De Week van Mama Meerkoet

Riet Race

‘Kom op! Je bent er bijna!’

Mama Meerkoet dobbert achter het riet dat de eindstreep vormt en kijkt naar haar kuikentjes die één voor één aan komen zwemmen. Nauwkeurig bestudeert ze de donzige kopjes die hoopvol naar haar kijken en wild heen en weer waggelen door het heftige getrappel onderwater. De vitaliteit van de kleintjes is iets dat Mama Meerkoet vervult van een innige vreugde, ongeëvenaard in de rest van haar bestaan.

Shanbeh, de eerstgeborene, ligt voorop. Ze lijkt met een kleine marge te gaan winnen van Al-Ahad, die ver voor de anderen ligt. Mama Meerkoet had verwacht dat de eerste twee uit het ei ook de eerste twee zouden zijn bij deze race, dus is ze meer geïnteresseerd in wat haar andere kindjes doen. Toch vergeet ze het niet om Shanbeh en Ahad te belonen met snavelaaitjes wanneer ze de eindstreep gepasseerd zijn. De twee dartelen verzot door het water en kruipen zo dicht mogelijk tegen hun moeder aan, wachtend op de rest.

‘Zag je dat, mama! Zag je hoe snel ik ging?!’
‘Pòòòhh, maar ik ging nog véél snéller!’
‘Maar jij bent ouder!’
‘Dus?’
‘Dus jij bent groter, dat is niet eerlijk!’
‘Je bent gewoon jaloers dat ik sneller ben en mama mij liever vindt.’
‘Niettes!’
‘Welles!’
‘Mama! Mama vindt je mij lief?’
‘Natuurlijk vind ik jou lief, Ahad.’
‘Liever dan Shanbeh?’
‘Niet liever dan Shanbeh. Ik vindt jullie allemaal éven lief.’

Ahad werpt een blik naar zijn zus:

‘Zie je wel.’
‘Hmpf.’ doet Shanbeh.

Tegen al het betere weten in passeert Mokuyoubi zijn grote zus. Hij komt als derde over de streep, volledig buiten adem. De kleine strijder had minstens twee keer zoveel moeite moeten doen om dezelfde snelheid als Lundi te behalen. Mama Meerkoet ziet het aan en knikt tevreden.

De anderen komen één voor één het riet binnen en beginnen enthousiast te kwekken en kwakken over de resultaten en wat ze hierna voor leuke spelletjes gaan doen.

‘Eerst gaan we even lekker wat lunchen, hebben jullie daar zin in?’

Een vol- en veelmondig:

‘Jaaaa!!!’
‘Mooi, mooi. Kom, dan gaan we nu terug naar het nest voor een klein feestmaal!’

Mama Meerkoet leidt de weg en alle broertjes en zusjes volgen netjes in een rijtje. Ze houden de volgorde aan van de vorige wedstrijd. Dus Ahad mag eerst, dan Shanbeh en achter haar volgt Mokuyoubi. Dan komen Lundi, Pingajuat, Dinsdag en tot slot Shukra Vaar.

‘Je weet dat je te jong bent om ons bij te houden, toch?’

Mokuyoubi kijkt omhoog naar zijn zus Shanbeh die haar nek over zijn hoofdje heeft hangen.

‘Ik… Ik doe, ik probeer het. En net ging ik héél hard!’
‘Je moet niet te hard willen zwemmen.’
‘Hm?’
‘Dat is niet goed voor je.’
‘Waarom?’
‘Geloof me maar gewoon. Ik was hier als eerste. Mama heeft mij geheimen verteld hoe ik het beste kan winnen.’
‘Niettes!’
‘Je gaat het nog wel merken.’

Shanbeh knijpt haar ogen samen en versnelt haar pas om haar kleine broertje achter te laten.

‘Laat haar je niet plagen, Moku. Je bent mijn grote broer en ik houd van je.’
‘Dankje, Shukra. Dat is fijn om te horen. En jij bent mijn kleine zusje’

Bij het nestje aangekomen deelt Mama Meerkoet slakjes, plantjes en kleine visjes uit. Ze probeert iedereen even veel te geven, maar ziet dat Mokuyoubi het erg lastig heeft na de zware inspanning van vanochtend, dus scheurt ze een paar stukken van Shukra Vaars portie af om het aan haar hongerige broertje te geven.

‘Eet maar gauw op. Je moet er nog groot en sterk van worden.’ zegt ze tegen het smikkelende kuikentje.
‘Maar mijn zusje dan?’
‘Maak je daar maar geen zorgen over, Moku. Daar bedenk ik wel iets voor.’

Shukra Vaar kijkt wat vragend naar haar moeder terwijl ze dit zegt, maar ontvangt geen antwoord. Ze is het kleinste van al haar broers en zussen en kwam laatste bij de rietrace. Sipjes observeert ze de blaadjes en het stukje slak dat voor haar ligt. Ze hoopt maar dat het genoeg zal zijn.

Pak de Tak

De eenzame boom staat in bloei en heeft her en der wat takken laten vallen op de sompige grond. Mama Meerkoet marcheert het land op en inspecteert de omgeving. Achter haar zes kleintjes. Aan de voet van de bladerreus draait ze zich om en legt de regels van het volgende spel uit.

‘De regels zijn simpel. Jullie zullen werken in teams van twee. Het team dat de grootste tak naar mij brengt wint. De takken mogen overal gevonden worden. Jullie mogen lopen, zwemmen, duiken, vliegen, wat je maar wilt. Zolang je maar met een goede tak terugkomt.’
‘Vliegen?’ vraagt Lundi.
‘Niemand van ons kan nog vliegen, mama.’ zegt Pingajuat.
‘Iemand moet echter de eerste zijn, nee?’ antwoord Mama Meerkoet.

