Welterusten

De prinses kijkt nog een keer over haar schouders voordat ze wordt opgesloten in de toren door haar wraakzuchtige tante. Haar tante snauwt een reeks vervloekingen eer ze de deur gewelddadig dichtsmijt en kakelend naar het kasteel vertrekt. De oude feeks was jaloers geweest op de prinses vanaf het moment dat ze de kribbe verliet. De gitzwarte gladde haren, de grijze ogen. Ze zag er anders uit dan alle andere meisjes van het land. Er was speculatie dat dit kind wel eens een godsgeschenk kon zijn, want niemand was zo prachtig tenzij de hemelse majesteit daar zelf iets aan had gesleuteld.

Ieder jaar deed het bloeien van de toekomstig koningin meer pijn in het hart van de tante. Ieder jaar beperkte de tijd haar kans op succes. Toen de kraaienpoten zich in haar gezicht begonnen te graveren en ze, tot haar grootste afgrijzen, een eerste grijze haar eruit snuffelde, bedacht ze een plan om de prinses voor eeuwig te laten verdwijnen voor de bestaande wereld. Geen enkele man mocht haar hebben, omdat iedere man haar wel zou willen.

Er gaan een aantal jaren voorbij waarin de koning zich doodongerust maakt en groepen verkenners-te-paard verstrooid over zijn gehele rijk, maar zonder succes.

De prinses staat op de drempel voor het raamvenster te kijken naar de gouden silhouetten van het woud en slaakt een diepe zucht.

Wee zijt mette mij
Gevangen in lans van steen
Bewaakt door adelaar en slang tezamen
Hoor mijn gebed, oh God

‘Niemand zal je komen redden, kleine prinses. Zelfs God kan je niet horen hier!’ hoort ze haar tante lachen door de deur.

Knokige poten met scherpe klauwen wikkelen zich om haar hart. Misschien zat er meer zaliging in springen. Misschien was het koesteren van hoop juist de straf van haar tante.

Aan de horizon doemt een pluim van stof op die haar gedachten tot een halt dwingen.

“Kan het zo zijn?” denkt ze.
Het is zo.
Daar is ‘ie.
De man. De held. De redder. De kleine jongen die al twintig jaar door regen, tranen, windvlagen, plagen en eindeloze vragen wordt getreiterd en nu eindelijk zijn doel heeft bereikt. De mooiste vrouw van het land, verkerend in de meeste nood van haar jonge leven. Dit was de reden voor zijn queeste geweest.

De tante hoort het geklop van hoeven op zand en takken, opent de deur van de kamer en ziet hetzelfde. Ze duwt de prinses tegen de muur en rent snel naar buiten. De prinses komt na enkele seconden lichtelijk beduusd weer bij zinnen na de klap op haar achterhoofd en krabbelt naar het raamvenster om te kijken wat de mysterieuze rijder van plan is.

Uit haar zak frutselt ze een kleine buidel waar ze vlug in begint te graaien met haar hand.

‘Eens zien hoe je hier mee omgaat, meneertje held,’ mompelt ze sinister voor zich uit.

Een purperen poeder vult haar vuist en kort daarna dwarrelt het rond het kasteel. De korrels lijken te sintelen in de lucht en gloeien na een seconde van winddansen witheet tot ze spontaan in vlammen ontspringen. De versnipperde vuurtjes lijken te reageren op elkaars aanwezigheid en bundelen samen tot een cirkel die zich om de toren trekt. Een glunder verschijnt op het gezicht van de heks, het vervormt zich tot een sinistere grijns. Ze reikt haar handen naar de hemel en krijst de woorden:

‘Lá Takoewn Sayieda Abadan!’

De tot-nu-toe laagbrandende ring reageert op de incantatie door omhoog te schieten richting de top van de toren. Een helse muur van ondoordringbare hitte vormt een muur die door niemand getrotseerd kan worden. De man op het paard ziet het ook.

