Vreemde vogels

1

Ergens in een groen dal hier ver vandaan had een vogel het zijn gewoonte gemaakt om bij een verlaten huisje te stoppen en wat noten te breken op de schoorsteen. Toen hij op een fijne zomerdag echter een paar eenzame rookwolkjes boven het huisje zag tikte hij een paar keer met zijn snavel op de deur om te zien wie verantwoordelijk was voor het vuur. Er werd opengedaan door een jongeman met helderblauwe ogen en warrig donker haar. Hij droeg een lange beige jas met een marineblauwe broek en zwarte kisten. De jongen wist niet goed waar hij moest kijken want hij had hier geen mens verwacht, maar zodra er werd geklopt niets anders dan een mens verwacht.

‘Hey hey hey hey,’ floot de vogel hem toe. Hij kwam nu voor het midden van de deuropening fladderen.​​
‘Wow, wacht doe dat nog eens,’ zei de jongen vol ongeloof, nu kijkend naar de vogel.​​
‘Hey hey hey hey,’ deed de vogel nog eens, terwijl hij verticaal wat op en neer vloog.​​
‘Haha! Zie je wel. Dieren kunnen wél praten!’ lachte de jongen triomfantelijk.​​
‘Tegen wie heb je het?’ vroeg de vogel nieuwsgierig​​.
‘Oh, tegen iedereen die zei dat dieren niet konden praten.’​​
‘Waar is iedereen?’​​
‘Nou, niet hier, maar thuis ergens.’​​
‘Thuis?’​​
‘De stad waar ik vandaan kom.’​​
‘Oh, kan iedereen je horen dan?’​​
‘Nee, maar…’​​
‘Wat praat je dan?​​
‘Huh?’​​
‘Ah nee, je bent toch niet weer zo’n gek he?’​​
‘Wéér zo’n gek?’ zei de jongen, ontzet door dit hele gebeuren.​​
‘Verdomme het is altijd hetzelfde met dat hutjesvolk hier. Is het bos jullie sociale vuilnisbelt of zo?’​​
‘Ehm, sorry? Niemand denkt dat dieren kunnen praten, alleen kinderen geloven het soms nog.’​​
‘Klinkt alsof sommige kinderen slimmer zijn dan jullie volwassenen.’​​
‘Ik ben gewoon verbaasd, oké?’​​
‘Ik ook, oké?’ Papegaaide de vogel hem na. ‘Het is alweer een paar jaar geleden dat hier iemand kwam en tot nu toe zijn ze allemaal dom als een ezel geweest. Hoe komen jullie gasten eigenlijk bij dit huisje?’​​
‘Internet.’​​
‘Wat?’​​
‘Een soort forum.’​​
‘Ugh. Woorden, jongen, woorden.’​​
‘Nooit van twitter gehoord? angry birds? jobbird?’​​
‘Ik zal jou eens een anrgy bird geven als je niet normaal gaat praten.’​​
‘Yo, rustig aan, vogel. Ik zoek geen ruzie. Tegen jezelf praten of tegen anderen die er niet zijn is gewoon iets menselijks om te doen.’​​
‘Ja, ja, ik heb wel meer dingen gezien die mensen soms gewoon doen. Hoe is je naam?’​​
‘Ik ben Darko.’​​
‘Darko? Aangenaam, ik ben Djzuwieuwie, zeg maar Ieuwie, van het tsjk tsjk bos iets ten noorden van hier. Niet bij in de buurt komen trouwens, dat is ons bos. Het is fijn om nog een stukje voor onszelf te hebben. Het laatste dat we willen zijn van die smerige ménsen daar.’​​
‘Wat is er mis met mensen?’​​
‘Hahahahaha, wat is er mis met mensen vraagt ‘ie. Ik hoop dat je van plan bent je tijd hier te gebruiken om na te denken. Ieder dier dat hier langskomt is op de vlucht voor jullie beesten, klinkt alsof er weinig niet mis is met jullie soort.’​​
‘Je bent gemener dan ik me een pratende vogel had voorgesteld weet je dat?’​​
‘Hoezo?’​​
‘Nou, gewoon. Je bent niet heel vriendelijk tot nu toe en dat terwijl ik je niets heb gedaan.’​​
‘Wat had je gedacht dan? Dat ik in de schemering met een aantal nachtegalen op een eenzame tak kwam zitten en we je een serenade zouden komen brengen? We zijn gewoon dieren, knul, net als jij. Wees niet zo naïef.’​​
‘Het is gewoon dat je een vogel bent, ieder mens zou wel graag een vogel zijn. Dus ik kon me niet voorstellen dat je zo’n humeur zou hebben.’​​
‘Wat? Waarom willen jullie vogels zijn? Wat is er zo speciaal aan een vogel zijn?’​​
‘Jullie kunnen vliegen.’​​
‘Dus?’​​
‘Dús? Hoe bedoel je dus? Ik zou zo graag willen kunnen vliegen, dan kun je echt overal heen waar je wilt, je moet je zo vrij voelen.’​​
‘Juist. Nou, ik vind het hier prima hoor, ik hoef nergens heen voorlopig. En je weet dat vliegen takkenveel moeite kost he?​​
‘Maar vindt je het niet speciaal dan? Dat je zo’n gave hebt?’​​
‘Ik moet van de acacia naar de beuk kunnen komen en daarvoor gebruik ik mijn vleugels. Als het makkelijker kon zou ik dat doen.’
‘Daar zit wat in. Maar dan nog, vleugels lijken me geweldig.’
‘Hoe noem je die zijkantklauw van jullie ook alweer, die zo vreemd draait?’
‘Je bedoelt een duim?’
‘Ja, die dingen. Als ik wat duim zou hebben zou ik zo goed naar wormen kunnen graven, fruit kunnen plukken en roofdieren kunnen wurgen dat ik nergens anders meer over hoefde na te denken dan welke tint takjes ik mooier vindt voor mijn nest. Voel je dat je duim een gave is? Komen mensen naar je toe om je rotatievermogen te verafgoden? Ben je er trots op?
‘Nou, nee, niet bepaald nee.’
‘Precies. En trouwens, niet ieder dier dat vrij is moet dan ook maar direct aardig zijn.’
‘N-‘
‘Je schoenen zijn echt fucking lelijk.’
‘Wat?
‘Zie je wel, vrij gemeen toch,’ zei Ieuwie terwijl hij een klein triomfrondje in de lucht vloog.
‘Nou oké dan. Sorry voor mijn onschuld,’ zei Darko, te geïntrigeerd door het gesprek om zich aangevallen te voelen.

De twee keken even naar elkaar. Darko zag dat Ieuwie naast zijn voornamelijk donkerbruine dekentje twee fel oranje veren had, eentje aan de onderkant van beide zijn vleugels. Zijn snaveltje had iets schattigs.