De kleinen staan beduusd toe te kijken en schieten blikken naar elkaar om teams te vormen. Maar Mama Meerkoet komt ertussen.

‘Het is denk ik het eerlijkst als we de oudsten met de jongsten laten samenwerken. Dus de teams zijn als volgt:

Shanbeh en Mokuyoubi.
Al-Ahad en Pingajuat.
Lundi en Dinsdag.

De tweetallen schuifelen naar elkaar. Mokuyoubi heeft zijn hoofdje laag hangen. Shanbeh blaast geïrriteerd lucht door haas neus en trekt haar snavel op.

‘Geweldig. Zit ík natuurlijk weer met de zwakste opgescheept.’

Mokuyoubi’s hartje klopt in galop.

‘Ik… Ik ben niet, ik kan… Ik ben sterk.’
‘Leuk voor je. Alle anderen zijn op zijn minst een dag ouder dan jij. Je gaat ze niet inhalen.’
‘Houd op.’
‘Kleine Mokuyoubiboubi.’
‘Houd op!’
‘Ach, jonge, ik plaag je toch ook alleen maar,’ zegt zijn grote zus terwijl ze opzij kijkt.
‘Ik vind het niet leuk geplaag. Je maakt me verdrietig.’
‘Nou oké dan, grote baby. We zijn een team ten slotte, dus laten we de anderen een poepie ruiken of wat?’

De jongste weet niet waar hij zijn ogen plaatsen moet, maar kan weinig anders dan instemmen met zijn zus. Ze sprokkelen stelselmatig, maar vinden niets indrukwekkend genoeg om Mama Meerkoet versteld te doen staan.

‘Moku, kijk daar eens,’ Shanbeh knikt naar een tak die half uit het water steekt iets verderop.
‘Wow…’
‘Ja. Als we díé zouden kunnen bemachtigen zouden we zéker winnen, of niet?’
‘Ja!’

Shanbeh richt haar snavel naar de wolken, Mokuyoubi volgt haar, maar ziet niet waar ze naar kijkt.

‘Ik denk dat jij eerst moet gaan kijken hoe ver de tak onderwater zit, Moku.’
‘Hoezo ik?’
‘Omdat jij kleiner bent.’
‘Maar jij kunt beter duiken.’
‘En jij moet nog het meeste leren. Dus ga. Anders verliezen we sowieso. En dan zal het niet aan mij liggen.’

Mokuyoubi beseft dat hij de discussie niet gaat winnen en zet een stap richting de plas waar de stok in begraven ligt. Voorzichtig waggelt hij naar de rand van het water. Achteromkijkend ziet hij de dwingende ogen van zijn grote zus. Hij wordt er nerveus van. Omdraaien is onmogelijk. Bij de oever aangekomen stapt hij van het zand op een vreemde soort rots met symmetrische vormen erop. Zoiets heeft hij nog nooit gezien. Het lijkt wel alsof er een pad van magische onderwaterstenen ligt dat hem gaat begeleiden naar de prijs. In zijn hoofd ziet hij de trotste blik van Mama Meerkoet wanneer hij aan komt zetten met de meest indrukwekkende vondst.

Het beweegt. De kleine schrikt en verliest haast zijn balans, maar behoud op het nipt zijn grip.

Hij kijkt naar beneden. Er is nog iets anders in het water. Voor hem ziet hij een soort modderklont omhoogkomen. Het stijgt gestaag, maar vastberaden.

‘Sh-Shanbeh?’
‘Niet bang zijn, knul, gewoon gaan.’
‘Ik. Ik wil niet.’

Het wezen kantelt en Mokuyoubi kan zich niet meer staande houden. Hij plonst in het water en begint paniekerig naar de kant te flipperen. Achter hem komt de steen tot leven. Een robuuste kop met een tandengrot drie maal de grootte van het kuikentje spert zich voor zijn ogen en probeert hem te vermorzelen.

Met zijn gehele lijf probeert Mokuyoubi vrij te komen. Zijn zus bekijkt het afgrijselijke spektakel met onverschilligheid. Hoewel het beest haar de stuipen of het lijf jaagt, is ze niet in gevaar, dus kan het haar niet zo veel schelen. Maar voor haar jongere broertje is dat een heel ander verhaal. Iedere spier in zijn lichaampje wilt wegbewegen van het beest. Hij trapt met zijn voeten de aarde naar beneden en wappert met zoveel kracht aan zijn kleine vleugeltjes dat hij een meter van de grond komt. Onder hem ziet hij de bek, het schild en de poten die er uitsteken. Alle energie die hij bezit is gericht op het wegduwen van lucht terwijl hij bidt voor een acute wind die hem naar veiligheid woeit.

Al-Ahad en Pingajuat flaneren borst aan borst op hun speurtocht naar een goede roede. De twee grappen over hun aparte teenflappen en nemen zo nu en dan een klein takje mee in hun snaveltje, voor het geval het de laatste is die ze tegenkomen. Voorheen hadden ze weinig tijd met elkaar doorgebracht, aangezien Ahad vier dagen eerder geboren was en dus veelal met zijn grotere en kleinere zussen Shanbeh en Lundi in de weer was, terwijl Pingajuat meer met Mokuyoubi en Dinsdag optrok.

‘Ping, sssht, kijk daar,’ fluistert Ahad opzij.

Pingajuat draait zijn ogen naar de plaats die Ahad aanwijst en ziet twee baby eendjes zwemmen met een geweldige stok in de bek.

