Tóch!?

Naast een jungle vlakbij een strand en onder aan een vulkaan staat een groot huis met veel land eromheen. Een landhuis. Niet te verwarren met een woonboot of een luchtkasteel. Dat is anders. Binnenin het huis is een luxe kamer bezaaid met kaarten en een statige wereldbol vol met whiskyflessen. Daaromheen zitten twee goede vrienden.

‘Ah, bah. Had het nou niet een jaar eerder gekund?’ Vraagt de goede vriend Johannes aan zijn goede vriend Harrold.

‘Wacht eens. Ja ik zie het al. Ik heb het de knul nog zo verzocht. Hij weet heel goed dat alles na zijn geboortejaar bocht is voor het komende decennium. Dat is waarom ik hem alleen zijn geboortejaar heb geleerd en hem vanaf daar laat aftellen. Alles met een zeven als derde getal is een nee-nee. Het spijt me, Johannes. Het is waardeloze service van mijn kant,’ zegt Harrold, verontschuldigend.

‘Je kunt het hem altijd laten herstellen.’

‘Ja, ja, natuurlijk en dat ga ik ook zeer zeker doen, maar vergeleken met de bediening in jouw huis. Het brengt me een beetje in de verlegenheid.’

‘Ha, ach hee, de bediening is ook maar de bediening,’ zegt Johannes terwijl hij met zijn hand wuift. ‘Je kunt een heel nieuw stel halen als het echt te erg wordt. Plus, het gaat allemaal om de man die ik hier nu voor me heb. We hebben nog wat zaken af te handelen jij en ik.’

‘Dat is een redelijk punt en ik zal proberen eer te doen aan je wijsheid in mijn daden. Maar ik weet niet of ik de knul nog veel kansen ga geven. Ik heb al eens een woordje met hem laten voeren, maar je weet hoe die lui zijn. Het is allemaal beloftes op beloftes tot je ze weer aan het werk zet,’ zegt hij terwijl hij wat smerig naar het glas in zijn hand kijkt en het terugzet op het met edelstenen ingelegde tafeltje.

‘Maar goed, wat doe je eraan? Je kunt ze niet eeuwig blijven disciplineren.’ de goede vriend pakt een belletje op en rinkelt ermee terwijl hij het woord “knul” door het vertrek roept.

‘Oh je moest eens weten. Als je vindingrijk genoeg bent is er altijd tijd voor discipline,’ zegt Johannes.

Een paar seconden later komt de jongen rennend in de deuropening aan. Hij wandelt rustig de kamer in en loopt naar de vriend die het huis bezit.

‘Kan ik helpen, meneer?’

‘Knul. Luister. Ik zei je dat ik wijn wilde. Ik weet dat jij te jong bent voor wijn en je weet niks, dus dat vergeef ik je deze keer. Maar als je nu niet heel snel naar de kelder gaat om een fles te halen waar geen “7” op de derde plek van het jaartal staat dan hak ik je hand eraf en ga ik je een broertje of zusje geven om het voor me te doen.’

De knul belandt in een staren in het niets en kijkt dan langzaam naar de goede vriend.

‘Begrijp je dat?’ Zegt Harrold dreigend.

De jongen gunt hem niets.

‘Ik heb je wel eens laten zien waar broertjes en zusjes vandaan komen, niet? Met moeder tweeëndertig toen. Dat is die van jou volgens mij. Die ken ik nog wel. Goede heupen, weinig huilen. Ze kan vast niet wachten. Dus schiet op.’

De knul zoekt het midden tussen de grond en de ogen van de goede vriend en mompelt dat zijn moeder Maharani heet, waarna hij een soejang op zijn tedere wang voelt klappen die een traan in zijn oog brengt en hem bevriest met angst.

‘Knúl!’ Blaft de goede vriend die voorover leunt in zijn stoel en de jongen schiet weg.

Harrold herpakt zijn postuur en terwijl hij wat friemelt met zijn kraag laat hij zich weer achterover in zijn grote stoel zakken om zijn hoofd richting zijn goede vriend te draaien.

‘Ze begrijpen niet waar we hier mee bezig zijn, of wel, Johannes? Ze hebben geen idee.’

‘Ze kunnen het niet begrijpen, Harrold.’

‘Gezegend zijn ze in hun onschuld, laten we maar zeggen,’ zegt Harrold en hij meent het.

‘Als ze eens wisten wat een verantwoordelijkheid wij op ons nemen,’ zegt Johannes langzaam schuddend met zijn hoofd.