‘Maar je had het over de vorige mensen die hier woonden. Kende je ze?’
‘Kennen is een groot woord. Het waren er twee, een mannetje en een vrouwtje. Jacob en Annabelle heetten ze. Net iets ouder dan jij denk ik. Jij bent hier alleen?’
‘Ja. Hebben ze hier lang gewoond?’
‘Een jaar.’
‘En toen?’
‘Toen heeft Annabelle Jacobs schedel verbrijzeld en is ze teruggegaan naar de stad.’
‘wacht wat?’
‘Ze heeft hem doodvermoord. Jacob is helemaal de dood in vermoord door Annabelle.’
‘Hoe is dat in godsnaam gebeurd?’ Vroeg Darko licht geschrokken, maar voornamelijk gefascineerd.​
‘Geen idee, zie ik eruit alsof ik tijd heb om de hele dag een beetje mensen te kijken? Ik heb een vrouw en kinderen te voeden weetje. En zo interessant zijn jullie nu ook weer niet. Vossen daarentegen… Vossen zijn echt de meest intelligente en majestue-‘ ​​
‘Je hebt genoeg tijd gehad om te weten dat de vrouw terug is gegaan naar haar geboorteplaats. Wat heb je nog meer gezien?’ Onderbrak Darko.
‘Goed, goed. Ik vertel het je, maar heb je binnen ergens een stok of iets? Ik sta liever terwijl ik vertel.’
‘Ik heb de rand van de haard als je dat fijn vindt.’
‘Prima.’

De vogel vloog langs Darko naar binnen en daalde neer op de haard. Darko nam plaats op een schommelstoel voor het raam en begon rustig heen en weer te bewegen.​​

‘Wat doen al die doeken hier?’ Vroeg de vogel.

‘Ik ben een schilder,’ antwoordde Darko.

‘Oh,’ zei de vogel.

‘Uh-huh,’ bevestigde Darko.

‘Leuk.’

‘Ja.’

‘Dus, Jacob en Annabelle kwamen hier twee jaar geleden wonen. En eerst was het – Heb je wat water trouwens?’
‘Uhh, ja, hiero. Zal ik gewoon wat voor je gieten of wil je een bakje of zo?’
‘Ik ben je gast, zeg jij het maar.’

Darko zette een klein kommetje neer en deed er een laagje water in.

‘Ah. Dankje,’ zei de vogel wiens schelle stem iets gesmeerder klonk door het drinken. ‘Zoals ik aan het zeggen was, de twee kwamen hier drie lentes geleden wonen. Het was een mooi stelletje, fysiek mooi ook. De eerste paar keer dat ik hier mijn noten kwam kraken hoorde ik ze ofwel hard lachen of uitbundig kreunen. ‘S avonds, wanneer ik een algemene verkenningstocht vloog, zag ik ze buiten op een boomstam zitten praten of samen dansen op een stuk gras tussen de bloemen in. Ze knuffelden en zongen en kusten en sprongen naakt in het meer verderop. Sommige dieren hadden last van hun luidruchtigheid, maar de twee waanden zich volledig afgezonderd van alles en leefden alsof dit hun wereld was. Ze deden niemand kwaad dus lieten de dieren ze met rust.’​​
‘Hoe heeft het zo fout kunnen gaan dan?’

De vogel ijsbeerde een beetje heen en weer en vertelde verder.

‘Weet ik niet precies. Ik zag op een gegeven moment, eind zomer tegen de herfst aan, steeds vaker alleen Annabelle dansen, maar haar bewegingen waren iets futlozer en de vleugels van haar jurk niet meer zo energiek als eerst. Wanneer Jacob erbij was moest ze hem aanmoedigen mee te doen. Ze begonnen hun lichamen te bedekken tijdens het zwemmen en het gekreun dat ik kon horen werd steeds meer binnensmonds. De late herfst bestond uit ruzies en stiltes. Door de schoorsteen hoorde ik af en toe dingen als “Zoek een ander dan als het je toch niet uitmaakt!” “Je denkt altijd maar aan één ding!” en “Je bent geen echte man!” gevolgd door “Houd je bek je weet niks!”. Dat ging zo door tot de winter. Annabelle was vaak huilend te zien buiten en Jacob bleef steeds meer binnen. De winter zelf heb ik verder niet meegemaakt, toen was ik op vakantie. Maar de volgende lente was zij vertrokken en hij ook in zekere zin.’​​
‘Klinkt alsof er iets niet helemaal goed is gegaan in de winter. Wordt het koud hier?’​​
‘Jaaa, ja tyfuskoud. Ik ben hier zelf nooit natuurlijk, maar een zooi lui lopen hier nog rond in die tijd en die praten er wel eens over. De rest graaft zich diep in of vinden ergens een grot en slapen het hele seizoen door. Maar in dit huisje zal het goed uit te houden zijn als je genoeg veren hebt en het vuur aan kunt houden.’ ​​
‘Heb je trouwens ook niet met Jacob en Annabelle gepraat dan?’​​
‘Ik heb me voorgesteld, net zoals ik bij jou nu doe, maar toen waren ze enkel blij verrast met het feit dat ik kon praten en zeiden ze de hele tijd dat ze gewoon hier wilden leven met ons. Dat was wat ze hier kwamen doen. Leven, weg van de drukte. We spraken wat af voor later een keer ergens, maar het kwam er niet van, je kent het.​​
‘En Jacob dan? Waar is hij nu?’ Vroeg Darko, allang gestopt met schommelen en nu aandachtig luisterend.​​
‘Die zag ik hier iets verder vandaan in een veld liggen. Ik denk dat hij een tango te veel heeft geweigerd.’​​
‘Ligt hij daar nog steeds?’​​
‘Weet ik niet, ik ben er sinds die tijd niet meer geweest, maar er zal vast nog wel iets van hem over zijn. Je kunt een keer gaan kijken als je van dat soort dingen houdt.’​​
‘Houden van is een groot woord. Het is eerder dat mijn nieuwsgierigheid sterker is dan mijn walging. Maar ik zie het wel een keer wanneer ik aan het verkennen ben. Ik hoef er niet bepaald naar op zoek of zo.’​​
‘Darko, we weten allebei dat je gaat kijken. Maar tot zo ver ken ik het verhaal in ieder geval. Sindsdien heb ik geen mens hier gezien tot jij aankwam.’​​
‘Oké ik snap dat je een beetje een apart beeld van mensen hebt dan. Maar ik ben alleen, dus behalve ik is er niemand om te vermoorden. Weten de andere dieren er misschien meer over? Kunnen ze allemaal praten?’​​
‘Nee, ik ben het enige pratende dier. Ik ben de gekozen vogel. De uitverkoren donswaaier, wondersnavel Dzjuwieuwie. De windbuige-‘​​
‘Ik snap je punt.’​​
‘Mooi. Dan ga ik weer verder als je het niet erg vind. Ik heb het druk vandaag. Bedankt voor het water en ik zie je vast wel weer ergens in de buurt.’

Darko stond op en liep nog steeds een beetje betoverd naar de deur die hij opende.
‘Dag,’ zei hij terwijl de vogel voorbij kwam suizen en hem in zijn nieuwe huisje achterliet.

Darko voelde een tinteling die hij niet kon verklaren maar ergens leek te herkennen van lang geleden. Hij pakte direct een doek en begon Ieuwie te schilderen. Hij had zijn ezel in een hoek bij het raam gezet en daarnaast stond een klein tafeltje met zijn verfspullen erop in het zonlicht. De tapijten en dierenhuiden die de vloer van het hutje bezaaiden deden kleine stofdeeltjes opwaaiien die hun intrede maakten in de zomerzon en het bestaan weer uitdwarrelden zodra ze de schaduw inzweefden. Het rook binnen naar hout met potentie. Hij nipte wat blauw aan zijn kwast en mengde het met een warme geeltint om een zacht groen te maken. Laag na laag verf bracht hij hier bovenop aan tot er uit een warrige boel donkere en lichte vlekken een prachtig klein vogeltje ontsprong. Het had zo’n gelijkenis met Ieuwie dat Darko haast verwachtte dat het doek óók tegen hem zou gaan spreken.