‘Laten we ze pakken.’
‘Wat, hén? Maar ze zijn misschien wel bezig met hun eigen wedstrijd.’
‘Dus? Weet je wel niet hoe roekeloos die beesten zijn?’
‘Nee? Wat doen ze dan?’
‘Ze eten andermans eieren op en leggen dan hun eigen in het nestje. En ze verdrinken hun mama’s om eitjes te maken.’
‘Ze verdrinken hun mama?’
‘De papa doet dat, ja. Niet de kleintjes. Die zijn niet sterk genoeg. Maar ze zouden het doen als ze het konden. Geloof me.’
‘Wat erg.’
‘Soms hebben ze zelfs seks met dode dieren.’
‘Wat is seks?’
‘Dat is vies wanneer je het met dode dieren doet.’
‘Oh, oké.’
‘Ja. Dus wat maakt het uit als wij een tak van hun pakken?’
‘Als wij iets slechts doen, maar het is bij iemand die slecht is, dan is het goed?’
‘Precies, Ping. Jij snapt het.’

Ook al weet ze niet helemaal zeker of dit wel het juiste is om te doen, voelt ze zich speciaal nu een grote broer haar onder zijn hoede neemt. Het geeft haar nieuwe energie.

‘Hoe wil je het doen, Ahad?’
‘Ik cirkel om ze heen en maak me klaar voor de hinderlaag. Jij moet ze afleiden in de tussentijd.’
‘Hoe doe ik dat?’
‘Gewoon jezelf kenbaar maken.’
‘Wat als ze me pijn willen doen?’
‘Dan zorg ik ervoor dat ze dat niet lukt.’
‘Beloofd?’
‘Beloofd, zus.’
‘Dankje,’ zegt Pingajuat met een zachte stem. ‘Je bent een goede oude broer.’
‘En jij een goed klein zusje.’

Ping knikt en voelt warmte onder haar ogen.

‘Wacht op mijn signaal. Ik zal ritselen aan het struikje daar, dat is wanneer we beginnen.’
‘Oké.’

Ahad cirkelt om de eendjes heen en verschuilt zich in de struik. Pingajuat ziet de bladeren bewegen en begint te kwaken naar de kuikens. Ze draaien zich om en laten bijna de stok in het water vallen. Ping staat op de kant en roept de meeste gemene dingen die ze bedenken kan in een poging de twee naar haar toe te paaien.

‘Stomme mallerd! Jullie zijn sukkels! Een stelletje takkensukkels!’
‘HHouw Jhe Bhwek Bhwek Bhwek Digt!’ kwekken ze terug.
‘Kom dan! Kom hier dan!’

De twee drijven op haar af met baldadige blikken. De stok houden ze hoog door middel van hun geheven hoofden. Ahad sluipt de struik uit en duikt het water in. Ping wordt zenuwachtig en zet een stap achteruit. Haar broer nadert de eenden sneller dan de eenden haar. Ze zet haar poot in het zand en wrikt zichzelf vast in de aarde. Ze mag niet bang worden en in paniek raken. Hoe dichtbij de belagers ook komen. Ahad heeft het haar beloofd.

‘Kwàk kwàk kutkoet kutkoet kwàk kwàk’
‘Eendje meer of minder maakt niet uit!’

De eerste eend is uit het water en zijn compagnon volgt direct daarnaast. Ze chargeren Pingajuat met de stok op nekhoogte, maar bewegen ietswat ongemakkelijk door de onhandige tak. Kleine Ping houdt stand. Ze zet zich schrap en wacht geduldig op haar broer die achter de twee aanvallers uit het water komt en het op een rennen zet, met zijn vleugeltjes wapperend voor extra vaart.

De eendjes zijn een tiental stappen verwijderd van hun doelwit wanneer Al-Ahad tussenbeide komt en zijn snaveltje rond de stok klemt. Hij wrikt hem los van de nietsvermoedende jonkies, rent naar voren en werpt hem door de lucht naar zijn zusje.

‘Ping, pak hem en ren! Ik handel dit hier af.’
‘Ahad, weet je dat z-‘
‘Ja! Nu!’

Pingajuat pakt de stok, draait zich om en zet het op een waggelen. Achter zich hoort ze het furieuze gekwik, kwek en kwak van de eendjes en het schreeuwen van haar broer.

Lundi en Dinsdag zitten op een omgevallen boom uit te kijken over het drassige landschap.

‘Er is niet zo heel veel eten hier, weet je dat, broer?’
‘Hm?’
‘Shukra Vaar, Dins. Mama gaf haar portie aan Mokuyoubi. En nu is ze er niet meer.’
‘Echt waar? Dat heb ik helemaal niet gezien. Ik was te druk bezig met eten.’
‘Ik denk dat we onze energie moeten sparen.’
‘Vanwaar?’
‘Van een tak kun je niet leven.’
‘Maar misschien wel meer eten verdienen. Ik kan nog niet jagen.’
‘Het is het risico niet waard. Alles dat we nu besparen kunnen we vanavond missen bij het diner.’
‘Oké. Als jij het zegt, Lundi. Maar wil je dan met lege snavels aankomen daar zometeen?’
‘Nee, nee, we vinden vast wel ergens een leuke stok onderweg, maar laten we onszelf er niet te druk over maken.’
‘Ik hoop maar dat mama niet boos wordt.’
‘Dat komt wel goed. Plus, de anderen moeten ook nog maar met iets indrukwekkends aan komen zetten.’
‘Ja, dat is waar.’
‘En mama houdt van ons. Waarom zou ze boos worden?’
‘Weet ik niet. Maar waarom zou ze Shukra geen eten hebben gegeven?’
‘Weet ik niet…’

De twee ademen en praten zo nu en dan, maar zijn voornamelijk bezig de wereld om hen heen in zich op te nemen. Ze zijn er nog niet zo lang, dus alles heeft een oprechte charme, onaangetast door gewenning.

