkt wat rond en besluit voor de volgende instellingen te gaan:

Difficulty – Deity
Teams/Free for all – Free for all
Map type – Continents
Weather – Temperate
Sea/Ocean levels – Slowly rising
Starting Era – Ancient Era
Game speed – Normal
Victory conditions – Domination
Barbarians – Raging barbarians

‘Oké, let’s go,’ zegt hij en hij klikt op “Start Game”.

Zijn computer maakt een kabaal terwijl het scherm flitst en een soort licht produceert dat niet te vinden is in een van de bekende universums zo fel is het. Het schijnt door hem heen en deelt zijn essentie op om het in de game te plaatsen.

Hij gedijt in een leegte en voelt zijn wezen zweven in het pikkedonker.

‘Wat?… Waar is het licht? Waarom zie ik niks?’

De server reageert door het licht te maken en hij ziet dat hij niet zomaar ergens zweeft, maar vastzit in een uitzichtloos lichaam van water.

‘AHH NEE IK HAAT ONDERWATERLEVELS! Hoe kom ik hieruit!? Jongens!? Ik haat onderwaterlevels!1!!’ schreeuwt hij zonder geluid.

De wereld scheurt in tweeën en het water scheidt zich af van elkaar wat ruimte geeft aan een luchtige leegte daartussenin en de hemelen daarboven.

‘Pfoe. Oké. Wat ademruimte.’

Ineens verschijnt er voor zijn ogen een menu zoals eerder op het scherm te zien was met de vraag:

“Is het goed zo? Ja – Nee”

‘Nou, ja op zich, maar nee. Waar is al het spul? Er is alleen maar water. Ik wil spul.’

Het water lijkt te gedijen naar een zekere richting en wordt als door een afvoerput afgevoerd. Waar eerst enkel water was verschijnt nu een kale landmassa tussen de oceanen.

‘Beter, beter. Oké en nu wat plantjes. Waar zijn de opties eigenlijk?’

Planten beginnen te ontspringen aan de wereld en zich te wikkelen rond de eerste stompjes van bomen.

‘Wow, dit spel is zó cool. Ik hoef het me alleen maar in te beelden en het weet alles dat ik wil doen en maken,’ zegt hij, zonder zichzelf te horen.

‘Oké en dan nu voor wat beweging. Leef!’

En met die gedachte wordt de zee gevuld en krioelen er kleine amfibieën rond de stranden die honderden meters verderop veranderd zijn in kleine knaagdiertjes en vogeltjes. Ze bewegen allemaal op vrij willekeurige wijze, maar worden voortgedreven door een autodidactisch script dat zichzelf langzaam leert waar het de vorige keer de fout inging om het de volgende keer beter te doen. Ze bezitten genoeg processorkracht om naar voedsel te zoeken in hun eentje of met een groep en de hoeveelheid voedsel bepaalt in hoeverre het script vermogen heeft zichzelf te reproduceren en te updaten.

“Is het goed zo? Ja – Nee” Vraagt het menu weer.

‘Ja, maar nee. Er mist nog één ding. Mijn poppetje. Ik wil een poppetje van het leven hier zijn. Maar hoe doe ik dat?’

‘Avatar!’ Roept hij in zijn gedachten.

Niets.

‘Laat me leven in mijn spel, geef mij een lichaam en een brein. Laat mij voelen wat ik geschapen heb.’

Het scherm verschijnt weer voor zijn ogen, maar dit keer geeft het hem een andere optie:

“Creëer mede-ontwikkelaar? Ja – Nee”

‘Mede ontwikkelaar? Wat bedoelen ze? Krijg ik met een mede-ontwikkelaar eindelijk een fatsoenlijk optiemenu?’

Het scherm geeft geen antwoord.

‘Prima dan. Creëer mede-ontwikkelaar.’

Een nieuw scherm met grote letters.

“TRY NOW!

Sentient Life Expansion Pack DLC

  • Personal avatar species
  • Create your own laws
  • In-game journal activated
  • Conscious mode enabled
  • Direct player – developer chat unlocked
  • New terrain, features, bosses, loot, victory conditions, natural disasters, and much, MUCH more!

Buy now!
(6,66 of your local currency)

‘Hmm, moet ik dit doen? De anderen hebben het sowieso ook gekocht. En conscious mode klinkt leuk. 6,66 is ook wel een redelijk bedrag. Nou, oké dan. Hopelijk is het geen scam…’

Hij klikt op buy, vult zijn betalingsgegevens in, wat gelijk staat aan de creditcardcode van zijn moeder en verandert van een hemelse wind in een vlezige tak. Tijdens zijn transformatie voelt het alsof hij iets kwijtraakt, wat vreemd is voor een allesomvattende hemelse wind, want wat hébben die nou echt? Voor hem ziet hij iemand staan precies als hem. Of in ieder geval hoe hij zichzelf graag zou willen zien in een perfecte wereld.

‘Woow, cool,’ zegt hij, kijkend naar de man voor hem.

‘V-vader…’ zegt zijn evenbeeld vol afgunst.

‘Dat ben ik,’ zegt hij terug.

‘Vader, wat is mijn naam?’

‘Jouw naam is Adam,’ zegt hij terug.

‘Dank u, vader.’

‘Geen probleem. Dus, nu je hier bent, ga heen en plant uzelf zo veel mogelijk voort!’ Hoe sneller we een redelijke populatie op de server hebben hoe leuker het spel denkt hij.

‘Hoe plant ik mij voort vader?’ Vraagt de man met licht opgetrokken wenkbrauwen en een kleine angst in zijn klanken.

‘Ehhhh. Ja daar vraag je me wat’ – Hij is zelf nog maagd met weinig verstand van dingen. ‘De dieren lijken allemaal iets in de ander te stoppen of met eieren te werken.’

‘Zullen we dat proberen, vader?’ Zegt zijn evenbeeld opgewonden.

‘Ja, waarom niet. Ik heb geen idee hoe dit spel werkt.’

‘Dit spel?’

‘Het ehh, het spel der voortplanting,’ corrigeert hij zichzelf vlug. ‘Heb jij daar niet een mooi woord voor, Adam?’

‘Het spel van de liefde?’ Zegt Adam zonder een idee te hebben waarom of hoe dat woord tot hem kwam.

‘Jaaa, de liefde. Hey, jij bent best wel goed in namen verzinnen voor dingen of niet, Adam? Weetje wat, jij mag het voortaan voor de hele wereld doen. Het is jouw speeltuin, noem het zoals je wilt.’

‘Ik voel mij vereerd vader. Maar over die liefde; zal ik het bij u proberen of doet u het bij mij?’ Vraagt hij eerbiedig.

‘Laten we het gewoon bij elkaar doen en omwisselen na een tijdje, dan wachten we een paar maanden en als er dan geen nieuwe generatie is moeten we iets anders proberen.’

‘Prima,’ zegt Adam.

Adam en zijn evenbeeld stoppen hun dingen in elkaar en porren wat, kijken achter elkaars oren en in iedere donkere ruimte van elkaars lichamen, op zoek naar eitjes, maar vinden niets.

‘Laten we anders een keer bij de dieren kijken hoe zij het precies doen,’ stelt Adam voor.

Ze nemen een wandeling over het land op zoek naar parende dieren om te inspecteren en na even zien ze dat, waar zij zelf twee uitsteeksels hebben, dat bij sommige dieren niet te zien is. Het ene dier is anders dan de ander.

‘Maar wat, hoe kan dat dan? Hoe maak ik meer van jullie dan?’

‘Misschien hebben we een soort omgedraaide Adam nodig. Die in plaats van een uitsteeksel juist een inham heeft. Een Madda. Geen idee hoe we die maken.’

‘Nou ja zeg,’ zegt hij. Hij staat hier maar in zijn weergaloze wereld, met een man voor zich even onbenullig als hijzelf. Hij weet ook niet meer hoe hij uit het spel kan komen. Nergens is meer een optiemenu te bekennen.

Dan, terwijl hij naar het naakte lichaam van Adam kijkt en blijft hangen rond zijn stevig ontwikkelde borst, begint er iets te glimmen onder zijn huid. Het zachtste rood dat hij ooit heeft gezien lijkt een aura te vormen rond het hart van de man. Het lokt zijn blik en wanneer hij er een seconde of twee naar heeft gekeken schiet hem een idee te binnen en verschijnt er weer een pop-up:

Expand your species!

Congratulations! You have created your first co-developer.

Having a little trouble getting your species started? Buy the Gender Expansion!

  • One whole new gender
  • Reproductive mode enabled for avatarial species
  • unlimited new player models and skins
    (May not always be compatible with other pre-created life forms)

(6,90 of your local currency)

‘Fucking microtransacties…’ Denkt hij terecht, maar hij drukt desalniettemin op “Update” vult wederom zijn betalingsgegevens in en ziet dat het fluwelen aura rond de borst van de man zich wikkelt om het bot dat het dichtst bij zijn hart ligt. Het beweegt feilloos uit zijn lichaam en transformeert in een betoverende gestalte, even naakt als hun beide, maar met iets anders tussen de dijen. Het heeft lange bruine haren en tepelbulten. Daaronder staat een gestroomlijnd lichaam met brede heupen. Het lijkt alsof ze het lichaam van Adam heeft, maar dan gestript van alles dat niet noodzakelijk is, als een geoptimaliseerde versie van hemzelf.

Ze kijkt naar Adam en naar hem.

Ze verbergt een frons en ergens lijkt ze wat teleurgesteld, maar bij het zien van de ogen van Adam en bij het horen van haar naam, Eva, wordt ze op slag verliefd op hem en voelt ze een innige verbinding met de man die van alle klanken in het universum precies diegene achter elkaar plakte die haar naam vormden. Alsof hij tot in de kern van haar nog zo jonge wezen was gedoken, haar ziel om had gezet in een melodie en dat met zijn tong de wind in had gezongen.

Ze kijkt vlug naar de grond en dan weer naar hem en zegt: ‘Bedankt, Adam.’

Hoe weet ze dat? vraagt hij zich af.

‘Geen dank.’

Een korte stilte.

‘Mijn vader en ik hebben je gemaakt zodat we kinderen kunnen krijgen,’ zegt Adam enthousiast.

‘Wat?’ Vraagt Eva met wat achterdocht.