‘Voor hén,’ voegt Harrold direct toe met een verbaasde intonatie.

‘Allemaal voor hen. De kinderen zullen ons dankbaar zijn,’ knikt Johannes.

‘Onze kinderen, Johannes, onze kinderen.’

‘Meer van mij dan van jou tot nu toe, goede vriend,’ zegt Johannes plagerig.

‘Dat komt omdat ik het op het eind altijd zó spannend vind dat ik steeds vergeet op de tafel te kloppen,’ Zegt Harrold geïrriteerd terwijl hij op de tafel klopt.

‘Sneller denken dan,’ raadt Johannes hem aan.

‘Wacht maar tot de knul hier is, je gaat het beleven dit keer,’ zegt Harrold vastberaden.

‘We gaan het zien, we gaan het zien,’ antwoord Johannes met een lachje. ‘Maar je hebt er al wel een paar gewonnen to nu toe toch?’ Voegt hij eraan toe.

‘Soms had ik het gevoel dat je me liet winnen,’ zei Harrold.

‘Natuurlijk, ouwe vrind, om het interessant te houden,’ schertst Johannes terug.

‘Jij geniepige doerak ook, Johannes!’

‘Het is eenzaam bovenaan, Harrold. Cholera en lepra raken me niet, maar eenzaamheid des te meer. En daar hebben zij nooit last van. Dus soms, soms speel ik met mijn prooi als een vorm van gezelschap.’ komt het antwoord.

‘Het recht van de sterken,’ zegt Harrold.

‘Het recht van de sterken,’ echoot Johannes.

Een seconde of twee van pauze volgen waarin beide mannen zich even realiseren hoe goed ze zich voelen over zichzelf en wat voor een goede vrienden ze zijn. Dan horen ze vlugge stappen veranderen in een rustige pas, wat alle vier de ogen naar de deuropening trekt.

‘Ah, knul. Daar ben je weer. Wat heb je dit keer voor ons meegenomen?’

De jongen overhandigt de fles aan Harrold die hem bestudeert, ontkurkt, eraan ruikt, hem nogmaals bekijkt om te zien of zijn zintuigen hem niet bespelen en daarna hartelijk glimlacht naar zijn goede vriend Johannes.

‘Goed zo, knul,’ zegt hij tussendoor naar de jongen.

De jongen kijkt naar de kaarten die overal over de grond liggen en voelt een bui hangen.

‘Goed, nu we eindelijk het juiste drankje hebben, zullen we beginnen met het klaarzetten van het spel?’ Zegt Harrold.

‘Helemaal prima,’ komt van Johannes zijn kant.

‘Knul, roep je zusje voor de kaarten.’

De jongen loopt de kamer uit en komt even later terug met een meisje nog geen tien maanden jonger dan hijzelf. Ze heeft zwart haar dat lijkt te willen krullen, maar enkel golft tot net beneden haar schouders. In een schamel gewaad en met haar lichaam zo klein mogelijk gemaakt begint ze rond te kruipen en de kaarten te verzamelen. Johannes kijkt naar haar. Er staan tekens en letters en getallen op en ze snapt er weinig van, maar ze heeft uiteindelijk een stapeltje in haar hand die ze op het tafeltje tussen de twee goede vrienden inlegt. Wanneer ze de kaarten op het tafeltje plaatst voelt ze een hand rond die van haar.

Ze wilt haar hand wegtrekken, maar daar is rekening mee gehouden merkt ze wanneer ze de vingers strak om haar polsen gestrengeld voelt. Ze kijkt naar links en ziet een bedaarde gulzigheid in de ogen van Johannes. Een soort deftige drang om te bezitten. Hij oogt eventjes zijn goede vriend die zegt dat deze kleine njai nog onder de elf is. En een verfijnd, geëduceerd en bovenal gecultiveerd man als Johannes moet toch het antieke adagium “Onder de elf is voor papa zelf” respecteren.

‘Kom over een jaar of twee terug dan mag je d’r hebben van me,’ zegt Harrold.

‘Maar dan is al het plezier er al uit. Ik wil een nieuwe. Tweedehands is niet meer speciaal,’ zeurt Johannes

‘Waar heb je het over, niet speciaal? Een meisje is een meisje, niet?’

‘Ja, maar het gaat erom hoeveel mannen het meisje gezien heeft. Ze is nu al zo veel gewend waarschijnlijk.’