Hij nam een paar stappen terug, verschoof de schommelstoel en ging voor zijn werk zitten. In zijn achterhoofd hoorde hij even een zacht gefluit opkomen, galmen en afnemen, als een sinistere vogelzang of het ijzige blazen van de wind door afgestorven ledematen van zwarte takkenconstructies. De nerveuze angst die het gefluit had gebracht maakte plaats voor trots toen hij keek naar zijn doek. Dit was precies waarom hij hier gekomen was. Om geraakt te worden door iets dat fenomenaal was wat hij met de paardenharen van zijn kwast op een canvas zou doen verschijnen. Niemand had zijn kunst gewild toen hij nog thuis woonde, maar dat was niet de schuld van de mensen noch die van hem. Zijn inspiratie ontbrak, waar hij naar zocht bestond daar niet dus kon het ook niet geschilderd worden.

2

Met de aankomende winter op de drempel en de tapijten goed tegen de onderkant van de muren van het huisje aangedrukt stond Darko op om voor een van de laatste keren dat jaar buiten te gaan schilderen. Een maand of zes waren voorbijgegaan waarin Darko de wereld om hem heen in zich had opgenomen en iedere dag had geprobeerd af te beelden wat hij veranderd zag. Er was in de ochtend altijd wel een takje verplaatst door een konijn dat ’s nachts had rondgehuppeld of een wild dier dat zich even leende voor een snel geschetste impressie. Er was zoveel te schilderen geweest rond zijn hutje dat hij niet of nauwelijks de wijde omgeving had verkend. Zelfs de overblijfselen van Jacob had hij nog niet aangedaan, hoewel hij wel nieuwsgierig was gebleven. Op een veld met een grote stronk op de grond werkte hij aan een stilleven van twee bomen die omringd waren door rode bessenstruiken en hoog gras dat danste met de wind. Hoewel het eind november was had één van de bomen nog het merendeel van zijn bladeren terwijl de ander vrijwel kaal was door de oprukkende kou. De begroeide boom werd versierd door het volledige herfstpalet aan kleuren, de ander door een enkel overgebleven groen blad. Darko’s blik bleef hangen op dat aanhangsel van de verder dorre boom dat weigerde te verkleuren en zelfs tegen de wetten van de natuur in leek te vechten. Hij mengde een bijzonder fijne tint groen die hij bovenaan de boom verfde en waar hij in zijn schilderij perfect het zonlicht vanaf liet kaatsen, alsof er een aantal druppels op het blaadje lagen te wachten op iets.

Zijn laatste dagen voor de winter bracht Darko ongeveer zo door tot er in het begin van december ineens een kloppen op de deur te horen was. De eerste sneeuwvlokken die sinds die ochtend aan het vallen waren wekten een kinderlijke verheuging in hem en nu er ook nog bezoek was kon zijn geluk niet op. Maar toen hij de deur opendeed en zocht naar vleugels, of misschien dan toch een ander mens, zag hij niemand staan of zweven. Hij wilde naar voren stappen om om de hoek te kijken, maar schrok zich rot en kon net op tijd zijn voet wegtrekken toen hij bijna tegen iets op de grond aanschopte. Hij keek verbijsterd naar beneden en zag een dier zitten dat hij alleen als majestueus kon beschrijven. Het had twee dikke donzige oren, een spitse snuit met een nat neusje en een stel berustte ogen erboven die hem roerloos aankeken. Achter het hoofd zat een spits vierpotig lichaam met een prachtig gestroomlijnde vacht van lichtgrijs en oranjerood.

‘Gegroet, vreemdeling,’ begon de vos.
‘Gegroet, meneer de vos,’ antwoordde Darko.
‘Doe niet zo mal, joh. Meneer de Vos is mijn vader. Noem me Loewie.’
‘Ah, haha, aangenaam Loewie. Ik ben Darko, wat kom je hier doen?’

‘Nou, Darko, het begint winter te worden en normaal schuil ik altijd in een grot of een hol en jaag ik wat eromheen om het seizoen door te komen, maar het eten wordt steeds schaarser in het gebied hier en mijn favoriete grot is ingenomen door een beer. Ooit een beer gezien? Ik had daar zelfs nog wat reserves liggen van vorig jaar, maar daar kan ik nu wel naar fluiten. Nu vertelde mijn broer ooit een verhaal dat hij het geluk had om in dit huisje te kunnen overwinteren bij een lieflijk stel mensen. Misschien was het wel familie van je, hoe hij ze beschreef lijken jullie sprekend op elkaar. Goed, ik wil niet opdringerig overkomen, het is absoluut geen noodzakelijkheid, ik zou het alleen zeer op prijs stellen een dak boven mijn hoofd te hebben en verzekerd te zijn van overleven deze winter. Ik haal mijn eigen eten uit de buurt en slaap op de grond dus ik zal weinig tot last zijn, dat beloof ik.’

‘Eh, wauw, ja, ja natuurlijk mag je hier verblijven. Dat lijkt me leuk zelfs,’ zei Darko.

En zo gebeurde het dat de vos gedurende de winter in het huis voor de haard sliep.

Darko en Loewie werden langzaam aan vrienden en op een avond praatten zij over hun levens aan de tafel die in het hutje stond. Toen hij klein was had Loewie het altijd leuk gevonden om ’s middags te gaan jagen en vroeg in de avond langs de eikenlaan te lopen, maar hij at nu al tien jaar lang een combinatie van dezelfde paar soorten voedsel en kwam te vaak per week langs dezelfde plekken om nog enthousiast te zijn over de beleefdheden en woordgrapjes van Chip de eekhoorn, of wie dan ook eigenlijk. Hij kende de meeste dieren in de omgeving door en door en er gebeurde weinig opmerkelijks in het bos waardoor gesprekken vaak niet verder kwamen dan:

“Hey, Loewie.”
“Hey, Chip”
“Beetje goede vossenjacht vandaag?”
“Ach, het gaat, het gaat. Kheb twee konijnen, wat bessen en een kikkertje weten te bemachtigen.” ​​
“Zo zo, poeh poeh, nou nou, toe maar. Dat wordt dan lekker smullen vanavond als ik het zo hoor!”​​
“Ja, ja, het kan ermee door inderdaad. Konijntje is nooit mis. Besje. Hoe is het ehh, hoe is het met Chip verder?”​​
“Nou, nou, toch wel lastig zo hoor nu de dagen weer krapper beginnen te worden en het nestje nog eens goed geborsteld moet voor de lange dut. Ik heb nog een hele hoop werk te doen. Gelukkig heb ik al het nooTzakelijke ten minste al geregeld voor het seizoen, haha.”​​
“Ha, ja altijd fijn om in ieder geval eten te hebben inderdaad.”​​
“Zo is het maar net. Zo is het maar net.”​​
“…”​​
“Hee, doe de groeten aan de ouwe en je moeder voor me straks, dan ga ik hier weer verder.”​​
“Zal ik doen, Chip, komt goed. Groeten aan je kleintjes ook. Fijne dag verder.”​​
”Doei doei, Loewie.”