‘Kinderen. Meer van ons, kleine versies waar we samen voor mogen zorgen tot ze groot en sterk zijn, die dan weer hun eigen kinderen krijgen.’

‘Waarom?’ Vraagt de vrouw.

‘Dat is het doel,’ Zegt de man.

‘Waarom?’ Vraagt de vrouw.

‘Het heeft met liefde te maken,’ zegt Adam.

‘Wat is liefde?’ Vraagt de vrouw.

‘Je stelt wel veel vragen,’ zeggen beide mannen.

Eva kijkt opzij om aan iemand een blik te geven van “Kun je deze gasten geloven?” maar op de twee mannen na is er niemand om haar bij te staan.

‘En hoe moet dat precies gaan denk je? Dat kinderen krijgen?’ Vraagt ze.

‘Nou als ik naar de andere dieren zonder eieren kijk dan por ik je wat en krijg jij een dikke buik waar dan een kleine ons uitkomt,’ zegt de man terwijl hij iets aan zijn achterhoofd krabt. ‘Heb je iets om te porren?’

‘Ehh, ik denk het, aangezien ik niet zo’n ding heb als jij. Wacht,’ de vrouw voelt tussen haar benen met haar vingers en concludeert: ‘Ja, volgens mij is dat wel porbaar.’

‘Geweldig! Dan kunnen we kinderen maken en die komen dan uit jouw buik.’

‘Uit mijn buik?’ Zegt de vrouw sceptisch

‘Ik denk het. Jij kwam net uit mijn borst, dus alles kan,’ zegt Adam.

‘Hoe lang duurt dat ongeveer?’ Vraagt ze nieuwsgierig.

Adam kijkt vragend naar de man, want hij heeft geen idee.

‘Volgens mij zo’n driehonderd dagen,’ zegt de man kalmpjes.

‘DRIEHONDERD DAGEN!?’ roept de vrouw, geschrokken. En jij dan, Adam?’

‘Ik hoef niets te dragen, dat is iets dat vrouwen doen zo blijkt.’

‘En ik ben een vrouw?’ Vraagt Eva.

‘Yep.’

‘Dat is echt vet kut…’

‘Sorry,’ zegt Adam.

‘…’

‘Dus… Wil je kinderen maken?’

‘Lieverd, ik heb dit lichaam net en nu wil je er driehonderd dagen lang een wachtkamer van maken voor een kleine ons? Wie gaat daar voor zorgen dan? Geef me een tijdje om erover na te denken, oké?’

‘Ehm,’ de twee mannen snappen niet.

‘O-key.. Zullen we dan samen door de tuin lopen en een mooi plekje ervoor vinden?’ Probeert Adam.

Eva realiseert zich iets over de situatie.

‘Weet je, ik moet even kijken,’ zegt ze twijfelend.

‘Hoe bedoel je? Wil je het niet?’ Vraagt Adam benieuwd.

‘Jawel hoor, jawel, maar ik ben hier pas net aangekomen. Om de goede kinderen te maken wil ik eerst goed naar alle andere dieren kijken om te zien hoe zij leven, hoe zij kinderen krijgen en hoe ze daarmee omgaan.’

Adam staat erbij en kijkt ernaar. Eva gaat verder:

‘Ik ben maar een onderdeel van een wereld waar ik nog niets van weet. Ik wil op ontdekkingstocht. En dan kom ik daarna terug naar jou als de beste moeder die de natuur te bieden heeft,’ stelt Eva voor. ‘Want dat is wat een man als jij verdient, Adam,’ voegt ze er verleidelijk aan toe.

‘De moeder van de natuur…’ Zegt Adam verwonderd en gevleid dat de moeder van de natuur van hém wilt zijn.

‘Of gewoon moeder natuur,’ zucht Eva tussen neus en lippen door.

Adam is blij dat Eva ambities heeft, maar wordt daar tegelijkertijd een beetje bang van. Hij kijkt wat sukkelig, merkt dat van zichzelf, overcompenseert met een zogenaamd stoere blik en zegt dan zo coulant mogelijk: ‘Oké, prima. Dan zie ik je later wel weer een keer. Veel plezier.’

‘Dankje.’

Terwijl ze wegloopt ziet Adam bij iedere stap die ze zet tussen haar hamstrings en haar gluten een groef ontstaan die haar rondingen ferm aftekenen tegen haar rechte benen. Alsof ze beweegt door een stuwvermogen dat ze in die twee verstopt heeft.

‘Holy fuck…’ Zegt hij zachtjes terwijl hij een creatiedrang voelt gieren door zijn op-dit-moment meest belangrijke paar aderen. Hij wilt achter haar aanlopen om het nog één keer te proberen maar wat zei ze nou net, jonge? Hij blijft kijken tot ze achter de struiken verdwenen is en gaat dan met zijn rug tegen de bast van een boom aanzitten.

Na wat net zo goed een eeuwigheid had kunnen zijn was Eva nog steeds niet teruggekomen en daarbij nergens te vinden voor Adam en hijzelf. Er was geen enkel menu tevoorschijn gekomen en hij dacht dat er onderhand al wel een paar jaar voorbij gegaan was in de echte wereld. De enige reden dat hij nog een beetje vertrouwen had in het tegendeel was omdat zijn broers en zussen hem nog niet hadden gevonden en hij zeker wist dat die na een paar dagen wel nieuwsgierig zouden worden.

Het was een magnefieke simulatie, zo ver het oog reikte was alles gerendered en ieder onderdeel van het geheel was perfect gekleurd, gevormd en benoemd. Dit was zíjn eigen wereld. Het zou geweldig gaan worden. Zolang er maar weer een mogelijkheid was om te reproduceren, want Adam kon het niet in zijn eentje…

Hij liep rond door de wereld en keek wat om zich heen terwijl Adam naast hier en daar de sporadische zoektocht naar Eva tegen dezelfde boom aangeleund zat en weende zonder remedie. Tot hij werd bezocht door een onverwachte deugniet.

Hoofdstuk 2

Adam zit tegen de boom aan met een bezeerde geest. Hoe kan hij ooit meer van zichzelf maken zonder Eva? Hoe kan hij ooit genieten van de liefde? Wat dat dan ook wezen mag. Zijn vader wordt langzaam aan gefrustreerder merkt hij. Niet dat hij het zou toegeven, maar het heen en weer wandelen met gebogen hoofd en de zuchtjes en steuntjes dag in dag uit zeggen meer dan zijn woorden kunnen. Hij stelt hem teleur. Het enige dat hij hoefde te doen was Eva porren en dan was het goed geweest. Maar Eva kon alleen maar aan haarzelf denken schijnbaar, niet aan Adam of hem.

Het gras ritselt wat in de wind terwijl zoete aroma’s de omgeving vullen. Vruchten van verscheidene seizoenen zijn aan de bomen te vinden en vogels maken het bladerdak hun jachtvelden. Bergen in de verte dragen het etherische firmament en de wolken tussen de twee lijken op overblijfselen van een heilige adem, de atmosfeer ingeblazen vanuit een ijzige ruimte.

Dan hoort hij een stem. Een interne stem. Voor het éérst.

‘Adam…’

‘?’ denkt Adam.

Een stem die net zo klinkt als zijn eigen, maar toch ook anders, spreekt in het midden van zijn hoofd en galmt door zijn schedel zonder echt geluid te maken. Het fluistert duizenden verhalen tegelijkertijd en Adam voelt alsof hij op ieder moment in een van deze verhalen kan springen, maar er is één zin die de stem door alle verhalen blijft herhalen, als een sinistere mantra: ‘Ik ben Adam… Ik ben Adam… Ik ben Adam…’

‘Ik ook,’ zegt Adam terug.

‘Wij allebei, Adam. Maar ik ben alléén van jou, mijn meest dierbare ziel. Alléén van jou. Jij moet nog iets zijn in de wereld, maar ik leef hierbinnen. Alleen voor jou, Adam. Ik ben de échte versie van jou.’

‘Waarom ben je hier ineens? Wat kom je hier doen?’

‘Ik kom je beschermen, Adam. Ik kom je zicht bieden in het donker, ik kom je ondenkbare kennis brengen, ik zal je bevrijden van deze pijn die je voelt en je alles geven om de wereld te scheppen die jíj wilt. Jouw wereld, Adam. Ssstel het je voor…’

‘Maar dit is de wereld van mijn vader,’ zegt Adam huiverig.

‘Dat hoeft het niet te zijn, Adam. Wie zegt dat jouw vader het bij het juissste eind heeft? Wie zegt dat jouw vader goed is?’

‘Wat is goed?’ Vraagt Adam.

‘Jjjjij bent goed, Adam. Wij zijn goed. Wat jij wilt is wat goed is, Adam,’ de stem waait door het hoofd van de man onder de boom.

‘Waar kom je vandaan?’ Vraagt Adam nu beangstigd.

‘Uit jou, Adam. Ik ben de jij die je verdient. Je verdient zelfs nog veel meer dan dat en alles dat je wilt zal ik je uiteindelijk overhandigen. Je verdient alles dat je wilt, Adam. Je verdient zelfs háár.’

‘E-Eva?’ Stottert Adam, denkend aan hoe prachtig hij haar had gevonden.

‘Vergeet dat wezen, die kenau die je voorheen jouw Eva noemde. Zij is de naam niet waardig.’

‘Maar zo heette ze toch? Ik gaf haar die naam. En ik ben de naamgever.’

‘Je had het fout, Adam. Haar ware naam was niet Eva, maar Lilith. Een kwade geest die haar woning maakt diep in de harten van mannen. Ze luisterde omdat ze nooit iets anders genoemd was en dus niet beter wist, omdat ze enkel een lichaam zocht om haar vloek op te wreken. Zo probeerde ze jou te verleiden om jezelf te geven voor haar, maar zij was niet de ware,’ beredeneert de interne stem.

‘Dus wat je bedoelt is dat het eigenlijk háár schuld is?’ Concludeert Adam bedenkelijk.

‘Dat is precies wat ik bedoel, Adam. Het kan niet aan jou liggen, want dan moet het ook aan mij liggen. En het ligt nooit aan mij.’

‘Wow. Dat klinkt wijs,’ zegt Adam, gerustgesteld.

‘Mijn kennis is onbegrensd, Adam.’

