Riet dù passaazj

In sommige culturen is achttien een belangrijke leeftijd. Het heeft een of andere symbolische betekenis als overgang van de jeugd naar de volwassenheid en gaat vaak gepaard met een indrukwekkend ritueel waar je vuurmieren om je ballen heengewikkeld krijgt of een liter regenwoudLSD moet consumeren om zo door een overweldigende ervaring in de tweede fase van het leven te belanden. De volwassenheid. Vrouwen hebben al iets van zichzelf om ze te vertellen dat ze vrouwen zijn, maar mannen niet echt tenzij het hele dorp om een masturberend jochie gaat staan om te zien of er aan het eind al spul uitkomt, maar dat is niet echt praktisch, dus er moest iets stoms voor verzonnen worden blijkbaar.

In onze cultuur is het ook wel een ding. Je mag vanaf je achttiende autorijden, je mag de nationale drugs nuttigen, het leger in, alle films kijken, stemmen op je volksvertegenwoordiger, seks hebben met alle andere mensen boven de achttien, dat soort dingen.

Toen ik zelf achttien was ontving ik ook mijn lading aan volwassenheidstraining. Het was zelfs netjes verwikkeld in één gebeurtenis. Iets dat me niet zozeer direct het besef gaf van mijn ontluikende mannelijkheid, maar me wel overtuigde dat deze wereld écht was, en dat mijn voorstellingen en zorgen en angsten echt waren. Dat ik niet in een jarenlange koortsdroom verkeerde waar geen einde aan kwam, maar dat het leven zelf de nachtmerrie was. En dat het allemaal nog véél erger kon dan ik voor mogelijk hield. Ik dacht tot dan dat de show bekend was, de acteurs gevestigd en het script bepaald, maar ik had geen rekening gehouden met de wispelturige regie die schaamteloos dood en verderf zaait en ellende regent op dagen waar het eerst enkel licht bewolkt was geweest.

Ik vind het moeilijk om hierover te schrijven. Zelfs nu probeer ik krampachtig metaforen te verzinnen om de banale bedroefdheid van mijn gemoedstoestand te verdoezelen in een hooghartige woordenschat. En ergens moet dat ook wel, want de zinnen: Ik ben zo ontzettend verdrietig en de leegte die ik aan mijn zij voel kan enkel gevuld worden door iemand die niet meer bestaat, ik voel me schuldig en zoek obsessief naar geruststelling, maar ik kan dit amper accepteren van mensen die niet jou zijn, of: Ik durf niet meer te dansen in dezelfde wereld die jou van mij afnam, klinken allemaal zo belachelijk simpel en niet-sympathiek-zielig wanneer ze op zichzelf staan. Alle oprechte jammerklachten klinken eigenlijk als aanstellerij van een zeurpiet vind ik, mijn eigen incluis. Voor de meest zielige waarheden heb je soms zelfs een heel boek nodig om geen gay ass faggot ass pussy ass whiny ass lame ass cliché ass supine ass protoplasmic ass invertebrate ass jelly ass candy ass dough boy te zijn, of je moet net genoeg roem hebben om het tot een memequote te halen.

Ik ben een paradijsvogel die tientallen jaren zijn veren heeft gepoetst om vervolgens te moeten optreden voor een afgebrand regenwoud.

Goed, mijn ontgroeningsritueel, mijn riet dù passaazj, was een paradox. Want hetgeen dat mij leven gegeven had besloot het leven niet meer waard te vinden. En dat is best wel een lastige. De persoon die me uit bed moest praten, die mijn tranen moest stoppen, die mijn problemen moest aanhoren, die mijn tienertemperament moest temmen, die persoon die het leven gaf en voorzag van liefde en soms ook verwaarlozing, die persoon dacht op een gegeven moment dat de dood beter was dan nog een dag in haar lichaam ontwaken. Die dacht dat de dood beter was dan al het andere. Al die kutargumenten en schuldgevoelens en citaten en grapjes en onzekerheden en angsten en nervositeit ging ze tegenin toen ze besloot: Nee. De dood is beter. Ik hoef niet meer te hopen op betere dagen. Ik wil niet meer zien wat er nog te vinden is. Ik erken dat ik van jullie houd, maar dit is wat ik wil. Ik stel me niet aan, ik hoef geen aandacht, ik reageer niets af, ik weet dat de Aarde ook mooi kan zijn, ik weet wat voor schatten er begraven liggen in de dieptes van menselijke ondernemingen, ik ben geboren en ik heb gebaard, ik ben geslagen en gezoend, ik heb gelachen en gehuild. Ik ken het leven, ik heb er meer dan veertig jaar aan meegedaan, maar nu is het klaar.

Best verwarrend. Geen brief ook. Niets. Ze ging van een afstandelijke aanwezigheid (want mijn ouders waren gescheiden) naar een mysterieuze absentie. En daar was ik dan. Zonder moeder, ruzie met mijn vader, broer in het slaaphuis, geen diploma, dikkig en depressief. Ik werd nooit geslagen vroeger, of misbruikt, dus ik dacht altijd dat mijn gezin prima was, dat er misschien wel iets hier en daar niet helemaal klopte, maar dat het over het algemeen net als de andere huizen was bij mij thuis. Maar nu besefte ik me dat er iets anders was. Dat ik misschien wel een van die zielige kinderen van tv was.