Een van de andere dieren in het bos, een uil genaamd Hoezo van Hoedan had Loewie een keer verteld dat de rivier nooit precies hetzelfde was. Iedere dag, iedere seconde, nee, alle tijdseenheden tussen de secondes in, werd het een compleet nieuwe rivier met nieuwe druppels die stroomden over een nieuwe bodem langs een nieuwe oever in een nieuw bos. “Ieder deeltje van ieder ding is constant in beweging en nooit hetzelfde, Loewie. Vind je dat niet wonderbaarlijk? Bedenk eens, wat zijn wij dan eigenlijk? Ben jij nu nog wel dezelfde vos als die vanochtend uit zijn bed kwam?”

‘Maar het ding is,’ zei Loewie, ‘Dan kan die uil dat dus allemaal leuk zeggen en zo, maar boeie welke rivier het is en welke waterdruppel welke is. Als ik erin val’
‘Wordt je nat,’ antwoordde Darko op de pauze die Loewie liet.
‘En als ik er niet van drink’
‘Ga je dood.’
‘Precies. Welke rivier het ook is, hij maakt me nat of droogt me uit. Punt. Het gaat niet om wat iets is, maar om wat het doet, Hoe. zei ik tegen die uil voordat ik verder banjerde.’

Loewie had het wel een beetje gezien hier. Het was allemaal een beetje hetzelfde. Als hij als klein vosje een nieuwe bessenstruik had ontdekt dan was het als een soort geheime snoepvoorraad die hij af en toe kon bezoeken indien hij de weg nog terug kon vinden. Nu was het gewoon de derde stop op een geoptimaliseerde route voor het verzamelen van bessen. Hij kon wel expres een verkeerde weg nemen, maar dan voelde hij zich zo klungelig. De konijntjes renden steeds net iets anders wanneer hij ze achterna zat en de bomen kregen zo nu en dan een ander kleurtje, maar het waren nog steeds gewoon konijnen en bomen die deden wat konijnen en bomen nu eenmaal doen. Het bos was saai geworden.
Loewie keek even naar Darko, toen naar het haardvuur en zei:

‘Het is gewoon niet echt een leven dat je bij jezelf voorstelt als welp zijnde, snap je?’
‘Ja, als jongetje lijkt er nog zoveel te ontdekken, maar alles wordt saai uiteindelijk,’ beaamde Darko.
‘Precies, precies. Er is niets meer te ontdekken hier, dat is het probleem.’
‘Over dingen ontdekken gesproken, probeer dit eens,’ Darko bood Loewie wat ravioli aan.

‘Godsallemachtig dit is lekker! Hoe kom je hieraan? Waar is het van gemaakt?’
‘Van ravioli.’
‘Oef, een menselijke delicatesse zeker?’
‘Mwah, dit sprokkel je bij elkaar na een matige dag konijnenjagen zeg maar.’
‘Ah, je bedoelt een rattenronde. Ravioli is als ratten?’
‘Ja, zoiets ongeveer. Hoewel we ook zat ratten hebben in de stad hoor, duizenden zelfs. Maar daar kom ik niet bij in de buurt met mijn tanden.’
‘Hmm. De stad klinkt zo slecht nog niet,’ zei Loewie terwijl hij het blik leegsmulde.

De twee aten hun eten op en gingen daarna voor de haard zitten. Darko op zijn schommelstoel, Loewie op een donker tapijt zo’n anderhalve meter van de vlammen vandaan.

‘Wil jij nu iets ontdekken?’ vroeg Loewie haast fluisterend terwijl het vuur knapperde.
‘Gaat het over Jacob en Annabelle?’
‘Het gaat over mijn broer, Foewie.’
‘Vertel.’

‘Twee winters geleden was een van de strengste winters die we gehad hebben. Mijn familie woont vrij ver weg van dit huis, diep in het bos ten noorden van hier. Het was zo koud en er was zo veel sneeuw gevallen dat we steeds verder van onze schuilplaats moesten gaan om te zoeken naar eten. Op een dag waren Foewie en ik richting het zuiden aan het gaan en stak er pardoes een-‘

‘Wacht, wacht S-sorry, pardoes?’

‘Ja, pardoes.’

‘…’

‘Dat is een woord.’

‘Ja, ja, weet ik, maar gossiemijne zeg hee.’

‘Taal gaat hier toch minder snel, gast.’

‘…’

‘Whatever. Een sneeuwstorm dreef ons een andere kant op en toen raakten we elkaar kwijt. Nou blij?’

‘Ja, ja ik mag je wel,’ zei Darko vriendelijk.

‘Dankje. Ik jou ook wel. Goed, het punt van het verhaal is: Foewie komt hier aan, uitgemergeld en onderkoeld, dus Jacob en Annabelle halen hem direct naar binnen als de goede mensen die ze zijn. Hij krijgt een heerlijke slaapplek, saillant detail, daar lig ik nu. En hij kan het eigenlijk heel goed met ze vinden. Alles lijkt prima, iedereen een nieuwe vriend erbij, iedereen blij. Maar er waren spanningen tussen die twee, gigantisch. Als Kennedy en Castro. Dus het begon al vrij snel duidelijk te worden dat die nieuwe vriend niet de oplossing voor het probleem was. Sterker nog, het probleem werd er alleen maar erger van. Jacob was, ehm. Met zijn vacht de verkeerde kant op geboren. Nee, nee, sorry dat is iets anders. Hij heeft nog nooit naar de Maan gehuild. Jacob heeft nog nooit helemaal naar de Maan gehuild. En dat is een probleem, want zie je, dit is een tweeslaapkamerhuisje. En Foewie heeft dingen gezien, jonge, hele vechtpartijen tussen die twee, knokkels, schenen, alles. Na een tijdje wilde hij bijna vluchten, maar het was koud buiten en te ver naar een goede schuilplaats, dus hij zat vast. Het bleef erger worden en Foewie probeerde vaak tussen beide te komen en de woede te sussen, tot ze elkaar echt met de dood gingen bedreigen. Ik denk dat ze beide geweten moeten hebben dat ze het niet in de winter terug zouden halen naar een veilige plek, dus moesten ze hier wachten. Ze konden het beide blijkbaar niet over hun hart krijgen tot het absoluut moest. Maar met de dingen die zij naar elkaar geroepen hebben is het geen verrassing dat het zo is gegaan. Ze hadden elkaar compleet en volledig gek gemaakt,’ Loewie viel stil en bewoog zijn hoofd dramatisch langzaam naar beneden en opzij. Hij sloot zijn ogen.​​

‘En toen!?’ ​​

‘Huh? Oh, ja, en toen. En toen werd het langzaam lente en droogde de sneeuw. Dus je had een boze man, een boze vrouw en een bange vos. Mijn broer, sluw als hij is, wilde nog geen kleur bekennen dus hij had nog niet onthuld wat zijn grootste wens was. Hij voelde ook dat er iets ging komen denk ik. Op een ochtend liep Annabelle naar buiten en even later volgde Jacob haar. Foewie is thuis gebleven en heeft uit het raam gekeken. Maar even later kwam Annabelle naar binnen met bloed op haar kleding en tranen op haar wangen. Ze had het echt gedaan. Ze had hem helemaal doodvermoord. Foewie troostte haar en bleef hier nog een paar dagen tot ze emotioneel stabiel genoeg was om een lange reis te ondergaan en daarna zijn ze samen richting de stad vertrokken.’​​

‘Wacht, samen?’​​
‘Ja, dat was Foewies grootste wens.’ ​​
‘Je broer zijn grote wens was naar de stad verhuizen?’​​
‘Yep. De stad is geweldig zei hij, je hebt er eindeloos eten en je kunt doen wat je wilt. Plus hij dacht dat je aardig wat geld kon verdienen als pratende vos. En dat is erreg bullangurrijk wist hij.’ ​​
‘En hij woont daar nu nog steeds?’​​
‘Geen idee, maar ik denk het wel aangezien hij nooit is teruggekomen.’​​
‘Wauw. En jij? Wil jij ook met mij mee terug als ik weer naar huis ga?’​​
‘Als je mijn gezelschap tot die tijd uit kunt staan, natuurlijk lijkt het me dan leuk om een keer te zien waar al dat geroezemoes over gaat.’