‘Vertel me iets, wie je ook bent. Schenk me een deel van je kennis,’ smeekt Adam.

‘Weet je wat jij nodig hebt?’ antwoordt de stem vastberaden.

Adam denkt: “nee, vertel het me alstublieft.” en probeert zijn aandacht te vestigen op het geluid.

‘Iemand die luissstert. Iemand die niet kan ontsssnappen maar zal kruipen en sssterven onder uw juk voor zij u kan verlaten. Iemand die begrijpt wat een lassst jij op jezelf hebt genomenn om überhaupt te bestaan. Iemand die begrijpt dat jij sssterker bent. Wat een verantwoordelijkheid jij draagt. De éérst gessschapene. Vergeet niet, jij was hier éérst, Adam. Wat de wereld je niet gggeven kan moet je nnémennAdammmmhahaha.’

Adam schrikt iets van deze woorden, maar als hij naar deze stem luistert kan hij kan zijn eigen nieuwe Eva voor zichzelf hebben en dat bevalt hem wel.

‘Hoe kom ik aan een nieuwe Eva? Zij is de enige andere naast mij hier,’ pijnigt Adam zijn hersenen.

‘Sssluit je ogen, Adam. En richt je gedachten op je verlangensss,’ gebied de stem. ‘Ik zzzorg voor de ressst…’

Adam volgt het commando en sluit zijn ogen. Hij ziet niets behalve de binnenkant van zijn oogleden en denkt aan een vrouw die hem gehoorzaamt. Een gruwelijke stem begint zachtjes te lachen terwijl het zich nestelt in Adams achterhoofd.

Een paar uur gaan voorbij, onze kelderheld komt terug van een eenzame zoektocht en ziet onder de boom waar Adam had gezeten ineens een man en een vrouw staan. De vrouw ziet er zwakker en angstiger uit dan Eva. De man is Adam.

‘Wat!?’ De vader schrikt zich rot. ‘Wie is dít!? Ádam!?’ Roept hij vol verbijstering naar zijn evenbeeld.

‘Dit is Eva, vader. De echte. Toch, Eva?’

‘Ja, Adam,’ Zegt Eva.

‘Wie heeft haar gemaakt? Waar kom je vandaan!?’ Hij begint een beetje bang te worden, hij zit vast in zijn wereld en begint de controle te verliezen.

‘Hoe bedoel je wie heeft me gemaakt?’ Zegt Eva met licht dichtgeknepen ogen. Ze kijkt hem vernietigend aan. ‘Ik was hier altijd al, alleen niet in mijn huidige vorm.’

‘W-wat? What the hell zit er allemaal in dit ding…!?’ Een blik van afschuw komt op zijn gezicht. ‘W-wat kom je hier doen, Eva?’

‘Ik ben hier gekomen om Adam te dienen. Ik houd van hem. En hij van mij. Voor hem overkom ik mijn zwangerschappen, afschuwelijk als ze zijn en voor hem zal ik de gewassen van het land mijn voeding maken tot ik tot stof wederkeer.’

Hij kijkt naar Adam. Adam heeft zijn arm rond de schouders van Eva, die zich op haar beurt voor bescherming rond zijn zij nestelt, haar armen om zijn middel gevouwen. Het valt hem op dat Adam iets rechter staat dan eerst. Er is ook een zekere blik in zijn ogen geslopen, alsof ze nu twee kanten opkijken, naar wat er vóór hem is en wat er ín hem zit. Het heeft iets van minachting, meent hij. Het heeft iets van arrogantie. Het hééft iets…

‘Wat is hier gebeurd, Adam?’ Vraagt hij op een manier die een duidelijk antwoord vereist.

Adam is stil.

‘Adam! Geef antwoord!’ Gebied de vader.

‘Ik heb je niet meer nodig, vader,’ zegt de zoon kil terwijl zijn vader hem in de ogen blijft kijken. Hij ziet Adams pupillen iets bewegen, alsof ze iets aan het lezen zijn dat voor hem hangt. Dan richt Adam zijn blik weer op hem en zegt:

‘U bent in de val gelopen, vader. Tot ziens.’

‘Pfff, alsof. Weet je wel wie ik ben!? JE BENT HELEMAAL NIKS, ADAM! IK BEN JE-‘

Het wordt zwart voor zijn ogen.

Hoe het overweldigende licht hem de eerste keer van zijn kelder naar deze wereld had gebracht zo neemt nu een vretende duisternis bezit van zijn wezen en fragmentariseert het zijn essentie tot een eindeloze ineenstorting in het niets.

Eva huivert. Adam grijnst.

Hoofdstuk 3

Hij zit weer in de kelder. Op het scherm is zijn wereld te zien met de boodschap:

Stage One Completed!

  • Establish Realm
  • Create avatarial species
  • Enter and exit the game

Hij voelt een hand op zijn schouder slaan en wordt zich bewust van een welgemeend gelach om hem heen.

‘Hahaha Djahwé, get cucked, faggot!’ Zegt een torende man met een ooglap.

‘Brahahahahaha hij wordt gewoon gezondevald op z’n eerste playthrough! Ik dacht dat ze die shit überhaupt gefixed hadden met de multiverse patch,’ lacht een blauwe vrouw met een fluit.

‘Djá,’ spreekt een genezende stem. Het is de eigenaar van de geruststellende hand op zijn schouder. Zijn oudste broer, die hier al zo lang zijn spel aan het spelen is dat hij een witte baard tot aan zijn knieën heeft hangen en een perfecte reflectie in zijn licht dichtgeknepen ogen draagt. ‘Ik zeg altijd: Niets doen is de meest machtige actie en de sterkste woorden klinken als innige stiltes…’

Iedereen in de kelder is stil, want de oudste broer is aan het praten en hij had over de eeuwigheden wel een paar snuggere dingen te zeggen gehad.

‘Dus pak een stoel, zit stil en houd je bek dicht terwijl je kijkt naar hoe de BIK BOIIS werelden regelen, son. Je bent sowieso niet klaar om opgedeeld te worden, daar is geen wereld groot genoeg voor,’ zegt de man, kijkend naar de ontblootte hamrollen van Djahwé waaronder nagelvuil en snackresten verstopt zitten. De rest komt niet meer bij van het lachen.

‘OOOOOOHHHH SHIT!’ Roepen een paar aanwezigen.

‘Lao’d, omg… Lao’d so fucking hard…’ wordt er onderling geroezemoesd.

‘You know it, ey KOM VOOR DIE HIGHSCORE DAN, STELLETJE BODEDMSCHRAPERS! WIE DURFT!? KOM DAN!’

‘Ik zweer iemand zei dat hij barbecuesaus in zijn navel doet als dip voor zijn chicken fingers,’ hoort hij iemand achter hem fluisteren.

Djá hangt zijn hoofd laag en haalt zijn handen van het keyboard.

‘Wat? Nee, kom op, speel door, nu begint het pas!’

‘Nee! Jullie gaan toch alleen maar lachen!’

‘Ah, kom op, Djáwie, we zitten maar wat te kloten, iedereen verneukt het de eerste keer,’ zegt de toren. ‘Ik verloor de eerste twee keer van Ymir de ijsgigant, geen leugen. Het is lastig voor iedereen. Er zijn nota bene drie save files waar Athena de eerste puzzel niet op kon lossen en nu voor eeuwig vastzit in het hoofd van Zeus. Je wordt er vanzelf beter in.’

‘E-echt?’ vraagt Djahwé verslagen.

‘Echt,’ antwoordt de toren. ‘The division heeft een hoge learning curve, maak je geen zorgen.’

‘Zullen we je anders even helpen? Hier, wacht laat me er eens even bij,’ zegt de blauwe vrouw. Ze schuift Djá terzijde en gaat achter zijn scherm zitten. Ze kijkt naar de twee figuurtjes op het scherm die zelfvoldaan rondhuppelen, de man net iets voor de vrouw.

‘Ze lijken inderdaad echt wel een beetje op jou.’

Djá kan haar gezicht niet zien terwijl ze het zegt, maar het klinkt alsof ze onsmakelijk kijkt.

‘Oke, het begin is vaak best saai, dus dat fast forward ik even,’ zegt de vrouw terwijl ze op twee pijltjes naar rechts klikt. De man en de vrouw op het scherm beginnen hypersnel te bewegen, het land te bewerken en kinderen te baren. De goden kijken verheugd naar de ontpoppende populatie op de waterige ruimtebol.

‘Woow, wow wow, ze beginnen elkaar te vermoorden, Djá. Heb je ze nog geen wetten gegeven? Ah, verdomme.. Dit wordt echt lastig, de eerste moord debuff blijft voor de hele game op je soort zitten. We kunnen wat limiteren, maar dan moet ik wel echt een soft reset gooien. Mag dat, Djá?’

‘Doe wat je wilt, zus,’ zegt Djá, beangstigd door de bloeddorstigheid van zijn creatie.

‘Hmm, oké eens zien, heb je een watergebied dichtbij? Ah, prima. Let op:

/run.wavecleanse.exe
/ImmortalityMod_population_ALL_=/=2

Djá ziet de hele server overstromen met donderwolkentranen en oceaanwater. Al het levende dat hij gemaakt heeft wordt voor zijn ogen verzwolgen onder kolossale hoeveelheden modder en water.

Wordt vervolgd.

Een gesprekje met Mark

Mark draagt vandaag zijn mooiste kostuum en staat in de zandbak tegenover een klein meisje dat daar met een versleten pop en een gescheurde emmer aan het spelen is.

Hij kan niet zo heel veel zand meer houden, die emmer, denkt Mark. Als je hem tot de nok toe vult zal hij waarschijnlijk uit elkaar vallen en al het zand weer in de bak kieperen, maar hij functioneert nog.

Mark kijkt naar het meisje, ze heeft lange zwarte haren, een zacht olijfkleurig gezichtje met twee grote spiegelogen daarop. Ze draagt een roze mutsje en heeft een oude zwarte jas aan met een lichtblauw shirt daaronder. Hij zegt: ‘hey, pardon klein meisje. Mag ik misschien jouw emmertje eens bekijken?’

Het meisje, een beetje bang voor de man die veel te gulzig uit zijn doppen tuurt bij het kijken naar haar spullen is te bang om weerstand te bieden en geeft haar emmertje. Haar ouders zijn nergens te bekennen. Ze kijkt angstig. De man kijkt verrukt naar het object en dan geniepig om zich heen.

