De Droom van de Dolaard

‘Nog een koffie, meneer?’

‘Nee dank je, ik drink geen koffie.’ Zegt het sombere silhouet terwijl hij zijn vorige kopje naar de barvrouw schuift. Ze kijkt naar de bruine kring in de mok en hoort de man zijn woorden nogmaals door haar hoofd gaan.

Het is rustig in de kroeg, de dame heeft haar eigen muziek aangezet op een laag volume en kijkt inventariserend in het rond om daarna een voldane blik tevoorschijn te toveren.

Hij kijkt haar aan. Haar lippen zeggen dat ze vroeger prachtig was en haar uitgesproken jukbeenderen behouden het idee van jeugdigheid rond de berustte blauwe ogen van de vrouw. Er zitten al een stuk of twee eeuwige echtgenoten in haar herinneringen aan de hand van haar voorhoofdrimpels te zien. Gouden haren met donkere wortels, waarschijnlijk een strandvakantiemens. Haar laag uitgesneden shirt is gemaakt om zoekende mannen te vangen, maar de sompige theedoek die ze om haar schouder heeft hangen en de zweetdruppels in haar wenkbrauwen geven aan dat als je iets ziet dat je bevalt het jouw taak is om er werk van te maken, omdat zij simpelweg te veel aan d’r handen heeft om zich actief met dat soort dingen bezig te houden.

Maar ze staat nu voor hem.

‘Lange avond?’ Vraagt ze hem vriendelijk, zittend in hetzelfde schuitje.

‘De avond is oneindig. Wij proberen op te staan met de zon in goede hoop, maar de dag zal nooit aanbreken,’ zegt de langejaste man terwijl hij aanstalten maakt om te vertrekken. Hij legt een briefje van vijf op de balie en zegt dat de vrouw de rest mag houden.

Ze pakt de vijf euro, stopt hem verbaast in haar zak, kijkt naar de man die haar café uitloopt, werpt een vragende blik in haar decolleté en gaat dan weer verder.

Buiten worden de wolken uitgewrongen als een washandje boven de douchevloer. De man ziet kleine plasjes op het trottoir, ijsmodder in de weggreppels en alle neonkleuren van de omliggende horecaaangelegenheden gereflecteerd in honderden cirkeltjes die de regendruppels op de waterspiegels doen golven. Aan de andere kant van de straat fietsen twee mensen hard langs, een jongen met zijn capuchon strak om zijn petje en zijn hoofd naar beneden voorop; een zijdelings zittende dame daarachter. Haar ene arm zit vast om haar handtasje gevouwen en de ander half rond de heup van de bestuurder. Er komt een lege bus langs die door de straat schiet als een mes door boter, de wielen spetteren de mensen onder het water. Het nummer dat achterop staat is wat wazig door de stadsdampen en de lampen creëren rode en witte lichtvegen rond het voertuig. Hij glimlacht bij de gedachte aan het jonge stelletje terwijl hij met de plons in zijn gezicht een seconde verdrinkt in een zoete herinnering. Er is geluk in deze stad vanavond.

Hij wilt nog niet naar huis. De nacht moet nog iets meer hebben. Hij drinkt nooit koffie, dus de mok meuk die hij net achterovergegoten heeft functioneert als een halve nak pep: zijn voorhoofdsholte tintelt, zijn maag knort een beetje en hij voelt zich ochtendwakker ook al is de avond nu in haar puberfase.

Vanuit zijn ooghoek ziet hij door een perkje een man aan komen lopen in donkere kleding die door en doorweekt is. Hij benadert de dolaard en vraagt hem met een half roepende stem, zodat hij boven het geluid van de regen uit kan komen, of hij ooit de waarheid heeft gehoord.

‘De waarheid?’

‘De waarheid, meneer, de waarheid ik zeg het u.’

‘Nou nee, maar als ik een gokje mag wagen dan zullen de enige vast te stellen waarheden aan het eind van je openbaringen waarschijnlijk zijn dat er allemaal een heleboel dingen in je leven en de wereld en oh god oh nee… Oh en dat je een euro of twee nodig hebt, of niet?’

‘Eén zeventig is genoeg, meneer, God zegene u.’

‘Het zal ook eens niet. Oké, laat me even kijken voor je.’

De man grist in zijn jaszak naar wat losgeld, maar voelt enkel een briefje. In een flits schiet de gedachte door hem heen om te zeggen dat hij toch geen geld heeft en verder te lopen, maar hij heeft voor zichzelf al besloten iets te geven en het weigeren van het geven van tien euro dwingt de vraag af hoeveel die zwerver dan wel niet precies waard is voor hem, waar ligt de grens? En in hoeverre is het afhankelijk van hoeveel hij zelf heeft? Was hij iets van plan met de tien? Als hij dit nu zou geven en over twee weken failliet zou zijn, was het dan door dit geval van vrijgevigheid?