3

Een grondige theelucht trok door het hutje en Darko lag languit op de kleden voor de haard. Loewie was op sprokkeltocht, wat hem vaak een paar uur kostte. Hij sloot zijn ogen en probeerde de drie voor zich te zien. Jacob en Annabelle hadden waarschijnlijk dezelfde vrijheidswaanzin die hij zelf had ervaren toen hij hier aankwam. Er moest haast wel iets groters gebeurd zijn dan Loewie hem vertelde, iets dat twee geliefden in een jaar tot elkaars moordenaars maakte ging verder dan tekort komen in het baarmoederbeleg. Hij deed zijn ogen weer open en zag ineens een zwarte plek tussen de haardstenen en de muur. Hij kroop erop af en zag dat er een klein notitieboekje tussengepropt zat. Zijn bloed leek even te verharden. Het zou nog ruim een uur duren voor Loewie terugkwam. Iets voelde niet goed aan zijn verhaal. Hij wurmde het los en begon te lezen. Het was een dagboek met een paar beschreven bladzijden. Jacobs dagboek. De eerste datum die erin geschreven stond was twaalf november.

Hey, dagboek.

Ik weet niet hoe ik dit moet beginnen, want zo in het geheim schrijven voelt als een bekentenis an sich. Ik kan ook gewoon met haar praten zou je denken. Er is iets veranderd tussen ons. Logisch, maar naar. We wilden dit allebei, maar hier kon niet op gerekend worden. Ze heeft het zo vaak gehad over hoe graag ze moeder wilde zijn, hoe ze alles op wilde pakken en vertrekken naar een veilige plaats om haar kinderen op te voeden. Dit is die plaats, zij is die vrouw. Ik hoor die man te zijn. En ik weet dat ik het ben, maar het lukt niet. We zouden het kunnen laten testen en herstellen, maar dan moeten we terug naar de stad en Anna haat de stad. De stad is een met goudvissen volgestouwde vissenkom waar je langzaam je stralende pigment verliest voor een vale en haast transparante schubbenlaag zegt ze. Alles dat gedoemd is te krioelen in het midden kan niet verder kijken dan hun buren, laat staan nadenken over open water. We hebben het uit de massa gered, dit bos is de zee waar we naar verlangden. Maar nu? Wat moet ik doen? Ik durf niet meer vrij te zijn met haar. Seks maakt me bang. “Wat als het deze keer wél lukt?” betekent steeds minder tegenover de constante “Zie je wel.” van de passerende maanden. Wat kan ik haar nog beloven naast een goede vriendschap in de wildernis? En is het verlangen naar een kind alles dat haar bij mij houdt? Ze wilde als Eva zijn zei ze. De moeder in de tuin. En ik haar Adam. Is een kind daarvoor noodzakelijk? is het niet genoeg om geschapen te zijn? Is dat alles dat ik ben voor haar? Ik weet dat het niet aan mij ligt. Dat kan niet. Dat kan écht niet. Ik houd nog steeds van haar. En zij van mij. Dat moet wel. We vinden een manier. Het komt goed.​​

ps: Ik weet niet waarom, maar ik begin para te worden van die vogel. Ik zou zweren dat hij me aanstaart wanneer hij overvliegt. Het zal de spanning zijn.

Darko ging zo zitten dat, mocht Loewie vroeg terugkomen, hij kon doen of er wat spullen gevallen waren die hij op moest pakken, wat hem genoeg tijd zou geven om het boekje weer veilig terug te stoppen en las door. Twintig januari:

Hey, dagboek

Oké, ik heb dit lang uitgesteld, misschien te lang, maar ik moet het kwijt. Ze zijn nu weer samen weg en ik kan er niet meer tegen. Hoe kan ik haar zo kwijtraken? Ze liegt. Ze heeft geen vertrouwen meer in ons en het is allemaal de schuld van dat kutbeest. Hij bespeelt haar, maar ik kan er niets tegen doen want ze vat alles dat ik doe op als een aanval, als een list. Ik kan haar niet geven wat ze wilt. We praten amper meer en als we het wel doen zit die rotkop erbij, hij weegt mijn woorden en daardoor weeg ik ze nog meer. Ineens moet ik liefhebben voor een publiek, mijn gedachten filteren voor een dwalende charmeur terwijl hij bij Annabelle aan het slijmen is. Hij is alles dat ik zo verwerpelijk vond aan de normale wereld. Met zijn geniepige opmerkingen tijdens het eten en zijn complimenten. “Heerlijk gesprokkeld vandaag hoor, Belle. Hee, Ring ring wie belt daar? Anna! Anna wie? Anna belt! Oh, dat is grappig, want ik wilde net zelf Annabelle, haha.” En ze moest er nog om lachen ook. Ik kan mijzel wel wurgen bij de realisatie dat ik daarvan aan het verliezen ben. Ik durf te wedden dat hij haar wilt, maar ze gaat mij niet meer geloven. Voelt ze mijn pogingen als misbruik? Als verspilling van haar tijd? Ze is nog steeds niet zwanger, dus wat doe ik hier in godsnaam nog? Ik was zo blij dat ik eindelijk weg was dat ik vergeten ben wat ik eigenlijk kwam zoeken hier. Zou een kind het überhaupt nog redden op deze manier? Ik weet het niet meer. Ik wil gewoon naar huis denk ik. Naar huis huis. Opgerot met je afzondering en verheven leven, ik mis lopen door de straten met een Italiaans broodje gemaakt door een Marokkaan en ongecensureerde Japanse pornomarathons. Maar no way dat ik hier weg kom met al die sneeuw. Onze droom is een eenpersoonsnachtmerrie aan het worden met een walgelijke romcom spin-off. Ik haat dit. Nog twee maanden. Kankerfoewie.

Hij bladerde verder. De laatste pagina was gedateerd vijfentwintig maart. Het leek in een razend tempo te zijn geschreven, strakke uitschietende lijnen met wat krassen door woorden en inktvegen van de zijkant van zijn hand die te snel over het papier waren gegaan markeerden het blad. Er was wat geritsel van sneeuw te horen buiten en Darko legde in paniek het boekje terug, pakte zijn kwasten van de grond en deed of hij aan het verven was toen Loewie binnenkwam.