‘Dus? De meeste meisjes hier hebben al wel eens een man gezien. God behoedde ons voor wat ze in hun vertrekken uitspoken.’

‘Ik wil gewoon de enige zijn. Het is fijner om de enige te zijn. Minder zorgen.’

‘Minder zorgen?’

‘Over wat ze allemaal uitspookt.’

‘Wat maakt jou dat uit? Het is een hoer.’

‘Maar ze kan zoveel meer zijn.’

‘Wat?’

‘Ik kan haar opleiden. Maar dan wil ik wel de enige zijn. Anders werkt het niet.’

‘Is zij jouw enige?’

‘Nee natuurlijk niet.’

‘Je houdt het zelf niet bij één?’

‘Nee natuurlijk niet, Harrold. Maar zo hoort het ook niet.’

‘Verklaar,’ zegt Harrold, geïntrigeerd in deze persoonlijke kant van zijn goede vriend.

‘Het is niet moeilijk. Ik zal beginnen bij het begin. Een maagd is het meeste waard. Een vrouw van waarde blijft maagd tot het huwelijk, niet? En er mag dus maar één man in haar zijn. Voor altijd. Ze mag haar lichaam niet met anderen delen tot een man haar vader heeft gevonden en een goede deal heeft gemaakt, dit is redelijk en logisch en iedereen heeft altijd zo geleefd, corrigeer me wanneer ik leugens begin te verkondigen, Harrold.’

Harrold blijft stil.

‘Dus een maagd moet je hebben. Dan ben je de enige seksuele invloed in haar hele leven en als ze wil scheiden kan ze dat toch niet doen. En rent ze weg dan komt de politie haar wel weer terug brengen,’ legt Johannes vol plezier uit. ‘Maar als je zo’n slet hebt, die gaan daarna ergens anders heen en ergens anders heen en voor je het weet ben je ze kwijt en zijn ze ziek en je denkt toch niet dat die andere mannen goed voor haar zorgen zoals ik dat zou doen, Harrold? Je kent me als een redelijk mens.’

‘Maar wat maakt het uit of jij de eerste bent precies? Zij is voor jou de zoveelste.’

‘Omdat de eerste altijd speciaal is.’

‘Zou je jezelf niet diezelfde speciale status kunnen geven door beter te zijn dan al haar andere geliefden? Ik bedoel bij de alledaagse harlot op dit eiland zijn er hooguit een paar sloebers overheen geglibberd, hoe moeilijk kan het zijn?’

‘Bah, houd op, Harrold. De gedachte alleen al. Bah. Weetje wat, laat maar, ik hoef je niet meer,’ zegt hij tegen het meisje wiens pols hij nog steeds vastheeft, maar die hij nu gewelddadig losschud. Het meisje vangt de tendens van de woordenwisseling op en vlucht het vertrek uit. Haar broertje staat naast de tafel.

‘Waarom zeg je dat soort dingen, Harrold?’

‘Het is lastig om goed personeel te vinden deze dagen, Johannes. Dus blijf ervan af,’ zegt Harrold voor hij opzij kijkt en zegt: ‘Knul. Deel de kaarten.’

Iedere man krijgt een stel van zeven kaarten voor zich gelegd door de jongen. De mannen pakken ze op en beginnen direct te klagen over de kwaliteit van hun hand. Ze wisselen vriendelijke woorden, onderhandelingsleuzen, een paar sluikse dreigementen over de theoretische onhoudbaarheid van hypothetische kaartcombinaties en na verloop van tijd wisselen een aantal kaarten van handen zodat het spel kan beginnen met iedere speler uitgerust zoals ze willen.

‘Voor het eiland. Winnaar pakt alles,’ proost Harrold.

‘Voor het eiland,’ klinkt terug.

De twee keren zich naar het tafeltje en beginnen te spelen.

Harrold wint de eerste ronde, hij vergeet bij de tweede keer laatste kaart te kloppen, maar trekt twee tweeën als straf waardoor hij Johannes vier extra kaarten geeft en makkelijk uit kan. De volgende pot is voor Johannes die zonder ooit een kaart te hoeven trekken naar de lege hand gaat met drie zevens blijven kleven en een boer om de stapel naar zijn wens te veranderen.

Het is één-één. De mannen kijken elkaar aan. Harrold heeft nu al drie jaar achter elkaar niet gewonnen en het vreet aan hem. Hij nodigt Johannes uit in zijn huis, kan hem niet van goede service voorzien, moet hem zijn hoertjes ontkennen omdat de geldkraan hem gebied zuinig te zijn met zijn lichamen en hij verliest dan ook nog eens met kaarten. Niet dit keer.