Op de terugweg vinden ze, zoals verwacht, een prima tak die half achter een struik verstopt ligt. Dinsdag biedt aan om hem te gaan halen, Lundi gunt het hem. Hij grist de stok van de grond en wilt zich omdraaien terug naar zijn zus, maar dan hoort hij stemmen. En ze komen van dichtbij. Hij duikt snel achter het bosje in de hoop zich schuil te kunnen houden.

‘Maar dan hebben we zo dus helemaal niets voor mama…’
‘En wiens schuld is dat?’
‘Waarom hielp je mij niet?’
‘Ik hielp je wel…’
‘Niettes!’
‘Je leeft toch nog, of niet?’
‘Ja, maar niet door jou.’
‘Je gaat je mond houden tegen mama. Want dit was allemaal jouw schuld. Zonder jou had ik makkelijk gewonnen.’

Een korte stite.

‘Zal ik anders een klein takje meenemen?’
‘En dan?’
‘Dan kunnen we laten zien dat we het op zijn minst geprobeerd hebben.’
‘Met zo’n lullig twijgje aan komen zetten is eerder een belediging dan een soelaas. Wat een stom idee.’
‘Ik wilde alleen maar helpen.’

Zonder de struik verder aan te raken en een hoorbaar geritsel te maken sluipt Dinsdag terug naar zijn zus.

‘Wat was er? Je leek iets te horen of zien.’
‘Volgens mij waren het Shanbeh en Mokuyoubi.’
‘Ah, dan zijn zij ook al klaar en onderweg terug naar mama. Klonk het alsof ze een grote stok hadden?’
‘Nee… Nee niet bepaald.’
‘Mooi. Dat komt goed uit.’

Mama Meerkoet ziet een paar tweetallen terugkomen en is verblijd door de tak, maar vraagt zich af waarom het andere team met lege snaveltjes komt opdagen.

‘Goed gedaan Lundi en Dinsdag. En wat is er met jullie tak gebeurd, jongens?’

Shanbeh kijkt venijnig opzij. Moku zwijgt.

‘We hadden de mooiste tak van allemaal binnen flipperbereik, mams, maar Mokuyoubi mopperde iets over vermoeidheid of jeuk aan zijn dons of iets. Je weet hoe hij is. Ik verloor mijn concentratie erdoor. En toen kwam er vlak voor onze neus een vogel en die pakte de stok zomaar weg. Echt waar.’

Mama Meerkoet kijkt twijfelend naar kleine Mokuyoubi.

‘Is dat waar, Mo?’

Mo’s oogjes dartelen van hoek naar hoek

‘Ja, mama.’
‘En jullie hebben geen andere tak meegenomen daarvoor in de plaats?’
‘Deze ene tak was zo mooi, dat al het andere als een belediging zou voelen, moeder.’
‘Toch heb ik de volgende keer liever dat je wat meeneemt. Iets is beter dan niets.’

Mokuyoubi wilt zijn eer herstellen, maar zijn zus overstemt hem.

‘Ja, zullen we doen, mama. De enige reden dat ik er niet nog even eentje heb gepakt was omdat Moku zei dat hij zo moe was. En ik geef om ál mijn kleine broertjes en zusjes.’
‘Mokuyoubi wat wilde je zeggen?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Niks, mama. Het is al goed.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja…’

Ze kijkt naar het ineengekrompen donsballetje dat haar jongste zoontje Mokuyoubi voor moet stellen en vervolgens naar Shanbeh, haar oudste dochter.

‘Het klonk anders alsof je Mokuyoubi al het harde werk hebt laten toen terwijl je zelf niets deed.’

Alle ogen draaien naar hem in verbazing.

‘Waar heb je het over, Dinsdag?’
‘Ik hoorde jullie toen ik onze tak ging pakken. Jullie liepen achter een boom. En Shanbeh was heel gemeen aan het doen tegen Moku, ze zei dat hij niets aan Mama mocht vertellen, en dat het allemaal zijn schuld was dat het fout was gegaan.’

Mama Meerkoets felrode ogen vernauwen en schieten naar haar dochter.

‘Is dat waar, Shanbeh?’
‘Pfff, mama wat denk je zelf? Dat zou ik toch nooit doen.’

Dinsdag gaat verder

‘Jij was degene die tegen Moku zei dat jullie niets mee moesten nemen, ook al wilde hij dat wel. En dat had mama beter gevonden zei ze net zelf.’

Shanbeh wilt het liefst door haar bemoeizuchtige broertje heenrennen, maar kan zich geen gewelddadige uitbarsting veroorloven als ze haar vermeende onschuld wilt behouden.

‘Ik weet niet waar je het over hebt. En hoe weet je überhaupt dat je ons hoorde daar? En waarom zouden we jou moeten geloven maar kunnen we mij in eens niet meer vertrouwen dan? En waarom-‘
‘MAMA! MAMA! HELP!’

Mama Meerkoet stijgt zonder een seconde twijfel op en suist op haar kuikens af die de noodkreet slaken. Ze ziet Pingajuat heen en weer zwaaien met een stok van jewelste in zijn mond. Daarachter is een vechtpartij gaande tussen de eenden en Ahad. Het lijkt alsof haar kindje het zwaar heeft.

‘Ahad!’
‘Mama!’
‘Spring! Hoog!’

Ahad ontsnapt de eenden en lanceert zichzelf de lucht in. Hij flappert met zijn donswaaiertjes in de hoop wat te kunnen zweven. Onder hem sjeest zijn moeder dwars door de kuikens heen. Ze klapt het tweetal knock-out met haar vleugels en laat ze daar liggen om zich meteen te ontfermen over haar eigen kleintjes, die overigens de meest indrukwekkende tak te pakken hebben gekregen zo te zien.