‘Hey, Loewie,’ zei Darko rustig.
‘Yo, Darko.’
‘Beetje lekkere sprokkelsessie?’
‘Redelijk redelijk, wat ben je aan het schilderen?
‘Weet ik nog niet. Ik wacht nog op inspiratie.’
‘Waarom schilder je niet een keer iets uit de stad waar je vandaan komt?’
‘Ik haat de stad waar ik vandaan kom.’
‘Waarom?’
‘Er is weinig moois te zien en voor iemand als ik ook weinig mogelijkheden.’
‘Iemand als jij?’
‘Ja, iemand die niets liever wilt dan kunst maken als dank aan de wereld, maar in zijn artistieke reikwijdte niet verder komt dan een paar van zijn minimumlooncollega’s en welgeteld drie vrienden.’
‘Zo erg kan het toch niet zijn? Ik zie al zoveel vogels en bomen en bloemen hier in de rondte liggen, het moet toch een keer gaan vervelen om steeds hetzelfde plaatje te maken? Wat wil je dán schilderen?
Darko betrapte zichzelf op een door onzekerheid aangedreven prozaïsche passie na het lezen van de dagboekbrieven en een ongemakkelijke noodzaak zichzelf te bewijzen.

‘Ik wil iets vastleggen wat niemand wilt geloven of ook maar kan begrijpen, maar waarvan ik zeker weet dat het waar is. Dat kun je niet vinden daar. Iedereen is te druk bezig met hun eigen onzin om op kunst te letten. Of op mensen wat dat betreft. Niemand heeft tijd om geïntrigeerd te raken, alles moet snel geconsumeerd en gedeeld worden. Een vlugge kijk op een kunstwerk of mens levert enkel een ondoordachte leus op die met arrogantie wordt rondgesmeten tegen andere ongeïnformeerde halve garen en dan moet tellen als een waardige interpretatie op karikatuurwaardige samenkomsten van sociaal vertroetelde maar ontologisch aride gezelschappen. De stad is een asiel van spirituele vuilnisbakkenrassen. Baggervolk. Daarom ben ik ermee gestopt. Ze kunnen allemaal verrotten van mij.’

‘Vindt je dat echt, Darko?’

‘Ja.’
‘Je moet het vast niet heel leuk hebben gehad daar dan. Was het moeilijk leven?’ Loewie klonk oprecht geïnteresseerd.​
‘Ik weet het niet, moeilijk is anders, maar lastig was het wel. Ik bedoel, je werkt een belabberde baan en daarna ga je aan je echte werk, want iets in me zegt dat ik moet schilderen en die stem ontkennen maakt me ongelukkig, maar de stem volgen soms ook, want het levert me niets op. Daarbij komt dat je echt hard moet schreeuwen om gehoord te worden, maar wie ben ik om te gaan staan roepen “Kijk naar mijn schilderijen! Zie wat ik maak!” Niemand wordt daar blij van.’​
‘Jij zelf ook niet?’​
‘Niet als niemand iets koopt nee.’​
‘En als ze wel “wat kopen”?​
‘Ja, zie je het al voor je. Het is niet goed genoeg.’
‘Maar je vindt het wel leuk om kunst te maken toch?’​
‘Ligt eraan. Het is anders soms. Hier maakt het niet echt uit, ik heb toch niets te doen dus ik schilder wat. Thuis is het… Het is niet meer gewoon… Het is… Het is als de bessen, weet je, de eerste keer iets schilderen of de juiste kleur vinden geeft zo’n heerlijke bevestigende rust van binnen. Alsof je de vlinders van verliefdheid kunt voelen voor iets dat jij zelf hebt gemaakt. Maar daarna moet je óf iets nog beters maken, óf steeds van dezelfde struik eten. En dat wordt moeilijk saai. Er is zoveel om over na te denken dat het vrijwel altijd voelt alsof ik stilsta.’​
‘Maar je hebt de struik ten minste gevonden.’​
‘Iedereen weet dat de struik bestaat. Sommige mensen maken hele bessentaarten, ik heb net zorgvuldig leren plukken.’​
‘Wil je niet leren hoe je een taart moet bakken dan?’​
‘Jawel, maar daarvoor moest ik naar een plek als deze. Ik voel dat het recept in me zit, maar mijn beslag moet beter gekneed worden, als we toch met deze grap verder gaan.’​
‘Ik weet niet veel van bakken af,’ zei Loewie vaderlijk, ‘maar de basis die ik heb geleerd is dat je voor beslag heel veel moet kneden voordat het bruikbaar wordt.’​
‘Ja, precies. Dat ben ik aan het doen.’​
‘Maar zijn meerdere handen niet fijner dan één? Denk je niet dat je sneller ovengereed beslag hebt als meer mensen helpen met het voorwerk?
‘Misschien wel.’
‘Dan kun je ook gelijk meer aandacht besteden aan het glazuur. En laten we eerlijk zijn, het gaat uiteindelijk allemaal om het glazuur.’
‘Maar dan moeten er wel mensen zijn die willen helpen, mensen zijn niet zo behulpzaam als je denkt.’
‘Hoeveel mensen heb je gevraagd voor hulp? Hoeveel andere schilders ken je?’
‘Een paar, maar dat kun je niet snappen, je kent geen mensen. Het is niet zo makkelijk als je denkt.’​
‘Hoeveel mensen weten eigenlijk dat je hier bent?’ vroeg Loewie vastberaden.
‘Niemand,’ antwoordde Darko met een vonkje achterdochtigheid.
‘Zelfs je vrienden niet?’
‘Ik heb vaak gezegd dat ik weg wilde, ze snappen het wel wanneer ik terugkom,’ ontweek Darko.
Wilde je ze niet gedag zeggen?’
‘Ik ben direct vertrokken nadat ik ontslagen was.’
‘Ontslagen?’
‘Ja.’
‘Waar werkte je?’
‘New York Pizza.’
‘Waarom ben je ontslagen?’
‘Ondegelijk gedrag.’
‘Wat houdt dat in?’
‘Het houdt in dat ik Daniël de hoofdpizzabakker de bakkes gekneed heb. Niet omdat ik schijtziek werd van eindeloos dozen vouwen en schrobben, niet omdat ik minder dan negen euro per uur kreeg en zélfs niet omdat ze je iedere dag zonder pardon twee uur langer laten werken en je schuld aanpraten wanneer je probeert te weigeren. Maar door die geniepige smerige lamlendig-in-een-vraag-verpakte kankercommando’s die ze je geven: “Hey, Darko, zou je even naar die vaat kunnen kijken?” “Yoo, Darko! Hey volgens mij hebben we nog wat dozen nodig, zou jij even de voorraad willen raadplegen?” “Oh, hee, fijn dat je toch nog even die twee uur extra door kon pakken, er is alleen in de tussentijd nog wel weer een vaatje bijgekomen, zou je die alstublieft even in beschouwing willen nemen? Ey, we doen allemaal ons best he. We zitten hier samen en iedereen werkt hier ook hard voor jou he, minste dat je kunt doen is werken tot ik zeg dat je wegmag en niet zo chagrijnig kijken, Hé, kun je dat doen voor me? Niet zo chagrijnig kijken?” Ik zweer het je er was één moment dat ik Daniëls hand op mijn schouder voelde en dacht dat het oprecht vriendschappelijk was toen ik vol enthousiasme en aardigheid mijn naam hoorde, maar hij had gewoon zin in een patatje joppie die ik moest halen bij de snackbar iets verderop in de straat – als ik dat even wellicht wilde doen voor hem natuurlijk.
‘Ik ken ook zo’n figuur ja,’ zei Loewie met zijn snuitje schuddend.
‘Dan weet je hoe vervelend het kan zijn,’ antwoordde Darko begripvol.
‘Tergend.’