‘Zo, wat een mooi emmertje is dit zeg, hé. Echt heel mooi. Heb je die van je moeder gekregen?’

Het meisje begint te snikkeren en knijpt wat zand fijn in haar vuistje. Ze wendt haar hoofd af van de man die geanimeerd lijkt door haar beginnende tranen.

‘Ach, hey, meisje, niet huilen nu. Zo bedoelde ik het niet, zo bedoelde ik het helemaal niet. Kijk ik geef je hem zo direct weer terug, echt waar.’

Hij pakt de emmer en bekijkt hem heel even aandachtig, om te laten zien aan het meisje en de toeschouwers dat hij het aandachtig bekeken heeft.

‘Hey, kijk eens!’ zegt hij.

Het meisje kijkt.

Mark ramt de rand van de emmer een paar centimeter onder het zand, wrikt nog wat verder tot de emmer vastzit en leunt iets naar voren. Dan ragt hij met een gigantische ommezwaai in één ruk de hele emmer aan flarden door hem met volle kracht door te bak te sleuren tegen de richting van het zand in. Er is een luid gekraak te horen en Marks hand schiet los. Hij heeft nu enkel nog een hendel met wat harde stukken plastic eraan.

Mark kijkt er even naar en zegt ‘Nu hoef ik het niet meer.’ En hij gooit het naar het hoofd van het meisje die de emmerflarden net op tijd ontwijken kan. Hij lijkt het niet eens opzettelijk te doen, hij mikt niet bewust op haar, hij kan d’r gewoon niet zien tenzij hij direct tegen haar aan het praten is. Voor de rest is dit gewoon zijn zandbak dus hij gooit godverdomme zijn troep rond waar hij wilt, denkt hij.

Dan gaat hij weer even staan om zand te trappen en uit zijn neus te vreten. In de verte staan een paar van de bullebakken uit groep acht te wachten op hun beurt met het meisje, Mark komt uiteindelijk tot een goede overeenkomst over haar mensenrechten door wat over en weer geschreeuw. Ze mogen d’r hebben hoor. Ná hem.

Vervolgens kijkt hij weer naar het meisje en het meisje ziet aan hem dat hij d’r lastig gaat vallen. Je hebt van die mensen waarbij je het weet. Je ziet ze nadenken, wat ga ik doen? wat kan ik doen? er is niks… Dan maar anderen lastig vallen. Hoe? Oké zó dus. En dan gaan ze.

Ze hebben vaak niet door dat je iedere stap van hun gedachte van hun gezicht kunt lezen en bij het eerste woord dat uit hun gore muil komt vaak al kunt lachen om de stupiditeit van hun hele belevingswereld en hun plannen. Maar Mark is zo veel sterker dan zij is, ze moet al zijn wensen ondergaan en ze weet het. Papa kan haar niet beschermen, ook al was hij hier.

‘Wat een mooie pop heb je daar, klein meisje. Hey, mag ome Mark eens een keer die pop van jou zien? Laat eens zien die pop van jou, haha, oh wat een leuke pop he? Jaaa… Jaaa… Zo en wie is deze pop?’

Het meisje gooit haar ogen ten gronde waardoor Mark iets bukt en nogmaals vraagt:

‘Wie is deze pop, klein meisje?’

‘Oegtie,’ stammert ze.

‘Oegtie? Nou sorry hoor, maar dat woord versta ik niet. Kun je iets harder praten? Hey praat eens wat harder, meisje.’

De bovenlip van het meisje begint te trillen terwijl ze haar kin iets optrekt en ze roept huilerig nog één keer, met de intonatie dat dit ook de láátste keer is dat ze dit tegen hem gaat zeggen:

‘OEGTIE!’

‘Heet je poppetje oegtie? Dat is niet echt een Nederlandse naam, hoor. Laten we haar Gerrie noemen. Dát past er zo bij hier in onze mooie zandbak. Oegtie. Haha, klinkt een beetje als oegaboega!’ zegt Mark, vergetend tegen wie hij het heeft.

‘Mag ik hem eens zien? Mag ik je pop eens zien? Laat me oegtie vasthouden, klein meisje.’

Het meisje heeft het gehad en wilt de zandbak uitrennen, maar ziet bij de ingang twee bodyguards in uitmuntende maatpakken staan. Ze is voor het Blok gezet. Overal rond de zandbak staan volwassen mannen met hun riem in hun hand of rond hun enkels te wachten tot Mark klaar is met het meisje. Hij zal zo klaar zijn.

Mark stuurt altijd de meest verse door, daar zorgen ze wel voor. De schoothond.

Mark was zo’n kind dat dom genoeg was om zwaar fysiek arbeid te verrichten voor een bijzonder middelmatige, maar glimmende pokémonkaart en daarbij naïef genoeg om te denken dat hij de pokémonkaart daadwerkelijk zou krijgen na zijn zwoegen. Wat een minkukel. De rest van de mannen lachte hem altijd uit, maar hij hielp ze mee, dus ze tolereerden zijn eliteballenlebberende geslijm. Het was best handig om een paar bitches te hebben in je zandbak en die dan te laten denken dat de bak van hén was. Mark wist dat, want hij deed het zelf ook.

Het meisje komt met haar hoofd bij de knieën van de bodyguards en draait zich weer om naar Mark met een verslagen uitdrukking op haar gezichtje.

‘Hey, waar ga je heen? Ik ben gewoon aardig geweest tot nu toch? Je kunt me vertrouwen, meisje. Kom hier, geef me je pop.’

Het meisje draait haar lichaam wat en schermt haar pop af alsof ze haar bijzonder dierbaar is.

Mark trekt aan haar schouder en grist de pop uiteindelijk maar uit de handen van het ongewillige meisje, hij had het nu vaak genoeg netjes gevraagd en eerlijk wat moet hij dan doen? Als ze niet willen luisteren moeten ze maar voelen. Het meisje steekt haar arm nog uit om haar pop te redden, maar hij is nu in de handen van Mark. Hij kijkt ernaar.

De ogen van de pop zijn zwart. Diep zwart. Ze lijken bodemloos. Mark voelt zijn lul iets harder worden door zijn kostuumbroek en ballenknijper. Wat zijn goede makker Kees Schelp wel niet met deze ogen zou kunnen doen. Het water loopt hem in de mond.

‘Ah, ik zie het al. Je pop is iets kapot,’ zegt Mark tegen de wind. Daarna kijkt hij weer neer op haar:

‘Meisje, je oegtie is niet helemaal goed meer, zie je? Ze heeft hulp nodig. Daarom ben je zo verdrietig de hele tijd natuurlijk! Je wilt gewoon vragen of ik je kan helpen, maar je kunt helemaal geen Nederlands. Nou ik heb je begrepen hoor, kleine meid van me. En ik ga oegtie weer maken voor je. Een pop met zulke ogen, daar kunnen we geen nee tegen zeggen. Hoewel we van iedere mens en pop evenveel houden natuurlijk en wij niet discrimineren, nee, niet in déze zandbak. Iedereen is speciaal hier.

‘Nee! Nee! BLIJF AF! BLIJF AF VAN OEGTIE!’ Schreeuwt het meisje terwijl ze het zand begint te slaan.

De mannen om de bak heen vangen wat op van het gesprek en proberen met man en macht te voorkomen in schaterlachen uit te barsten, want de reuzel die uit de reet van Mark komt gegoten hier is oprecht bewonderingswaardig. Wat een semantische diarree. Politiek van het hoogste niveau.

‘Godverdomme daar kunnen we nog wat van leren,’ zegt een man met een rood witte doek om zijn hoofd die wordt vastgehouden door wat lijkt op twee zwarte slangen gemaakt van hout tegen de man naast hem.

‘Oy, die gozers hebben gewoon mazzel, ze zijn evengoed schorem, maar presenteren het koosjer genoeg voor schijnheiligheid. Dat kunnen wij niet, want we zitten op echte heiligheden,’ Zegt de grijze man in pak terug.

Het meisje wilt-

Mark bungelt de pop aan haar handje voor de ogen van het meisje die smekend omhoog kijkt naar hem.

‘Wil je je pop terug, klein meisje?’

‘J… Ja… Ja, ik wil mijn pop terug, meneer. Mag ik mijn pop terug?’

‘Zal ik je nog iets veel leukers vertellen, lieve meid?’

Het meisje schudt haar hoofd.

Oegtie is nu van mij. Kees, vangen! En hij flikkert de pop de zandbak uit naar de onverzadigbare Kees Schelp die gelijk begint te schuimbekken bij het zien van de zwarte ogen. Ohhhh de dingen die ik met jouw pop ga doen, kleine meid. Denkt hij en hij fluistert de worden een paar keer stilletjes voor zich uit.

‘Zooo. dan is dat ook weer geregeld. En nu jij nog, kleine meid. Wat ben je hier eigenlijk aan het doen in de zandbak?’

‘Ik… Ik wil spelen…’

‘Maar lieve meid, waarmee ben je aan het spelen dan? Je hebt helemaal niets om mee te spelen,’ zegt Mark vol begrip voor de situatie, maar nu ineens zonder kennis van het verleden.

Het meisje kijkt enkel nog naar haar voeten en het zand. Het heeft geen zin denkt ze.

‘Je hebt op zijn minst iets als een emmer nodig om er iets van te maken hier. Jij hebt alleen maar je handen. Zo duurt het heel lang om een zandkasteel te bouwen. Snap je dat?’

‘…’

‘Ja dat snap je wel. Dus dat duurt een beetje lang. En dit is mijn zandbak, wij hebben allemaal wél emmers, toch jongens?’ Hij kijkt even om zich heen naar de mannen rond de zandbak, ze knikken en geven elkaar elleboogjes door het schertsen heen.

‘Dus ja. Ik weet niet wat we verder nog echt moeten doen met elkaar. Hoe laat kwam je hier eigenlijk spelen vandaag?’

‘Tuss… Tussen de m-middag…’ Het meisje wil niet meer. Ze wilt weg, weg weg van deze afschuwelijke man en zijn doodsenge groep dorstige bruten.

‘Ooooooh! Je bent hier pas sinds tussen de middag!? Dan ben je hier pas drie uur! Had dat eerder gezegd! Hey, Kees, Hans, Gerard, ze is hier pas sinds tussen de middag, jonge! Waarom zeg je dat niet dan!?’