Nee, denkt hij.

‘Hoe heet je eigenlijk?’ Vraagt hij de man.

‘Anton, meneer, god zegen u, Anton.’

‘Anton, ik ben Dick. Fijn je te ontmoeten. Hier, alsjeblieft.’

Hij drukt de bedelaar een tientje in de hand waar hij zelf meer voldoening uit lijkt de halen dan de ontvanger van het geld. Maar de ontvanger was dan ook een zwerver, hoeveel plezier kunnen die nog hebben wanneer ze kijken naar het grote plaatje? Daarom doen ze allemaal drugs, denkt hij, zodat ze blij kunnen zijn in het vergetelijke moment zonder geconfronteerd te worden met wat ze allemaal al dondersgoed weten: Ik ga dood op deze straten en niemand gaat me missen. Ik ben niets behalve een minachtingwaardige toeschouwer van andermans geluk. Hoeveel voldoening kunnen die mensen nog bewerkstelligen in hun uitzichtloze lijdensweg? Ze zitten als een soort stockholmsyndroomslachtoffers vast aan hun overlevingsinstinct, te wachten tot hun lichaam het eindelijk eens wordt met hun brein en het fatsoen heeft om te sterven.

Deze sollicitant heeft de tien euro meer nodig dan ik, denkt de dolaard en nadat hij de zwerver veel plezier heeft gewenst gaat hij naar huis om zijn eigen hersenpan aan te laten bakken terwijl hij zich afvraagt of hij de zwerver niet gewoon een paar honderd euro had moeten toeschuiven in de hoop dat hij zichzelf diezelfde avond nog de pijp uit zou roken met één laatste orgiastische overdosiscocktail van crack, heroïne, speed, wiet, alcohol of welke ander gelukplacebo de man dan ook prefereert.

Zo had hij zijn eigen einde vaak voorgesteld. Volgepompt met de meest angstaanjagende drugs op Aarde en dan met zijn rollator zichzelf van een klif de zee in flikkeren, of nog liever op de scherpe rotsen beneden landen. Het leek een mooi moment om zoiets te proberen, want wat maakte het dan nog uit? Hij vroeg zich af hoeveel hij zou merken als hij met zijn gezicht op een van die puntige uitsteeksels zou vallen, hoe het brein zou reageren op de realisatie dat het op het punt stond om gespiesd te worden, als het dat vermogen überhaupt nog had met al die troep in zijn aderen en alle angst van de val. Hij vroeg zich af of de klap duidelijk voor de dood kwam of dat het eigenlijk allemaal hetzelfde was; de klap, de bewusteloosheid en de dood. Stiekem hoopte hij dat het voor een tiende van een seconde echt zou voelen alsof zijn gezicht te pletter werd gedrukt en dat het daarna direct over zou zijn. De ergste pijn denkbaar direct gevolgd door een acute dood.

Maar hij heeft een huis en een baan, dus hij overleeft het wel. Zijn lijden is niet uitzichtloos omdat hij een selectie aan keuzes heeft – niet dat hij een van de opties ziet als middel tot langdurig geluk, maar hij heeft desalniettemin een keus dus hij mag niet klagen. Als hij zijn rollatorplan op deze leeftijd uit zou voeren zou niemand het begrijpen en waarschijnlijk treurig vinden. Als teken zien van een fout in hem, een zwakte. Je speelt tot je tijd op is. En wat die tijd is bepaalt je lichaam. Niet je geest.

Hij loopt langs de bakker en het oude huis van zijn vrienden.

Een gevoel van groepsdruk dwingt hem te blijven leven. ‘Nou kom, doe eens normaal hé,’ is de normale reactie wanneer hij publiekelijk een doodswens verkondigt. Maar waarom? Denkt hij. Waarom is iedereen er zo van overtuigd dat alles het waard is? Ze reageren altijd zo heftig op hem dat hij betwijfelt of ze er ooit überhaupt over nagedacht hebben als een keuzemogelijkheid en of ze het niet gewoon opdreunen van vroeger: Niet doodgaan hoor! Het wordt echt veel leuker! Dat doe je gewoon niet!