‘Bij de grote Vijver, jullie zijn oké. Wat ontzettend fijn om jullie allebei heelhuids terug te zien. En met zó’n stok ook, overigens! Doe maar ruig, wat een vondst. Wát een vondst. Het heeft vast een hele hoop teamwork gevergd om dit te vergaren.’
‘Absoluut, mama, maar dat is wat goede broers en zussen doen! Ahad en ik klaren iedere klus!’
‘Ik had het nooit alleen gekund. Alléén met Ping samen. Ze is erg dapper geweest.’

Ahad kijkt naar zijn kleine zusje terwijl hij de woorden spreekt en knikt vriendelijk, waarop Ping schichtig haar lichaampje schudt en verlegen wegkijkt.

‘Dat is goed om te horen. Jullie winnen deze opdracht. En jullie hebben aan mij bewezen dat jullie niet alleen doorzettingsvermogen hebben, maar ook moed, en vertrouwen. Dat zijn waardevolle eigenschappen voor iedere meerkoet. Onthoud dat.’

Eend Ontkoeting

‘Mama, waar gaan we heen?’
‘Dat zien jullie strakjes wel. We zijn er bijna.’

De familie meerkoet trappelt gezellig de waterspiegel af. Mama voorop en zes kleintjes daarachteraan. Geen van de kinders heeft ooit gezien waar ze nu zijn. Er wordt geroezemoest over waar ze naartoe gaan en wat het volgende spel is, tot er uit een inkeping in de vijver twee lange zwarte nekken komen steken die de kuikens doen huiveren. Ze worden ondersteund door plompe lichamen minstens drie keer zou groot als die van hun moeder.

Geen van de kleintjes durft iets te zeggen of doen. De zwanen buigen naar beneden en ontmoeten de bloedrode ogen van Mama Meerkoet. Zodra de twee partijen contact maken steekt ze haar nek uit, dipt ze haar snavel richting het water en maakt ze zich breed met haar vleugels. De zwanen merken het op, maar lijken niet op zoek naar een confrontatie. Dat is echter iets waar mama Meerkoet weinig waarde aan hecht. Ze flappert gewelddadig uit het water en trapt wild met haar voeten in de richting van een zwarte hals. Ze landt in het water en ontwijkt de nekslag die als gevolg van haar aanval komt. Niet uit het veld noch de vijver geslagen slaat mama Meerkoet nogmaals met haar vleugels om zich uit het water te hijsen en een van de zwanen op het hoofd te trappen. Het donkere tweetal beseft zich dat ze wellicht zouden kunnen winnen in een lang gevecht, maar dat het de moeite niet waard zou zijn. Ze blazen nog een paar keer vies naar de familie en draaien zich dan om.

‘Wòòòòòòòoooooaaaauw!!’
‘Mama!! Mama!!’
‘Wauw zagen jullie dat? Ze waren echt bang zeg!’
‘Je moet dat soort natnekken niet te dicht in de buurt laten. Je weet niet waar ze toe in staat zijn, kinders.’
‘Gaan wij ook zo leren vechten, mama?’
‘Als jullie dat zouden willen.’
‘Jaaaa!’ komt er in koor terug.
‘Dat komt goed uit.’

Mama Meerkoet stapt het droge op en de jongen volgen haar. Hun kopjes geheven en hun borstjes vooruit. Ze paraderen standvastig in een bepaalde richting tot ze plots een geritsel horen door de struiken. De kuikentjes reageren verschillend, maar de minderverzekerden vinden hun moed bijeengeraapt door de uitstraling van hun broers en zussen. Ze kijken naar hun moeder, die kalm blijft en zetten zich schrap.

De familie Meerkoet luistert aandachtig. Een kikker, ver weg. Een stuk hout dat ondergaat en bubbels naar boven blaast. Een hongerig nestje boomvogels aan de andere kant van de vijver. De wind die door de takken blaast.

En dan.

Dan gaat een van de struiken open en komen er acht kleine eendjes uitgerend. Een kwakofonie van dreigend gesnater schalt rond de belaagde meerkoetbaby’s. De aanvallers maken een halve cirkel. Achter hen stapt een volwassen eend het veldje op. Mama Meerkoet knikt naar de eend, stapt opzij en zegt:

‘Succes, mijn lieverds. Ik ben trots op jullie, ongeacht wat er gebeurt.’
‘Wat moeten we doen, mama?’
‘Overleven, Moku.’

De twee groepen observeren elkaar. Ahad ziet de lui met wie hij laatst in de veren lag. Ze staan er nog wat gehavend bij van Mama’s klap. Hij had ze vrij lang van zich af kunnen houden, maar uiteindelijk waren twee van die krengen hem toch te veel geworden. Hij hoopt dat hij met zijn hele familie erbij sterk genoeg is om dit zootje ongeregeld in bedwang te krijgen.

‘Kwak ze!’

De pluizige eendjes stuiteren op de donzige koetjes af. Ahad, Lundi en Dinsdag springen voor de rest en maken zich breed. Ze drukken hun tengels in het zand en laten de frontlinie op hen klappen.

‘Pik, pek en een pak veren!’

Mokuyoubi en Pingajuat beginnen over de schouders van hun zus en broers te pikken en pekken naar de eendjes. Een van de mallerds probeert de verdedigers te overrompelen om bij de kleintjes te komen. Maar de achterlinie slaat wild met hun vleugels rond de gezichten van de belagers. Shanbeh staat luid de blaten, zonder al te veel resultaat. Het lijkt alsof ze bozer is op haar moeder voor het gebrek aan hulp dan ze woedend is op de bedreigers van haar bloedeigen kameraden.

