Calaismiteiten

Het spookt ongemakkelijk rond in zijn hoofd. Hij had enkel gesmeekt om wat extra eten voor zijn kleine. Wat was daar fout aan? Alsof zij niet hetzelfde zouden hebben gedaan voor hun eigen kinderen.

Hij kan het niet vergeten. De blik in de ogen van de agent en het gelach van zijn collega terwijl de stalen neuzen deuken maken in zijn bovenbenen galmt na door zijn wezen. Het plezier dat de zwijnen eraan overhielden was zo misselijkmakend geweest dat hij niet anders kon dan lusten naar wraak. Een messteek récht door de slagader zou niet misstaan als adequate represailles. Een scimitar in de schedel gekliefd evenmin. Maar iedere gewelddadige fantasie slaat te pletter op de rotsen van gevolgen. Hij zal nooit meer het daglicht zien en zijn zoontje zou verloren raken in de vele instellingen en weeshuizen van dit erbarmelijke continent.

Het waren niet alleen de leiders die het sentiment van superioriteit uitbeeldden door middel van militaire verwoesting en ecologische verloedering in zijn thuisland. De burgers hadden reeds hetzelfde gevoel geïnternaliseerd voelde hij in zijn blauwe plekken. Dit had hij niet durven vermoeden toen hij verhalen hoorde over het grandioze Europa met onbegrensde mogelijkheden en gewillige jongedames. Dit zou de plek van menselijkheid moeten zijn. Van avontuur en voorspoed.

Zijn zoontje wringt zijn kleren nogmaals uit na de mislukte poging over te steken eerder vanochtend. Gelukkig had hun motor het begeven toen ze nog ruim in zicht waren van de kust en konder ze zonder al te veel kleerscheuren teruggeleid worden naar hun martelkamp.

‘Als we hier uitkomen dan beloof ik je dat je gaat leren zwemmen.’
‘Ik moet kunnen zwemmen, papa, anders ga ik dood net als ome Tariq.’

Zijn vader hangt zijn hoofd, voelt nogmaals aan zijn zere dij en zucht voor zich uit.

‘Laten we daar niet meer over praten, knul. Dat is gebeurd. Dat ligt achter ons.’
‘Nu naar voren kijken!’ antwoordt zijn zoontje vanuit zijn geheugen.
‘Precies. Gewoon naar voren kijken. Dan wordt het beter.’
‘Wanneer dan, papa?’
‘Binnenkort, jongen. Binnenkort.’

Ze kijken om zich heen naar de tentenravage. Overal ligt afval en gescheurd zeil. Er is aan een muur begonnen door Britse ondernemers en Franse enthousiastelingen. Constructielui die verdacht veel lijken op deze quasi-gevangenen gieten beton om een omheining uit de grond te stampen waar Israëliërs jaloers op zouden zijn. Er komen geen kabels noch leidingen hun kant op, terwijl ze hun tweede winter in het kamp tegemoet zien komen. Ze zullen het moeten blijven doen met hun gaskacheltje en de verfrommelde aluminiumfolie waar ze hun restjes op opwarmen. Dat de kou Iba bijna zijn leventje had gekost vorig jaar is iets waar de Fransozen zich niet om kunnen bekommeren zo lijkt het. Het scheelt ze ook weer in de kosten natuurlijk. Een mondje minder dat zijn uitkering vreet is altijd mooi meegenomen.

Hamza knuffelt zijn kind. Zijn jeugd flitst door hem heen. Zijn wensen als kleine zijnde. Zijn aspiraties, ambities. Zijn stoutste dromen. Had hij het waar kunnen maken? Was dit het? Moest dit de nieuwe start voorstellen? Had hij zijn kind naar een land van kansen gebracht of ongevraagd meegesleept naar een levende hel? Moest hij zich trots wanen op zijn moed of schuldig voelen voor zijn hebzucht? En is het wel hebzucht te noemen om je geliefden een beter leven te gunnen dan jij zelf hebt?

Het is zijn schuld dat de jongen nu geen moeder meer heeft, dat weet hij in ieder geval zeker. De smokkelaars hadden aan geld niet genoeg gehad. Ze was onderpand, verzekerden ze. Ze zou op het volgende bootje worden gezet en direct achter ze aankomen. Wilden ze naar Europa of niet?

