De druïde

Het bospad is gehuld in een vroege ochtendnevel die een spookachtig laken spreidt over het zand dat tussen de wazige stokken loopt. Hier en daar kleeft het spook van de dageraad aan een stuk blad en valt het na enkele seconden druppelvorming naar beneden als frisse dauw. Een tjiftjaf fladdert vluggetjes door de takken en tsjirpt haar naam. Ze dartelt van plek naar plek in een rap tempo op zoek naar kleine beestjes en hun baby’s die op de bladeren chillen. In de verre verte is het geroezemoes van een dorp met een marktplein en een ijzersmid te horen, maar op de afgelegen geluiden en de vroege vogel na is het ijzig stil.

Te stil.

Een druppel zweet sijpelt langzaam door de donkere sprietjes van haar wenkbrauwen richting haar ogen. Haar ogen die opengesperd zijn en spanning verraden. De struiken waar ze zich in heeft verstopt ritselen af en toe iets mee met de wind en zwijgen dan weer. Kleine takjes schrapen zachtjes langs haar benen en gezicht, maar ze ervaart het meer als ge-aai dan getreiter. Ze kijkt de verte in en wacht geduldig op haar doelwit. Hij kan ieder moment aankomen.

Er is een hert met kalf op een kilometer afstand aan het grazen, een mol kruipt onder de grond, een familie van eekhoorns kraken enkele bomen verderop wat nootjes en de planten lijken allemaal héél zachtjes te zingen. Haar ademhaling is ritmisch en beheerst ondanks de cortisol die door haar aderen stroomt.

Een klein guichelheiltje bloeit in de neep van de bocht, zijn zacht roze bloemetjes voorzichtig uitgevouwen met gele stampers die lijken op voelsprieten in het midden. Het blijft droog voorlopig, weet ze nu, want de geniepige plantjes kunnen voelen wanneer de buien aan het vormen zijn en slaan dan hun kleurenkrans dicht.

Ze pulkt wat aan de handgreep met haar vingers, een gewoonte van de zenuwen. Ze spitst haar oren, krabt haar schoenzool met haar teennagels, maar blijft ten aller tijden voor zich uit kijken naar de plek waar hij de hoek om zal komen.

Wat een prachtig fenomeen eigenlijk, denkt ze. Hoe lang duurt het voor een plantensoort leert hoe de regen ruikt? Hoeveel tijd is er al voorbijgegaan op deze wereld om alles in zo’n schijnbaar onfeilbare staat van symbiose te brengen? Generatie op generatie van dieren kijkt af bij hun ouders en modderen dan aan tot ze zelf kleintjes krijgen en zo gaat het stap voor stap stukje bij beetje al honderden miljoenen jaren. Maar planten kunnen niet eens afkijken, die evolueren met de kleinst mogelijke zintuiglijke aandrijving. Die kunnen niet ruiken. Of misschien ook wel, want wat is reuk behalve een hypergespecialiseerde manier om stofjes te laten reageren op andere stofjes voor het vergaren van informatie en een lichamelijke reactie? Stofjes laten reageren op stofjes kunnen planten ook, dus misschien is het kunnen ruiken van regen wel helemaal niet zo indrukwekkend voor een plant als dat het voor een mens zou zijn. Net zoals “blindheid” voor een mol of slang helemaal niet hinderlijk is zolang het dier een accuraat beeld van de omgeving kan maken gebaseerd op trillingen of geur. “Blindheid” heeft niets te maken met hoeveel je ziet, het heeft te maken met de mate waarin je de ruimte om je heen kunt bevatten en gebruiken. Dát is zicht, besluit ze, onderhand diep in gedachten verzonken.

Wat een dagpasjeshouders zijn wij vergeleken met de onmetelijke reikwijdte van het gecreëerde, of het bestaande, of het passerende, hoe je het ook noemen wilt. De hartslag van de natuur, het onzijdige gegons dat door alle micro en macrokosmossen pulseert en de dingen tot beweging dwingt, tot groei, tot procreatie, tot voltooiing van iets ongrijpbaars. Ze voelde het als haar eigen hart, wat op zichzelf het centrum was van het weerzinwekkende universum dat haar lichaam moest voorstellen.

De natuur is prachtig, realiseert ze zich innig. Het bestaat om te bestaan en alles is altijd in balans, niemand heeft schuld want alles gebeurt uit een haast geautomatiseerde noodzaak. De Aarde produceert lukraak voedingsstoffen en het wezenlijke schikt zich ernaar in de zin dat het optimaal kan oogsten met zo min mogelijk gevaar voor eigen leven. Een onzichtbare stuwkracht maakt op die wijze in honderdduizenden jaren van een klein diertje een langnek als het nodig is en iedere soort en ieder individu bezit hetgeen dat dit proces mogelijk maakt, dat ongrijpbare elementje dat van een doelloze zak genen een handelend schepsel maakt, een handhaver van een ongeschreven wet die het wezen zelf constant constitueert; want de natuur kent wetten, maar die waren er niet altijd, evenals de natuur zelf, en ze hoeven ook niet eeuwig te zijn. Ze zijn tijdsgebonden en vloeibaar, maar de meeste wezens leven niet lang genoeg om een grip te krijgen op dit principe. Ze kennen de cycli die plaatsvinden in hun gemiddelde levensduur en meer denken ze niet aan, want dat hebben ze ook niet nodig.