Toch heeft ze geen andere keuze wanneer de eerste eend de linie flankeert en op haar af komt denderen. Ze kijkt naast zich, ziet kleine Mokuyoubi en Pingajuat staan en besluit een stap achteruit te zetten. Mama Meerkoet had na dat hele takkengebeuren die twee ukkies meer voedsel gegeven dan haar, “omdat zij al groot en sterk genoeg was”, maar nu voelde ze zich helemaal niet sterk. Eerder hongerig en verzwakt. Door die laatgeboren oelewappers. Ze bekeken het maar.

‘Moku!’

De jongen zijn vleugeltjes zijn hoog geheven terwijl hij langs het hoofd van zijn zus naar voren schiet en zijn snavel gebruikt als een lans. Hij hoort het gekwikker niet door het tumult in zijn gedachtenplek. De eendjes bereiken hem en pikken hem in zijn zij, waardoor Mokuyoubi zijn balans verliest en ten aarde tuimelt.

‘Dinsdag! Lundi! Houd ze!’

Ahad springt weg uit de frontlinie en begint als een bezeten beest om zich heen te zwiepen en zwaaien, als zwanen zouden doen met hun nek. Hij trapt zijn flipperpoten op en wervelt gewelddadig met zijn waaiers op de stormlopende kuikens. Pingajuat staat aan zijn zijde en duwt de donsgolf terug. Weg van haar kleine broertje.

‘Shanbeh!’

De gil is gehoord door de oudste, maar wordt genegeerd.

‘Shanbeh!!! Wat doe je!? Help!’

Ze blaast geïrriteerd lucht door haar neusgaten, maar geeft gehoor. Mama kijkt ten slotte toe. Ze bestudeert vluggetjes het slagveld: Lundi en Dinsdag lijken het zwaar te hebben. Ze kunnen maar met moeite de bres dichten die Ahads reddingsactie heeft achtergelaten. Ze staan nu ineens twee tegen vier. Ahad is nog drukker met drie tegen één en kleine Ping doet ook nog haar beetje door de laatste eend bezig te houden. Mokuyoubi ligt er stilletjes naast.

Dus Moku is uitgeteld. Ahad redt zich wel en is ten slotte mijn grootste competitie. Die twee vooraan stellen niet zo veel voor, maar die bemoeizuchtige Dinsdag heeft toen wél zijn grote waffel opengetrokken en me verklikt bij mama… Hmm… Ik help Ping wel dan.

Het grootste en oudste kind van Mama Meerkoet waggelt vol zelfvertrouwen naar voren en duwt het kuiken weg dat Pingajuat aan het bevechten is. Ze kijkt naar haar kleinste zusje en instrueert haar om Lundi en Dinsdag te helpen terwijl zij naar Ahad gaat. Onderweg klampt ze haar snavel om een van Dinsdags benen. Hij schrikt en draait zich om, maar kan niemand achter zich vinden behalve de half bewusteloze Moku en het zojuist neergeslagen eendje. Een tik op zijn achterhoofd. Hij wilt zich omdraaien en ziet ineens zijn kleinste zusje naast hem staan. Hij stopt zijn rotatie en vangt nog een vijandelijke tik op zijn hoofdje.

‘Ping! Wat doe je hier, ga achter me staan!’
‘Nee, ik bescherm je, Dins!’
‘Er is hier geen tijd voor!’
‘Maar Shanbeh zei…’
‘Shanbeh zei!?’

Hij draait nogmaals en ziet zijn oudste zus prinsesheerlijk op Ahad afwandelen, die met drie dolle eendjes aan het worstelen is.

‘Dins kijk uit!’

Drie van de vier eendjes nemen een korte aanloop en dreunen zo hard ze kunnen met hun schedels op het snaveltje. Dinsdags hoofdje trilt na. Alles voelt ineens een stuk zwaarder. En dichterbij. Het kwaken klinkt van alle kanten. Hij moet… Hij moet Ping helpen. Hij moet vechten, hij moet. Hij moet echt één seconde héél even gewoon rustig zitten, een slokje adem nemen en zijn ogen sluiten. En dan. En dan kan hij…

Ahad is zijn vergelding aan het verwezenlijken op de desbetreffende eendjes van eerder. En nog een derde om het af te maken. Hij heeft er één neer, één op het randje en de ander fris als een hoentje zo lijkt het. Shanbeh sprint naar voren en maait de kuikens weg.

‘Eindelijk.’
‘Pak ze nou maar gewoon, ik ben er.’

De twee nestoudsten douwen al gauw de eendenkopjes in de modder om er met hun flippertengels op te trappen met trots. Dan kijken ze om naar de rest. Dinsdag ligt op de grond. Moku ligt op de grond. Lundi en Ping hebben nog vier aanvallers om hen heen. De eendjes realiseren hun numerieke meerderheid en razen op de kleinste af. Ping ziet ze aankomen, maar is te laat om te ontkomen. Ze zet zich schrap, zoals ze eerder deed, maar dit keer is Ahad er niet op tijd om te helpen en krijgt ze de klap waarvan ze eerder ontkwam op de zijkant van haar hoofdje.

Ze valt.

Lundi ziet het gebeuren, dunkt op haar tegenstander en schiet op haar kleine zusje af. Moku spartelt omhoog, kijkt om zich heen en doet hetzelfde. Achter hem hoort hij hoe Ahad op hen af komt stevenen met een moordlustig geschrei. Ze knokken met al het wrok dat ze in zich hebben. Maar hoe hard ze ook schoppen en slaan op de laatst-overgebleven eendjes, het mag niet baten. Want voor kleine Ping, is het te laat.

Met de slag gewonnen door de familie Meerkoet komen de moeders tussenbeide om hun kroost veilig te stellen. Mama Eend druipt snel af met haar resterende kleintjes nauwvolgend.