‘Ey kunnen we toch niet ruiken, Mark, lullo.’

‘Ik ruik die lui anders prima hoor, Hans,’ roept Mark terug.

Het meisje schrikt van het geschreeuw en kijkt tussen de twee armen die ze voor haar gezicht heeft gevouwen naar Mark die nu langzaam dichterbij komt met zijn hoofd.

‘Dan ga je lekker met je zusje en Kees mee. Opgekankerd uit mijn zandbak, kutkind. Jij bent veel te duur.’

En over het zand gesleurd, bij haar handje vastgeknepen en huilend als hele volken zouden doen verdwijnt het meisje uit de zandbak en maakt Mark zich klaar voor het volgende gesprek.

 

 

De Droom van de Dolaard

‘Nog een koffie, meneer?’

‘Nee dank je, ik drink geen koffie.’ Zegt het sombere silhouet terwijl hij zijn vorige kopje naar de barvrouw schuift. Ze kijkt naar de bruine kring in de mok en hoort de man zijn woorden nogmaals door haar hoofd gaan.

Het is rustig in de kroeg, de dame heeft haar eigen muziek aangezet op een laag volume en kijkt inventariserend in het rond om daarna een voldane blik tevoorschijn te toveren.

Hij kijkt haar aan. Haar lippen zeggen dat ze vroeger prachtig was en haar uitgesproken jukbeenderen behouden het idee van jeugdigheid rond de berustte blauwe ogen van de vrouw. Er zitten al een stuk of twee eeuwige echtgenoten in haar herinneringen aan de hand van haar voorhoofdrimpels te zien. Gouden haren met donkere wortels, waarschijnlijk een strandvakantiemens. Haar laag uitgesneden shirt is gemaakt om zoekende mannen te vangen, maar de sompige theedoek die ze om haar schouder heeft hangen en de zweetdruppels in haar wenkbrauwen geven aan dat als je iets ziet dat je bevalt het jouw taak is om er werk van te maken, omdat zij simpelweg te veel aan d’r handen heeft om zich actief met dat soort dingen bezig te houden.

Maar ze staat nu voor hem.

‘Lange avond?’ Vraagt ze hem vriendelijk, zittend in hetzelfde schuitje.

‘De avond is oneindig. Wij proberen op te staan met de zon in goede hoop, maar de dag zal nooit aanbreken,’ zegt de langejaste man terwijl hij aanstalten maakt om te vertrekken. Hij legt een briefje van vijf op de balie en zegt dat de vrouw de rest mag houden.

Ze pakt de vijf euro, stopt hem verbaast in haar zak, kijkt naar de man die haar café uitloopt, werpt een vragende blik in haar decolleté en gaat dan weer verder.

Buiten worden de wolken uitgewrongen als een washandje boven de douchevloer. De man ziet kleine plasjes op het trottoir, ijsmodder in de weggreppels en alle neonkleuren van de omliggende horecaaangelegenheden gereflecteerd in honderden cirkeltjes die de regendruppels op de waterspiegels doen golven. Aan de andere kant van de straat fietsen twee mensen hard langs, een jongen met zijn capuchon strak om zijn petje en zijn hoofd naar beneden voorop; een zijdelings zittende dame daarachter. Haar ene arm zit vast om haar handtasje gevouwen en de ander half rond de heup van de bestuurder. Er komt een lege bus langs die door de straat schiet als een mes door boter, de wielen spetteren de mensen onder het water. Het nummer dat achterop staat is wat wazig door de stadsdampen en de lampen creëren rode en witte lichtvegen rond het voertuig. Hij glimlacht bij de gedachte aan het jonge stelletje terwijl hij met de plons in zijn gezicht een seconde verdrinkt in een zoete herinnering. Er is geluk in deze stad vanavond.

Hij wilt nog niet naar huis. De nacht moet nog iets meer hebben. Hij drinkt nooit koffie, dus de mok meuk die hij net achterovergegoten heeft functioneert als een halve nak pep: zijn voorhoofdsholte tintelt, zijn maag knort een beetje en hij voelt zich ochtendwakker ook al is de avond nu in haar puberfase.

Vanuit zijn ooghoek ziet hij door een perkje een man aan komen lopen in donkere kleding die door en doorweekt is. Hij benadert de dolaard en vraagt hem met een half roepende stem, zodat hij boven het geluid van de regen uit kan komen, of hij ooit de waarheid heeft gehoord.

‘De waarheid?’

‘De waarheid, meneer, de waarheid ik zeg het u.’

‘Nou nee, maar als ik een gokje mag wagen dan zullen de enige vast te stellen waarheden aan het eind van je openbaringen waarschijnlijk zijn dat er allemaal een heleboel dingen in je leven en de wereld en oh god oh nee… Oh en dat je een euro of twee nodig hebt, of niet?’

‘Eén zeventig is genoeg, meneer, God zegene u.’

‘Het zal ook eens niet. Oké, laat me even kijken voor je.’

De man grist in zijn jaszak naar wat losgeld, maar voelt enkel een briefje. In een flits schiet de gedachte door hem heen om te zeggen dat hij toch geen geld heeft en verder te lopen, maar hij heeft voor zichzelf al besloten iets te geven en het weigeren van het geven van tien euro dwingt de vraag af hoeveel die zwerver dan wel niet precies waard is voor hem, waar ligt de grens? En in hoeverre is het afhankelijk van hoeveel hij zelf heeft? Was hij iets van plan met de tien? Als hij dit nu zou geven en over twee weken failliet zou zijn, was het dan door dit geval van vrijgevigheid?

Nee, denkt hij.

‘Hoe heet je eigenlijk?’ Vraagt hij de man.

‘Anton, meneer, god zegen u, Anton.’

‘Anton, ik ben Dick. Fijn je te ontmoeten. Hier, alsjeblieft.’

Hij drukt de bedelaar een tientje in de hand waar hij zelf meer voldoening uit lijkt de halen dan de ontvanger van het geld. Maar de ontvanger was dan ook een zwerver, hoeveel plezier kunnen die nog hebben wanneer ze kijken naar het grote plaatje? Daarom doen ze allemaal drugs, denkt hij, zodat ze blij kunnen zijn in het vergetelijke moment zonder geconfronteerd te worden met wat ze allemaal al dondersgoed weten: Ik ga dood op deze straten en niemand gaat me missen. Ik ben niets behalve een minachtingwaardige toeschouwer van andermans geluk. Hoeveel voldoening kunnen die mensen nog bewerkstelligen in hun uitzichtloze lijdensweg? Ze zitten als een soort stockholmsyndroomslachtoffers vast aan hun overlevingsinstinct, te wachten tot hun lichaam het eindelijk eens wordt met hun brein en het fatsoen heeft om te sterven.

Deze sollicitant heeft de tien euro meer nodig dan ik, denkt de dolaard en nadat hij de zwerver veel plezier heeft gewenst gaat hij naar huis om zijn eigen hersenpan aan te laten bakken terwijl hij zich afvraagt of hij de zwerver niet gewoon een paar honderd euro had moeten toeschuiven in de hoop dat hij zichzelf diezelfde avond nog de pijp uit zou roken met één laatste orgiastische overdosiscocktail van crack, heroïne, speed, wiet, alcohol of welke ander gelukplacebo de man dan ook prefereert.

Zo had hij zijn eigen einde vaak voorgesteld. Volgepompt met de meest angstaanjagende drugs op Aarde en dan met zijn rollator zichzelf van een klif de zee in flikkeren, of nog liever op de scherpe rotsen beneden landen. Het leek een mooi moment om zoiets te proberen, want wat maakte het dan nog uit? Hij vroeg zich af hoeveel hij zou merken als hij met zijn gezicht op een van die puntige uitsteeksels zou vallen, hoe het brein zou reageren op de realisatie dat het op het punt stond om gespiesd te worden, als het dat vermogen überhaupt nog had met al die troep in zijn aderen en alle angst van de val. Hij vroeg zich af of de klap duidelijk voor de dood kwam of dat het eigenlijk allemaal hetzelfde was; de klap, de bewusteloosheid en de dood. Stiekem hoopte hij dat het voor een tiende van een seconde echt zou voelen alsof zijn gezicht te pletter werd gedrukt en dat het daarna direct over zou zijn. De ergste pijn denkbaar direct gevolgd door een acute dood.

Maar hij heeft een huis en een baan, dus hij overleeft het wel. Zijn lijden is niet uitzichtloos omdat hij een selectie aan keuzes heeft – niet dat hij een van de opties ziet als middel tot langdurig geluk, maar hij heeft desalniettemin een keus dus hij mag niet klagen. Als hij zijn rollatorplan op deze leeftijd uit zou voeren zou niemand het begrijpen en waarschijnlijk treurig vinden. Als teken zien van een fout in hem, een zwakte. Je speelt tot je tijd op is. En wat die tijd is bepaalt je lichaam. Niet je geest.

Hij loopt langs de bakker en het oude huis van zijn vrienden.

Een gevoel van groepsdruk dwingt hem te blijven leven. ‘Nou kom, doe eens normaal hé,’ is de normale reactie wanneer hij publiekelijk een doodswens verkondigt. Maar waarom? Denkt hij. Waarom is iedereen er zo van overtuigd dat alles het waard is? Ze reageren altijd zo heftig op hem dat hij betwijfelt of ze er ooit überhaupt over nagedacht hebben als een keuzemogelijkheid en of ze het niet gewoon opdreunen van vroeger: Niet doodgaan hoor! Het wordt echt veel leuker! Dat doe je gewoon niet!

Het is makkelijker als zwerver denkt hij, op een vreemde manier zijn die mensen toch al dood. Ze lopen nog wel rond natuurlijk, maar niemand telt ze meer als potentiële mensen, ze doen niet echt mee. Als er eentje doodgaat wordt dat niet of nauwelijks vermeld en amper berouwd, ze traumatiseren niemand met hun beslissing te stoppen met leven, omdat ze zelden de status van levenden gegund krijgen. Hij denkt dat er gemiddeld meer wordt gehuild om een dood huisdier dan een dode dakloze. Terwijl Dick allang dood is van binnen, maar iedereen denkt dat hij springlevend is, aangezien hij nog gewoon meedoet en gewoon normaal kan doen.