De twee keken naar elkaar in een korte stilte.

‘Denk je misschien dat je hier comfortabeler kunt schilderen omdat je weet dat er niemand is die je kan zien?’
‘Weet ik niet.’
‘Ik denk dat het er wel iets mee te maken kan hebben.
Denk je dat het te maken heeft met het feit dat je op jezelf bent aangewezen en daardoor een manier hebt gevonden om naar je eigen oordeel te luisteren in plaats van kritische spookjes?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Wat ik bedoel is dat je jouw kunst in de stad nooit kunt laten worden wat het zou moeten zijn omdat je te druk bezig bent met wat het is. Terwijl je in het bos niets hoeft te zijn, maar je gewoon bént en daarvan geniet, wat je uit in je kunst.’​

‘Hmm. Misschien.’​

‘Denk je dat dat de reden dat je hier heengekomen bent is om te ontsnappen aan het oordeel van anderen, omdat je ergens wel gelooft in jezelf, maar de kwast oppakken voelt als een keuze maken en je twijfelt over het uiteindelijke nut van je keuzes in vergelijking met alle andere mensen om je heen die over je schouder meekijken en je voorbijkruipen in alles dat jij niet op dit moment aan het oefenen bent?’​
‘Weet ik niet, man. Het is niet zozeer dát, maar ik weet niet, het gaat ook allemaal om wie je kent en zo. Weetje ik ken niemand op die manier.’​
‘Dus je hebt ze opgegeven. Ze kunnen allemaal verrotten. Maar je zou ook graag met ze samenwerken en waarschijnlijk ook van ze leren. Waarom denk je dat ze je niet willen helpen? Ben je bang voor iemand? Voor wie ben je bang?’​
‘Niet voor iemand, Loewie, oké? Het gaat om meer dan alleen mensen hier, het is ook de plek die mensen verandert. De stad waar ik vandaan kom is geen speelplaats waar iedereen elkaar graag een handje helpt of zo.’​
‘Wat is het dan?’​
‘Het is eerder een soort overbevolkte zielenmolen die draait op het overtroeven van de anderen, terwijl alles en iedereen zonder pardon elkaar onder het blok in het midden tyft en het geluid van krakende botten en scheurende banden wordt verkocht als muziek. Want dan heb je ten minste nog iets leuks om naar te luisteren tijdens je troontocht. Fuck de stad. Fuck iedereen in de stad.’

‘Je bent gevlucht omdat je bang bent dat zelfs je best niet goed genoeg is voor iemand. Is dat het?’​
‘Ik heb hier geen zin meer in, oké, Loewie? Ik ga eten maken.’ ​
‘Geen probleem, ik probeerde je niet ongemakkelijk te maken, maar echte vrienden moeten ook echte vijanden van elkaar kunnen zijn om te groeien als personen.’​
‘Zijn wij echte vrienden ja?’ Sneerde Darko​
‘Oké auw. Nu heb ik ook even geen zin meer, laten we gewoon wat eten en een andere keer verder praten,’ zei Loewie terwijl hij op een deken ging liggen, zijn staart om zich heen sloeg en zijn ogen sloot.

De volgende keer dat Loewie wegging haastte Darko zich naar het dagboek en sloeg het open op de laatste pagina:

Hey, dagboek

Nog één opmerking en ik slacht dat kankerbeest. Ik kan dit niet meer. Ze liggen samen voor de haard. Ze leggen hun smerige poten op elkaar wanneer ze denken dat ik slaap. Want ze denken dat ik slaap, ze denken dat ik niets weet. Maar ik weet het. Ik zie het. Ze heeft me gevangen. Echt gevangen. Ik dacht dat ze de wereld was en me kon geven wat ik al die tijd zocht. Ik had nog nooit zo lang onbeschaamd met iemand gepraat, weken achter elkaar tot diep in de nacht. Je was perfect. En nu haat ik je. Nu walg ik van ieder woord dat over je liegende lippen komt rollen, je bent intern aan het verwelken. Ik moet vervellen. Het is mijn schuld. Ik dacht dat ik niets was dus liet ik iedereen zomaar mijn alles worden. Ten minste nog iets geleerd dan zeg maar. Je doet me dit aan. Ik wil het niet voelen, maar je dwingt het af. Ik weet waar ze heengaan. Ik weet dat ze samen weggaan en ik weet wat ze doen en waar ze het doen. Morgenmiddag. Morgenmiddag betrap ik ze en kan ze niet anders dan de leugen onder ogen zien en bekennen. Dat is alles dat ik wil, een gemeende sorry en de blik in haar ogen. Dan ga ik naar huis zodra het kan. Volgende week lijkt me goed genoeg, de meeste sneeuw is gesmolten. Maar ik ga je niet weg laten komen zonder te weten wat je met mensen doet. We zouden samen ontsnappen, maar je dumpte me zodra je het nut niet meer zag in mijn kloten. Ik ken deze kant van mijzelf niet. Ik schrik soms wakker uit fantasieën. Ik kan niet wachten om weer thuis te zijn, zonder deze zielvergiftigende serpent, fucking leugenares. Je bent geweldig zolang je denkt dat alles goed voor je uit gaat pakken, maar wacht maar. Wacht maar. Zodra je verder gaat graaien in die vissenkom van je zul je zien dat het probleem bij jou ligt. Ik ben klaar om te gaan. Ik heb mijn spullen gepakt, denk aan wat je hier hebt geleerd: Houd je aandacht erbij, laat mensen geen afleiding vormen voor je. Ken je waarde, je bent in ieder geval beter dan dit. Niemand wilt je redden, niemand kan je redden en niemand gaat je redden. Zolang je daar op rekent kun je alleen nog maar telleurgesteld worden door jezelf, maar dan weet je ten minste wiens schuld het is. Morgen is het tijd. Je moet durven, jongen. Of ga je over tien jaar hetzelfde schrijven in een iets ander jargon over een iets andere vrouw?

Darko las de laatste pagina aandachtig. Nog eens. Loewie verborg iets, hij legde het dagboek neer op tafel en besloot te wachten tot hij thuiskwam. Voor de zekerheid legde hij de haardpook gereed mocht de vos iets van plan zijn. Toen Loewie binnenkwam sprong Darko op en begon hem direct aanvallend te ondervragen.