De hele familie Meerkoet staat nu om het levenloze lichaampje van hun dierbare. Ze kunnen het niet geloven. De dappere Pingajuat. Fier, vindingrijk en vriendelijk. Hier. De dood ingetrapt. Voor wat?

‘Arme Ping. Als ik niet zo snel was geraakt, of zo lang op de grond had gelegen had ik haar wel kunnen redden denk ik. Het spijt me, jongens.’ zegt Mokuyoubi hijgend, met zijn hoofdje naar beneden gehangen.
‘Nee, je hoeft geen sorry te zeggen. Wat denk je van mij dan… Ik heb zoveel tijd verspild aan die drie gekken dat ik meer dan de helft van jullie gevecht heb gemist. Als ik het maar op tijd had geweten…’
‘Het is mijn schuld. Ik was de oudste aan deze kant van de schermutseling en ik heb ze Dins en Ping omver laten rennen. Ik ben geen goede oude zus geweest.’ verzucht Lundi.
‘Nee, Lun. Jij hebt ze mij niet omver laten rennen,’ bromt Dinsdag. ‘Jullie hebben geen van allen schuld hier. Er is er maar één die het doelbewust allemaal heeft zitten verzieken voor ons deze hele tijd. En dat is Shanbeh!’
‘Oh, wat, nu ben ík ineens de slechterik? Ik heb toch geholpen of niet?’
‘Geholpen!? Je stond de helft van de tijd uit je veren te eten, trut! Je kwam me pas helpen toen het al een verloren zaak was! Jij zorgde ervoor dat Moku werd geraakt! Hoe kun je naast je kleine broertje staan en hem níét verdedigen!?’
‘Hij verdiende het.’
‘Wat!?’
‘Net als Dinsdag.’
‘Huh, dus jij beet me…’ bedenkt Dinsdag hardop.
‘Shanbeh, verdomme IK ZAL JE-
‘Stop.’ roept Mama Meerkoet resoluut. En alle kuikens vallen stil. ‘Er is genoeg gevochten vandaag. Jullie hebben het goed gedaan. En ik ben trots dat jullie jezelf op zo’n dappere wijze hebben weten te verdedigen. We gaan terug naar het nest voor eten en rust. Kom mee.’

De vijf kuikens sjokken bedroefd en woedend achter hun moeder aan. Mokuyoubi kan ze maar nét bijhouden met zijn gewonde lichaampje.

Borst-flap-sprong

‘Kinders. Jullie hebben al veel meegemaakt en zijn nu bijna volwassen. Vandaar dat ik voor vandaag jullie laatste beproeving heb voorbereid. Ik verwacht niet dat jullie allemaal zullen slagen. Het is de inzet waarop je beoordeeld zult worden. Kijk naar boven.’

De jonge meerkoeten kijken naar boven en zien dat er twee takken, elk van een andere boom, in elkaar gevlochten zijn om een soort lat te maken. De lat is vele malen hoger dan zij zijn, en het zal een wonder vereisen om erbovenuit te stijgen. Hoewel alle kuikens wel eens met hun vleugels hebben gefladderd, is het nog niemand gelukt om een propere vlucht vol te houden. Laat staan het boven deze grens halen.

‘Wie durft?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Ik ga wel.’ zegt Ahad.

De jongeman mikt zijn spierwitte bles omhoog, neemt een paar diepe teugen adem, sluit zijn ogen voor een moment en zet vervolgens af met zijn flippers om met zijn vleugels te flapperen zoals hij nog nooit heeft gedaan. Hij voelt het stromen van de lucht en beseft zich dat het overeenkomsten heeft met het water waar hij in zwemt. Hij kan erop drijven. Er in duiken en verder naar boven stijgen dan de bomen doen. Hij kan vluchten, verkennen, zelfs spelen in de lucht. Hij voelt een overweldigende vrijheid; en hulp van iets, of iemand, wanneer een spontane woei hem moeiteloos naar boven blaast. De lat komt in zicht. Nog een paar slagen.

‘Wauw, Alahad! Dat was geweldig!’ roept Mokuyoubi fanatiek.
‘Echt heel knap, jongen.’ beaamt Mama Meerkoet.
‘Dankje, dankje. Ik had een beetje hulp van de wind.’
‘Dat is een teken dat de hemel je verwelkomt.’
‘Echt waar, mama?’

Mama Meerkoet knikt.

‘Wie wilt nu?’
‘Ik wil het wel proberen. Hoewel ik het denk ik niet zo goed ga doen als Ahad.’
‘Dat is niet erg.’
‘Oké. Wel, hier ga ik.’

Lundi gaat een aantal stappen van de lat staan en zet het op een zwaaien. Ze komt vlakbij, misschien nét drie keer haar eigen hoogte. Maar ze bedenkt zich dat er ook nog een terugweg is en daalt daarna sierlijk af tot ze keurig netjes op de grond landt. Ook zij wordt voorzien van een warm onthaal door de familie.

‘Wie volgt?’
‘Ikke! Ikke wil!’

Kleine Moku waggelt naar de open plek, kijkt omhoog en doet een poging, maar komt niet bijzonder ver. Hij landt en kijkt wat verlegen terug naar zijn familie. Iedereen kijkt hem lieflijk aan, behalve Shanbeh. Ze schudt haar hoofd ontmoedigend, wat Moku doet denken aan haar woorden van eerder, en hoe ze zei dat hij niets goeds kon doen.

‘Mama, mag ik nog één keer proberen? Alstublieft…’
‘Dat is goed hoor, Moku. Als je denkt dat je het nog beter kunt dan net.’
‘Ja!’