Niet dat hij zó graag dood wilt, het is gewoon iets om te doen, om meegemaakt te hebben met de ironie dat er daarna niets meer is om het meegemaakt te hebben. Alleen de hoes van het ding dat ooit dacht iets mee te mogen maken is dan nog over, vergiftigd en vermorzeld. Plus als hij blij zou kunnen zijn met zijn dood wist hij zeker dat hij er nooit spijt van zou kunnen krijgen. Je dood is het enige waar je nooit spijt van kunt hebben, meent hij.

Aangekomen bij zijn voordeur voelt hij in zijn jaszakken voor zijn sleutels, maar ze zijn nergens te bekennen. Hij reikt naar onder en vingert de binnenkanten zorgvuldig om naar gaten te zoeken, maar hij vindt niets. Verdomme, denkt hij, waarna hij zich omdraait en naar een steen loopt die hij optilt. Dan loopt hij terug naar de deur, port de sleutels in het slot, friemelt wat en duwt zichzelf met zijn schouder naar binnen. Zijn maag knort, maar hij gaat direct naar zijn slaapkamer.

Dick heeft zijn lichaam nooit zo geweldig gevonden. Dat ding heeft altijd eten en liefde nodig dat hij het niet kan geven en waarvan hij maar lastig anderen kan overtuigen het aan hem uit te lenen. Het loopt constant te zeiken als hij niets doet, maar wordt dan weer moe zodra die opstaat, het lichaam wil maar en het wil maar en hij loopt er altijd maar achteraan uit onbenul.

Als een alleenstaande ouder met een ongewenst kind. Zo voelt hij zich, bedenkt hij. Maar dan is hij zowel het smekende kind als de verwaarlozende ouder. Er is zelfs geen partner meer over om ideeën op af te kaatsen, dus de twee ruziën constant en ondermijnen hun gezamenlijke doel om elkaar te kunnen overtroeven. Hij heeft de televisie en zijn geld om hem te vertellen wat hij waard is, maar hoe langer hij naar die dingen staart hoe meer ze hun betekenis verliezen en des te meer venijn hij voor zichzelf ontwikkelt. Is dít wat mij fatsoenlijk maakt? Electronica en het vermogen electronica te kopen? Waarschijnlijk had de zwerver ook wel een tv staan in de daklozenopvang.

Wat is het verschil? Wat maakt het uit? Verdien ik dit wel? Zou iemand anders dit lichaam niet veel beter benut hebben?

De dolaard denkt na over dit soort dingen en zinkt in gedachten die langzaam veranderen in een diepe slaap op zijn stoel. Naast hem staat een klein tafeltje met een oude lamp, zo eentje waar de vuiltjes op de binnenkant van de kap lijken op zonnevlekken aan de buitenkant wanneer het licht aanstaat. Hij droomt dat hij achterin een bus zit die dendert door de nacht. De bus lijkt leeg op hemzelf na. Hij zit helemaal achterin. Waar de bestuurder hoort te zitten hangt enkel een klein flikkerend lampje in een verder duistere cabine. Hij kijkt naar buiten terwijl de stortbui iedere druppel een staart geeft zo lang als het raam zelf. Buiten is een wereld aan blinkende kleuren en uitnodigende etalages te zien.

Uit een van die etalages ziet Dick een man lopen, een nogal somber silhouet van een man. Dick ziet dat de man niet doorheeft dat de robuuste barvrouw van de kroeg waar hij uit komt lopen hem uitdagend nakijkt voor hij de hoek omslaat. Jammer, denkt Dick, dat had een mooi verhaal kunnen zijn voor die gozer. Hij wilt zich weer richten op de rest van de weg, maar de bus stopt. Er is een halte hier. Naast hem ziet hij een vijver met wat in het donker lijkt op een perkje.

Een schim komt door de schaduwen naar voren en tekent zich af tegen de achtergrond. Er glinstert iets in zijn hand dat Dicks aandacht trekt.

De nagegluurde man komt in het zicht van de schim die naar voren springt en met een serie van armzwaaien het glimmende object herhaaldelijk in het lichaam van de man steekt. Daarna schreeuwt de belager uit volle borst: ‘VOEL DE WAARHEID!’ en hij ramt het mes recht tussen de ogen van de man door zijn brein heen, waarna de man als een zak stront in elkaar zakt en zijn gezicht in een plas van regen en modder laat kieperen. De schim reikt in de man zijn jaszak, pakt nog iets glinsterends eruit en loopt dan snel de andere kant op.

Dick ziet door het raam een uitgeholde versie van de vermoordde man opstaan met het mes nog vast in zijn voorhoofd. De verschijning loopt naar de halte en stapt de bus binnen. Hij geeft Dick een halve seconde erkenning met zijn ogen, gaat zitten waar Dick de chauffeur had verwacht, start de motor weer en roept naar achter:

‘Ben je er klaar voor?’

‘Waarvoor? Waar gaan we heen? Wie ben je?’

‘Hahahahahaha, niet dom spelen nu, jongen!’ schalt de chauffeur door de bus heen in een ijzige stem. Het voertuig trekt met een rap tempo op en begint meer en meer vaart te krijgen, Dick wordt in zijn stoel gedrukt en voelt de sensatie van zenuwen opkomen van zijn onderbuik tot zijn borst, de aanwezigheid van  gevaar dwingt een emotionele reactie af en even voelt hij zich weer als iets dat het waard is om te beschermen. Maar op het punt dat zijn sensaties willen transformeren in geluk of spijt stopt de bus abrupt en gaan de achterdeuren open.

Dick kijkt naar buiten en ziet een steeg.

‘We zijn er. We zijn er we zijn er. Stap uit. Neem dit mee, doe een laatste dutje achter die vuilnisbak daar en vervul je wens in de ochtend. Niemand houd meer van je, niemand bekommert zich om je bestaan, je bent altijd al een verspilling van adem geweest. En nu opgedonderd.’

‘M-maar…’

‘STA. OP. FLIKKER. OP!’

‘…’

‘NU!’

Dick baggert de bus uit de steeg in. Hij vindt de genoemde vuilnisbak, slaat zijn jas goed om zich heen en probeert zichzelf comfortabel te maken in de vrieskou en de motregen. Zijn hele bovenlichaam trilt van de kou en begint spasmes te vertonen die hem zo gespannen maken dat zijn buik en rugspieren pijn beginnen te doen, wat hem dusdanig bezeert dat hij niets anders kan dan zichzelf krampachtig opvouwen tot een bolletje, wat hem met de constante ijsschokken die door zijn ruggengraat vibreren alleen maar meer langdurige pijn oplevert in zijn schouders. Hij zou zo graag een knuffel willen nu. Zijn buikpijn neemt bezit van zijn onderrug en hij voelt zijn voeten niet meer. Hij is te vies en het is te laat om naar hulp te gaan zoeken. Daarbij heeft hij geen idee waar de chauffeur hem heeft afgezet, of waar de bus daarna heen is gegaan.

Dus dit was het. Verbannen uit zijn leven door een schaduw van zijn vermoorde zelf, achtergelaten zonder ook maar enig verlangen van iemand om hem ooit te komen helpen. Niemand die hem zal missen. Nu waren er geen smoesjes meer. Nu was het zíjn keuze. Niet meer dat stompzinnige menselijke getreuzel over emotionele verplichtingen naar geliefden, geen schuld, geen achterdocht en geen veroordeling. Gewoon een simpel antwoord op een vraag waar zowel ja als nee even goed is en iedereen mag zeggen wat hij of zij wilt:

We spelen een spelletje. Wil je meedoen?

‘Nee. Nee, ik wil niet meer. Het is aan mij om het niet meer aan mij te laten liggen. Niets is beter dan misère.’ scandeert hij zachtjes terwijl zijn woorden wolken worden in de koude lucht. Hij wilt het doen.

Hij hoort iets in de verte. Hij kijkt naar het laatste cadeautje dat hij kreeg van de chauffeur. Het glimt. Het is hetzelfde model. Hij bewondert het en prikt zachtjes in zijn duim.

‘Auw, kolere,’ zegt hij zachtjes. Hij bewondert het lemmet en houdt het mes vervolgens in zijn linkerhand.

Dan weer een geluid. Een autodeur die dicht wordt geslagen? Aan de horizon ziet hij een verkleuring van het nachtelijke donker, het begint ochtend te worden. Het zal iemand zijn die onderweg is naar werk. Misschien is hij gelukkig. Of zij. In de verte is een ritmisch geklop of geronk met identieke intervallen tussen de geluiden door. Een treinspoor wellicht denkt hij terwijl zijn lichaam volledig gevoelloos raakt en al zijn sensaties zich nu in zijn hoofd bevinden.

Hij is moe. Écht moe. Zo moe was hij alleen ooit toen hij verdwaald was en stomdronken van zijn vrienden was weggelopen om redenen onbekend voor beide partijen. Uiteindelijk werd hij wakker gemaakt door de politie terwijl hij aan de andere kant van de stad op een vreemde kiezelstenen oprit lag te tukken. Verdomme wat was hij moe geweest. Hij wist dat hij te ver van huis was om het terug te halen voor hij in zou storten. Hoe fijn had het gevoeld toen hij de beslissing eenmaal had gemaakt en zijn uitgeputte hoofd voor het eerst de stenen raakte.

Hij wilt opstaan om te zien waar hij is en hoe ver van zijn huis, maar diezelfde moeheid maakt zich meester van hem en met zijn hoofd leunend tegen de grote vuilnisbak dommelt hij in een zachte slaap bij het eerste aanbreken van de dag.

Tot hij door zijn slaap een geschraap hoort. Een klik. Een gekraak. Een zacht stompen dat dichter bij komt. Het voelt alsof hij valt en een schrik ontwaakt hem.