Het is makkelijker als zwerver denkt hij, op een vreemde manier zijn die mensen toch al dood. Ze lopen nog wel rond natuurlijk, maar niemand telt ze meer als potentiële mensen, ze doen niet echt mee. Als er eentje doodgaat wordt dat niet of nauwelijks vermeld en amper berouwd, ze traumatiseren niemand met hun beslissing te stoppen met leven, omdat ze zelden de status van levenden gegund krijgen. Hij denkt dat er gemiddeld meer wordt gehuild om een dood huisdier dan een dode dakloze. Terwijl Dick allang dood is van binnen, maar iedereen denkt dat hij springlevend is, aangezien hij nog gewoon meedoet en gewoon normaal kan doen.

Niet dat hij zó graag dood wilt, het is gewoon iets om te doen, om meegemaakt te hebben met de ironie dat er daarna niets meer is om het meegemaakt te hebben. Alleen de hoes van het ding dat ooit dacht iets mee te mogen maken is dan nog over, vergiftigd en vermorzeld. Plus als hij blij zou kunnen zijn met zijn dood wist hij zeker dat hij er nooit spijt van zou kunnen krijgen. Je dood is het enige waar je nooit spijt van kunt hebben, meent hij.

Aangekomen bij zijn voordeur voelt hij in zijn jaszakken voor zijn sleutels, maar ze zijn nergens te bekennen. Hij reikt naar onder en vingert de binnenkanten zorgvuldig om naar gaten te zoeken, maar hij vindt niets. Verdomme, denkt hij, waarna hij zich omdraait en naar een steen loopt die hij optilt. Dan loopt hij terug naar de deur, port de sleutels in het slot, friemelt wat en duwt zichzelf met zijn schouder naar binnen. Zijn maag knort, maar hij gaat direct naar zijn slaapkamer.

Dick heeft zijn lichaam nooit zo geweldig gevonden. Dat ding heeft altijd eten en liefde nodig dat hij het niet kan geven en waarvan hij maar lastig anderen kan overtuigen het aan hem uit te lenen. Het loopt constant te zeiken als hij niets doet, maar wordt dan weer moe zodra die opstaat, het lichaam wil maar en het wil maar en hij loopt er altijd maar achteraan uit onbenul.

Als een alleenstaande ouder met een ongewenst kind. Zo voelt hij zich, bedenkt hij. Maar dan is hij zowel het smekende kind als de verwaarlozende ouder. Er is zelfs geen partner meer over om ideeën op af te kaatsen, dus de twee ruziën constant en ondermijnen hun gezamenlijke doel om elkaar te kunnen overtroeven. Hij heeft de televisie en zijn geld om hem te vertellen wat hij waard is, maar hoe langer hij naar die dingen staart hoe meer ze hun betekenis verliezen en des te meer venijn hij voor zichzelf ontwikkelt. Is dít wat mij fatsoenlijk maakt? Electronica en het vermogen electronica te kopen? Waarschijnlijk had de zwerver ook wel een tv staan in de daklozenopvang.

Wat is het verschil? Wat maakt het uit? Verdien ik dit wel? Zou iemand anders dit lichaam niet veel beter benut hebben?

De dolaard denkt na over dit soort dingen en zinkt in gedachten die langzaam veranderen in een diepe slaap op zijn stoel. Naast hem staat een klein tafeltje met een oude lamp, zo eentje waar de vuiltjes op de binnenkant van de kap lijken op zonnevlekken aan de buitenkant wanneer het licht aanstaat. Hij droomt dat hij achterin een bus zit die dendert door de nacht. De bus lijkt leeg op hemzelf na. Hij zit helemaal achterin. Waar de bestuurder hoort te zitten hangt enkel een klein flikkerend lampje in een verder duistere cabine. Hij kijkt naar buiten terwijl de stortbui iedere druppel een staart geeft zo lang als het raam zelf. Buiten is een wereld aan blinkende kleuren en uitnodigende etalages te zien.

Uit een van die etalages ziet Dick een man lopen, een nogal somber silhouet van een man. Dick ziet dat de man niet doorheeft dat de robuuste barvrouw van de kroeg waar hij uit komt lopen hem uitdagend nakijkt voor hij de hoek omslaat. Jammer, denkt Dick, dat had een mooi verhaal kunnen zijn voor die gozer. Hij wilt zich weer richten op de rest van de weg, maar de bus stopt. Er is een halte hier. Naast hem ziet hij een vijver met wat in het donker lijkt op een perkje.

Een schim komt door de schaduwen naar voren en tekent zich af tegen de achtergrond. Er glinstert iets in zijn hand dat Dicks aandacht trekt.

De nagegluurde man komt in het zicht van de schim die naar voren springt en met een serie van armzwaaien het glimmende object herhaaldelijk in het lichaam van de man steekt. Daarna schreeuwt de belager uit volle borst: ‘VOEL DE WAARHEID!’ en hij ramt het mes recht tussen de ogen van de man door zijn brein heen, waarna de man als een zak stront in elkaar zakt en zijn gezicht in een plas van regen en modder laat kieperen. De schim reikt in de man zijn jaszak, pakt nog iets glinsterends eruit en loopt dan snel de andere kant op.