Maar als je de eerste paar millennia van je leven een boom bent geweest is dit meer voor de hand liggend, denkt ze. Dat het roofdier moet snoepen van de grazers is doorberekend in de bevolkingsgrootte van de prooi, en hoe gruwelijk het verliezen van een kuddegenoot ook is, je weet dat het roofdier enkel pakt wat hij verorberen kan en niet meer. Op die manier is de leeuw een soort beschermheilige van het savannegras dat anderzijds wellicht uitgeroeid zou worden door onbegrensde antilopen en andere hongerige herbivoren. Alles is op die manier in een constante strijd voor de eigen bevordering en door de gewaagdheid van alle deelnemers aan elkaar ontstaat een zichzelf-optimaliserend-equilibrium dat enkel verstoord kan worden door acute veranderingen in het klimaat, en anders rustig voort blijft dobberen op de melodie van Gods cadens.

Kl-klak K-klok K-klak Kl-klok
kgh . kgh . kgh . kgh .

Een brandend gevoel, als een vurige zweepslag, snijdt door haar torso en beëindigt haar dagdroom. Er is een geknars te horen op het pad.

Daar is ‘ie.

Ze hurkt, leunt achterover in het struikgewas dat haar lijkt te dragen alsof ze even licht is als de wind, heft haar armen en begint haar rechter elleboog naar achter te bewegen terwijl ze met haar hand aandachtig de bevedering van haar pijl vingert. De andere arm hangt strakgespannen voor haar borst. Haar lichaam voelt wat onwennig, ze heeft nog niet bijster veel ervaring opgedaan als mens. En met goede reden. Ze schuwde de mensen een beetje. Mensen waren balansbrekers, egoïsten, een soort die niet leek aan te sluiten bij de harmonieuze commune van het dierenrijk. Van alle vormen die ze aan kon nemen vond ze die van het menselijk ras het meest oncomfortabel en ze merkte ook op dat de andere dieren terugdeinsden in haar aanwezigheid wanneer ze deze vorm aannam.

Het struikgewas waar ze zich in verstopt krioelt en begint zich om haar ledematen te wikkelen, het strekt zichzelf uit langs haar spieren en begeleid haar bewegingen. Haar blik volgt de punt van de pijl die geruisloos klaarligt in de gespannen omhelzing van haar ebbenhouten compositieboog. Het gekletter van hoeven op kiezelsteentjes wordt luider, duidelijker en komt stap voor stap steeds iets dichterbij. Het paard is te ruiken, evenals het mens dat erop zit. Dat mens dat het noodzakelijk had gevonden om een van haar zussen van het leven te beroven en te verkopen aan een man die haar vacht afsneed, haar ontdeed van haar huid en haar vervolgens aan een metalen haak had gehangen voor het hele dorp om naar te kijken.

Ze komen de hoek om.

Hij draagt een hoed, een bruine hoed, donkerbruin, met vlekken. En een lange donkergroene jas die tot zijn knieën komt en deftig over de flanken van het paard hangt. Om zijn schouder gevouwen zit een leren riem en naast zijn ongeschoren bruinbebaarde hoofd ziet ze twee glanzende tubes die aan zijn rug vast lijken te zitten. Zijn ogen zijn licht en onbezorgd en ze schijnen met een zekere speelsheid waar ze wel iets van zou willen lenen. De man kijkt rond en wijst haast instructief naar iets op de grond. Dan kijkt hij voor zich uit, recht in de richting van haar struik.

Ze schrikt wanneer zijn blik precies in die van haar valt. Hij is niet hetzelfde als de vorige keer dat ze hem zag. Hij heeft iets aandoenlijks haast, maar dat durft ze niet helemaal toe te geven aan zichzelf. Voor een héél klein momentje twijfelt ze.

Haar twijfelende gedachten gaan echter gepaard met het razen van de pijl richting het hart van de man en zodra hij die bereikt heeft stort hij met een luidkeelse kreun van het paard richting de grond. Hij probeert zich nog overeind te houden door zijn hielen in de zij van het paard te drukken, maar het lukt hem niet en wanneer hij eenmaal op de grond geworpen is door de kracht van de pijl en de pijn van de wond ziet ze tot haar grote schrik dat de man niet alleen is, en dat hij niet voor niets naar dingen op de grond aan het wijzen was geweest.