Moku keert terug naar zijn startplek en stelt zich vervolgens voor dat het monster zijn gigantische bek opent en op het punt staat om hem heelhuids te verslinden.

Hij schiet omhoog, vecht met alles dat hij heeft tegen de hemel en opent zijn ogen pas weer wanneer hij al ver boven de gevlochten takken hangt. Hij kijkt naar beneden en wordt duizelig. De klappen van het gevecht laatst, de schrik van de takkenjacht, het álles geven tijdens de race. Het begint zijn tol te eisen. Zijn veren voelen zwaar en zijn vleugels zwak. Hoe gaat hij beneden komen? De lucht begint in tegengestelde richting langs hem heen te suizen. De lat? Hij kan er op landen. Als hij goed mikt, en de wind meezit. Hij heeft nog nooit gezweefd. De eerste keer moet perfect zijn. Hij is er bijna. Nog een klein klein stukje. Hij steekt zijn voetjes naar voren voordat hij landt, en probeert zichzelf vast te haken aan de armen van de boom, maar glijdt uit en belandt in een vrije val naar de aarde.

‘Mama!’

Mama Meerkoet haast zich naar haar kleintje die spartelt in zijn duikvlucht, maar voor ze hem beet kan pakken of zijn val kan breken klapt Mokuyoubi met zijn lichaam in het zand. Ahad, Lundi en Dinsdag rennen naar hem toe. Ze schrikken zich rot en rillen van angst bij het zien van hun kleine broertje. Mokuyoubi begint met een hoge toon te piepen en janken en krijsen. Zijn snaveltje lijkt gebroken en zijn pootjes zijn omgebogen.

‘Aaauw! MAMA! MAMA!!!’
‘Moku! Nee, arme Moku!’ Lundi schudt wild met haar hoofd
‘Broertje! NEE! Oh je snaveltje…’

Mama Meerkoet gaat naast het lichaam van haar jongste kindje staan.

‘Mokuyoubi. Je hebt geweldig gevlogen. En het spijt me dat ik het je nogmaals liet proberen. Vergeef me alsjeblieft. Ik houd van je, en ik zal altijd van je blijven houden.’

De rest begint vreemde blikken naar hun moeder te werpen.

‘Jongens, ik wil dat jullie afscheid nemen van jullie broertje. Hij gaat het niet overleven.’

Moku’s gezichtje verstijft en zijn pijnkreten krijgen een hint van geschrokken gehuil. De rest van de familie durft haast niet naar hun broertje te kijken en geloven hun moeder op haar woord.

‘Moku… Je was altijd een kleine strijder. In hart en nieren. Maar, helaas… Was je hart uiteindelijk te groot voor je veren. Ik… Ik kan dit niet… Ik houd van je, Moku.’
‘Klein broertje. Ik weet niet wat er gebeurt als je doodgaat. Maar misschien is het wel een betere plek. Een hele grote vijver. Met overal lekker eten. En vlieglucht, maar dan met een bed van veren in plaats van zand. Ik houd van je.’
‘Mootje. Ik ga het niet beter kunnen zeggen dan deze twee. En ik zie hoeveel pijn je hebt. Ik wil alleen nog benadrukken dat ik ook van je houd. En dat ik je ga missen, knul.’

De drie koetjes knikken.

‘Shanbeh? Wil jij niet nog wat zeggen?’ vraagt Mama Meerkoet.
‘Ik hoop dat je pijn snel eindigt, Moku.’

Mama Meerkoet knijpt haar ogen samen richting haar oudste dochter. Dan pakt ze de nek van Moku tussen haar snavel en wandelt ze op het water af. Te water zwemt ze naar een centraal punt, waar ze haar kleintje nog een paar liefkozende en geruststellende woorden toefluistert, eer ze hem voorzichtig onderdompelt en verdrinkt. Wanneer ze er zeker van is dat het kindje is overleden en geen leed meer hoeft te voelen, keert ze terug naar de rest van haar kroost.

‘Wil… Iemand het nog proberen… Met de lat en het vliegen?’ zegt ze verslagen.
‘Ja, ik wel.’ zegt Dinsdag. ‘Dat is wat hij leuk had gevonden. Hij was altijd fan van deze spelletjes. Laten we het in zijn naam afmaken.’
‘Oké. Dan doen we dat.’

Dinsdag loopt naar de startplek, kijkt omhoog, springt, wappert wat halfbakken en landt niet lang daarna.

‘Sorry…’
‘Dat is helemaal oké, Dins. Met jou komt het wel goed. Ik geloof in je.’
‘Dankje, mama.’

Shanbeh marcheert naar de plek onder de lat.

‘Oké. Wat zeggen ze ook alweer, het beste voor het laatste bewaren, toch?’

De rest kijkt haar wat verbijsterd aan.

‘Let op!’

Ze spreidt haar vleugels, waait wat takjes weg om een schone landingsplaats te maken, kijkt naar haar broers en enige overgebleven zus en schiet omhoog, nog sneller dan Mokuyoubi was gegaan. Ze komt boven de lat en lijkt het record van haar kleine broertje te gaan breken. Ze heeft zich nog nooit zo zelfverzekerd gevoeld.

Onder haar staan de andere kuikens en haar moeder te kijken. Ze zien een donkere vlek in de lucht, afgetekend tegen het felle zonlicht van de vroege middag. Dan horen ze iets. En raast er een andere donkere vlek over hun netvlies. Nog geen seconde later zijn beide vlekken verdwenen. Mama Meerkoet neemt haar kinderen snel mee naar het nest voor een goede maaltijd en geknuffel. Blij dat haar derde nest van het jaar dan toch nog drie koeten meer heeft opgeleverd dan degenen die ze voorheen had.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s