Weet je wat kut voelt? Vroeger als kind te horen krijgen dat je talent hebt voor taal en komedie en acteren en muziek en schrijven en expressie en alles dat je persoon met de wereld deelt door middel van creaties en dan naar de tv kijken en zien dat alle andere “artiesten” altijd pijn hebben en over pijn schrijven en beroemd worden met dat ene nummer of dat ene gedicht dat ze speciaal voor een overledene geschreven hebben en dan heel graag een beroemd artiest willen worden en bij jezelf stiekem wensen dat je pijn krijgt om over te schrijven en dan een van je ouders verliezen aan zelfmoord en tot de realisatie komen dat dát hetgeen is waar je zo onwetend op zat te hopen en je vervolgens schuldig voelen bij alles dat je creëert omdat ieder werk een traptrede moet zijn naar dat grandioze tribuut aan haar, je schuldig voelen omdat een tekst meerwaarde zou moeten dragen doordat ik getraumatiseerd ben ook al weet de lezer daar niets van, je achterbaks voelen omdat je de meest misselijkmakende ervaringen moet gaan uitbuiten voor andermans plezier, je hopeloos voelen omdat geen woord of collectie aan woorden ooit kan overbrengen hoe ik me voel wanneer mijn wezen huilt bij de herinnering aan haar en tot slot je compleet verpulverd wanen wanneer je beseft dat je kunt maken wat je wilt, maar je moeder het toch niet zal zien. Dat degene voor wie je het maakt “niet meer bestaat” wat dat dan ook mag betekenen.

Mijn voedingsbodem werd een moeras.

Ik weet niet wat ik ervan geleerd moet hebben. Ze zeggen alles heeft wijsheid en tijd heelt alle wonden blablabla, leuk allemaal. Ik kan prima nadenken, de voor de hand liggende lessen zijn dat het leven soms écht te veel kan worden, dat ik niet heilig ben, noch speciaal, noch “normaal”, dat ik maar gewoon een kind ben van een stel mensen, dat die mensen niet onaanraakbaar zijn, dat ze een hele hoop verkeerde keuzes hebben gemaakt in hun leven, dat ze allebei van elkaar afhankelijk leken te zijn omdat ze te zwak waren om op eigen benen verder te gaan, dat ik niet de goede kant op zal groeien als ik ambieer zoals mijn ouders te worden, dat er een aantal kernelementen van mijn persoonlijkheid zijn die ik zal moeten veranderen om de erfelijkheidszonde van me af te schudden, dat het écht fout kan gaan, dat niet iedere vorm van liefde goed is voor degene waar je van houdt, dat ik het probleem kan zijn, dat ik misschien vervloekt ben met een hersenspinsel waar ik pas over twintig jaar grip op krijg, nadat alles ineengestort is.

Ik heb nu bijna tien jaar gehad om erover na te denken en lessen te trekken, maar iedere les die ik eruit haal is als een schimmel op mijn ziel. Er is niets dat ik heb geleerd van haar dood dat me inspireert, dat me vreugde geeft, dat me geruststelt. Het is een probleem dat nooit zal worden opgelost. De enige manier om het gestaag te verwerken is door te gaan met leven in een wereld die ik überhaupt niet altijd even leuk vond, maar dan zonder de enige persoon die onvoorwaardelijk van me hield. Het is erop vertrouwen dat opstaan, tanden poetsen, eten naar binnen douwen, werken, werken, pauze, werken, werken, werken, chillen, slapen en weer opstaan “leuk” gaat worden uiteindelijk. Dat ik na vijftien jaar werken erachter kom dat werken zo slecht nog niet is. Dat ik over de jaren zoveel spullen zal kopen dat ik genoegen neem met het apathisch in stand houden van mijn overbodige bezit. Het is blindelings aannemen dat de vreugde van het bestaan in de buitenwereld ligt in plaats van in mijn hoofd, waar vaak geen vreugde meer mag bestaan.

Wanneer ik aan je denk voel ik motten in mijn buik. Ik word in een psychische put getrokken door antiliefde en mijn vechtlust verandert in een gespannen ongerustheid. Je bent tegenwoordig een nucleus van leed dat in mijn midden pulseert zonder remedie. Je bent het gevoel van kramp in mijn hart, de erosie van mijn wil.

Het overstijgen van je pijn en het doorzetten ongeacht de mentale uitputting is wat je persoonlijke waarde bepaalt, maar het is ook iets dat je nooit precies kunt delen met iemand anders. Je kunt nooit aan iemand overbrengen hoe moeilijk iets precies was voor jou, je bent overgeleverd aan hun persoonlijke begrip van pijn en worsteling, wat zij op hun beurt ook niet helder aan jou kunnen laten zien of voelen. Pijn is daarom vaak heel eenzaam denk ik, omdat we mensen zoeken die onze pijn “waard zijn” voordat we haar delen. Je tranen worden niet gevoeld door een stalen gezicht en je gevoelens kunnen niet worden begrepen door onzekere hulpverleners, te druk bezig met vragen om te kunnen verstaan wat je zegt. We bewaken onze maladieën en laten ze broeien in de donkere nisjes van onze geest tot die ene persoon langskomt waarvan we allemaal weten dat hij/zij bestaat maar waarvan niemand precies weet wie hij/zij is. Dán geven we ons bloot en worden we óf even gekwetst, óf even gelukkig.