Ook hij brengt een kleine glimlach op zijn gezicht terwijl hij rustig zijn hoofd op en neer knikt uit verrukking. Een helse muur en een kwaadaardige magiër. Precies wat je nodig hebt om een prinses te verdienen. Het zou geen leuk verhaal zijn als ze gewoon in haar kamer zat en hij binnen kwam barsten met het goede nieuws dat hij haar voor eeuwig zou liefkozen. Nee, dan was deze muur van vuur toch ergens wel wenselijk.

De ridder, zoals hij zich later zou voorstellen, trotseert – samen met zijn paard – zowel de tante als de muur en redt de prinses. Ze is hem eeuwig dankbaar, omdat ze zonder hem geen leven had gehad, behalve eentje van absolute eenzaamheid en seclusie.

‘Zie je, het kwam tóch nog goed voor de prinses!’ Ze kijkt naar het jongetje dat naast haar op de bank zit en met wijde ogen iedere naam van de aftiteling leest.
‘Woooow! Door de prins! Door de prins! Hij versloeg de gemene vrouw en redde de goede vrouw!’
‘Ja hè, dat is wat een held doet.’
‘Ik wil ook een held zijn!’
‘Dan kun je beginnen door je tanden te gaan poetsen. Het is lastig prinsessen redden met een slechte adem.’
‘Oké!’ Zegt hij vol enthousiasme.

Zijn moeder stopt de stream en belandt op de home page van de webvideotheek.

Movies for kids!

Haar zoontje houdt van films over koningen en prinsessen. Ze heeft er al wel honderden gezien nu denkt ze. Zo veel verschillen ze niet. Er is goed, kwaad, voorbestemdheid, conflict, resolutie en uiteindelijk triomf. Altijd triomf. De mooiste man voor de mooiste vrouw voor de mooiste kindjes. Het was zeldzaam dat een verhaal afliep in misère, maar misschien waren die verhalen het dan ook wel niet waard om te vertellen.

Tanden gepoetst, trap opgelopen en in bed gekropen kijkt de jongen naar zijn mama en vraagt:

‘Mama, kan ik ook een prins worden later?’

Zijn moeder kijkt naar hem. Ze vraagt zich af of hij oud genoeg is. Of was hij zelfs al té oud? Wat was de leeftijd hier eigenlijk voor? In gedachten verzonken vergeet ze even de jongen, tot zijn vragende ogen haar weer bij de les brengen.

‘Nee, schat. Nee, dat kun je niet.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat je niet zo geboren bent.’
‘Hoe ben ik geboren dan?’
‘Als gewoon mens.’
‘Gewoon?’
‘Ja.’
‘Wat is er anders aan een prins?’
‘Mensen geloven al heel lang dat hij bijzonder is.’
‘Waarom?’
‘Omdat de papa van de prins je doodmaakt als je dat niet vindt.’
‘De papa van de prins?’
‘De koning.’
‘Oh. Kan ik koning worden, dan?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Jouw bloed is niet zuiver, jongen.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
‘Wat is er mis met mijn bloed?’
‘Er is niets mis mee, maar dat is niet wat koningen geloven,’ ze voelt haar bloed koken bij een herinnering.
‘Dan vind ik koningen stom.’
‘Dat zijn ze ook. Maar dat zie je niet goed wanneer ze zoveel goud op zich hebben en in kastelen wonen.’
‘Ik wil ook een kasteel. En een prinses. En een paard!’
‘Dat is een mooie droom om te hebben.’
‘Ik moet alleen maar dapper zijn! En eerlijk! Net als de held!’

Zijn moeder kijkt met spijt opzij.