Een doelwitloze woede maakt zich meester van hem wanneer hij denkt aan het lot van zijn vrouw. Het trilt in zijn maag, het knijpt in zijn borst en het bonkt onophoudelijk in zijn hoofd met een toenemende intensiteit. Er is niets behalve troep en zwerfafval om zijn gevoelens op af te reageren. Dát en zijn kind. Het enige dat hij werkelijk nog wilt beschermen van al deze ellende.

‘Papa ik wil weg.’
‘Weg?’
‘Ja. Weg hier. Ik wil spelen in London. Of Parijs!’

Hij ziet wat zijn zoontje ziet en beeldt zich dan de werkelijkheid in. Geen groene weide met klimrekken en schommels, maar een kleine kamer boven het restaurant waar hij veertien uur per dag staat te bakken en boenen. Het geschreeuw van de baas. De twee uurtjes per dag dat hij kan luisteren naar Iba’s verhalen. Maar de toekomst zal het waard zijn. Dat kan niet anders. Hij heeft al te veel opgegeven om op te geven. Ze zijn zo dichtbij. Hij kan de vrijheid haast proeven.

Hij kijkt naar de muur en ziet dat die oranjegekleurd is door de ondergaande zon. Er is een kleine sectie waar nog geen prikkeldraad op is bevestigt. De constructielui staan op het punt naar huis te gaan.

‘Wil je écht weg, Iba?’
‘Ja, papa!’
‘Oké. Ik maak nog wat brood voor je en dan gaan we, goed?’
‘Jaa!!’
‘Shhht, niet te hard. Het is een geheim.’
‘Oh, oké. Jaaaa…!’ zegt Iba zacht.

De twee wachten af tot zonsondergang en sluipen dan clandestien rond het kamp richting de muur. Hamza gaat voorop maar heeft Iba’s hand vast om hem geen seconde uit het oog te verliezen. Ze klimmen over afval, uitwerpselen en dode lichamen. Iba is het gewend, maar kan het alsnog geen plekje geven. Het maakt hem zenuwachtig. Soms was hij liever thuisgebleven. Daar was pijn een zekerheid en niet zo’n constante factor van twijfel en teleurgestelde hoop. Daar waren zijn ouders samen en rook het ’s avonds lekker. Daar speelde tragedie een achtergrondrol voor hem.

Nu staat hij hier. Voor het betonnen monster dat hen doet wanen dat ze gevaarlijke dieren zijn. De enige voor wie hij nog een greintje empathie bezit in deze erbarmelijke wereld staat naast hem en kijkt omhoog. Aan de andere kant van deze afscheiding liggen kansen die niet op zich laten wachten. Aan de andere kant ligt een menswaardig bestaan.

‘Geef me je voet, Iba.’
‘Ga je me gooien?’
‘Ik ga het proberen.’
‘En jij dan, papa?’
‘Ik kom je zo achterna. Beloofd.’
‘Kun jij zó hoog springen, papa?’
‘Papa kan alles, Iba.’
‘Je bent de beste papa van de hele wereld!’ zegt Iba met trots in zijn stem.
‘En jij de beste zoon, schat. Jij de beste zoon,’ zegt hij met tranen die zich achter zijn ogen beginnen op te stapelen.

De man zet zijn rug tegen de muur, laat zijn heupen zakken en vormt een kom met zijn palmen waar Iba zijn versleten schoentje inzet. Ze kijken elkaar aan en Hamza geeft zijn zoon een kus op zijn voorhoofd.

‘Ik houd van je, Iba. Ik houd zo veel van je, ik wil dat je dat altijd blijft onthouden, oké? Ik doe dit zodat jij gelukkig kan zijn. En je eigen kinderen kunt krijgen die het nog beter zullen hebben. Dit is het enige dat ik écht voor je kon doen. Het enige echte om je een fatsoenlijk bestaan te geven.’
‘Ik snap het, papa.’
‘Vergeef me, Iba. Vergeef me.’
‘Ik houd van je, papa. Jij bent mijn held.’

De leegte eist zijn aandacht op en confronteert hem met een acuut gevoel van horror. Waar is hij in hemelsnaam mee bezig? De jongen heeft geen moeder meer. Geen vrienden. Hoe kan hij zichzelf vertellen dat dit het goede is om te doen? Hoe kan hij nog vertrouwen op de zuiverheid van deze mensen aan wie hij zijn kroost toevertrouwt? Hoe kan hij nog geloven in een geruststellende uitkomst van deze wanhoopexcursie?