Hij kijkt naar de jongen.

‘Knul. Doe je mee?’

De jongen kijkt verbaast naar zijn baas en neemt voor hij er echt over na kan denken het stapeltje kaarten dat hem wordt aangeboden. Ook al heeft hij de officiële regels nooit geleerd, hij heeft gedwongen naast genoeg potjes gestaan om de twee kleurtjes, de vier letters en de getallen uit elkaar te houden en hun effecten te kennen. Hij kijkt naar zijn hand en blijft stil terwijl de andere twee direct na het zien van hun kaarten weer beginnen te kraaien over oneerlijkheid en onmogelijke kansen. Ze volgen hun kleine kaartenwisselritueel, maar kijken dan naar de knul en beginnen nogmaals te aarzelen. Want ze hebben nu wel met elkaar overlegd, maar wat heeft de jongen daar? Ze gebieden hem zijn kaarten te laten zien en ze wisselen er nog een paar om voor de zekerheid.

Het spel begint.

Harrold opent sterk met tien wasmasjien, waarmee hij de beurt aan de jongen geeft die Johannes tot halt roept met een acht aan de wacht. Harrold gooit er een twee op die de jongen doorgeeft, maar Johannes heeft een joker. Harrold is gedwongen negen kaarten te pakken en lijkt uit het spel. Hij geeft onder de tafel drie van zijn kaarten aan de jongen en trapt hem tegen zijn scheen om duidelijk te maken dat het nu zijn probleem is. Hij legt klaver op de joker en het spel gaat verder. Johannes werpt een heer en claimt “Heertje nog een keertje,” waar Harrold nooit van heeft gehoord, maar Johannes zegt dat ze het bij hem altijd zo spelen, dus Harrold staat het toe.

Een paar circulaties en rotaties verder en de trekstapel is haast toe aan een omdraai. De mannen zitten rond de tafel, de jongen staat ernaast en ze kijken elkaar vol spanning aan. Elk van hen heeft twee kaarten over. De jongen is aan de beurt. Daarna Harrold, dan Johannes.

De jongen legt een boer op en zegt dat hij er ruiten van maakt. Daarna klopt hij op de tafel en kondigt de laatste kaart aan, tot grote paniek van de andere twee. Harrold kan er niets tegen doen en legt aarzelend zijn eigen ruiten drie neer terwijl hij hoopt op zijn goede vriend. De beurt is aan Johannes. Hij weet dat de knul het net ruiten heeft gemaakt voor zijn laatste kaart, maar wat de knul niet weet is dat er nog een boer in het spel zit en die toevallig aanwezig is in de hand van Johannes.

Johannes werpt de boer op en verandert de stapel naar schoppen. Hij grijnst naar de jongen, klopt of tafel en zegt: “Laatste kaart” waarna de jongen een schoppen vrouw opgooit en uit is. Hij kijkt naar de twee mannen die naar elkaar kijken en dan weer terug naar hem, volledig stomgeslagen.

Harrold springt uit zijn stoel en begint te krijsen: ‘HÓÉ WIST JE DAT!? VUILE RAT! JE SPEELT VALS! JE SPEELT VALS!’ Hij duwt de jongen tegen de grond en drukt een serie van vuisten in zijn gezicht terwijl hij door schreeuwt: ‘JE DENKT DAT JE MET JE TRUCJES HET EILAND TERUG KUNT KRIJGEN!? JE BLIJFT GODVERDOMJE NEER! VIEZE KAFFER! KIJK, DIT KRIJG JE ERVAN ALS JE IEMAND MET JE MEE WILT LATEN SPELEN, JOHANNES! IK ZEI HET TOCH! ON-DANK-BAAR! WALGELIJKE MISBAKSELS! JOHANNES! BEL DE POLITIE! NU!

Nog geen uur later staat er een politiecolonne van koloniepolitie acties te voeren om het landhuis heen en wordt de knul meegevoerd en waarschijnlijk ergens aan een rad gebonden waar hij door de lokale bezetters doodgeslagen wordt voor zijn rechtszaak kan beginnen. Zijn moeder zal het nooit weten en zijn zusje wordt nu met plezier verkracht door Johannes, omdat zij nu juist speciaal geworden is voor hem als het zusje van dat klotekind dat dacht een kans te maken tegen de goede vrienden Johannes en Harrold.

Wat een prachtige mentaliteit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s