‘What the fuck ben je van plan hier te doen, Loewie? En wat is er écht gebeurd met Jacob en Annabelle!?’​
‘Wow, wow, rustig aan, Darko. Waar heb je het over? Ik wil met je mee naar de stad en wat ik je heb verteld is alles dat ik weet over Jacob en Annabelle.’​
‘Bullshit, alles dat je me hebt verteld is gelogen, Jacob was niet de bloeddorstige maniak die jij hem deed lijken en het stel was helemaal niet gestoord tot het niveau van moord. Foewie heeft Annabelle gek gemaakt. Wist je dat ze samen sliepen? Jouw broer heeft ervoor gezorgd dat ze dit heeft gedaan, dus lul niet,’ riep Darko terwijl Loewie zelfverzekerd maar onderdanig weerwoord boodt.​
‘Hoe weet je dit allemaal? Waar komt dit vandaan, Darko?’​
‘Jacobs dagboek. Hier, lees het zelf als je het zo moeilijk te geloven vindt!’ En hij wierp het dagboek voor de vos. Hij las het aandachtig, Stootte een paar verebaasde “ohs” en een harde ademhaling uit en keek vervolgens met een licht gesmeek in zijn ogen naar Darko.​
‘Darko, geloof me, dit wist ik echt niet. Het enige dat ik heb gehoord is dat ze beide gestoord waren en dat Foewie het beste uit een afschuwelijke situatie heeft gehaald door mee te gaan naar de stad met de winnaar. Dat is wat hij heeft verteld aan ons. Meer niet. Als blijkt dat hij een rol heeft gespeeld in de moord is dat voor mij enkel meer reden om hem op te zoeken, zodat hij tot gerechtigheid gebracht kan worden. Maar zo ken ik hem verder niet.’​
‘Ha, ja hoe naïef denk je dat ik ben?’ Toen hij dit zei zag Loewie de haardpook naast de tafel staan.​
‘Hopelijk niet naïef genoeg om een nieuwe vriend te wantrouwen of iets aan te doen omdat je het dagboek van een vreemde hebt gelezen. Ik was er niet die winter, Darko, ik weet het ook niet. Echt niet. Maar ik vertrouw mijn broer als hij een verhaal verteld en zie hem niet zomaar aan voor een moordenaar. Dat moet je begrijpen.’​
‘Dan nog.’ Het was een seconde of twee stil voor Darko doorging.
‘Waarom vroeg je of mensen wisten dat ik hier was?’
‘Om te leren hoe je naar jezelf kijkt en hoe je met andere mensen omgaat. Het leek me belangrijk als ik je frustraties zo hoorde. Het klonk alsof je een angst had iets te zijn voor mensen, ook al zou je graag veel voor ze willen betekenen.’​
‘…’
‘…’
‘…’
‘Wacht, je dacht toch niet dat ik je iets aan wilde doen of wel?’ Vroeg Loewie lacherig verbaasd.​
‘Ik weet het niet, man. Deze hele plek is al onguur sinds dag één. Pratende vogels aan je deur en dan komt er ook nog die moord bij. Jij ineens hier in de winter. Ik weet het niet meer zo goed.’​
‘Heb je ooit het gevoel gehad dat ik je iets aan wilde doen? Echt een directe dreiging gevoeld zeg maar?’​
‘Nee, nog niet, maar je weet maar nooit. Het is bijna lente,’ zei Darko cynisch.​
‘Precies. Hoe minder graag ik je nu iets zie overkomen, want ik wil met je mee naar huis. Dat is mijn enige bedoeling hier en dat is het altijd geweest. Dat en jou een beetje leren kennen nu we hier toch zijn,’ zei Loewie vriendelijk en met overtuiging.​

Even stilte.
Ze keken elkaar aan.

‘Beloofd?’​
‘Beloofd.’​
‘Oké, ik vertrouw je.’​
‘Gelukkig maar. Had je dat ding voor mij gepakt?’ Loewie tilde zijn voorpoot op naar de pook.​
‘Haha, ja wist ik veel. Vossen kunnen best gevaarlijk zijn toch.’​
‘Jawel hoor, maar tot de dood win je hem waarschijnlijk wel.’​
‘Goed om te weten.’​
‘Nouja, vandaar dat ik me nu ook heel erg afvraag wat er precies is gebeurd, want Jacob had in principe Foewie kunnen hebben, tenzij Annabelle en hij echt samen hebben gewerkt. Maar dan weet ik niet meer precies hoe ik nou naar mijn broer moet kijken. Ik ken hem niet als een gewelddadig dier.’​
‘Zullen we morgen het lichaam gaan zoeken? Misschien dat daar iets te leren valt.’ Vroeg Darko​
‘Is goed,’ stemde Loewie toe.

De volgende dag gingen de twee op zoek naar het lichaam van Jacob. Ze kwamen aan bij een veld en zagen een smalle rechthoek aan sompige kledingfragmenten omhooggehouden door de restanten van een jarenlang rottend karkas. Het was duidelijk dat hier geen antwoorden te vinden waren. Darko keek naar wat er over was van Jacob en dacht aan het dagboek. Jacob had hem geen onredelijk persoon geleken. Bang zeker, eenzaam in zijn strijd wellicht, maar niet onredelijk. Hij keek en voelde ineens een serie aan golven van sympathie over hem heenkomen terwijl de volledige realisatie van zijn relatie met dit morbide smeersel tot hem doordrong. Van Ieuwies twittergerucht tot wat intieme stukken tekst en nu amper nog een lijk te noemen. Jacob. Geliefde van Annabelle. Darko mistte ineens intens zijn vrienden thuis.

‘En dan hier belanden omdat je kwakje niet goed blijft plakken.’ Zei hij.
‘Ai. Wanneer het op hun nalatenschap aankomt zijn veel dieren hetzelfde denk ik. Als je geen kinderen kunt leveren, kun je net zo goed sterven, want wat voor een nut heb je dan voor iemand anders?’ beaamde Loewie.
‘Ik heb genoeg gezien.’ Zei Darko na een moment of twee. ‘Zullen we gaan?’
‘Is goed.’
‘Maar zullen we ook gaan gaan?’
‘Dat is aan jou, Darko. Je weet mijn antwoord.’

Toen ze thuiskwamen schilderde Darko nog één doek met het lichaam van Jacob in het midden omringd door bomen van ieder seizoen en het huisje in de achtergrond. Vanuit de struiken onder de bomen zag je loerende ogen van wilde dieren schijnen en in de linkerbovenhoek vloog Ieuwie, terwijl een vrouw in een zwart gewaad over het lijk stond te huilen met haar handen gevouwen over haar buik en een mes door het hart van haar slachtoffer. Tegen het been van de vrouw aan zat een vos omhoog te kijken naar haar gezicht met de blik van een hond die geaaid wilt worden. Darko werkte de hele nacht door en tegen de avond van de volgende dag was het af. Darko was tevreden. Ze sliepen nog een nacht en pakten de volgende ochtend hun spullen om te gaan. Hij ruimde alles in behalve zijn laatste werk, die hij boven de haard hing en vertrok samen met Loewie richting de stad.

4

Twee dagen nadat ze het huis verlaten hadden was er een getik op het dak te horen. Het geluid bewoog naar de schoorsteen en daarna was het een lange tijd stil. Er was gefladder te horen in de woonkamer en een klik aan de deur. Naar binnen geparadeerd kwam een statige vossenvrouw, de moervos van Foewie en Loewie. Haar man dartelde nog eens door de ruimte en zag het schilderij boven de haard hangen.

‘Zie je wel, schat. Nu met de kinders eindelijk uit huis en dit prachtige nieuwe stuk familiegeschiedenis kan het leven pas echt beginnen.’
‘Het is inderdaad toch net iets ruimer dan ons vorige stekje,’ zei de dame.
‘Yep. En nu we eindelijk een fatsoenlijke haard hebben hoef ik ook niet meer iedere tyfuswinter naar het zuiden te vliegen. Als we nog een kleine zouden nemen zou ik hem dit keer bij wijze van spreken kunnen zien groeien in je buik.’

‘Haha, ja, bij wijze van spreken wel,’ lachte de moervos met een acute paniek en schaamte.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s