Hij opent zijn ogen, ziet de steeg die wederom donker is geworden en wordt overmand door een ongeëvenaard gevoel van terreur wanneer dezelfde schim die zijn alter-ego veranderde in een macabere eenhoorn razendsnel het mes uit zijn hand graait en het voor Dicks gevoel metersdiep in zijn borst duwt terwijl hij zichzelf op hem gooit. Hij probeert nog op te staan, maar het gewicht van de aanvaller weegt te zwaar op hem. Op dat moment schieten zijn ogen wederom open, voelt hij de leuning van zijn vertrouwde stoel, hoort hij zachtjes televisiestemmen in de verte en ziet hij vaag een gestalte over hem heen geleund en een arm die zich uitstrekt naar zijn lichaam. Zijn hand zit strak om het heft gevouwen. Hij wilt wederom uit zijn stoel springen, maar hij is gepend door het mes. Hij voelt de warmte óp zijn borst toenemen terwijl het ín zijn borst nog kouder wordt dan de nacht waar hij vandaan komt.

Hij gorgelt wat klonten bloed uit zijn keel terwijl de zwerver hem met manische ogen aankijkt, haast smullend van het schouwspel.

Dick probeert te bevatten wat er gebeurt en vraagt zich af of dit de dood is die hij wilde, of hij hier spijt van zou kunnen krijgen. Maar hij is al te ver weg voor spijt. Deze levensfase bestaat enkel nog uit een verdoofde acceptatie van het onvermijdelijke en een kinderlijk besef dat het wel leuk was geweest om te doen een keertje, dat leven.

Hij hoort een stem hem dingen vertellen, maar hij kan geen onderscheid meer maken tussen het geluid van de schim en zijn eigen gedachten.

‘Oh en de waarheid is dat je altijd evenveel waard was als iedereen en die barvrouw die je negeerde je meer had kunnen laten voelen dan iedere hoeveelheid heroïne en welke kliffen dan ook, maar neem het niet van mij aan hoor, ik ben maar een moordenaar. Wat weten die nou van de waarheid? Hahaha.’

Dick is op sterfgeluiden na stil.

‘Nou nou, gezellig hoor, jij. Jeetje zeg,’ klaagt de moordenaar fronsend. Hij kijkt onderzoekend naar de man in de stoel.

‘Nee, echt niets te zeggen? Geen mooie preek? Een diepzinnige gedachte? Nou oké dan maar.’

Dick denkt iets ongelooflijk indrukwekkends en communiceert dat door een lichte beweging van zijn halfdichtgevallen ogen, waar de man met het mes weinig aan heeft.

‘Ben je er klaar voor?’ Roept hij zonder een antwoord te verwachten, maar mét de beledigende gezichtsuitdrukking die erbij hoort wanneer je op het punt staat iemand af te maken.

Dick kan alleen nog maar achteroverleunen en afwachten terwijl de man het mes uit zijn borst trekt, het opheft en met het volledige lemmet in zijn schedel valt.

‘HIER IS DE WAARHEID!’

Dick voelt een klap, een deuk, een scheur en een gespetter aan weerszijde van het mes, bloed dat van zijn voorhoofd af op het meubilair sproeit terwijl zijn zicht wazig wordt en hij niets meer ziet behalve een veeg van felle lichten die waggelen en dimmen en dan plaatsmaken voor onschuld. Hij voelt een warmte en daarna niet meer en besluit dat het mooi genoeg is geweest. Of ten minste, zo gelooft hij, dat laatste beetje gevoel van autonomie gunt zijn brein hem nog wel in die laatste microseconden.

Tóch!?

Naast een jungle vlakbij een strand en onder aan een vulkaan staat een groot huis met veel land eromheen. Een landhuis. Niet te verwarren met een woonboot of een luchtkasteel. Dat is anders. Binnenin het huis is een luxe kamer bezaaid met kaarten en een statige wereldbol vol met whiskyflessen. Daaromheen zitten twee goede vrienden.

‘Ah, bah. Had het nou niet een jaar eerder gekund?’ Vraagt de goede vriend Johannes aan zijn goede vriend Harrold.

‘Wacht eens. Ja ik zie het al. Ik heb het de knul nog zo verzocht. Hij weet heel goed dat alles na zijn geboortejaar bocht is voor het komende decennium. Dat is waarom ik hem alleen zijn geboortejaar heb geleerd en hem vanaf daar laat aftellen. Alles met een zeven als derde getal is een nee-nee. Het spijt me, Johannes. Het is waardeloze service van mijn kant,’ zegt Harrold, verontschuldigend.

‘Je kunt het hem altijd laten herstellen.’

‘Ja, ja, natuurlijk en dat ga ik ook zeer zeker doen, maar vergeleken met de bediening in jouw huis. Het brengt me een beetje in de verlegenheid.’

‘Ha, ach hee, de bediening is ook maar de bediening,’ zegt Johannes terwijl hij met zijn hand wuift. ‘Je kunt een heel nieuw stel halen als het echt te erg wordt. Plus, het gaat allemaal om de man die ik hier nu voor me heb. We hebben nog wat zaken af te handelen jij en ik.’

‘Dat is een redelijk punt en ik zal proberen eer te doen aan je wijsheid in mijn daden. Maar ik weet niet of ik de knul nog veel kansen ga geven. Ik heb al eens een woordje met hem laten voeren, maar je weet hoe die lui zijn. Het is allemaal beloftes op beloftes tot je ze weer aan het werk zet,’ zegt hij terwijl hij wat smerig naar het glas in zijn hand kijkt en het terugzet op het met edelstenen ingelegde tafeltje.

‘Maar goed, wat doe je eraan? Je kunt ze niet eeuwig blijven disciplineren.’ de goede vriend pakt een belletje op en rinkelt ermee terwijl hij het woord “knul” door het vertrek roept.

‘Oh je moest eens weten. Als je vindingrijk genoeg bent is er altijd tijd voor discipline,’ zegt Johannes.

Een paar seconden later komt de jongen rennend in de deuropening aan. Hij wandelt rustig de kamer in en loopt naar de vriend die het huis bezit.

‘Kan ik helpen, meneer?’

‘Knul. Luister. Ik zei je dat ik wijn wilde. Ik weet dat jij te jong bent voor wijn en je weet niks, dus dat vergeef ik je deze keer. Maar als je nu niet heel snel naar de kelder gaat om een fles te halen waar geen “7” op de derde plek van het jaartal staat dan hak ik je hand eraf en ga ik je een broertje of zusje geven om het voor me te doen.’

De knul belandt in een staren in het niets en kijkt dan langzaam naar de goede vriend.

‘Begrijp je dat?’ Zegt Harrold dreigend.

De jongen gunt hem niets.

‘Ik heb je wel eens laten zien waar broertjes en zusjes vandaan komen, niet? Met moeder tweeëndertig toen. Dat is die van jou volgens mij. Die ken ik nog wel. Goede heupen, weinig huilen. Ze kan vast niet wachten. Dus schiet op.’

De knul zoekt het midden tussen de grond en de ogen van de goede vriend en mompelt dat zijn moeder Maharani heet, waarna hij een soejang op zijn tedere wang voelt klappen die een traan in zijn oog brengt en hem bevriest met angst.

‘Knúl!’ Blaft de goede vriend die voorover leunt in zijn stoel en de jongen schiet weg.

Harrold herpakt zijn postuur en terwijl hij wat friemelt met zijn kraag laat hij zich weer achterover in zijn grote stoel zakken om zijn hoofd richting zijn goede vriend te draaien.

‘Ze begrijpen niet waar we hier mee bezig zijn, of wel, Johannes? Ze hebben geen idee.’

‘Ze kunnen het niet begrijpen, Harrold.’

‘Gezegend zijn ze in hun onschuld, laten we maar zeggen,’ zegt Harrold en hij meent het.

‘Als ze eens wisten wat een verantwoordelijkheid wij op ons nemen,’ zegt Johannes langzaam schuddend met zijn hoofd.

‘Voor hén,’ voegt Harrold direct toe met een verbaasde intonatie.

‘Allemaal voor hen. De kinderen zullen ons dankbaar zijn,’ knikt Johannes.

‘Onze kinderen, Johannes, onze kinderen.’

‘Meer van mij dan van jou tot nu toe, goede vriend,’ zegt Johannes plagerig.

‘Dat komt omdat ik het op het eind altijd zó spannend vind dat ik steeds vergeet op de tafel te kloppen,’ Zegt Harrold geïrriteerd terwijl hij op de tafel klopt.

‘Sneller denken dan,’ raadt Johannes hem aan.

‘Wacht maar tot de knul hier is, je gaat het beleven dit keer,’ zegt Harrold vastberaden.

‘We gaan het zien, we gaan het zien,’ antwoord Johannes met een lachje. ‘Maar je hebt er al wel een paar gewonnen to nu toe toch?’ Voegt hij eraan toe.

‘Soms had ik het gevoel dat je me liet winnen,’ zei Harrold.

‘Natuurlijk, ouwe vrind, om het interessant te houden,’ schertst Johannes terug.

‘Jij geniepige doerak ook, Johannes!’

‘Het is eenzaam bovenaan, Harrold. Cholera en lepra raken me niet, maar eenzaamheid des te meer. En daar hebben zij nooit last van. Dus soms, soms speel ik met mijn prooi als een vorm van gezelschap.’ komt het antwoord.

‘Het recht van de sterken,’ zegt Harrold.

‘Het recht van de sterken,’ echoot Johannes.

Een seconde of twee van pauze volgen waarin beide mannen zich even realiseren hoe goed ze zich voelen over zichzelf en wat voor een goede vrienden ze zijn. Dan horen ze vlugge stappen veranderen in een rustige pas, wat alle vier de ogen naar de deuropening trekt.

‘Ah, knul. Daar ben je weer. Wat heb je dit keer voor ons meegenomen?’

De jongen overhandigt de fles aan Harrold die hem bestudeert, ontkurkt, eraan ruikt, hem nogmaals bekijkt om te zien of zijn zintuigen hem niet bespelen en daarna hartelijk glimlacht naar zijn goede vriend Johannes.

‘Goed zo, knul,’ zegt hij tussendoor naar de jongen.

De jongen kijkt naar de kaarten die overal over de grond liggen en voelt een bui hangen.

‘Goed, nu we eindelijk het juiste drankje hebben, zullen we beginnen met het klaarzetten van het spel?’ Zegt Harrold.

‘Helemaal prima,’ komt van Johannes zijn kant.

‘Knul, roep je zusje voor de kaarten.’