De cortisol wordt weggespoeld door een deluge van adrenaline en zakt naar haar onderbuik. Alle spieren die ze bezit spannen zich aan om te vechten tegen haar vluchtinstinct en zelfs de struik die haar omarmt lijkt haar te willen duwen in de richting van het kindje dat vol verbijstering en horror naar de grond aan het staren is. Het paard is wat radeloos in het rond aan het draaien en ze stopt voorzichtig de boog weg voor ze het pad oploopt en op het mensje afstapt.

‘Hoe heet je?’ Vraagt ze star aan het huilende jochie dat troosteloos kijkt naar het lichaam van de jager op de grond.
‘Wat is er met papa!?’ roept hij in paniek naar haar, als het enige andere mens in de omgeving en dus de bezitster van de antwoorden op al zijn vragen.
Ze heeft geen idee wat ze moet zeggen.
‘Ik weet het niet,’ liegt ze.
‘Papa!  Papa sta op! We moeten een hertje vangen, papa!’
‘Papa is aan het slapen, ben ik bang, jongen,’ probeert ze hem te troosten.
‘Wakker worden, papa!’ krijst hij met een beginnend besef van wat er aan de hand is.
Ze staat verstijfd en leeg van binnen te kijken naar de knul. Zijn onderlip trilt terwijl hij kijkt naar het ding dat ooit zijn vader was geweest. Plots begint het jongetje al snikkend door zijn tranen te zingen:
‘Waarom lig je in de dons
de dag is oh zo mooi
spring in de vijver
met een plons
kom op, kom uit de hooi…’ Verder komt hij niet voor de tranen weer meester van hem worden.
‘Het- Het spijt me…’
‘Laat me eraf! LAAT ME ERAF!’ Schreeuwt de jongen nu vol woede en verwijt, en hij steekt zijn armen vooruit zodat een volwassen iemand hem bij zijn oksels van het paard kan tillen.
Ze gehoorzaamt eerbiedig en probeert grip te krijgen op haar rondtollende maag. De jongen begint zijn vader heen en weer te schudden en luidkeels te huilen.
‘Wat is je naam, jongen?’ Vraagt ze voorzichtig terwijl ze tegen haar eigen oogvocht vecht.
‘F-Felix,’ snottert hij door zijn radeloze kreten heen.
‘Waar is je moeder, Felix?’ Hij heeft niet gezien waar de pijlen vandaan kwamen, bedenkt ze.
‘D-die… Ik, ik heb geen moeder, ik ben met mijn papa. We zijn alleen.’
‘…’

Een paar jaar later loopt ze met Felix over de markt. Een slagersvrouw is bezig het lokale wild op te hangen voor de verkoop. Ze kijkt naar de dieren aan de haken en vervolgens in de glinsterende ogen van de knul die haar doen denken aan zijn vader. Voor haar ogen flitst een beeld van de herinnering aan die dag. Wat er allemaal wel niet verandert is sinds die dag… Haar manier van lopen, haar gedachten, haar gevoel voor mode, ze zijn allemaal steeds menselijker geworden. Ze vangt haar reflectie op in plassen op straat en herkent zichzelf vaak pas na een seconde of twee.

Om voor de jongen te zorgen is ze meubelmaakster geworden, aangezien hout zich lijkt te buigen en vormen naar haar aanraking. Ze verlangt terug naar het leven hiervoor, het ongebonden bestaan in het wild waar ze haar geest met ieder wezen kon versmelten, maar ze is met de tijd ook van Felix gaan houden.

Af en toe neemt ze hem nog wel eens mee de wildernis in, waar ze met de jongen op haar rug door het bosbaldakijn klautert of tussen de bomen slalomt in de vorm van een panter of gorilla. Felix vouwt zijn armen stevig om haar nek en klampt zich met man en macht vast terwijl ze hem de behendigheid van de bosbewoners toont. Hij kan het goed vinden met de andere dieren, die hem niet als een bedreiging zien zonder zijn vader, en hij vertelt niemand in het dorp over de speciale krachten van zijn mama, want die titel heeft ze inmiddels verdient.

Een paar keer had hij aan haar gevraagd of ze hem wilde leren boogschieten, maar dat was iets dat ze niet over haar hart kon verkrijgen. Ze leerde hem voornamelijk omgaan met dieren van alle soorten en maten in de hoop dat Felix zou zien wat zij zag en met de tijd een wijs man zou worden die de wereld mooier achter zou laten dan hij hem aangetroffen had, want dat was de verantwoordelijkheid van de mens vond ze.

De jongen zit doorgaans vol energie en enthousiasme en praat alleen bij uitzonderlijke vlagen nog over zijn vader, hoewel hij minstens een avond in de paar maanden uitbreekt in de meest bittere tranen. Maar op die momenten voelt ze zich vreemd genoeg het meest met hem verbonden en huilt ze in een liefdevolle omhelzing met hem mee om de levens die ze verloren hebben. En bij elkaar vinden ze net genoeg moed en rust om de volgende dag met een lach tegemoet te zien.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s