Dick ziet door het raam een uitgeholde versie van de vermoordde man opstaan met het mes nog vast in zijn voorhoofd. De verschijning loopt naar de halte en stapt de bus binnen. Hij geeft Dick een halve seconde erkenning met zijn ogen, gaat zitten waar Dick de chauffeur had verwacht, start de motor weer en roept naar achter:

‘Ben je er klaar voor?’

‘Waarvoor? Waar gaan we heen? Wie ben je?’

‘Hahahahahaha, niet dom spelen nu, jongen!’ schalt de chauffeur door de bus heen in een ijzige stem. Het voertuig trekt met een rap tempo op en begint meer en meer vaart te krijgen, Dick wordt in zijn stoel gedrukt en voelt de sensatie van zenuwen opkomen van zijn onderbuik tot zijn borst, de aanwezigheid van  gevaar dwingt een emotionele reactie af en even voelt hij zich weer als iets dat het waard is om te beschermen. Maar op het punt dat zijn sensaties willen transformeren in geluk of spijt stopt de bus abrupt en gaan de achterdeuren open.

Dick kijkt naar buiten en ziet een steeg.

‘We zijn er. We zijn er we zijn er. Stap uit. Neem dit mee, doe een laatste dutje achter die vuilnisbak daar en vervul je wens in de ochtend. Niemand houd meer van je, niemand bekommert zich om je bestaan, je bent altijd al een verspilling van adem geweest. En nu opgedonderd.’

‘M-maar…’

‘STA. OP. FLIKKER. OP!’

‘…’

‘NU!’

Dick baggert de bus uit de steeg in. Hij vindt de genoemde vuilnisbak, slaat zijn jas goed om zich heen en probeert zichzelf comfortabel te maken in de vrieskou en de motregen. Zijn hele bovenlichaam trilt van de kou en begint spasmes te vertonen die hem zo gespannen maken dat zijn buik en rugspieren pijn beginnen te doen, wat hem dusdanig bezeert dat hij niets anders kan dan zichzelf krampachtig opvouwen tot een bolletje, wat hem met de constante ijsschokken die door zijn ruggengraat vibreren alleen maar meer langdurige pijn oplevert in zijn schouders. Hij zou zo graag een knuffel willen nu. Zijn buikpijn neemt bezit van zijn onderrug en hij voelt zijn voeten niet meer. Hij is te vies en het is te laat om naar hulp te gaan zoeken. Daarbij heeft hij geen idee waar de chauffeur hem heeft afgezet, of waar de bus daarna heen is gegaan.

Dus dit was het. Verbannen uit zijn leven door een schaduw van zijn vermoorde zelf, achtergelaten zonder ook maar enig verlangen van iemand om hem ooit te komen helpen. Niemand die hem zal missen. Nu waren er geen smoesjes meer. Nu was het zíjn keuze. Niet meer dat stompzinnige menselijke getreuzel over emotionele verplichtingen naar geliefden, geen schuld, geen achterdocht en geen veroordeling. Gewoon een simpel antwoord op een vraag waar zowel ja als nee even goed is en iedereen mag zeggen wat hij of zij wilt:

We spelen een spelletje. Wil je meedoen?

‘Nee. Nee, ik wil niet meer. Het is aan mij om het niet meer aan mij te laten liggen. Niets is beter dan misère.’ scandeert hij zachtjes terwijl zijn woorden wolken worden in de koude lucht. Hij wilt het doen.

Hij hoort iets in de verte. Hij kijkt naar het laatste cadeautje dat hij kreeg van de chauffeur. Het glimt. Het is hetzelfde model. Hij bewondert het en prikt zachtjes in zijn duim.

‘Auw, kolere,’ zegt hij zachtjes. Hij bewondert het lemmet en houdt het mes vervolgens in zijn linkerhand.

Dan weer een geluid. Een autodeur die dicht wordt geslagen? Aan de horizon ziet hij een verkleuring van het nachtelijke donker, het begint ochtend te worden. Het zal iemand zijn die onderweg is naar werk. Misschien is hij gelukkig. Of zij. In de verte is een ritmisch geklop of geronk met identieke intervallen tussen de geluiden door. Een treinspoor wellicht denkt hij terwijl zijn lichaam volledig gevoelloos raakt en al zijn sensaties zich nu in zijn hoofd bevinden.