‘Nee, lieverd. Helaas is het niet zo simpel.’
‘Waarom niet?’
‘Die films gaan niet over ons. Jij kunt geen held worden, evenmin word ik koningin. Hoe dapper of nobel we ook zijn.’
‘Jij bent mijn koningin!’ roept de jongen met een glimlach.
‘Dankje. Dat is het belangrijkste. Jij bent ook mijn kleine held.’
‘Ik ga later ook avonturen beleven!’
‘Ik hoop het voor je.’
‘Het hele jaar door!’
‘Een paar weken per jaar.’
‘Huh?’
‘Dan heb je vakantie.’
‘Ik heb vet veel vakantie! Zomervakantie, herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie…’
‘Nu nog wel. Je werkt nog niet.’
‘Huh?’
‘Dan krijg je drie weken per jaar vakantie om op avonturen te gaan.’
‘En de rest?’
‘Ben je vloeren aan het schoonmaken, dozen aan het tillen, getalletjes in computers aan het voeren, boze mensen aan het bellen, mensen heen-en-weer aan het vervoeren, gebouwen slopen, stoeptegels leggen, dat soort dingen. Dan ben je het land aan het verzorgen zodat de koning dat niet hoeft te doen.’
‘De hele dag?’
‘De hele dag.’
‘Dat is saai.’
‘Klopt.’
‘Kan ik niet iets anders doen?’
‘Als je geluk hebt, of goed kunt liegen. Mensen die goed kunnen liegen schoppen het ver. Misschien mag je dan wel de mensen die stoeptegels leggen aanwijzingen geven over hoe ze hun stoeptegels moeten leggen. Of wie weet mag je de stoep wel ontwerpen zelfs.’
‘Dat is ook saai! Ik wil tegen monsters vechten!’
‘Helemaal mee eens, maar zo is het niet.’
‘Bestaan monsters echt?’
‘Jazeker.’
‘Waar zijn ze dan?’
‘Die verstoppen zich in hun holen.’
‘Draken?’
‘Ook draken. Op gigantische bergen goud.’
‘Kunnen we ze zoeken?’
‘Ja hoor. Maar zag je de stapel skeletten die vooraan de drakengrot lagen in de film?’
‘Uh-huh.’
‘Dat zijn wij. Wij zijn de mensen die het proberen, maar niet slagen. Wij zijn niet de helden.’

De jongen kijkt teleurgesteld, maar is nog niet klaar met zijn vragen.

‘Wie zijn wij dan?’
‘De boeren.’
‘Maar we hebben helemaal geen boerderij.’
‘Klopt. Zelfs dat is ons niet meer gegund tegenwoordig.’
‘Ik snap het niet, mama.’
‘Zag je dat boerenmeisje waar de prins even naar keek? Het enige meisje zonder pukkels of builen?’
‘Ja, zij was mooi.’
‘Ja. Zij wel. Bijna net zo mooi als de prinses. Dat zag de prins ook. Snap je?’
‘Nee.’
‘Dat hoeft ook niet. Dat hoeft ook helemaal niet. Het is misschien wel beter als je het niet begrijpt.’
‘Waarom?’
‘Dan doet het minder pijn.’
‘Waarom?’
‘Soms is kennis kwetsend, jongen. Soms wil je liever niet weten.’
‘Ik wil alles te weten komen.’
‘Alleen God weet alles, schat.’
‘Dan wil ik bijna net zo veel leren als God!’
‘Dan moet je de bibliotheken induiken en een geleerde worden.’
‘Gaan we morgen nog een prinsen en prinsessenfilm kijken, mama?’
‘Is goed, schat.’
‘Komt papa ooit terug als de man op het paard?’

Haar gezicht krampt samen. Toorn maakt zich meester van haar ogen. Haar dijen jeuken van angst.

‘Nee, jongen. Papa is dood,’ liegt ze. Ze ziet zijn gelaat terug in die van haar kind.
‘Was papa een held?’
‘Nee.’
‘Wel een prins?’

Ze zwijgt.

‘Het is tijd om te slapen.’
‘Oké. Welterusten, mama.’
‘Welterusten, jongen.’


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s