Daarentegen, hoe kan hij aan zichzelf verantwoorden nog een dag langer hier te verblijven? Hoeveel ochtenden kan hij zichzelf nog wijsmaken dat hulp gaat komen? Dat er überhaupt om hem gegeven wordt door iemand?

‘Geef me je voet.’

Iba begint te huilen.

‘Ik wil niet, papa, ik ben bang.’
‘Ik ook, Iba. Ik ook. Maar je moet. Geef me je voet.’
‘Baba…’ de jongen klampt zijn armen stevig om de schouders van zijn vader.
‘Mijn lief… Mijn jongen… Mijn kindje…’ Hij knijpt zijn ogen samen in een poging zijn tranen te verbergen en knuffelt alle emoties eruit.

Zijn handen ferm rond de zooltjes van zijn zoontje. Zijn blik omhoog. Zijn heupen laag.

‘Ben je er klaar voor?’

Iba knikt.

‘Oké, daar gaan we.’

Hij lanceert zichzelf door de Aarde onder hem naar beneden te drukken, werpt zijn heupen voorwaarts met zijn borst geheven en duwt met alle kracht die hij bezit Iba naar boven. De jongen vliegt richting de sterren en weet zijn armen over de richel van de muur te werpen. Aan de andere kant raast een snelweg, met honderden auto’s die iedere minuut voorbij komen denderen.

Iba legt zijn borst op de rand en laat beide zijn benen aan een andere kant van de muur bungelen om niet zijn evenwicht te verliezen. Hij kijkt naar zijn vader die op de grond staat en een gigantische glimlach op zijn gezicht heeft.

‘Het is gelukt! Iba het is gelukt!’
‘Papa, kom! Kom snel!’
‘Ik kom eraan, jongen!’

Hamza stapt enkele passen naar achteren en rent vervolgens op de muur af om met zijn voeten zichzelf omhoog te trappen terwijl hij hoopt dat zijn armen nét lang genoeg zijn om de bovenrand vast te pakken.

Hij raakt de muur met zijn voet en voelt de kneuzingen van politielaarzen hem naar beneden sleuren. Iedere poging om kracht te zetten met zijn been vervalt in een halfbakken sprong die hem buiten bereik van zijn zoontje laat. Hij schreeuwt het uit van de pijn en frustratie, wat de kampbewaarders alarmeert en zijn kant opstuurt.

‘Er probeert er eentje te ontsnappen!’
‘Oooh, wéér eentje! Pak hem! Pak hem!’
‘Hey! Terug in je fucking kooi! Vuile hoerenzoon!’

De agenten komen vol elan hun kant opgerend, met hun geweren paraat. Het was alweer een paar weken geleden dat ze een gevangene hadden kunnen klappen, dus deze vermoedde vluchteling was meer dan welkom. Nu hoefden ze zich niet eens te verantwoorden aan hun leidinggevende na de aftuiging. Hij vroeg er letterlijk om.

Hamza hoort het schreeuwen van de agenten overstemd worden door dat van Iba. Hij kijkt omhoog naar zijn zoontje en neemt nog een aanloop. Maar het lukt hem niet. Hij is niet sterk genoeg meer.

‘Kom hier!’ de agent knijpt pijnlijk in zijn schouder en smijt hem naar de grond.
‘Hij verzet zich!’ roept de ander, zodat hij Hamza op zijn hoofd kan stampen zonder zich er slecht bij te voelen.
‘Papa! Nee! Blijf van hem af!’

De agenten schrikken, kijken op en zien de jongen hangen op de rand van vrijheid.

‘Daar is er nóg een!’
‘Ik heb hem, baas!’

De Fransoos rukt een pistool uit zijn gordel en ragt een ronde munitie door de slaap van Iba’s tere gezichtje. De jongen verliest op slag zijn leven en dondert naar beneden aan de snelwegkant van de muur, waar toevallig een BMW passeert met twee jonge blonde meisjes achterin. Eentje kijkt op van haar nieuwe I-pad en ziet het gebeuren. Ze vraagt in gebrekkig Engels aan haar gastouders waarom die jongen dood in de greppel ligt.

‘Daar hoef je je helemaal geen zorgen meer om te maken, Valeriya. Hier is geen oorlog. Hier is het goed.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s