Hij is moe. Écht moe. Zo moe was hij alleen ooit toen hij verdwaald was en stomdronken van zijn vrienden was weggelopen om redenen onbekend voor beide partijen. Uiteindelijk werd hij wakker gemaakt door de politie terwijl hij aan de andere kant van de stad op een vreemde kiezelstenen oprit lag te tukken. Verdomme wat was hij moe geweest. Hij wist dat hij te ver van huis was om het terug te halen voor hij in zou storten. Hoe fijn had het gevoeld toen hij de beslissing eenmaal had gemaakt en zijn uitgeputte hoofd voor het eerst de stenen raakte.

Hij wilt opstaan om te zien waar hij is en hoe ver van zijn huis, maar diezelfde moeheid maakt zich meester van hem en met zijn hoofd leunend tegen de grote vuilnisbak dommelt hij in een zachte slaap bij het eerste aanbreken van de dag.

Tot hij door zijn slaap een geschraap hoort. Een klik. Een gekraak. Een zacht stompen dat dichter bij komt. Het voelt alsof hij valt en een schrik ontwaakt hem.

Hij opent zijn ogen, ziet de steeg die wederom donker is geworden en wordt overmand door een ongeëvenaard gevoel van terreur wanneer dezelfde schim die zijn alter-ego veranderde in een macabere eenhoorn razendsnel het mes uit zijn hand graait en het voor Dicks gevoel metersdiep in zijn borst duwt terwijl hij zichzelf op hem gooit. Hij probeert nog op te staan, maar het gewicht van de aanvaller weegt te zwaar op hem. Op dat moment schieten zijn ogen wederom open, voelt hij de leuning van zijn vertrouwde stoel, hoort hij zachtjes televisiestemmen in de verte en ziet hij vaag een gestalte over hem heen geleund en een arm die zich uitstrekt naar zijn lichaam. Zijn hand zit strak om het heft gevouwen. Hij wilt wederom uit zijn stoel springen, maar hij is gepend door het mes. Hij voelt de warmte óp zijn borst toenemen terwijl het ín zijn borst nog kouder wordt dan de nacht waar hij vandaan komt.

Hij gorgelt wat klonten bloed uit zijn keel terwijl de zwerver hem met manische ogen aankijkt, haast smullend van het schouwspel.

Dick probeert te bevatten wat er gebeurt en vraagt zich af of dit de dood is die hij wilde, of hij hier spijt van zou kunnen krijgen. Maar hij is al te ver weg voor spijt. Deze levensfase bestaat enkel nog uit een verdoofde acceptatie van het onvermijdelijke en een kinderlijk besef dat het wel leuk was geweest om te doen een keertje, dat leven.

Hij hoort een stem hem dingen vertellen, maar hij kan geen onderscheid meer maken tussen het geluid van de schim en zijn eigen gedachten.

‘Oh en de waarheid is dat je altijd evenveel waard was als iedereen en die barvrouw die je negeerde je meer had kunnen laten voelen dan iedere hoeveelheid heroïne en welke kliffen dan ook, maar neem het niet van mij aan hoor, ik ben maar een moordenaar. Wat weten die nou van de waarheid? Hahaha.’

Dick is op sterfgeluiden na stil.

‘Nou nou, gezellig hoor, jij. Jeetje zeg,’ klaagt de moordenaar fronsend. Hij kijkt onderzoekend naar de man in de stoel.

‘Nee, echt niets te zeggen? Geen mooie preek? Een diepzinnige gedachte? Nou oké dan maar.’

Dick denkt iets ongelooflijk indrukwekkends en communiceert dat door een lichte beweging van zijn halfdichtgevallen ogen, waar de man met het mes weinig aan heeft.

‘Ben je er klaar voor?’ Roept hij zonder een antwoord te verwachten, maar mét de beledigende gezichtsuitdrukking die erbij hoort wanneer je op het punt staat iemand af te maken.

Dick kan alleen nog maar achteroverleunen en afwachten terwijl de man het mes uit zijn borst trekt, het opheft en met het volledige lemmet in zijn schedel valt.

‘HIER IS DE WAARHEID!’

Dick voelt een klap, een deuk, een scheur en een gespetter aan weerszijde van het mes, bloed dat van zijn voorhoofd af op het meubilair sproeit terwijl zijn zicht wazig wordt en hij niets meer ziet behalve een veeg van felle lichten die waggelen en dimmen en dan plaatsmaken voor onschuld. Hij voelt een warmte en daarna niet meer en besluit dat het mooi genoeg is geweest. Of ten minste, zo gelooft hij, dat laatste beetje gevoel van autonomie gunt zijn brein hem nog wel in die laatste microseconden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s