De jongen loopt de kamer uit en komt even later terug met een meisje nog geen tien maanden jonger dan hijzelf. Ze heeft zwart haar dat lijkt te willen krullen, maar enkel golft tot net beneden haar schouders. In een schamel gewaad en met haar lichaam zo klein mogelijk gemaakt begint ze rond te kruipen en de kaarten te verzamelen. Johannes kijkt naar haar. Er staan tekens en letters en getallen op en ze snapt er weinig van, maar ze heeft uiteindelijk een stapeltje in haar hand die ze op het tafeltje tussen de twee goede vrienden inlegt. Wanneer ze de kaarten op het tafeltje plaatst voelt ze een hand rond die van haar.

Ze wilt haar hand wegtrekken, maar daar is rekening mee gehouden merkt ze wanneer ze de vingers strak om haar polsen gestrengeld voelt. Ze kijkt naar links en ziet een bedaarde gulzigheid in de ogen van Johannes. Een soort deftige drang om te bezitten. Hij oogt eventjes zijn goede vriend die zegt dat deze kleine njai nog onder de elf is. En een verfijnd, geëduceerd en bovenal gecultiveerd man als Johannes moet toch het antieke adagium “Onder de elf is voor papa zelf” respecteren.

‘Kom over een jaar of twee terug dan mag je d’r hebben van me,’ zegt Harrold.

‘Maar dan is al het plezier er al uit. Ik wil een nieuwe. Tweedehands is niet meer speciaal,’ zeurt Johannes

‘Waar heb je het over, niet speciaal? Een meisje is een meisje, niet?’

‘Ja, maar het gaat erom hoeveel mannen het meisje gezien heeft. Ze is nu al zo veel gewend waarschijnlijk.’

‘Dus? De meeste meisjes hier hebben al wel eens een man gezien. God behoedde ons voor wat ze in hun vertrekken uitspoken.’

‘Ik wil gewoon de enige zijn. Het is fijner om de enige te zijn. Minder zorgen.’

‘Minder zorgen?’

‘Over wat ze allemaal uitspookt.’

‘Wat maakt jou dat uit? Het is een hoer.’

‘Maar ze kan zoveel meer zijn.’

‘Wat?’

‘Ik kan haar opleiden. Maar dan wil ik wel de enige zijn. Anders werkt het niet.’

‘Is zij jouw enige?’

‘Nee natuurlijk niet.’

‘Je houdt het zelf niet bij één?’

‘Nee natuurlijk niet, Harrold. Maar zo hoort het ook niet.’

‘Verklaar,’ zegt Harrold, geïntrigeerd in deze persoonlijke kant van zijn goede vriend.

‘Het is niet moeilijk. Ik zal beginnen bij het begin. Een maagd is het meeste waard. Een vrouw van waarde blijft maagd tot het huwelijk, niet? En er mag dus maar één man in haar zijn. Voor altijd. Ze mag haar lichaam niet met anderen delen tot een man haar vader heeft gevonden en een goede deal heeft gemaakt, dit is redelijk en logisch en iedereen heeft altijd zo geleefd, corrigeer me wanneer ik leugens begin te verkondigen, Harrold.’

Harrold blijft stil.

‘Dus een maagd moet je hebben. Dan ben je de enige seksuele invloed in haar hele leven en als ze wil scheiden kan ze dat toch niet doen. En rent ze weg dan komt de politie haar wel weer terug brengen,’ legt Johannes vol plezier uit. ‘Maar als je zo’n slet hebt, die gaan daarna ergens anders heen en ergens anders heen en voor je het weet ben je ze kwijt en zijn ze ziek en je denkt toch niet dat die andere mannen goed voor haar zorgen zoals ik dat zou doen, Harrold? Je kent me als een redelijk mens.’

‘Maar wat maakt het uit of jij de eerste bent precies? Zij is voor jou de zoveelste.’

‘Omdat de eerste altijd speciaal is.’

‘Zou je jezelf niet diezelfde speciale status kunnen geven door beter te zijn dan al haar andere geliefden? Ik bedoel bij de alledaagse harlot op dit eiland zijn er hooguit een paar sloebers overheen geglibberd, hoe moeilijk kan het zijn?’

‘Bah, houd op, Harrold. De gedachte alleen al. Bah. Weetje wat, laat maar, ik hoef je niet meer,’ zegt hij tegen het meisje wiens pols hij nog steeds vastheeft, maar die hij nu gewelddadig losschud. Het meisje vangt de tendens van de woordenwisseling op en vlucht het vertrek uit. Haar broertje staat naast de tafel.

‘Waarom zeg je dat soort dingen, Harrold?’

‘Het is lastig om goed personeel te vinden deze dagen, Johannes. Dus blijf ervan af,’ zegt Harrold voor hij opzij kijkt en zegt: ‘Knul. Deel de kaarten.’

Iedere man krijgt een stel van zeven kaarten voor zich gelegd door de jongen. De mannen pakken ze op en beginnen direct te klagen over de kwaliteit van hun hand. Ze wisselen vriendelijke woorden, onderhandelingsleuzen, een paar sluikse dreigementen over de theoretische onhoudbaarheid van hypothetische kaartcombinaties en na verloop van tijd wisselen een aantal kaarten van handen zodat het spel kan beginnen met iedere speler uitgerust zoals ze willen.

‘Voor het eiland. Winnaar pakt alles,’ proost Harrold.

‘Voor het eiland,’ klinkt terug.

De twee keren zich naar het tafeltje en beginnen te spelen.

Harrold wint de eerste ronde, hij vergeet bij de tweede keer laatste kaart te kloppen, maar trekt twee tweeën als straf waardoor hij Johannes vier extra kaarten geeft en makkelijk uit kan. De volgende pot is voor Johannes die zonder ooit een kaart te hoeven trekken naar de lege hand gaat met drie zevens blijven kleven en een boer om de stapel naar zijn wens te veranderen.

Het is één-één. De mannen kijken elkaar aan. Harrold heeft nu al drie jaar achter elkaar niet gewonnen en het vreet aan hem. Hij nodigt Johannes uit in zijn huis, kan hem niet van goede service voorzien, moet hem zijn hoertjes ontkennen omdat de geldkraan hem gebied zuinig te zijn met zijn lichamen en hij verliest dan ook nog eens met kaarten. Niet dit keer.

Hij kijkt naar de jongen.

‘Knul. Doe je mee?’

De jongen kijkt verbaast naar zijn baas en neemt voor hij er echt over na kan denken het stapeltje kaarten dat hem wordt aangeboden. Ook al heeft hij de officiële regels nooit geleerd, hij heeft gedwongen naast genoeg potjes gestaan om de twee kleurtjes, de vier letters en de getallen uit elkaar te houden en hun effecten te kennen. Hij kijkt naar zijn hand en blijft stil terwijl de andere twee direct na het zien van hun kaarten weer beginnen te kraaien over oneerlijkheid en onmogelijke kansen. Ze volgen hun kleine kaartenwisselritueel, maar kijken dan naar de knul en beginnen nogmaals te aarzelen. Want ze hebben nu wel met elkaar overlegd, maar wat heeft de jongen daar? Ze gebieden hem zijn kaarten te laten zien en ze wisselen er nog een paar om voor de zekerheid.

Het spel begint.

Harrold opent sterk met tien wasmasjien, waarmee hij de beurt aan de jongen geeft die Johannes tot halt roept met een acht aan de wacht. Harrold gooit er een twee op die de jongen doorgeeft, maar Johannes heeft een joker. Harrold is gedwongen negen kaarten te pakken en lijkt uit het spel. Hij geeft onder de tafel drie van zijn kaarten aan de jongen en trapt hem tegen zijn scheen om duidelijk te maken dat het nu zijn probleem is. Hij legt klaver op de joker en het spel gaat verder. Johannes werpt een heer en claimt “Heertje nog een keertje,” waar Harrold nooit van heeft gehoord, maar Johannes zegt dat ze het bij hem altijd zo spelen, dus Harrold staat het toe.

Een paar circulaties en rotaties verder en de trekstapel is haast toe aan een omdraai. De mannen zitten rond de tafel, de jongen staat ernaast en ze kijken elkaar vol spanning aan. Elk van hen heeft twee kaarten over. De jongen is aan de beurt. Daarna Harrold, dan Johannes.

De jongen legt een boer op en zegt dat hij er ruiten van maakt. Daarna klopt hij op de tafel en kondigt de laatste kaart aan, tot grote paniek van de andere twee. Harrold kan er niets tegen doen en legt aarzelend zijn eigen ruiten drie neer terwijl hij hoopt op zijn goede vriend. De beurt is aan Johannes. Hij weet dat de knul het net ruiten heeft gemaakt voor zijn laatste kaart, maar wat de knul niet weet is dat er nog een boer in het spel zit en die toevallig aanwezig is in de hand van Johannes.

Johannes werpt de boer op en verandert de stapel naar schoppen. Hij grijnst naar de jongen, klopt of tafel en zegt: “Laatste kaart” waarna de jongen een schoppen vrouw opgooit en uit is. Hij kijkt naar de twee mannen die naar elkaar kijken en dan weer terug naar hem, volledig stomgeslagen.

Harrold springt uit zijn stoel en begint te krijsen: ‘HÓÉ WIST JE DAT!? VUILE RAT! JE SPEELT VALS! JE SPEELT VALS!’ Hij duwt de jongen tegen de grond en drukt een serie van vuisten in zijn gezicht terwijl hij door schreeuwt: ‘JE DENKT DAT JE MET JE TRUCJES HET EILAND TERUG KUNT KRIJGEN!? JE BLIJFT GODVERDOMJE NEER! VIEZE KAFFER! KIJK, DIT KRIJG JE ERVAN ALS JE IEMAND MET JE MEE WILT LATEN SPELEN, JOHANNES! IK ZEI HET TOCH! ON-DANK-BAAR! WALGELIJKE MISBAKSELS! JOHANNES! BEL DE POLITIE! NU!

Nog geen uur later staat er een politiecolonne van koloniepolitie acties te voeren om het landhuis heen en wordt de knul meegevoerd en waarschijnlijk ergens aan een rad gebonden waar hij door de lokale bezetters doodgeslagen wordt voor zijn rechtszaak kan beginnen. Zijn moeder zal het nooit weten en zijn zusje wordt nu met plezier verkracht door Johannes, omdat zij nu juist speciaal geworden is voor hem als het zusje van dat klotekind dat dacht een kans te maken tegen de goede vrienden Johannes en Harrold.

Wat een prachtige mentaliteit.