Om te weten dat iemand die minder eloquent is dan jij en minder intelligent dezelfde gevoelens heeft maar dat niet kan beschrijven op een manier waar jij trots op kunt zijn frustreert veel mensen denk ik en het zorgt ervoor dat ze elkaars gevoelens ondermijnen, en daarmee hun eigen. Maar taal is maar een krakkemikkig middel om gedachten over te brengen. Het is niet gemaakt voor iets als gevoelens, en dat maakt schrijven best wel een klotehobby als je hart zo vol zit als de mijne.

Nog één poging op iets zieligs dat door mijn hoofd spookt en waar ik me zorgen over maak dan: Ik denk al heel lang aan zelfmoord en de plusjes en de minnetjes en de waarom welles en nietes, en ik zet de gedachte altijd wel weer van me af doordat ik iets zie dat me blij maakt, iets als een boom of een persoon. Ik kijk ernaar, betrap mijzelf op het hebben van een niet-suïcidaal gevoel en dat is de reden waarom ik niet zo moet zeiken. Dat is het bewijs dat ik me aanstel. Ik voel me een aansteller en denk dat als ik ooit zou praten hierover dat mensen me dan een schooier zouden vinden, omdat ik toch niet echt zelfmoord zou plegen, omdat ik dat niet zou durven. Omdat ik lui ben en onder mijn verantwoordelijkheden uit wil komen door te doen alsof ik zielig ben.

Maar daarnaast is er ook altijd een ander argument dat ik gebruik tegen zelfdestructieve gedachten: Er gaat een moment komen dat het allemaal beter is. “Het gaat goedkomen.” Er komt een tijd waarin ik terugdenk aan deze dagen en kan lachen om de strijd, om de stress. Er komt een moment dat zal voelen als een volledig ander leven, een andere soort geest in een ander lichaam, met dezelfde identiteit. Maar ik bedacht me vroeg vanochtend iets dat me angst aanjoeg: De wereld waarin “het goedgekomen” is bestaat niet. Dat is een ijdele hoop. Een sprookje. Een ideaalbeeld. Al sinds ik klein ben maak ik dit soort plaatjes in mijn hoofd en telkens kom ik er jaren later weer achter dat ze niet echt waren, dat het net zo goed scènes uit een niet-bestaande-televisieserie hadden kunnen zijn.

Ik voel me al jaren alsof mijn leven verspeeld is en de wereld ellendig en mijn toekomst zonder vreugde, alsof ik niet zo bijster veel zou verliezen indien ik mijn eigen leven zou nemen. Wanneer ik ergens naar kijk en een geheugenflits van vroeger voel waan ik me direct miezerig en ik snap niet waarom. In luttele seconden besef ik me dat ik me “net zo voel als vroeger” en direct wil ik weg, treur ik om het feit dat ik een verleden heb, komt er een realisatie van verslagenheid over me heen en ga ik met mijzelf in debat over de “waarheid” van dit gevoel. Zoals vanochtend, toen ik het ijsrandje om een herfstblad zag. Ik besefte me ineens met die overweldigende overtuigingskracht van de herinnering dat ik in dezelfde wereld leefde als dat ene moment een aantal herfsten geleden en direct zonk mijn hoofd naar mijn borst, vertroebelde mijn gedachten tot een misèremelange en werd ik bang om verder te gaan met mijn dag. Daarna werd ik nerveus over het feit dat dit gebeurde en toen begon het debat weer.

Wat kan ik in vredesnaam zeggen om jou te laten voelen wat ik voel? Volgens mij ben ik verre van een man zolang ik dat niet weet.

2 reacties op ‘Riet dù passaazj

  1. Rikkert, wat een prachtig stuk. Het laat me even beduusd achter. Heb ook wat andere stukken van je gelezen en waardeer je schrijfstijl heel erg. Misschien vind je het leuk om eens bij mij rond te neuzen. Ik verzamel columns van eenieder die dat leuk vindt, en plaats deze op mijn site. Ik ga in ieder geval meer van je lezen!

    Geliked door 1 persoon

    1. Elloo, dank u dank u, dat is fijn om te horen 🙂 Hij zegt dat je website offline is trouwens, maar als je iets van mij daarop wilt zetten mocht je hem weer online krijgen dan vind ik dat niet erg en zou ik stiekem wel beetje gevleid zijn. En ik ben benieuwd wat je van de rest zult vinden 😮 Sowieso chill dat je een comment achterlaat, altijd leuk om te weten wat mensen hun meningen zijn, vooral bij dit soort tekstjes.

      (edit: Ik heb jullie site inmiddels gevonden)

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s